Gepost door: Voestermans and Verheggen | 20 januari, 2018

Bevrijd integratie van het identiteitsdebat

Zoals Annelien Jonkman opmerkt in haar gastcolumn in de Volkskrant van 16 januari 2018, hadden we al 40 jaar kunnen zien aankomen dat we de problemen met integratie zouden krijgen en dat bepaalde groepen uit de bevolking erg ontevreden zouden zijn over de nieuwkomers. Zij kondigt aan op het Herbert Vissers College waar zij wiskunde geeft drastisch een einde te willen maken aan segregatie door een speciaal programma onder de codenaam HVX (waarover we nog veel zullen horen straks in sepetember 2018, zo kondigt ze aan).

Ze heeft groot gelijk, maar ze zal moeten opboksen tegen de lange onzalige verbintenis tussen integratie en identiteit.

In het jaarverslag van de NRC werd het identiteitsdebat uitgeroepen tot een van de belangrijkste debatten van het jaar 2017. In dit debat is identiteit nauw verweven met integratie. Juist deze verbintenis geeft ernstige problemen. Door grote nadruk op hoe of wat mensen zijn en/of graag willen zijn, dat is identiteit, segregeren ze eerder dan dat ze integreren.

Ik ben oud genoeg om het politieke begin en vooral ook de wetenschappelijke gevolgen van deze onzalige verbintenis te kunnen traceren. Meer dan 40 jaar geleden was er sprake van categorale zorg voor wat toen ‘gastarbeiders’ heetten. Dat was per culturele groep bijstand verlenen aan de opname van deze nieuwkomers in onze samenleving. Dat gebeurde mede door hen hun ‘cultuur’ te laten behouden.

Bij Cultuur- en Godsdienstpsychologie (C&G) aan de Radboud Universiteit bestudeerden we ‘minderheden’ door cultuur op de psychologische snijtafel te leggen. Dat gebeurde naast de meer gebruikelijke studie van cultuur in antropologie en sociologie. We bogen ons ook over deze politiek van behoud van de eigen cultuur. Wat meteen opviel was dat in de slipstream van het behoud van de eigen cultuur de autoriteit in minderheidskringen – in de vorm van religieus en mannelijk gezag – ongehinderd de identiteitskaart konden uitspelen. Dat was immers het beste voor behoud van de eigen cultuur: ervoor zorgen dat eigen identiteit voorop staat. Dit uitspelen gebeurde overigens in de gemeenschappen zelf en stond los van de beleidswijzigingen rond integratie. Die waren er namelijk wel een paar. De belangrijkste wijziging was dat bij de toename van gezinshereniging het standpunt van behoud van de eigen cultuur werd verlaten en ingeruild voor de nadruk op meedoen in de Nederlandse samenleving. Maar toen was bij wijze van spreken het leed al geschiedt: de eigen identiteit blijkt meer en meer een belangrijk thema in migrantenkringen.

Helaas werd in de vele rapporten over integratie onvoldoende onderkend dat identiteit als thema politiek heel anders uitwerkt dan behoud van de eigen cultuur. Het dentiteitsstreven is namelijk een eigen leven gaan leiden. Het benadrukken van de eigen identiteit ging gewoon door, wat er ook over integratie en cultuur werd beweerd. Dat is onvoldoende opgemerkt. De leiders ontmoedigen het belang van eigen identiteit namelijk niet. Te meer niet omdat hele gezinnen met hun praktijken en gewoonten die waren opgedaan in bijv. de kleinere steden en op het platteland van Turkije en in het Rifgebergte van Marokko, in Nederland elkaar opzochten en hun kinderen gingen opvoeden. Ze ondervonden steun van het door hun leiders aangemoedigde identiteitsstreven. Maar dat was geen gevoelen dat overal even sterk aanwezig was. Daarvoor was het tezeer gebonden aan specifieke groeperingen. Het was zeker geen cultuurbreed gegeven. Ik kom daarop terug.

Voorbeelden van het aanwakkeren van de eigen identiteit zijn hoofddoeken bij vrouwen maar ook dat werd toegestaan dat een deel van Marokkaanse jongens de straat op ging om onder het ouderlijk gezag uit te komen. Thuis speelden dan absoluut geen problemen, wat vaak juist wel het geval was bij Nederlandse jongens die op straat zwierven. In sommige Marokkaanse kringen vindt man worden op straat plaats. Dat staan sommige van deze vaders toe. We wezen toen al op deze verschillen in vrijgevochtenheid op straat. Mixen met de ingezeten staatjeugd kan dan explosief zijn. Dat leidde ook tot een andere omgang met niet-Marokkaanse meisjes en tot andere seksuele mores. Daar wezen we ook op, o.a. in artikelen voor de krant. We stelden vast dat allerlei ‘culturele’ thema’s lokaal in de gemeenschap versterkt werden. Maar we zagen ook dat veel mannen en vrouwen zich hieraan onttrokken.

Politiek en maatschappelijk vormt het bevestigen van de eigen identiteit in minderheidskringen het begin van de lange weg van het linkse ‘pamperen’ met de huidige problemen als gevolg. En rechts kon blijven afgeven op de achterlijkheid in de kringen van minderheden. De gevoeligheid van links voor identiteit begon al vroeg in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Enige lokale anekdotische informatie verduidelijkt dit. Publicisten die nu bekende Nederlanders zijn en het identiteitsdebat mede vorm geven, behoorden toen tot de toenmalige studentengroep van o.a. C&G. Deze groep was erg doordrongen van marxistische idealen waarin ‘gastarbeiders’ bepaald niet mochten opgaan in de ‘cultuur’ van Nederland. Dat standpunt heerste niet alleen in Nijemgen. Het werd door meer studenten in meer universiteitssteden gedeeld. Evenals gewone Nederlandse arbeiders behoorden ook de buitenlandse arbeiders niet zwichten voor wat toen de Nederlandse autoriteit kenmerkte: een regenteske, zelfgenoegzame, gezagsgetrouwe houding bij de aanpak van eigenlijk alles in het toenmalige burgerlijke bestaan.

Over deze linkse houding van studenten destijds schreef ik samen met een collega ons proefschrift, De Vergruisde Universiteit. Daarover waren deze studenten erg kritisch omdat we hun politieke keuzen analyseerden in termen van lokale groepsgebonden politieke houdingen die per faculteit verschilden. Dat mocht en kon niet. Het ging de linkse student om een ongedeelde politieke identiteit. Wat bewaakt moest worden was de eigenheid van het echte linkse geluid. Dat terugbrengen tot groepsgebonden politieke schermutselingen op de uiterste linkse zijde van het politieke spectrum was ongehoord. Paul Scheffer – een blauwe maandag student bij C&G of in elk geval bekend met onze aanpak – was daarover zeer uitgesproken in de Groene Amsterdammer van 5 september 1979.

Nadruk op behoud van de eigen cultuur en identiteit in minderheidskringen sluit daar naadloos bij aan. Toen ontstonden de eerste bubbels, de eerste afgesloten segmenten in de samenleving met praktijken die niet alleen in de politieke maar bij jonge studenten ook in de academische arena werden verdedigd. Het eerste in naam van ‘behoud van hun cultuur’; het laatste in naam van ‘wetenschap in dienst van het volk’.

De belangrijke les uit al ons onderzoek, ook dat onder studenten, is voor mij dat ‘cultuur’ in gedragswetenschappelijke zin geen gegeven is maar iets dat psychologisch geherconceptualiseerd dient te worden. Daarover schrijf ik en stel bijv. vast dat cultuur en identiteit bij sommige leden van de Marokkaaanse en Turkse gemeenschap duidelijk een aangelegenheid zijn van gedragspatronen die opgedaan zijn in het land van herkomst, maar niet meer voldoen in het land van aankomst. Waar eraan wordt vastgehouden wordt de integratie ernstig bemoeilijkt. Het is dus wel van het grootste belang dat je je goed realiseert dat je deze gedragspatronen niet kunt uitsmeren over de hele cultuur. Daarvoor zijn er teveel uitzonderingen. Kortom, ze behoren tot lokale, vooral aan mannelijk gezag gebonden praktijken worden teruggebracht. In die praktijken is eerder het hele lichaam geïnvolveerd en niet zozeer slechts een bestand aan opvattingen dat wel even kon worden gecorrigeerd met een paar cursussen van hoe wij het hier doen.

Voor deze aanpak van ‘cultuur’ in termen van affectieve en cognitieve psychologie met een grote rol voor het expressieve lichaam kregen we de heersende onderzoekspraktijk niet mee. Daar zijn vele redenen voor die vooral te maken hebben met de status van de psychologie als wetenschap, ook al heeft deze qua onderzoek de langste wetenschappelijke traditie met een sterk bèta karakter. Cultuur behoort niet tot het speelveld van de psychologie maar eerder van de antropologie en de sociologie. Dat is ook terug te vinden in wie tot op heden in de krant erover schrijven.

Over het misverstand cultuur schreef ik samen met Cor Baerveldt een artikel met die titel. Het grootste misverstand is nog steeds dat ‘cultuur’ gebruikt wordt als rechtvaardiging voor gedrag: ‘zo doen we dat nu eenmaal’. De koppeling met identiteit ligt dan erg voor de hand en is eerder verstevigd dan verzwakt. Het gebruik van de term ‘cultuur van….’, dat wil zeggen benaderingen van problemen in termen van ‘de cultuur van…’ en vul dan maar in: van Marokkanen tot politie en banken, is blijven bestaan. Het inzicht dat dit de echte oorzaken van de problemen met integratie verhult en ruim baan geeft aan identiteitspolitiek, moet nog doordringen.

Paul Voestermans

Advertenties
Gepost door: Voestermans and Verheggen | 18 januari, 2018

De onzinnige terugkeer naar geopolitiek

Dit is nu eens te meer van belang: geen “Occidentcentrisme”, zeker geen Eurocentrisme, geen louter nationale belangen, maar een wereld waar de rechten en plichten die het goede leven voor allen mogelijk maken op de agenda komen.

Cultuur & Psychologie blog

In ons boek Culture as Embodiment kritiseren wij de politieke analyses die zich baseren op geopolitiek en niet op de globalisering van gedrag, niet op wat mensen verwachten van de verbreiding van het wereldwijde succes van de leefstijl die zijn eerste vorm kreeg in de westerse wereld. Globalisering van gedrag is de verspreiding van gedragsvormen die samenhangen met het beschikbaar komen van onmisbare materiele genoegens, gemakken en diensten. Deze zijn het gevolg van veranderingen in levensstijl die in gang zijn gezet door wetenschap, techniek en wereldwijde vrijhandel. Ze raken iedereen en daardoor veranderen de eisen aan het leven van alledag. Dat ervaren mensen heel concreet aan den lijve. Daarmee raakt de bestaande orde op achterstand. Vanzelfsprekend wil ook dat deel van de bevolking vooruit dat tot dan toe van allerlei privileges werd uitgesloten: vrouwen, jongeren, minderheden etc. Er worden nieuwe rechten en plichten geformuleerd tot en met de manier van…

View original post 938 woorden meer

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 1 januari, 2018

‘Exit cultuur’ revisited

Het zo vaak op deze weblog bepleitte “Exit Cultuur” d.w.z. cultuur niet langer opvoeren als verklaring voor gedrag is een bloedserieuze zaak. Even kort nog, bij wijze van samenvatting: als je cultuur als gedragsverklarende variabele afschaft ben je gehouden op zoek te gaan naar wat bepaalde patronen in gedrag wél verklaart. “Cultuur van….”-redeneringen helpen daarbij niet. Er bestaat teveel gedragsvariatie binnen wat je bijvoorbeeld met “de Marokkaanse cultuur” of “de Turkse cultuur” als culturele groep bestempelt. Dat geldt ook voor het gebruik van “de cultuur van politie” om bepaalde misstanden in het corps aan te duiden. Je mist dan juist het bijzondere dat de groep als geheel plaagt.

In de Volkskrant van 30 december vertelt Tommy Wieringa de journalist Laura de Jong over een opmerkelijke ommekeer in zijn denken. Hij was ooit mordicus tegen grenzen. Ze leiden tot bekrompenheid en ze verhinderen mensen om deel te nemen aan de verworvenheden van de wereld die er zo langzaamaan tot tevredenheid van zeer velen is ontstaan. Maar zo denkt hij niet langer. Hij wil nu dat de buitengrenzen van Europa goed bewaakt worden want de toevloed wordt te groot van mensen met opvattingen, gevoelens en praktijken die duidelijk een stap terug zijn. Vergelijk ze met waar wij intussen zijn aangeland, bevrijd als we zijn van religieuze ballast rond bijvoorbeeld kledingvoorschriften, eetvoorschriften, seksueel gedrag en sekseverhoudingen en het wordt klip en klaar dat we duidelijke afspraken moeten maken over wie wel en wie niet en hoeveel. Het gaat niet van harte, zegt Wieringa maar het moet: “Vriendinnen van me kunnen niet prettig door delen van Amsterdam fietsen. Dat vind ik onaangenaam. (…) Ik ervaar verlegenheid wanneer ik met de preutsheid van de orthodoxe islam wordt geconfronteerd. Vrouwen die me niet aankijken in het contact. Ontmoetingen die ongemakkelijk verlopen omdat ik niet hetzelfde geloof heb. De Marokkaans-Nederlandse voetballertjes met wie ik na een rugbywedstrijd de kleedkamer deelde, die gekleed douchten. Daar zelf naakt tussen gaan staan is dan vreemd. Lichamelijke en geestelijke preutsheid verheft zichzelf tot norm en infecteert ook degene die er niks mee te maken heeft”.

Wie goed om zich heen kijkt ziet overal vergelijkbare reacties. De mensen die nog uit eigen ervaring weten hoe het ruim een halve eeuw geleden bij ons hier eraan toeging als seks, de man-vrouw verhouding en gezag ter sprake kwamen, of zich uit de tweede hand van de toenmalige gebruiken op de hoogte hebben gesteld, gruwen van de terugkeer van preutse praktijken, bazige mannen en achtergestelde vrouwen.

Deze achterlijkheid, want dat is het, kan niet genoeg worden gedocumenteerd. Ook de afwijzing kan niet scherp genoeg zijn. Maar er is één zaak waar we goed op moeten letten als we voor dichte buitengrenzen pleiten: wat afgewezen wordt is gedrag, dat wil zeggen bepaalde vormen ervan, en geen mensen. Het gaat om gedrag dat is aangeleerd in omstandigheden in het land van herkomst die in het land van aankomst niet meer van toepassing zijn. Desondanks denken sommigen in hun gemeenschap dat dit gedrag opnieuw moet worden verordonneerd. Waarom? Omdat het die leden van de gemeenschap goed uitkomt. Ook al zijn de omstandigheden nu radicaal anders, het is duidelijk dat er onder de nieuwkomers voormannen – ja hoofdzakelijk mannen – zijn die de verhoudingen zoals die lagen in het land dat ze hebben verlaten willen handhaven. Dit is de crux in mijn pleidooi voor exit cultuur. Er bestaat geen gedrag dat van ‘de cultuur’ kan worden afgeleid of erdoor wordt voorgeschreven. Of preciezer gezegd, het haalt weinig uit als je op een of andere ‘culturele’ oorsprong wijst. Er bestaat alleen gedrag dat lokaal wordt aangeleerd en dus ook kan worden afgeleerd. Je zou willen dat bij alle pleidooien tegen gedragingen uit het jaar nul veel radicaler op zoek gegaan wordt naar de bron ervan. Die ligt niet in de cultuur.

Betekent dit naming en shaming van concrete lokale groeperingen? In zeker opzicht ja. Maar niet meteen van mensen, maar wel van wat er wordt aangericht. Zoals dat ook bij #MeToo het geval is. Ook daar moet gedrag met naam en toenaam worden benoemd. Iedereen weet dat je daarbij zorgvuldig te werk moet gaan. Zomaar met de vinger wijzen naar wie je toch al graag een loer wilde draaien wordt niet getolereerd. Het moet gaan om seksueel gedrag waarvan de betrokken vrouw of man zeer nadelige gevolgen ondervindt. Hetzelfde geldt voor de achterlijkheid waarvan Wieringa ons staaltjes laat zien.

Neem dat gekleed douchen. Wat is er mis met de zedelijkheidsopvatting van de jongetjes? We scheiden toch overal bij het opfrissen bij sporten mannen en vrouwen? We hebben hier toch een zedelijkheidsnorm die we allemaal vanzelfsprekend vinden? Waarom mogen anderen dan niet tegen naaktheid tout court zijn? Heel eenvoudig. Op het gevoel dat er iets mis is met naaktheid kan gemakkelijk identiteitspolitiek worden geënt. Wie met de gemeenschap andere zaken voorheeft dan een gedeelde toekomst komt gepreek over het lichaam dat bedekt moet blijven waar ‘zij’ het zomaar tonen, goed uit. De jongetjes in de douche worden dan al heel gauw zover gebracht dat ze niet meer gewoon meedoen. Omdat we allemaal een lichaam hebben met verlangens waaraan vorm gegeven moet worden, is de seksuele moraal altijd een een handig middel geweest tot controle en machtsuitoefening. De conservatieve islam staat daarin niet alleen. Maar we hebben niet voor niets de laatste vijftig jaar een hele weg afgelegd van preutsheid naar vrijzinnigheid, zodat dat gepreek van moralisten geen kans meer krijgt. Het heeft vrouwen in het algemeen bevrijding gebracht, maar vooral ook die vrouwen die van het patriarchale gezag in hun culturele groep te lijden hebben.

Er zijn ook stemmen die zeggen dat het allemaal zo’n vaart niet loopt. Zo haalt Leo Lucassen in DeKanttekening van 4 december, 2017 onderzoek aan waarin optimistisch wordt gewezen op de geringe moeite die de meeste vluchtelingen uit islamitische landen zullen hebben met de kernwaarden van de Nederlandse samenleving (zie het rapport van de WRR, Geen tijd te verliezen uit 2015 en het rapport van het SCP Vluchtelingengroepen in Nederland uit 2010). Ze doen er wel 20 jaar over, staat ook in die rapporten.

Inderdaad, integratie is een proces van lange adem. Het gaat om hardnekkige patronen in gedrag. Die wijzigen zich niet op stel en sprong. Maar dit soort bevindingen over integratie in deze rapporten nemen de zorgen van dit moment niet weg. Ze geven ook geen inzicht in de bron van de hardnekkigheid. Die ligt ook in de onwil van wie de contole in de islamitische gemeenschap wil behouden, zoals dat ooit ook bij de Christelijke kerken het geval was. Dat probleem wordt in deze rapporten niet eens aangestipt, laat staan gediagnosticeerd. En dat moet wel degelijk.

Vergeet overigens niet dat veel van de door Wieringa gelaakte gedragspatronen, vooral die welke gaan over de man-vrouw verhouding en over het gedrag van jonge jongens, mede het gevolg is van botte intimidatie en het aanjagen van angst, iets dat elk groepsgedrag karakteriseert. De op straat “hé, hoer”-hissende jongens leren dit gedrag in eigen kring onder invloed van wat overal, ook onder de Nederlandse jongeren die afkomstig zijn uit kringen van wie hier al geslachtenlang wonen (zo omslachtig moet je het formuleren: ‘vaderlandse herkomst’, zeg maar) het geval kan zijn: niet willen onderdoen voor elkaar. Het heeft niets te maken met ‘cultuur’. Van de jongens van vaderlandse herkomst die zoiets doen zeg je ook niet dat het “hun cultuur” is.

Om kort te gaan: de hekel aan gescheiden zwemmen, halal, vrouwen die apart gehouden worden etc. die ook Wieringa voelt, vindt zijn oorsprong in het bij ons voor altijd verslagen gewaand moralisme. Moralisme is heel iets anders dan normativiteit. Dat laatste is gezamenlijk zonder aanziens des persoon luisteren naar wat goed is voor ons allemaal. Moralisme is dat er een bevoorrechte groepering is die anderen haar zedelijkheidnormen of haar kijk op het leven oplegt. Daar zijn we goddank vanaf. Dreigt dat terug te keren dan proberen we de buitengrenzen te sluiten.

Dus bewaakte buitengrenzen? Zeker! Maar dit hierboven ook.

Paul Voestermans

Timothy Garton Ash asks for a moratorium on discussions about Europe. It would be better if the officials in Brussels would make no far-fetched promisses anymore but count the blessings of the achievements made and give once a year a report on real advances. Otherwise people won’t believe them anymore. Indeed, it is always better to deliver more than is promised. The rest is silence.

Understandable, but wrong. Contrary to this view I would suggest to bring up the issue of Europe in all public gatherings of whatever political party and discuss with the people present what can be done to revitalize the Eupean project. All politicians who are involved in this project anyway should present it in a still more positive way. Those against should be confronted with a proper list of the advantages.

It is a pitty that the discussion about Europe has been sickened for years by misrepresenting what more Europe really entails. It doesn’t mean being against localism. It doesn’t imply a derogatory attitude towards the sentiments people invest in their dearest places of remembrance. It also doesn’t mean that the peoples that now form the nation states have no say in now-national decisions about important regional and local issues. It means real solutions to real problems.

As Arnon Grunberg once wrote in one of his Footnotes (De Volkskrant of October 1st): “a strong regional identity has no need of the nation state”. To feel connected one needs not so much a nation state nor Europe, but a region.

let’s go back to the one who has been a loud and early proponent of more Europe. What did Verhofstadt say in his Van der Leeuw lecture on October 18th 2013 in Groningen? What has he repeated ever since? He simply argues that (1) a controlled military defense, that is to say, a valid claim to ‘the monopoly on violence’, (2) a reliable financial system that guarantees no risky or downright criminal speculation and bailouts of  banks “too big to fail” at the expense of the taxpayers, (3) a workable social security system (4) a fair job market and (5) an effective environmental protection system cannot do without a strong central administration.

It implies a strong arm, a fair juridical system, and an accountable government that crosses national borders just like pollution, terrorism, bad finance and many other threats to the good life do. Is Verhofstadt against the nation state? Not at all, the more local, responsable communities at the national level, the better. The point is: how to achieve a versatile, deployable government ready to face problems that don’t stop at national borders. The only way this can be achieved is a united Europe on relevant domains.

To sum it up: Verhofstadt does not favor a superstate. All he strives at is good government in three interrelated areas: the domain of social security/welfare and the labor marked, the area of environmental protection and, the most difficult domain of all: the finical system. The problem of migration needs to be added here. It also transcends national borders. Nation States have no real solution for this problem, which also involves population policies that no nation state can solve on its own. Good government does not involve sentimental “power to the people” rhetoric, but good legislation and execution of power controlled by a well-functioning parliament that counteracts national blind spots and ill-advised short-term interests. If one thinks that present-day EU falls short in accountability, the problem should be named as such. No vague, general dismissal!

How to mobilize the citizens for that? By continuous presentation of this European ideal by local national governments, nothing more and nothing less. It requires courage and perseverance at all local governmental levels without exception by the only important community that exists already: educated people that live in the cities and have already adopted these administrative projects. All existing governments should cooperate with such citizens in as much intellectual exchange as possible and quickly so in order to attain this new central government.

Yet, what is often the answer to this rather down-to earth plea for good government? Either the enormous difference in so called “cultures” is emphasized or the indispensable nation state and sovereignty are put up-front as a means to stimulate political involvement and adequate dicision making. Why not making a case for quite the contrary: that the nation state is a hindrance? That it fans the fire of mere sentimental nationalism? That it obstructs the strivings of those who really care?

It is often argued that in fact big companies profit the most from the European Union because of cheap labor, no currency transactions and no impositions at the borders. The so-called ‘common lot’, we ordinary citizens pay the price. A better balance can be achieved by reinforcing the nation state, so is agued.

Yet, in this type argument one forgets that there are still numerous national obstacles in trade and transfer and that the labor market suffers from national shortsightedness, due to e.g.  corruption, protectionism and bad social security in countries with limited resources. More Europe can improve that. Corruption is generally the result of an ill-funcioning national elite, nothing more and nothing less. Only by means of a strong United States of Europe one can fight the conditions that create such a disfunctional national elite. Something new can be controlled much better than worn-out national potentates.

It is said that the real European agenda should incude new jobs, obeying the 3% norm, respect for labor rights, more cooperation in regulating and controlling the labor market, measures against tax avoidance, exploitation, unequal pay, protected outer borders against the uncontrolled influx of less prosperous and poorly educated young men predominantly, and a fair treatment of those who seek refuge etc. But this agenda can only be realized  with more instead of less Europe. The nation state is powerless in facing these issues. How can the outer border be protected without the USE?

One should also not forget that the nationally organized strong lobby of the banks, again in favor of deregulation after all that has happened since 2008, is still very powerful; may-be also in the corridors of the European parliament due to failing unification, by the way. This can only be counteracted by more instead of less Europe. To make the banks’ balance sheets healthy again requires more cooperation at the European level.

Some want us to believe that the present-day malaise boils down to the fact that two ‘cultures’ are left intact: on the one hand the ‘culture’ of financial solidity of the North and on the other the ‘culture’ of solidarity of the South.

Playing the culture card, however, is very dangerous, because there is no single Southern or Northern European culture. There are only behavioral patters of all sorts, requiring proper research into its workings. What is really needed is to actively involve the educated, sensible people in those southern and northern areas who are willing to confront their irresponsible elites! Every local government has its responsable elites. There is no one single ‘elite’ as the populists want to have it.

All this has nothing to do with culture! There is no such thing as “culture”. There are some groups and communities supporting individuals who prefer to interfere with the Project Europe, simply because it serves their self-interest. The idea of culture as a behavioral variable is outdated and has no scientific viability anymore, as we have argued in Culture As Embodiment. The social tuning of behavior (Wiley/Blackwell, 2013).


Moreover, in this line of argument one forgets that these so-called ‘cultures’, that is to say the incompetent elites of the nation states involved, can go on and and on with their extractive institutions (see my blog on Why Nations Fail to learn what extractive means) not because of too much, but because of too little Europe.

The real solution is of course not a Europe of two currencies in accordance with the two so-called Northern and Southern “cultures”, but one centralized administration as favored by among others, Verhofstadt.

One caveat still: avoid a technocratic administration. Citizens just don’t want to be mobilized only every four years. They have the right continually to be heard whatever their staus or position. This is the hardest nut to crack: the right mobilization of people’s feelings and expectations about Europe and a policy that fosters the sentiments needed. It requires more than nudging, so popular among psychologically rather ill-informed behavioral economists. Present-day insights in how the mind works tend toward the idea that the conscious will and acting in accordance with clear insights can run counter unconscious proceedings in the brain. All it needs is a callibration of the senses in the community of sensible people. An immense psychological task for which this science is prepared. Not in the circles of cheap, quick experimentation in order to be able to live up to the devastating publication standards of the present-day academia, but in the niches of careful behavioral science research on embodied cognition and affect.

Psychology is also the only science that can be used for devising institution with which one can combat the problem of the increasing inequality in the world. It is a natural phenomenon that belongs to nature, physical nature but also human nature as recently has been argued in Pnas.org Only political choices based on what people experience, whether the ones at the bottom or those at the top, can be of any help. Inclusive institutions need to be devised here on the basis of what we know about people’s abilities, motivations and experiences worldwide. There is only one science that has ability, motivation, and experience at the heart of its subject matter. That science needs to be fostered in a scientific climate that can only be created on the basis of the unity in the diversity of the United States of Europe. Such science can face the problems posed by the upcoming smart cities. The technology needed can only be controlled by a science that obeys international regulations. It will enable politicians to come up with a model of the smartness the community really needs.

Recently, friends of mine who work with the police, politicians and community developers claimed that in the public service domain one is more willing to listen to this kind of psychology rather than to any other science. They claim that this is becoming mainstream. For this the United States of Europe are mandatory. Once science is directed at human nature, mere cooperation is not sufficient. A common ground of shared interests that trancent national borders is needed. Science can only thrive if the fascilitating institutions are based on an international community of shared concerns.

Remember the days of Spinoza and the Radical Enlightenment that came out of his grounding work. His followers formed an international community in which science served as a source of new means for a better life, because not only fysical nature but also human nature should be studied and critically investigated. That was Spinoza’s message and present-day psychology can follow up on that. Psychologization as a way of dealing with human behavior is some sort of a new enlightenment. I have written quite extensively about this in this very weblog and in our books. It needs a full-fledged international behavioral science. Its backbone should be the United States of Europe. Only in this manner national short-sightedness can be countered.

As we documented in our book Culture as Embodiment and in this weblog, the moderate enlightenment, which eventualy came out of the Spinoza-inspired radical one, predominantly served upcoming national interest – particularly religious ones – once nation states got a hold on the general populace. We are now in the historical phase that the international orientation of the radical variant can be restored.

Paul Voestermans

 

Let me add a Post Scriptum in Dutch: Arnout Brouwers remarked in the Volkskrant of December 29th: “Maar er is nog meer goed nieuws. Er is hoop. En die hoop heeft een onverwachte naam: Europa! Het continent van Duitsland en Frankrijk en Nederland (als kampioen socialistisch nivelleren, ongeacht wie aan de macht is) – en het continent van de vrijhandel. Hier is de inkomenskloof veel en veel minder toegenomen dan in hyperkapitalistische landen als de VS. ‘Zouden alle landen het Europese voorbeeld van de afgelopen drie decennia volgen, rekenen de onderzoekers voor, dan kan het inkomen van de armste helft van de wereldbevolking in 2050 verdriedubbeld zijn, van gemiddeld 3.100 euro nu naar 9.100.”

 

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 25 november, 2017

Het is niet de cultuur van de plattelanders of de politie…..

In de Volkskrant van zaterdag 25 november werd weer eens de vraag gesteld of het niet de ‘cultuur’ van het platteland is die botst met die in de steden en zo het zwartepietendebat verhardt. Journalisten blijven met cultuur schermen zonder nu eens echt deze term op zijn merites te beoordelen. Steeds maar weer dat: “het is de cultuur van… (en vul dan maar in). Dat is ronduit onproductief en mist de identificatie van de echte boosdoeners.

Het begint zo langzaamaan vervelend te worden: steeds maar weer de bewering dat het de “cultuur van….” is – en vul dan maar in: de plattelanders, de stedelingen, de politie, de armoede, de Islam, IS, de Turken, de Marokkanen, de hebzucht bij de banken etc. – die overal en altijd ellende  veroorzaakt.

Al in de jaren negentig van de vorige eeuw namen we op de sectie cultuurpsychologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen het besluit tot ‘exit cultuur’, tot “culture, ALT–DELETE”: weg met cultuur als verklarend concept.

Hoe lang is het niet geleden dat we daarmee begonnen, met cultuur eindelijk eens psychologisch te benaderen? Ik haal het boekje erbij van Ruud Abma en Herman Kolk, Meer dan de som der delen? Negentig jaar psychologie in Nijmegen (Boekhandel Roelants, 2013). Daar staat dat al vroeg in de geschiedenis van de Nijmeegse psychologie, eigenlijk al vanaf de oprichting van een aparte leerstoel ‘Cultuurpsychologie’ in 1986, er gepleit is voor dat de wetenschap van de psychologie ‘cultuur’ tot voorwerp van onderzoek maakt en daarmee ontmaskert. Ik citeer:

“Het begrip ‘cultuur’ kun je niet gebruiken om ermee de gedragingen van mensen in heel de samenleving te omschrijven. Het gaat altijd om gedragspatronen die verbonden zijn met specifieke groepen. Mensen leren hun gedragspatronen af te stemmen op wat in de groep waarmee ze zich vereenzelvigen gebruikelijk is. Meestal zijn ze zich niet bewust van de precieze aard van de eisen in de groep. (…) Het proces waarmee je je ‘invoegt’ in de groep is normatief, maar de normen zijn onuitgesproken, onbewust. Ze kunnen verband houden met klassenverschil,  het verschil tussen man en vrouw, jong en oud, autochtoon en allochtoon, en religieus en niet-religieus.”

Het is duidelijk: cultuur verklaart niks. Dat wat mensen ‘cultuur’ noemen is iets dat juist zelf verklaard moet worden. Als op het Friese platteland de discussie over Zwarte Piet niet leeft, dan moet worden uitgezocht waarom daar niet doordringt wat in de verstedelijkte gebieden van de Randstad al vanzelfsprekend begint te worden. Dit folkloristisch gebruik is stuitend in een tijd dat de mensen met een donkere huidskleur het zat zijn niet volwaardig mee te mogen doen in alles wat het leven te bieden heeft. Ze hebben evenveel recht als wit op onbekommerd solliciteren, voor vol aangezien te worden en nimmer te hoeven bemerken dat je als je zwart bent en vrouw automatisch geassocieerd wordt met hulpje in de catering. Nog erger is het te moeten ondervinden dat wanneer je als zwarte de zaak aankaart, je meteen wordt weggezet als iemand die in de slachtofferrol kruipt en alle wit ongenoegen over je heen krijgt. Moet je dan ook nog wit zijn om protest te mogen aantekenen? Dat is wit privilege in zijnbijtendste vorm!

Het zijn maar een paar voorbeelden, maar ik kan me heel goed inleven in de ergernis van dat je, eenmaal zwart, geassocieerd blijft met ondergeschikt, onintelligent, goed voor dienstbaarheid en zeker niet geschikt voor een leidinggevende of geleerde functie. Dat is stuitend. Zwarte Piet herinnert daaraan en dat kan echt niet meer. Dat is klip en klaar en wie daar niet aan toe is, heeft niet geen last van ‘de cultuur’ van het platteland maar moet gewoon grondig getraind worden in een cursus moderne omgangsvormen. We herscholen zoveel mensen.

Exit cultuur dus. Wat betekent dat? Om te beginnen moet je eerst lokaliseren bij welke groepen bepaalde laakbare gedragingen nog sterk aanwezig zijn en onnadenkend wordt uitgevoerd. Dat is een heel belangrijke stap. ’De cultuur van….’ gaat nooit over een hele culturele groep, bijv. ‘Friezen uit de Wouden’ of ‘Marokkanen’ maar altijd over concreet identificeerbare groeperingen. Daarom alleen al is het uitspelen van de cultuurkaart van generlei nut. Vervolgens – zo stel ik me voor – kun je landgenoten die vol blijvend onbegrip zijn voor de beledigende lading van zwarte piet of donkere collega’s bij de politie blijven discrimineren apart nemen voor een grondige herscholing. Ze een ‘cultuur’ aanpraten biedt geen soulaas; je identificeert daarmee het probleem niet.

In ons boek Culture as Embodiment. The social tuning of behavior (Wiley/Blackwell, 2014) (CaE) en jaren geleden in de Nederlandse voorbereiding tot dit boek – Cultuur & Lichaam (2007) – hebben we dit beginsel van lokale gedragsorganisatie met de erbij behorende sentimenten en overtuigingen voorzien van een gereedschapskist waarmee je dat soort gedragsorganisatie of patronen in gedrag effectief kunt ontleden. Waarom leveren we die instrumenten? Om het niet langer over cultuur te laten gaan, maar over de lokale organisatie van gedrag. Die moet je zowel bij de politie als in de provincie op touw zetten. Je mag Friezen uit de Wouden gerust eventjes apart zetten maar daarbinnen moet je wel meteen op zoek gaan naar de lokale niches waarin ‘Zwarte Piet’ de sentimenten oproept die tot dat protest tegen demonstraties hebben geleid. Het gaat immers om gedrag dat groepsgenoten – in dit geval de zwarte mensen in Friesland – overduidelijk schade berokkent. Dat geldt mutatis mutandis voor de politie: exit cultuur. Misstanden moeten concreet worden aangepakt en niet worden verdoezeld door er een ‘cultuur’ onder te veronderstellen. Dat helpt niet.

Even een totaal ander voorbeeld maar wel verhelderend: niet elke Marokkaan of Turk verdedigt eerwraak. Er zijn genoeg vrouwen – en mannen – uit deze kringen die de oorsprong van dit gedrag weten te plaatsen in de patriarchale plattelandsamenlevingen en zo de mannelijke vooringenomenheid tot op het bot weten te ontleden. Ze hebben zich zelf ervan bevrijd en hebben dus andere opties gekozen om te waken over de eerbaarheid van vrouwen.

Inderdaad, je hoort niet zomaar aan vrouwen te komen, weten we sinds #MeToo eens te meer. Dat is nergens toegestaan. Soms denken mannen daar anders over. Overduidelijk hebben we het dan over lokale ontsporingen of pathologie. Er bestaat geen ‘machismocultuur’ die vrouwen vogelvrij verklaart. Het zijn altijd concrete mannen of jongens die dat doen. Nergens is het zomaar toegestaan dat je je aan vrouwen vergrijpt. Niet in Marokko en hier ook niet. Doe je dat wel dan is dat niet ‘de cultuur’ maar zijn het lokale praktijken, bijvoorbeeld bij gangs, of onder opgeschoten jongens die aan groepsverkrachting doen, of onder machtige mannen in de showbizz die  vrouwen tot last zijn.

Nog een voorbeeld: er bestaat geen ‘cultuur van de hebzucht’ bij bankiers. Ook hier gaat het over lokale praktijken van bestuurders. Die hebben bijvoorbeeld de controle verloren over geld verdienen en denken te licht over risico nemen. Ze weten kennelijk niets van de risico’s die door hun nerdy personeel worden genomen. Ze zijn zich wel degelijk ervan bewust dat ze zo min of meer ongestraft de buit binnen te halen. Niks cultuur. Ze verliezen gewoon uit het oog wat de taak is van de bank is: geld zodanig beheren dat het voor de reële economie werkt en niet op een geïsoleerde manier voor de financiële markten alleen. Hoe die praktijken precies in elkaar steken moet vanzelfsprekend goed worden uitgezocht. Dan helpt het niet om bij ‘de’ banken een ‘cultuur van…..” – en vul dan maar in – te veronderstellen. Zo’n ‘cultuurtje’ is altijd iets heel concreets, groepsgebonden, affectief en cognitief gereguleerd, tot automatisme verworden, en wordt ondersteund in de groep door reëel bestaande idividuen.

Om kort te gaan: je gaat uit van de lokale groep. Die identificeer je met naam en toenaam. Dat gaat niet zomaar: geen naming and shaming. Dat mag niet. Wel kun je met hoor en wederhoor uitzoeken welke concrete aanwijzingen er zijn en om wie het gaat. Het gaat daarbij nooit om een zogenaamde aggregaatgroep, een groep kunstmatig gemaakt op basis van indicatoren zoals inkomen, opleiding, of toevallige etnische achtergrond, of geslacht etc. Het gaat altijd om wat we in onze boeken de intrinsiek sociale groep hebben genoemd, waarvan de grenzen door duidelijke regels, conventies en arrangementen zijn bepaald. Eenmaal geïdentificeerd kijk je naar praktijken die zo vanzelfsprekend zijn dat je helaas wel goed gereedschap nodig hebt om te analyseren hoe deze praktijken zich handhaven. Je let dan bij voorkeur op hoe de gevoelens worden opgewekt en in stand gehouden: primair gevoelens van hiërarchie, afhankelijkheid, maar ook van identificatie, betrokkenheid en loyaliteit.

De hardnekkigheid van steeds maar weer de verwijzing naar “de cultuur van….” wordt geïllustreerd door een citaat uit een artikel over de hardnekkig praktijk bij de politie om afwijkende gedragsvormen te stigmatiseren en belachelijk te maken. Het gaat om de bundeling van incidenten in het gele zwartboek van 92 pagina’s: “You may say I’m a dreamer…”. Daarin staan 26 verhalen van politiemensen over ongemakkelijke gevoelens in de ontmoeting met collega’s die doorsnee wit zijn. Deze zin uit de NRC van 25 november laat zien waaruit de neiging de ‘cultuurkaart’ te spelen bestaat: “Je kunt niet 26 keer volhouden dat iets een uniek, persoonlijk geval is”, zegt één van de aanbieders telefonisch – hij wil niet met zijn naam in de krant. „Daarom hebben we deze verhalen gebundeld. Dit zegt iets over de cultuur bij de politie.”

Dat is hét probleem: de term ‘cultuur’ gebruik je als je het niet persoonlijk wilt spelen. Dat is de bottleneck. Maar is dat terecht? Is er alleen het persoonlijke tegenover het culturele? Zeker niet. Het gaat om patronen in gedrag die ontstaan zijn door onderlinge afstemming. Dit zorgt voor de nodige afscherming van jou persoonlijk. In alle gevallen is de uitvoerder van het laakbare gedrag deel van een groepje mannen die support geven en er geen been in zien anderen die afwijken te kleineren en te ridiculiseren door jouw initiatief stiekem te steunen. Hier is geen sprake van ‘cultuur’. Juist door die term te gebruiken scherm je de mensen die het doen af. Je benadeelt de gehele organisatie die door het gebruik van deze term als een stam met vreemde gebruiken wordt afgeschilderd. In die zin roept het gebruik van de term dezelfde nare herinneringen op als destijds in het koloniale verleden. Toen werd de notie ‘cultuur’ gebruikt om hele volksstammen op de ranglijst te plaatsten van mensen met cultuur of beschaving en mensen zonder. Die moesten nog beschaafd of tot ‘cultuur’ gebracht worden omdat de hunne niet voldeed aan onze witte normen. Cultuurtheorie was toen een geseculariseerde verlossingsleer, zo tonen wij aan in hoofdstuk 2 van Culture as Embodiment die het Christelijke beginsel van heil verving door een geseculariseerde variant waarin alle heil van de Westerse cultuur kwam. Dat is wit privilege in een notendop.

Nu moet dit privilege weer niet worden uitgesmeerd over heel de witte bevolking. Immers veel witte mensen zijn slecht af en blijven ongeprivilegieerd vanwege allerlei hinderlijke stereotypen. Maar dat doet niets af aan de ongemakkelijke geschiedenis van witte superioriteit. Deze link verwijst naar een uitvoerig artikel over deze geschiedenis.

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 15 november, 2017

Wankelt het Westen en ligt het hopeloos met zichzelf overhoop?

Wankelt het Westen en ligt het hopeloos met zichzelf overhoop, zoals Heleen Mees schrijft in haar column in de Volkskrant van 15 november? Ze zegt dat naar aanleiding van de #MeToo beweging. Daarbij rollen volgens haar de koppen veel te snel. Sommige zaken hadden ook afgehandeld kunnen worden met een excuus en de belofte het nooit meer te doen. Maar dat gebeurt niet. Films worden afgeblazen, beschuldigde mannen zonder vorm van proces van streamingdiensten geweerd. Het zal vrouwen niet echt helpen, vindt Mees. Daarvoor is echte macht van vrouwen nodig. De hetzes zijn een symptoom van de verwarring van het Westen.

Ik denk eerlijk gezegd dat het met die Westerse verwarring meevalt. Het is een hyperbool. En beeldspraak. Maar die verheldert niet veel. Met metaforen hele culturen in een streek van een diagnose voorzien – we zagen dat eerder bij “de clash of civilizations”, als waren het tektonische platen – helpt niet echt. Wat #MeToo laat zien is dat er wel degelijk iets mis is met de vormgeving aan seks. Je hoeft de mannen die het niet zo stijlvol en respectvol aanpakken niet te onthoofden, daar heeft Mees gelijk in. Vraag je eerst eens af hoe mannen aan deze houding komen.

We hebben daar in Culture as Embodiment (CaE) een voorzet voor gegeven. In hoofdstuk 4, The Shaping van Sex and Gender, gaat het niet over het Westen in zijn algemeenheid, maar over de gebrekkige openbare stilering van seks, de geringe training in virtuositeit en een lange geschiedenis van overwegend een hoofdrol voor mannen in de vormgeving aan seks. De openbaarheid in porno, maar ook in films waar zinderende seks verbeeld wordt met de broek op de knieën en bij voorkeur tegen de muur geeft een vertekend beeld. Op school in de lessen biologie bijvoorbeeld blijft het bij technische informatie. Er heerst sexofobie zodra het op vormgeving en stijl in de seksuele omgang aankomt.

We laten in ons boek ook zien dat van andere beschavingsoffensieven geen of nauwelijks enige invloed meer uitgaat. Deels is dat het gevolg van de afbraak van de ritualiseringen van seks in het Oosten die ooit met hoge verwachtingen naar het Westen werden geëxporteerd. Deels ook omdat zich in de moslim wereld, maar ook onder hindoes, boeddhisten en aanhangers van andere oosterse levensleren, nauwelijks van enige afbraak van het patriarchale gezag sprake is geweest. Vrouwen zijn in deze varianten op het westers beschavingsoffensief zeker niet beter af. Niet dat het Westen op dit punt geslaagd is. Maar het Westen is wel een proeftuin gebleken waarin een begin werd gemaakt met aan vrouwen de mogelijkheid te geven zich op te werken tot posities die evenwaardig zijn aan die van de mannen. Hoe dat in zijn werk is gegaan en om welke voor het Westen unieke ontwikkeling het gaat staat uitvoerig in CaE. Dat zou hier te ver voeren. Voor zover deze ontwikkeling ook in gang wordt gezet door mannen en vrouwen in het Oosten gaat ook daar straks de zon op van meer seksegelijkwaardigheid.

Belangrijke ontwikkelingen gaan nooit over de volle breedte en in alle circuits. Vandaar dat het Westen ook niet zo gauw zal wankelen. Revoluties zijn evenmin erg succesvol in het aanbrengen van veranderingen die iedereen aanspreken. Daar waar zich langzaam maar zeker parallel aan de bestaande orde niches ontwikkelen voor mannen en vrouwen met een creatieve en of wetenschappelijke inslag zonder al te veel bekommernis om het eigen ego, ontstaat enige vooruitgang. #MeToo kan ook zorgen voor parallelle ontwikkelingen die de bestaande orde opschudden. inderdaad, hier en daar zullen zeker enkele van die niches overhoop liggen met wat in het Westen of het Oosten gangbaar is. Dat betekent nog niet dat het hele Westen in de beklaagdenbank staat en aan vitaliteit inboet. Integendeel zou ik zeggen. Soms verheffen degenen die lang zijn genegeerd heel heftig hun stem. Zeker als ze het stelselmatig beter krijgen. Dan verliezen mannen die vrouwen op hun plaats houden hun macht. Dan wankelt wat wankelen moet.

#MeToo hoort thuis in dit soort ontwikkelingen. Dat het voor een deel ook een hype is geworden is voor rekening van de gemakkelijke en risicoloze verspreiding van ressentiment die nu eenmaal mogelijk wordt gemaakt door het gebruik van social media. Waar niet face to face gesproken wordt heersen al gauw opwinding en wrok.

#MeToo zou aan kracht kunnen winnen wanneer deze beweging wordt ingebed in wat Jos Van Ussel al in 1968 “Het Seksuele Probleem” noemde.

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 20 oktober, 2017

Een misplaatste tegenstelling

In de discussie onlangs over of verslaving een hersenziekte is of een aangelegenheid van de wil manifesteert zich een hardnekkig misverstand over het verband tussen hersenen en gedrag. Van de neuropsycholoog Peter Hagoort  is het gevleugeld “woord wat tussen de oren zit, zit in het hoofd”, zoveel te zeggen als: zonder hersenen gaat het niet, wat je verder ook aan invloeden in jezelf ervaart. De tegenstelling tussen ziekte of wilsbesluit is vals. Het is de oude tegenstelling tussen natuur en cultuur, tussen nature en nurture in een versleten jasje. Waarom werkt die niet? Omdat wat mensen doen altijd het resultaat is van mensen, dat is van breinen en lichamen die in de loop van het leven op elkaar afgestemd raken. De wil is nooit het gegeven alleen van de homo clausus, de afgesloten mens. De wil raakt getuned en afgestemd in een gemeenschap van mensen. En het afzonderlijke brein dankt zijn structuur aan evenzeer de afstemming op breinen en lichamen in meervoud. Niets van wat mensen doen, denken, beleven of voelen borrelt op uit een gesloten massa grijze stof losgezongen van de concrete verschijningsvorm van dit lichaam temidden van anderen. Het zou een hoop schelen als we ons dit zouden realiseren in de aanpak van welke soort “stoornis” of “ziekte” ook. Worden de wil of het brein daarmee onttrokken aan persoonlijke verantwoordelijkheid? Krijgt de gemeenschap de volle laag? Juist integendeel. Door te wijzen op breinen en lichamen in meervoud wordt de de stilering van gedrag een zaak van iedere persoon temidden van anderen. Het lijkt utopisch, maar het wordt hoog tijd dat de vormgeving aan gedrag, van drankgebruik tot seks, een aangelegenheid wordt van mannen en vrouwen die zich inspannen voor een beter script voor alcoholgebruik, het volgen van je begeerte, geweldsuitingen en wellevendheid in het algemeen. Wie niet zo vaardig is train je geduldig, zoals dat bij zovele verrichtingen gebruikelijk is. Het wordt tijd voor een “skill paradigm” in plaats van individuen in isolement te plaatsen met een stoornis of ziekte of een wil die niet deugt. Bij wie dan echt onbereikbaar blijkt, zijn letterlijk de draadjes kapot. Dat vergt een heel eigen aanpak die meer omvat dan even een ziekte bestrijden.

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 10 september, 2017

Naar aanleiding van VPRO Tegenlicht van 10 september 2017

Tegenlicht bracht een item over de beïnvloeding van het individu op een op de persoon toegesneden wijze. Daarvoor worden Big Data gebruikt. Het was een tamelijk verontrustende aflevering, waarin door experts op het gebied van big data en psychometrie het beeld werd geschetst dat vooral wij gewone consumenten zijn overgeleverd aan beïnvloeding en nudging – het met zachte hand bijgestuurd worden – door niet alleen goedwillende gedragsveranderaars maar vooral ook kwaadwillige politici. Maar hoe bruikbaar zijn de big data?

Hoe lang is het geleden dat het in de oude wereld van het begin van de vorige eeuw de afspraak was tussen kapitaal en kerk dat deze laatste het volk dom zou houden en de eerste, de werkgevers, de arbeiders arm? Dat pact hield stand door steeds maar weer leugens te verkopen, alternatieve feiten te presenteren en bij voortduring angstgevoelens te bespelen, zodanig dat de mensen zich schikten; nudging avant la lettre.

De rijken behielden hun rijkdom en de gewone mensen hun plaats aan de onderkant. Politiek leidde dat tot kritische geluiden die ons op den duur wakker schudden maar daar waren wel twee verschrikkelijke oorlogen voor nodig. We weten uit de analyse van Thomas Piketty dat de herverdeling die plaats vond in de eerste helft van de twintigste eeuw – de periode waarin de ongelijkheid tijdelijk werd beteugeld – het gevolg was van beleid om de schokken van zoveel oorlogsgeweld te boven te komen. In naoorlogse bloeitijd van toenemende welvaart aan de onderkant werden de autoriteit van de kerk en van de gevestigde orde voor korte tijd aan de kaak gesteld. Het volk ‘ontkuddelijkte’ een term die we in Cultuur & Lichaam en in Culture as Embodiment overnamen van Jan Roes, omdat die beter beschrijft wat er gebeurde. Mensen werden niet ongevoeliger voor religie of ‘ietsismen’, maar ze geloofden niet meer als schapen die zo onmondig waren dat ze door een herder moesten wo rden geleid. Dat verhaal ging er na de kritiek van de jaren zestig niet meer in.

Vanaf het begin van deze eeuw zien we een herstel van de oude wereld met moderne middelen. De ongelijkheid is terug als nooit tevoren, maar ook de misleiding en het scheppen van een droomwereld waarin grote groepen het zicht ontnomen wordt op wat er werkelijk is verbeterd. Ik bedoel het massale inmasseren van waandenkbeelden over hoe de wereld er voor staat. De verkiezing van Trump en ‘Brexit’ hebben laten zien  dit gebeurt met behulp van Big Data zoals die ook gebruikt worden om de consument gericht te benaderen.

Maar wat minder bekend is, is dat we dit keer worden geconfronteerd met een heel andere techniek die mede door grootschalig psychologisch onderzoek is geïnspireerd. Daar ging een deel van de uitzending van Tegenlicht over. Het gaat niet langer om het opsporen van profielen van potentiële kopers maar om het bestoken van heel precies uitgezochte individuen van een welbepaald persoonlijkhedstype met informatie waar ze zich ongemerk naar voegden. Zoals vroeger de arbeiders bestookt werd met hel en verdoemenis en ze zich schikten naar de erbarmelijke omstandigheden, zo gaan de geselecteerde individuen geloven in de informatie die bij elkaar is gezocht om bij hen het wereldbeeld te versterken dat politici voor hen hebben uitgezocht in de hoop gekozen te worden. Alexander Nix, de zegsman van de firma die dit uitzoekt, ‘Cambridge Analytica’ legt het zo uit:

“five different faces, each face corresponding to a personality profile. It is the Big Five or OCEAN Model (het bekende instrument waarmee de Big Five van het persoonlijkheidsonderzoek worden opgespoord: openness, conscientiousness, extroversion, agreeableness, neuroticism). At Cambridge we were able to form a model to predict the personality of every single adult in the United States of America.” The hall is captivated. According to Nix, the success of Cambridge Analytica’s marketing is based on a combination of three elements: behavioral science using the OCEAN Model, Big Data analysis, and ad targeting. Ad targeting is personalized advertising, aligned as accurately as possible to the personality of an individual consumer.

De volledige tekst vind je hier. Het geclaimde succes werd ook betwist: dit staat er tegenover. Zo duidelijk is het dus allemaal nog niet. Oppassen geblazen!

Staan blijft dat het een fluitje van een cent is om mensen die bijvoorbeeld niet zo open zijn, een beetje neurotisch, wat opgesloten in zichzelf en gauw op hun teentjes getrapt te confronteren met alternatieve feiten die hun woede aanwakkeren en hun angst vergroten, waardoor een politicus in beeld komt die aan de ellende waarin deze mensen verkeren een einde zal maken. Die geloof je zoals je vroeger de pastoor en de bisschop geloofde.

Naast de kanttekening bij het geclaimde succes, is er ook vanuit de psychologie het nodige af te dingen op het gepoch van Cambridge Analytica over de Big Five. Het gaat altijd nog om een selectieve groep mensen die de vragenlijst op het internet hebben ingevuld. En het is maar de vraag of de vijf persoonlijkheidskenmerken waarop de keuze voor de te beïnvloeden groepen is gebaseerd ecologisch valide zijn, dat wil zeggen echt met werkelijk bestaande groepen mensen te maken hebben. Maar dat op die manier politieke zaken kunnen worden beïnvloed is al wel gebleken

In Culture as Embodiment waren we optimistisch over de wereld waarin moderne communicatiemiddelen ervoor zorgen dat bijvoorbeeld machthebbers snel met hun laakbare daden worden geconfronteerd. Ik kijk er inmiddels heel anders tegen aan. Niet dat ik niet geloof in de kritische functie van deze nieuwe vormen van communicatie. Maar ik zie de keerzijde. Het betekent dat we ons alleen maar met goed onderwijs tegen het misbruik kunnen wapenen. Maar dan wel onderwijs met verbeelding. Zweden geeft al het goede voorbeeld zo schreef de Volkskrant onlangs (12-09-2017).

Dat zal niet eenvoudig zijn. Het weerwerk tegen de kerkelijke overheden die mensen dom en de bazen die ze arm hielden werd in het verleden geleverd doordat in het kielzog van de politieke maatregelen die de ongelijkheid beteugelden een emancipatie op gang kwam. Maar we kwamen ook van de regen in de drup doordat de kritische voorhoede hele groepen mensen verloor. We realiseren ons dat de jaren zestig zijn uitgewerkt omdat ze een andere vorm van misleiding brachten. In plaats van goed uit te zoeken waar de lotsverbetering werkelijk vandaan kwam, werd het voorgesteld alsof de ideologie van de sociaaldemocratie de motor achter de veranderingen was. In deze ideologische voorstelling figureerde prominent een politieke elite die voor zichzelf een wereld schiep waarin kosmopolitisme, vrijheid-blijheid en een eigenzinnige moraal lang niet voor iedereen bereikbaar bleek. je moest behoorlijk pionieren en dat was niets voor de grote massa. Natuurlijk werden er ook nieuwe wetten ingevoerd die de werktijden regelden, kinderarbeid verboden, beloning eerlijker maakten etc. Er kwamen robuuste instituties die inclusief waren en niet langer meer extractief (zie Why Nations Fail elders in dit blog). De opkomst van de verzorgingsstaat bood mensen uitzicht op materiële genoegens en riep op hun behoeften toegesneden diensten in het leven.

Een deel van de mensen aan de onderkant van de samenleving bleek niet opgewassen tegen de emancipatoire vloed aan leefstijlveranderingen. Maar een deel geloofde er echt niet in en wilde mede bepalen hoe hun wereld eruit kwam te zien. Er ontstond een klasse die zich afsneed van van de pionierende voorlopers. Die klasse claimde tevens haar eigen stijl. Van ressentiment is geen sprake. Ze willen gewoon gehoord worden. Erkenning, daar gaat het hen om. Daarover gaat het hoofdstuk Status in Culture as Embodiment.

Het scheppen van betere omstandigheden voor de arbeidende klasse en de middengroepen ging gelijk op met de toestroom van mensen die voor een habbekrats het vuile werk verrichtten. We ronselden actief arbeiders in het Mediterrane moslimgebied. De nieuwe instroom was dus afkomstig van gebieden waarin de Christelijke beschaving niet dominant was. Daar gold een heel ander regime met niet meteen zichtbare kenmerken. Pas toen deze mensen gezinnen mochten vormen bleek dat zij niet bereid waren tot eenzelfde type emancipatie als bijvoorbeeld de Limburgse arbeider. Religie kwam niet terecht in de privésfeer zoals dat wel werd aangemoedigd toen de ontkerkelijking werd gepropageerd als het antwoord op het dom-houden van de gewone man en vrouw. Integendeel, de moslimreligie heeft altijd een emanciperende werking gehad omdat deze van meet af aan ook een politieke missie had. Dat blijkt bijvoorbeeld uit dat de moskee een plaats is van armenzorg, een plek waar geen alcohol in de buurt mag komen, de verzamelplaats voor instructies rond opvoeding en de inrichting van het dagelijkse leven. Deze vorm van emancipatie hield tevens in dat er nauwelijks getornd werd aan de macht en privileges  van mannen. Religie behield haar prominente plaats in het publieke leven. Om de immigrant niet tegen het hoofd te stoten werd een soort ‘crypto-verzuiling’ toegestaan waarin geen rekenschap werd afgelegd van deze in de Islam verborgen, politieke en maatschappelijke missie. Het extremistisch geweld in moslimkringen is een apart probleem dat hier min of meer los van staat. Verwar dit niet met radicalisme. Radicalen vind je binnen elk geloof. In plaats van ruiterlijk toe te geven dat met deze herzuiling geen dienst werd bewezen aan een gedeelde toekomst, werden de problemen gebagatelliseerd, ook door de belangrijkste politieke partijen die ofwel het probleem ontkenden of de tegenstellingen uitvergrootten.

Dat alles vormt de voedingsbodem voor de alternatieve feiten, de misleiding en de leugens. Boosheid tegenover deze nalatigheid blijkt immers gemakkelijk te manipuleren zeker nu een en ander nog versterkt wordt door de stroom vluchtelingen. Het lijkt erop alsof de oude wereld zich herstelt en de emancipatie van de onderkant te wensen overlaat. Ze roepen weer om een sterke man en het lijkt of de verlossingsleer die vroeger de vorm kreeg van hel en verdoemenis en de hemel als de plaats waar alles vereffend werd, terug is van weggeweest, maar nu in een seculier jasje.

Ook de hoogopgeleiden stinken erin. Het blijkt uit onderzoek van Koen Damhuis dat er een groep ideologisch gemotiveerde PVV- en Front National-stemmers is die de gevestigde politiek van verzoening en tolerantie scherp afwijst en meegaat met al diegenen die al boos waren, omdat ze zich al veel langer verwaarloosd voelen. De wrokkige sentimenten van ook deze groep zijn gemakkelijk te manipuleren met de moderne middelen van Cambridge Analytica. Achter het vuile spel om de macht waar ook ter wereld steken hordes supporters die op zulke wijze gevaarlijk misleid zijn. Maar er zijn ook belangrijke tegengeluiden. Die kwamen niet aan bod in VPRO Tegenlicht. Een staat al hierboven (zie de tweede link aldaar). Maar nog belangrijker zijn de bevindingen van de onderzoeksgroep van Samantha Joel. In dat onderzoek worden vraagtekens gezet bij de effectiviteit van algoritmen en Big Data zodra het gaat om affectief geladen items. Yuval Harari steekt de loftrompet over algoritmen in zijn boek Homo Deus, waar hij het Dataïsme als de nieuwe godsdienst aankondigt. Hij bedoelt de bijna religieuze verering voor de alwetende Data Mining door experts op het terrein van big data. Harari voorspelt dat het ‘Dataïsme het humanisme zal vervangen, als we niet uitkijken. Ook zal de machine de mens overtreffen op tal van relevante gebieden. Maar de groep van Joel heeft zo haar twijfels. Harari vertelt in zijn boek het volgende relaas:

“In a Dataist society I will ask Google to choose. “Listen, Google,” I will say, “both John and Paul are courting me. I like both of them, but in a different way, and it’s so hard to make up my mind. Given everything you know, what do you advise me to do?” And Google will answer: “Well, I know you from the day you were born. I have read all your emails, recorded all your phone calls, and know your favourite films, your DNA and the entire biometric history of your heart. I have exact data about each date you went on, and I can show you second-by- second graphs of your heart rate, blood pressure and sugar levels whenever you went on a date with John or Paul. And, naturally enough, I know them as well as I know you. Based on all this information, on my superb algorithms and on decades’ worth of statistics about millions of relationships — I advise you to go with John, with an 87 per cent probability of being more satisfied with him in the long run. “Indeed, I know you so well that I even know you don’t like this answer. Paul is much more handsome than John and, because you give external appearances too much weight, you secretly wanted me to say ‘Paul’. Looks matter, of course, but not as much as you think. Your biochemical algorithms — which evolved tens of thousands of years ago in the African savannah — give external beauty a weight of 35 per cent in their overall rating of potential mates. My algorithms — which are based on the most up-to- date studies and statistics — say that looks have only a 14 per cent impact on the long-term success of romantic relationships. So, even though I took Paul’s beauty into account, I still tell you that you would be better off with John.”

Uit het onderzoek van Joel cs. blijkt dat al dit soort data de echte match niet voorspellen. Daar is veel meer voor nodig. Misschien dat een fotootje het verschil maakt, maar zeker is dat talige beweringen onvoldoende zijn. Worden die geregistreerd en leveren die de big data op, dan is dat onvoldoende om er conclusies met betrekking tot echt gedrag aan te verbinden.

Het onderzoek van Joel c.s. is een eerste stap op het terrein van de zo verwaarloosde invloed van affectieve voorkeuren op beslissingsprocessen. Robert Zajonc maakte begin jaren tachtig al de slagzin: “preferences need no inferences” (met deze zin en de naam Zajonc zoek je het artikel zo op). In taal vervatte oordelen komen langs een heel andere weg tot stand dan affectief georganiseerde voorkeuren. En die zijn nu juist van groot belang bij beslissingen inzake affectief geladen onderwerpen. Ook Daniel Kahneman wijst daarop in zijn boek Thinking Fast and Slow. Vallen clicks en gewoon wat achteloos lekker surfen onder preferences? Dat staat te bezien. Ik weet het niet. Ik weet niet of die clicks en het surfgedrag voldoende affectief worden aangestuurd om aan de registratie ervan verregaande conclusies te verbinden. Maar zoveel is zeker: wat we over onze smaken vertellen en beweren geeft te weinig houvast.

Affectief georganiseerde voorkeuren vormen evenwel geen zakje dat je altijd al bij je had en waaruit je naar hartelust kunt snoepen. Onze intuities zijn niet aangeboren. Affectieve sturing en intuïtief gedrag zijn evenals cognitief georganiseerd gedrag het gevolg van afstemmingsrelaties, het kernthema in onze twee boeken. Ze ontstaan niet in een vacuüm. Ze vereisen ijking en training door experts en ondersteuning in de groep. Deze experts kunnen zich natuurlijk ook gruwelijk vergissen wat een goed gecontroleerde wetenschap eens te meer noodzakelijk maakt. Onderzoek hieraan staat nog in de kinderschoenen, maar het kan op den duur uitwijzen dat menselijke keuzen en beslissingen niet algoritmisch georganiseerd zijn. Of misschien wel maar dan op een moeilijk te kopiëren wijze. Dat legt het voorspellende gebruik van big data aan banden.

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 24 augustus, 2017

Weg met identiteit?

Nu Steve Bannon ons gewaarschuwd heeft voor het effect van identiteitspolitiek, namelijk dat deze afleidt van het echte gevecht om economische en politieke macht wordt het hoog tijd dat gedragswetenschappers zich gaan mengen in het gekrakeel rond identiteit. Psychologen mogen wel eens uitleggen dat je zo niet met identiteit kunt sollen. Het is verbazingwekkend hoe gemakkelijk dit thema uit handen is gegeven aan de politiek en politieke analisten, aan journalisten en columnisten die er dan alleen voor staan.

Psychologisch gaat identiteit over niets anders dan wie iemand denkt dat hij of zij is en/of wie of wat iemand graag wil worden. Voor jonge mensen een moeizaam traject dat een veelvoud aan mogelijke identificatiepunten omvat. Het kan inderdaad datgene zijn wat er na het slagveld van je leven van je geworden is, zoals Erdal Balci het zo mooi zegt. Een veelvoud ook aan belangrijke anderen die zich met het verwerven van eigenheid en met beschikbare identificatiemogelijkheden gaan bemoeien. Jonge mensen hebben nu eenmaal ankerpunten nodig om een weerbaar zelf te ontwikkelen. Dan zijn er velen die zich opwerpen als houvast. Allemaal zaken waarover in de psychologie behartenswaardige dingen zijn gezegd.
“Geen wonder, schreven we in ons boek Cultuur & Lichaam, dat dan de jongeren zelf, maar ook de samenleving de term ‘cultuur’ gaan gebruiken om het groepstoebehoren te verklaren; of anders het al even mistige woord ‘identiteit’, een term die niet veel meer behelst dan wat iemand denkt te zijn en/of wil zijn. Het verlangen naar, of het aanmeten van een bepaalde identiteit betekent immers dat die wijze van zijn nog steeds bevochten moet worden. Zeggen dat iemand gemotiveerd wordt op basis van identiteit, is het resultaat al vooronderstellen”.

John Greenwood spreekt in zijn boek Realism, Identity and Emotion: Reclaiming Social Psychology uit 1994 van “identying” een door hem zelf bedacht werkwoord dat aangeeft dat er heel wat werk verzet moet worden en dat identiteit geen gegeven is maar een continu bedrijf met vele listen en lagen.
Juist dat verlangen naar eigenheid of denken dat je al weet waartoe je behoort zorgen voor een gunstig klimaat waarin politiek gemotiveerde aandragers van hechte verbanden hun gang kunnen gaan. Ze proberen jongeren voor hun karretje te spannen. In een aantal gevallen wordt het bevechten van eigenheid tot iets gewelddadigs aangewakkerd. Dat wordt gelegitimeerd door wie de leiding heeft, geestelijk of anderszins. Dat is de kern van radicalisering. De jongeren radicaliseren niet op eigen houtje; ze worden in groepjes bijeengebracht door wie verdomd goed weten welk plooibaar materiaal ze in huis halen voor hun abjecte politieke en ideologische doelstellingen en leren onder leiding van imams etc. zich te manifesteren. In dat proces wordt identiteit tot brandpunt van het verlangen naar iemand te zijn.

De ontevredenheid met jezelf die achter veel identiteitsprojecten schuil gaat maakt iemand erg gevoelig voor machiavellistische manipulatie. Dat zien we in alle identitaire bewegingen. De ervaring van discriminatie en de terechte kritiek daarop, kritiek ook op te weinig speelruimte voor het ontwikkelen van eigen seksuele voorkeuren, maar ook het verzet tegen het verdonkeremanen van historische vergissingen zoals slavernij en imperialisme, worden allemaal van hun angel ontdaan. Dat gebeurt niet door de betrokkenen zelf maar door de ideologische scherpslijpers met hun eigen verderfelijke politieke agenda. Zelfs terechte veontwaardiging over oorlogsgeweld en niets-ontziende geopolitiek wordt in dit politieke spel gebruikt. Ik moet de geradicaliserde jongere nog tegenkomen die niet onderhevig is geweest aan dit soort manipulatie.

Het inzetten van identiteitsstreven gaat ver. In plaats van ruimte te maken voor stijl- en vormgevingsverschillen wordt van elke niche waar waarin die eigenheid zijn beslag krijgt, een bubbel of eiland gemaakt, waar anderen geweerd worden: identiteitspolitiek wordt er een van verdeel en heers waar alleen de machthebbers garen bij spinnen. Dat is wat Bannon bedoelt: vecht elkaar de tent uit: wit tegen zwart, het ene soort feminisme tegen het andere, de ene seksuele profilering tegen de andere, kom op voor echte mannen… en voor je het weet heb je een kluwen aan machteloos geklets over identiteit. Daar kunnen hij en zijn medestanders dan mooi mee aan de haal gaan.
Een mooi voorbeeld van het misbruik van identiteit komt uit de column van Luuk van Middelaar in de NRC van vrijdag 25 augustus 2017: “Extremisten weten dat ze het vertrouwen in onze eigen identiteit en cultuur moeten ondermijnen, voor ze het door hun eigen kunnen vervangen, zei een Singaporese minister onlangs. We moeten waken voor deze arglistige praktijk en onze tolerante islamopvatting beschermen.”

Dat is het iritante aan het gescherm met identiteit. Het verhult deze manipulatie. De Bannons en Trumps gaan allemaal vrijuit en in plaats van hen aan te vallen worden verlangens naar een veelkleurige wereld met ruimte voor iedereen gesmoord in onderling wantrouwen.
Bannon en Trump zijn evenals Wilders en Baudet bij ons ‘identitaire politici’, een woord dat ik maar even verzin voor wie politiek garen spint bij het tegen elkaar laten uitspelen van behoeften bij diverse minderheidsgroepen  aan een gerespecteerde identiteit. Ze wakkeren het gevoel aan dat cultuurverschillen altijd conflictgeladen zijn, waardoor ze worden uitvergroot in plaats van erop te wijzen hoezeer mensen met elkaar overeenkomen. En in plaats van echt op te komen voor de verdrukte witte minderheid, staan ze toe dat die zich laat voorstaan op kleur en afkomst. Dat is identiteitspolitiek op zijn gevaarlijkst.

De bezwaren tegen het uitspelen van de cultuurkaart – in onze boeken en op deze blog is dat uitspelen herhaaldelijk gekritiseerd – gelden onverkort voor etnische of anderssoortige  identiteit. Identiteit verklaart niks, is alleen maar ballast als je ertoe gereduceerd wordt. Identiteit is geen politiek speeltje.

NB ons pleidooi: ‘Exit Cultuur’ (als label, rechtvaardiging en verklaring van gedrag) wordt onthutsend geillustreerd door wat Carolien Roelants berichtte in de NRC van 28 augustus 2017. Ik citeer het hieronder. Ze schreef dit naar aanleiding van de afschaffing in een aantal landen van het Midden Oosten van wetsartikelen die een verkrachter ongestraft de gelegenheid biedt te huwen met het verkrachte meisje. Het meisje wordt daartoe veelal door haar familie gedwongen.

Dit gebruik is een voorbeeld van een zogenaamde ‘culturele praktijk’. Hopelijk een afdoende bewijs dat hier cultuur van maken echt onzinnig is. Het is een lokaal gebruik met een identificeerbare voorgeschiedenis in een identificeerbare groep. Het heeft niets maar dan ook niets met cultuur van doen.

Citaat: “Eerst even wat achtergrond. Zulke wetten stammen uit het Romeinse recht. Het Ottomaanse Rijk, dat ze weer had geïmporteerd uit het Franse strafrecht, heeft meegeholpen ze te verspreiden. Frans koloniaal bestuur heeft ze elders ingevoerd. Er zijn niet alleen islamitische landen die dergelijke wetten hadden of nog hebben; zie in de laatste categorie bijvoorbeeld Rusland en de Filippijnen. En ook in België kan een dader nog steeds een verkrachting in der minne schikken met slachtoffer of haar familie! Frankrijk zelf heeft zo’n wet pas in 1994 afgeschaft. Wist u dat? Ik had geen idee. Hoewel ik best weet dat wij hier ook nog niet zo lang zo voorlijk zijn als we nu zijn, of pretenderen te zijn. Van de bevolking had eind jaren zestig 83 procent er bezwaar tegen dat een moeder buitenshuis werkte. Maar goed, dat is wat anders. Geen verkrachters vrijuit hier. Voor zover mij bekend.

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 18 augustus, 2017

Mannen in de Arabische wereld en Afrika

In een recent rapport over de positie van de man in de Arabische wereld en Afrika van Shereen El Feki, Brian Heilman en Gery Barker: Understanding masculinities. Results from the international men and gender equality survey – Middle East and North Africa. (Cairo and Washington D.C UN Women and Promodo-US. Zie hier het hele Rapport) wordt een verhelderend beeld geschetst van de problemen waarmee de mannen in deze regio’s worstelen. De Volkskrant van donderdag 17 augustus wijdde er een artikel aan. Het is een beeld waarin ook de contouren oplichten van een veranderend manbeeld. Weg van het traditionele machismo en hypermannelijkheid, weg ook van de hevige twijfels over zijn rol als kostwinner richting warmere banden met vrouwen en een zorgende functie in het gezin. Vaderschap komt traag maar gestaag in beeld, ook in deze gebieden. Natuurlijk zijn de clichés van geweld tegen vrouwen, hun verbanning uit het openbare leven, hun zwaar ondergeprivilegieerde positie en de blootstelling aan de dreiging van groepsverkrachting meer dan waar, maar het wordt ook duidelijk waar de oorzaak gezocht moet worden. Die ligt in de stuwing van jonge mannen, de zogenaamde ‘youth bulge’, het lastig te hanteren overschot aan gezonde jonge mannen met nauwelijks enig perspectief op een baan en op de zo begeerde rol van kostwinner. Dit citaat maakt het duidelijk: “In Morocco, Palestine, and Egypt, younger men’s views on gender equality do not differ substantially from those of older men. Why are younger men in these countries not showing the same movement toward supporting women’s equality as younger men in many other parts of the world? The reasons are multiple and dependent on the specific country context. Many young men
in these three countries report diffculties finding a job, and as such, they struggle to achieve the socially recognized sense of a man as financial provider. This struggle may be producing a backlash against gender equality. Young men’s inequitable views may also be a result of a general climate of religious conservatism under which the younger generation has come of age. While other research in the region has noted similar trends and posited similar drivers, further study is necessary to explore this phenomenon”.

 

Bij alle gedragswetenschappelijke verklaringen en politicologische analyses blijft de vraag waaraan de westerse wereld zijn relatieve vrouwvriendelijkheid ontleent. Vanzelfsprekend is lang niet alles tussen de seksen koek en ei, maar toch is er in het Westen iets unieks gebeurd.

 

Nergens anders werden patriarchale structuren zo ingrijpend doorbroken als juist in de westerse wereld. Al vanaf de dertiende eeuw werden door twee Middeleeuwse pausen zoals we straks zullen zien de gezagsstructuren rond de vader en hoofd van de familie ter discussie gesteld ten gunste van de zeggenschap van het paar zelf over hoe ze samen door het leven willen gaan. 
Wat moeten we aan met dit stuk geschiedenis? Is het niet weer zo’n oud verhaal dat als je goed kijkt toch wel heel weinig sporen heeft achtergelaten? Is dat doorbreken wel zo geslaagd geweest? Er is immers ook in dit deel van de wereld nog veel mannelijk vertoon en mannelijk geweld.

 

Ongetwijfeld! Toch werd nergens anders zo vroeg al paal en perk gesteld aan het patriarchale gezag. Het heeft geleid tot arrangementen rond huwelijk en gezin die nergens anders op die manier hebben plaatsgevonden en dat heeft toch een spoor getrokken waar ook andere beschavingen zich langs zullen moeten bewegen willen ze recht doen aan vijftig procent van de mensheid: de vrouwen.

 

Fukuyama maakt deze ontwikkeling niet voor niets tot een kantelpunt in het eerste deel van zijn geschiedenis van politieke systemen. Het had op een unieke wijze zowel economische als sociale gevolgen. Het paar werd hier in het Westen al in de Middeleeuwen een belangrijke economische eenheid, los van de familiestructuur die tot dan toe het vaderlijk gezag als kern had. Dat werd nu het paar op zich, los van de vader. Wie zich er een beeld van wil vormen moet even terugdenken aan hoe Romeo en Julia in het geheim trouwden met behulp van een priester die daartoe zonder meer bevoegd was en daarbij beide vaders niet hoefde te raadplegen.

 

De zelfstandigheid van het paar die het gevolg was van dit arrangement betekende een enorme stimulans voor de huisnijverheid. Daarvan zeggen de historici – onder hen Christopher Bayly, maar ook Jan de Vries en Ad van der Woude – dat in het begin van de moderne tijd de revolutie die door de huisnijverheid in gang werd gezet, die van de industrie – de standaard Industriële Revolutie – in economische zin evenaarde.

 

Vergeleken met de economische waren de sociale gevolgen minder eenduidig. De oude patriarchale structuren gaven zich niet zomaar gewonnen. Zeker niet in het Latijnse deel van Europa. Maar de kiem voor verandering was gelegd. Het gaat met name om een heel belangrijke juridische ontwikkeling. Deze begon met de kerkrechtelijke bepaling door paus Alexander III (1159-1181) en paus Gregorius IX (1145-1241) dat alleen op basis van wederzijdse instemming van het paar zelf een huwelijk kon worden gesloten. Vader werd op een zijspoor gezet. Let op, juridisch! Dat zorgde voor een belangrijke inbreuk op het patriarchale gezag, die zich nergens anders op die manier heeft voltrokken. Het mannelijke gezag gaf zich vanzelfsprekend niet zomaar gewonnen. Daarvoor was veel meer nodig, maar het begin was gemaakt en dat schiep uiteindelijk bijzondere voorwaarden voor de toenemende vrijheid van met name de vrouw. De details zijn te vinden in het alleraardigste beknopte boekje dat een heruitgave verdient van Tine de Moor & Jan Luiten van Zanden, Vrouwen en de geboorte van het kapitalisme in West-Europa. (Het boekje is uitgegeven bij Boom in 2006. De link die ik hierboven geef is naar een engelstalige voorstudie)

 

Wat het Europese Huwelijkspatroon is komen te heten heeft verregaande gevolgen gehad voor de ontwikkeling van vrije partnerkeuze en de afbraak van de ouderlijke bemoeienis ermee. Ik zeg niet dat daardoor de leefwereld meteen overal en voor iedereen in het Westen veranderde, maar deze voor beide seksen belangrijke persoonlijk vrijheid maakte wel veel creativiteit los en dat is te merken tot op de dag van vandaag, als je kijkt naar hoe in het Westen mannen en als paar tamelijk vrij en op zichzelf hun leven inrichten en een plek creëren waar hun kinderen voorspoedig kunnen opgroeien.

 

We moeten ook niet vergeten dat drie op deze Middeleeuwse en Vroegmoderne ontwikkeling volgende emancipatiebewegingen de positie van de vrouw in het Noord-Atlantisch gebied op unieke wijze hebben versterkt.

 

(1) In de nasleep van de Franse Revolutie werd het mannelijke romantische verlangen scherp door vrouwen gekritiseerd in de eerste emancipatorische golf. Romantische dichters bezongen de vrouw maar voor de kinderen die ervan kwamen namen ze onvoldoende verantwoordelijkheid. Dat werd scherp op de korrel genomen door vrouwen die niet op dit soort romantisch sentiment van mannen zaten te wachten. Een en ander staat mooi beschreven in William Leach True Love and Perfect Union, een boek uit 1989 maar ook in Richard Holmes, De Feministe en de Filosoof, uit 1988.

(2) In de tweede golf ging het vooral over vrouwenkiesrecht. Dit recht luidde het begin in van een groot aantal juridische veranderingen in de verhouding tussen de seksen. Maar het heeft vooral gelijkberechtiging in meer dan juridisch opzicht in gang gezet.

(3) In de derde golf uit de jaren zestig van de vorige eeuw stond de seksuele bevrijding centraal. De resultaten van deze golf waren dubbelzinnig. De seksuele bevrijding werkte lang niet altijd in het voordeel van vrouwen omdat de pil als technische innovatie vooral de mannelijke vormgeving aan seks een boost gaf. Daarmee werd ook meteen de keerzijde van de bevrijding duidelijk. Maar het kan niet ontkend worden dat in deze tegenreactie het vrouwelijk verlangen en de vrouwelijke vormgeving aan seks nog nooit zo prominent op de agenda is gezet.

 

Dit is in zijn geheel voorbij gegaan aan de andere grote beschavingsoffensieven die bijvoorbeeld door Samuel Huntington als alternatief voor de westerse worden opgevoerd en in aanhang niet onderdoen voor het Westen: de Islamitische, de Confuciaanse, de Boeddhistisch/Hindoeïstische en de Japans-Shintoïstische. Er zijn natuurlijk meer beschavingsvormen, bijvoorbeeld in Afrika en Latijns-Amerika, maar die hebben geen grootschalig wervend offensief opgeleverd. In geen van deze beschavingen is de man zo van zijn voetstuk gestoten als in onze kringen en dat al vanaf de Middeleeuwen.

 

Als op dit historische verhaal wordt afgedongen in termen van een slechte record in ons deel van de wereld voor wat betreft vrouwenrechten, vrouwelijke vormgeving aan het leven in het algemeen en de nog steeds niet afdoende bestreden mannelijke suprematie, is dat iets waaraan nog met succes gewerkt kan worden, en niet iets om alleen maar teleurgesteld over te zijn.

 

Legt dat een verplichting op de schouders van de westerse man? Absoluut. Hier valt iets te verdedigen dat teruggaat op een lange voorgeschiedenis. Die kan benut worden en andere beschavingen worden voorgehouden. Hier past geen cultuurrelativisme omdat het over voordelen voor zeker de helft van de mensheid gaat. Deze vrouwelijke helft is wereldwijd gediend met deze unieke westerse ontwikkeling.

 

 

 

 

 

 

 

 

Older Posts »

Categorieën