Gepost door: Paul Voestermans | 22 augustus, 2021

Afghanistan en de Taliban

Achteraf is het makkelijk praten; en toch ga ik het doen. De situatie in Afghanistan is na 20 jaar terug naar af. Dat was ruim van te voren te voorzien voor wie de voortdurende pesterijen en guerillatactiek van de hier en daar fors geradicaliseerde plattelands-Taliban heeft gevolgd. Er is ook geschreven over het wat verstandige deel, maar die informatie raakt snel ondergesneeuwd door de negatieve berichten.

Wat was het beter geweest als de Westerse wereld niet geschermd had met wel even dit land geschikt maken voor ‘onze waarden’ van democratie, het vrije woord, politieke verantwoordingsplicht een gecontoleerde staat etc. Als het Westen geen waardenuniversalisme had gepredikt, maar in plaats daarvan gekeken had naar concrete aanzetten tot de verbetering van omstandigheden ook door de gematigde delen van de Taliban zelf. Hoe hebben we kunnen vergeten hoe lang het duurde voordat het Westen religie achter de voordeur kreeg en het goede leven zonder religieus waarmerk werd gepropageerd. Eventjes democratie invoeren bij islamisten gaat niet.

Wat wel de wereld overgaat is dat het individu de groep waar het bij wil horen zelf uitkiest en dus de groep als bij een goed team in dienst staat van het individu. En dat er schoon water is, gezond voedsel, medische zorg, scholing, open communicatie, kortom alles waar wetenschap, techniek en vrije handel voor zorgen. Dat verandert de leefwerel, dat zorgt voor een wervende levensstijl. Welke remmingen daarbij optreden staat uitvoerig in Culture as Embodiment en Cultuur & Lichaam. Dus moet het opbouwen van Afghanistan anders worden aangepakt.

Zogauw je het over waarden hebt groeit onmiddellijk de kritiek of die waarden wel universeel zijn en niet een exportproduct van westerse landen die toch al te boek staan als tamelijk overrompelend in het opleggen van hun eigen maatstaven. Die kritiek krijgt ook nog eens de wind mee als je bedenkt hoe slecht het gesteld is met het morele gehalte van de doorsnee westerse politiek. Duidelijk regiems in het zadel houden die het niet zo nauw nemen met de grondrechten van burgers wanneer er door de dictators te steunen voldoende te winnen valt; of eerder reageren met dollartekens in de ogen op deelbelangen dan met een helder beeld voor ogen van wat ervoor kan zorgen dat iedereen zonder aanziens des persoons deelt in het goede leven. Heel de Noord-Atlantische wereld – op een paar uitzonderingen na – heeft de VS gesteund in het frustreren van pogingen om in sommige regio’s in Zuid-Amerika en het Midden-Oosten welvaart voor iedereen te garanderen. Dat gebeurde onder de dekmantel van vermeend communistisch gevaar. Bedrijven kregen van de VS privileges die de pogingen van lokale politici om een billijke belastingen te heffen en tot een eerlijke welvaartsdeling te komen al bij voorbaat deden mislukken. Allemaal in naam van de strijd tegen communisme. Hoe makkelijk is het om dit soort praktijken af zetten tegen het gepreek over ‘waarden’ en dan tot de slotsom te komen dat het Westen moreel failliet is.

Nee, twintig jaar gekrakkeel over waarden en de ermee gepaard gaande materiële assistentie bij de opbouw van het land hebben duidelijk gemaakt wat we al geruime tijd in onze boeken beweren: waarden brengen de handen niet op elkaar. Ze worden afgeleid uit wat al geruime tijd praktijk is. De abstracte aard ervan lijkt mensen te verenigen terwijl diezelfde mensen in feite zich op basis van die waarden in vereniging verzetten tegen wie die waarden niet deelt. Ze inspireren dus eerder een strategie waarin ze at gun point worden opgelegd, blijkt steeds weer…

Ik ben nooit een aanhanger geweest van het geloof dat onze waarden wel even de wereld over zullen gaan in het kielzog van verbeterde economische omstandigheden of als gevolg van de vestiging van bepaalde instellingen in recht en onderwijs. Waar ik wel een voorstander van ben is gevestigde lokale praktijken onderzoeken op welke belangen deze dienen. De radicale Islam heeft wel degelijk machtsaspiraties en die wortelen in patriarchale gedragspatronen, nergens anders in. Maar dat benoemen richt de blik ook op alle andere religieuze machtaspiraties en daar grossiert het Westen welig in, nu en zeker in het verleden. Eerst was het bekeren en later werd dat onze cultuur opleggen. Ik heb daar al vaker op gewezen. Het Westers beschavingsoffensief ging altijd over ‘bekeren’ nooit over eerst goed uitzoeken wat er speelt.

De kern van wat bij elke interventie te doen staat is klip en klaar: welke groep profiteert van het in stand houden en afdwingen van kledingvoorschriften, huwelijkspraktijken, gezagsverhoudingen en al die andere onderdelen van de zogenaamde lokale ‘cultuur’. En wie zijn al in verzet gekomen? Zoek dat uit en sta die critici bij. En laat je eigen ‘cultuur’ thuis.

Het richtsnoer is: wat is het effect van het soort vasthoudendheid dat met ‘hun cultuur’ wordt geassocieerd op de totale gemeenschap inclusief vrouwen, kinderen, mensen aan de onderkant, mensen met een niet-witte achtegrond en mensen die niet geloven in wat voor god dan ook omdat ze overtuigd zijn van het mensgemaakte karakter religie, primair gemaakt om privileges te legitimeren. Is het effect zodanig dat bepaalde groepen zwaar te lijden hebben van bepaalde praktijken dan is dat eerst en vooral een aanwijzing om deze praktijken niet langer te verdedigen met een beroep op “het is onze cultuur”. Want dat gevaar ligt meteen op de loer als je met “het is hun cultuur” komt aanzetten: je gebruikt cultuur als legitimatie voor een lokale praktijk die privileges en belangen dienen en dat op een wijze die vrouwen, minderheden, andersdenkenden, andersgeaarden etc. uitsluit. Cultuur als excuus en rechtvaardiging van wat niet te excuseren en te rechtvaardigen is. Dat kritiseer je niet in naam van abstracte waarden maar in naam van een duidelijk aanwijsbaar nadeel voor wie niet geprivilegieerd is en machteloos.

Daar komt bij: geen enkele ‘cultuur’ hoe je er ook naar kijkt, is uit één stuk gehouwen. Dat alleen al is een reden het idee van cultuur niet te gebruiken en op zoek te gaan naar concrete praktijken en belangen. Afghanistan is tenslotte een clan-samenleving waar zulke gevoelens als loyaliteit de vijandschappen structureren. Dat wijst maar weer eens op het belang van affect als sturende ‘hot cognition’. Onze boeken beargumenteren uitvoerig het belang daarvan voor de vormgeving aan praktijken.

De cultuurkaart zal ongetwijfeld weer getrokken worden in het debat over de Taliban. De organisatoren van de gemeenschapsopbouw die internationaal het bestrijden van de Taliban in de afgelopen 20 jaar begeleidde zullen zeker te horen krijgen dat ze zich onvoldoende in ‘de cultuur’ van deze islamisten hebben verdiept. Dat daarom nu de Westerse wereld bakzeil heeft moeten halen nu de VS geen troepenmacht meer beschikbaar stelt voor de noodzakelijke controle op de macht en invloed van de Taliban. En dan komt de klacht: hadden we ons meer en beter in het land en de cultuur verdiept en hadden we ons minder rijk gerekend met het propageren van democratie, de rechtsstaat en meer van dit soort waarden in het kielzog van economische verbeteringen, dan was er misschien een modus vivendi met de Taliban gegroeid.

Ik las dat terug in het stuk van Haro Kraak in de Volkskrant van zaterdag 21 augustus 2021 waarin hij schrijft: De steun voor de fundamentalistische islam (is) groot in het land, ondanks decennialange pogingen om liberale opvattingen te verspreiden. Volgens onderzoek van Pew Research uit 2013, gemeten onder een representatieve steekproef van 1.509 mensen, steunt 99 procent van de Afghaanse moslims (die nagenoeg de hele bevolking uitmaken) shariawetgeving. En van hen vindt weer 85 procent steniging als straf voor overspel gerechtvaardigd en keurt 79 procent de doodstraf voor afvalligen goed. Dit werd gepeild in een tijd dat de Taliban niet aan de macht waren. Tegen beter weten in blijven we hopen dat onze westerse democratie en cultuur voor alle volkeren van de wereld uiteindelijk het gedroomde model zal zijn, dat onze waarden zo universeel en vanzelfsprekend superieur zijn dat ook tribale Afghaanse boeren en krijgsheren die ze met dwang toegediend krijgen daarvan overtuigd zullen raken”.

Ja, dat krijg je als je de afslag neemt dat waarden cruciaal zijn en je je in de cultuur moet verdiepen. Maar wat kan dat uitrichten tegen de praktijken waarvan een groot deel van de moslims naar dit onderzoek suggereert, overtuigd is dat ze terecht worden toegepast? Waar was in die 20 jaar het gestage en voortdurende verzet tegen deze praktijken die mensen natuurlijk onderschrijven als de boven hen gestelden dat van hun vragen? Waar was de kritiek op deze elite? Waar was de hulp aan Afghaanse vrouwen en hun veret tegen de Talibaan, met steeds maar weer dat schrikbewind dat de legerleiding vanuit de VS leek te gedogen? Wat is er ondernomen… niet in naam van “onze waarden” maar als uitvloeisel van een afgewogen oordeel over wie ervan te lijden hebben en wie er baat bij hebben?

(Onder constructie)

Gepost door: Paul Voestermans | 8 augustus, 2021

Urk en cultuur

In de Volkskrant van donderdag 5 augustus 2021 stond dit artikel over de jongeren op Urk die nog steeds, ondanks de tamelijk donkere perspectieven in de visserij, voor leven en werken op zee kiezen. Er staat dan: “het is onze cultuur”.

Maar is dat wel zo? Dit verhaal in de VK vormt een fraaie illustratie bij wat ik in deze posts steeds herhaal: speel niet de cultuurkaart want dat helpt geen zier. Ook hier niet.

Wat moet je als je op jonge leeftijd met je vader mee de zee op mag? Het gestamp van het schip gaat al vroeg in de benen zitten. De vrijheid op open water ook. Ben je een jaar of zestien, zeventien en je mag mee ouwehoeren over drank en vrouwen, wat voor fijn gevoel van erkenning en waardering geeft dat! Op het vaste land kun je de verhalen kwijt die al eeuwen lang de gemeenschap hebben geboeid. God is nooit ver weg als het gevaar o zo dichtbij komt.

Ben je op den duur na zo minutieus te zijn getuned voor een leven op zee nog geschikt voor de schoolbanken op de wal in het hoger onderwijs? Natuurlijk niet! We kennen de sociale druk van het boek van Matthias Declercq, De ontdekking van Urk. En vanzelfsprekend is Urk geen beklemmend korset als je al op jonge leeftijd mee mag doen met de echte mannen en sluipend hun wereld ingezogen wordt. Nee, je voelt je vrij! Zoals ook in het VK artikel staat, je gaat vanzelf op eigen initiatief zeggen dat je de visserij in wilt. “Bestaat er een vrije wil” vraagt iemand zich af in het boek van Declercq. Die bestaat bij de gratie van de gemeenschap waarbinnen je kiest voor wat echt belangrijk voor je is. Bij de informant van Declercq was die gemeenschap het internet waarop ze boeken over atheïsme vond en zo haar vrije wil opnieuw ijkte. Zo wordt althans in Culture as Embodiment tegen de vrije wil aangekeken. In de Urker gemeenschap is die doordesemd van godsdienstigheid.

Oké, je mag dat ‘onze cultuur’ noemen als je van cultuur maar geen causale kracht maakt en beseft dat die persoonlijke voorkeur, dat persoonlijk geloof in je bestemming in de visserij, inclusief de overtuigende wijze waarop dat geloof door jezelf wordt beleden, komt doordat je er door je vader, je moeder, familie, vrienden, misschien ook wel de leraar op de basis- en verdere school etc. etc. ingezogen bent. En “de jongeren doen wat de ouderen denken”, zeg ik Declercq na. Niks ‘cultuur’, al blijft het wel waar dat “de vis duur wordt betaald” door wie in Urk blijft vissen.

Dat geldt mutatis mutandis ook voor de vrijwillege keuze voor de hoofddoek, of voor je opsluiten in de leefwereld van je traditiegetrouwe Turkse of Marokkaanse moslimouders die jouw wens nu eens zelf te willen gaan leven niet honoreren en je gevangen houden in hun weefsel van de gedragspatronen, opgedaan in omstandigheden die nu niet meer van toepassing zijn.

Dat sluipende karakter zag ik ook terug in het relaas van een basisschoollerares die mij vertelde hoe eind jaren tachtig begin negentig van de vorige eeuw ineens de hoofddoek op school verscheen. Geheel onverwacht maar onstuitbaar. En de leiding wist zich geen raad want de politiek was ‘integratie met behoud van eigen identiteit’. Hoe de ouders eraan kwamen om hun kinderen met deze tradtie op te zadelen, daarvan hadden ze geen idee. Het was er ineens. Hoe dat zit, daarover berichtte ik al eerder: https://cultpsy.wordpress.com/2018/01/25/bevrijd-integratie-van-het-identiteitsdebat/

Zoals de traditionele Turkse moslimleefwereld haar Lale Gül heeft, zo heeft Urk vast zijn scholieren die niet voor de zee kiezen. Maar dat vastzitten aan gedragspatronen waar deze voorbeelden juist van losgekomen zijn, zit niet in ‘onze cultuur’. Niet op Urk en niet onder de Turken. Het zijn gewoon de mensen waar deze jeugd van afhankelijk is die deze patronen aanmoedigen en versterken. En ook die weten vaak niet waarom. Dan zeggen ze maar dat ze er zelf voor gekozen hebben.

Hierover heb ik al eerder post gemaakt die veel vraagt van je bereidheid om die helemaal door te spitten. Hij gaat over een artikel van Cor Baerveldt en staat hier onder de kop: https://cultpsy.wordpress.com/2015/07/31/de-hoofddoek-is-en-een-adequate-kijk-op-motieven/

Gepost door: Paul Voestermans | 19 juli, 2021

Humanisme is niet de schuldige

Noot vooraf: Voor wie liever luistert en kijkt is er deze aflevering van De Nieuwe Wereld waarin nog eens wordt uitgelegd wat ‘exit cultuur’ behelst; en waarom de psychologie het best is toegerust om gedragspatronen te begrijpen. Deze wetenschap van de gedragsproductie laat de sociale wetenschappen sociologie en antropologie zodra het gaat om het begrijpen en verklaren van gedragspatronen in lokale gemeenschappen ver achter zich.

Cultuur dat zo vaak als begrip voorop wordt geplaatst om op die manier verschillen in gedragingen van mensen uit andere dan de Westerse sameleving te begrijpen kan maar beter worden afgeschaft. Cultuurtheorie is een onderdeel van de Westerse beschavingsmissie dat desastreus heeft uitgewerkt voor de reputatie van de Westerse wereld. Niet het humanisme maar juist de cultuurtheorie die vanaf de 19e eeuw de beschavingsmissie van de koloniale mogendheden begeleidde, moet in de beklaagdenbank, niet het humanisme.

Arnon Grunberg ging in zijn bijdrage aan De Volkskrant van 5 juli 2021 voorbij aan het onderscheid tussen humanisme en cultuurtheorie.

Met een paar kritische kanttekeningen maar voor de rest steun aan Oudemans these dat Europa samenvalt met humanisme gaat Arnon Grunberg wel heel erg ver door te beweren dat “humanisme een imperialistische onderneming geworden (is) die uitblinkt in zelfbeschuldigingen”. Europa zou met het humanisme iets desastreus in leven hebben geroepen: iets dat Grunberg met tamelijk zwartgallige beelden omschrijft. Hij gebruik woorden als “het zoveelste onverhoorde gebed”, “een lekker deegkorstje om inhoud die niet deugt”, “een imperialistische onderneming”, en na Oudemans instemmend Susan Sontag citerend: “een kanker van de menselijke geschiedenis”.

Maar het humanisme is gewoon een ‘isme, zoals er zoveel zijn. Een van de ideologieën die lang niet altijd voldoende steun krijgen. Het is geen universele blauwdruk van een beter leven, maar gewoon in het beste geval een utopie en in het slechtste een ‘groot verhaal’ dat aan alle kanten rammelt.

Wat Grunberg van het humanisme zegt, en naar ik begrijp Oudemans ook, kan wel gezegd worden van de cultuurtheorie die in de 19e eeuw werd opgesteld om hele volkeren te kijk te zetten als onbeschaafd en behoeftig aan een gecultiveerd leven dat de westerse landen wel even zouden aandragen. In het essay van Grunberg wordt humanisme verward met wat wel gezorgd heeft voor met racisme beladen superioriteitsdenken.

Dat was het wetenschappelijk idee dat cultuur menselijk gedrag mede bepaalt. Elk land deed op zijn eigen wijze een duit in het zakje en dat met de rugdekking van wetenschap. Die pretentie dat er wetenschap achter zit heeft het humanisme niet, het denken in termen van cultuur wel. Niet cultuur met een grote C, de hogere menselijke verrichtingen in kunst en wetenschap, maar ‘cultuur’ in antropologische zin, een gedragsregulerend systeem dat als de software in de ‘wetware’ (immers, de mens is naar Vroman: “een zachte machine”) van het menselijk lichaam kruipt. Dat idee van cultuur kreeg in de europese landen wel degelijke imperiale trekken, degradeerde de mensen in de koloniale gebieden tot ‘savages’ die later etnische minderheden werden, toen de vroegere heersers ze wel in het moederland moesten opnemen om daarmee enige damage control uit te voeren.

Wit privilege, superioriteitsdenken, gedwongen enculturatie en racisme vinden hier hun oorsprong. Chris Herbert heeft in zijn boek Culture and anomie. Ethnographic imagination in de nineteenth century laten zien dat dit cultuuridee op de draaggolf van de christelijke bekeringsijver een seculier beschavingsoffensief ontketende dat verwoestende gevolgen had voor de leefwereld van de volkeren die ‘cultuur’ of ‘beschaving’ moesten worden bijgebracht.

Op dit idee is alles van toepassing wat Grunberg Oudemans nazegt in zijn eigen woorden. Maar niet op humanisme. Dat heeft zoals elk ‘isme zijn beperkingen en kan verbeterd worden. En misschien is het waar waarmee Grunberg zijn bijdrage besluit: dat dit humanisme ten onder kan gaan en dat dan de schrijvers die daar een mooi verhaal van maken, tot het beste behoren wat ervan te maken is.

Maar de cultuurtheorie die zoveel onheil heeft gebracht dient te worden vervangen door wetenschappelijk onderzoek dat lokale praktijken gedetailleerd en met oog voor de hardnekkigheid ervan in kaart brengt.

Gepost door: Paul Voestermans | 5 juni, 2021

De intrinsiek sociale groep: individualisme en autonomie revisited

Carlo Rovelli: “We are not entities, we are relations”

Er is me al vaker gevraagd waarom ik zoveel nadruk leg op het belang van de groep voor het verwerven van autonomie en individualiteit. Groepen zijn toch juist een bedreiging van iemands individualiteit doordat groepstoebehoren conformisme in de hand werkt.

Intrinsiek sociale groepen staan lijnrecht tegenover aggregaatgroepen: groepen die door buitenstaanders worden geconstrueerd voor bijvoorbeeld beleidsdoelen: de groep van tieners of vijftig-plussers, de groep van CDA stemmers, de groep van lage inkomens enz. Daar is doorgaans geen sprake van bewust lidmaatschap, al kunnen groepen daarbinnen wel een gemeenschappelijke identiteit ontwikkelen, zoals klasse- of generatiebewustzijn.

Het is welhaast paradoxaal: een echt autonoom individu word je alleen door het streven ernaar op te doen in een intrinsiek sociale groep. Dat is niet een kunstmatig geconstrueerde groep, maar een groep waarin je – in het volle besef van lidmaatschap – heel je hebben en houden investeert. Je kunt lid zijn van meerdere groepen. Het gaat bijvoorbeeld om het gezin of de vriendengroep. Maar ook om wie je bij uitgaan zeer regelmatig treft, waar je elkaar op drank tracteert, of waarmee je samen actie voert of radicale standpunten ontwikkelt. Punt is bewust lidmaatschap en investering. Groepsdenken waar velen een natuurlijk afkeer van hebben, is een duidelijk teken dat de groep over het indivudu heerst in plaats van er een bedding aan te verlenen. De groep hoort in dienst van het individu te staan en niet omgekeerd. Want dat is de enige manier om de ongeremde identitair-gemotiveerde zelfexpressie, waarbij het individu ondergeschikt wordt gemakt aan de groep, effectief te beteugelen.

Gek genoeg gaat de afkeer van groepsdenken vaak geruisloos over in een algemene weerzin tegen groepen. Dat is niet handig: zo komen individu en groep tegenover elkaar te staan. We kennen het team als de groep die elk individu tot zijn recht laat komen. Dus zomaar afgeven op groepen is een miskenning van zijn essentiele functie.

Waarom zijn intrinsiek sociale groepen van groot belang om individualisme te begrijpen? Omdat niemand ooit ‘ik’ heeft leren zeggen zonder eerst als jij te zijn aangesproken. Voor er een ik bestaat, is al een jij. Een jij dat door deze ouders benoemd is geworden – een naam heeft gekregen. Een jij kortom, dat hoort bij dit gezin, dat weer op zijn beurt huist in deze buurt, met ouders die in deze groep vrienden zijn ingebed en van wie de smaak is gevormd in zeer specifieke kerngroepen van sociale klasse, collega’s op het werk, vrienden enz.

Dit wijst op het primaat van het sociale bij werkelijk alles en dus ook: individu worden, autonoom zijn, en…ja, ook dat is een sociale aangelegenheid: persoon worden.

Monica Meijsing zegt het in Waar was ik toen ik er niet was zo: “personen zijn dus organismen die door andere personen opgenomen worden in de menselijke gemeenschap. Betekent dat dat we het niet verkeerd kunnen doen? Als personen precies diegenen zijn die door andere personen als zodanig benoemd en bejegend worden, gaat dat dan per definitie goed?”

Een belangrijke vraag. Het antwoord: nee! dat gaat niet altijd goed. De sociale inbedding is geen garantie op een vorm van autonomie, persoon zijn of individualiteit waaraan geen rafelranden zitten. Er is bijvoorbeeld altijd gevaar van uitsluiting wat een geschonden ik of zelf kan opleveren. Of de wrok om geleden leed kan zo woekeren in de groep dat elk lid erdoor beschadigd is. Dus kan het wel degelijk goed verkeerd gaan. De groep is geen garantie want daarin worden zowel deugdelijke als ondeugdelijke gedragspatronen afgewogen en op elkaar afgestemd. Dat is een van de centrale ideeën in Culture as Embodiment: geen zelf, ik of persoon zonder een groep. Afstemming, fijnregeling en ijking in de groep zijn onontbeerlijk bij worden wie je bent, altijd en overal. Met geen garantie op succes.

Je zegt niks teveel als je beweert dat het sociale in de filosofie, menswetenschap en zeker in de wetenschap van het brein een mager bestaan leidt. Het obligate “de mens is een sociaal dier” wijst daar al op. De sociaalpsycholoog Joop Goudsblom maakte al bezwaar tegen dat enkelvoud, dus tegen ‘de mens’ in deze slagzin; het gaat altijd om meervoud. Mensen, meervoud dus, zijn sociale wezens. En vaak komen de wetenschappers en filosofen niet verder dan hier daar wat afgeven op kuddegeest of op group think waardoor het sociale in de kwade reuk van conformisme en gebrek aan eigenheid komt te staan.

Hoe onontbeerlijk gedragsafstemming ook is, regelmatig vindt er totaal verkeerde gedragsafstemming plaats. Dan versterkt de groep ondeugdelijk – laten we het maar bij zijn naam noemen: onmaatschappelijk gedrag. Right or wrong zijn beide door en door sociaal.

Wordt vervolgd

Al weer een acht jaar geleden, in 2014, stonden zowel in de Volkskrant als in de NRC overzichten van wat er met de wereld aan de hand is. Is er veel veranderd? Destijd somde Paul Brill in zijn column de brandhaarden op en stelde somber vast dat er geen hek om het Midden Oosten kan worden geplaatst want het probleem is al teveel met de Westerse wereld vervlochten geraakt. De NRC gaf Niall Ferguson de ruimte in te gaan op de parallellen met augustus 1914. Hij wijdde een uitgebreide analyse aan het onverwachte karakter van het gebulder van de kanonnen destijds. Juist dat onverwachte is zo verrassend. Zelfs de financiële markten hadden niets in de gaten, toen niet en nu niet. Geblunder was in feite de oorzaak van de oorlog. Dat is ook nu weer het gevaar, aldus Ferguson.

In diverse artikelen in dezelfde krant stond “de zomer van de brandhaarden” beschreven: Gaza, Oekraïne, Syrië. Maar voeg er gerust Afghanistan, Libië, Jemen en Egypte aan toe. In het boek Zwarte Golf van Kim Ghattas staat uitvoerig wat nog steeds de effecten zijn van het jaar 1979: de Revolutie van Khomeini in Iran, en de religieus-fundamentalistische opstand in de stad Mekka in Saoedi Arabië.

Politicologen die de geopolitieke situatie proberen te analyseren weten altijd wel een verklaring te vinden. Ze zoeken het in de complexe relaties in dat gebied. De elite van Saoedi-Arabië, bijvoorbeeld, steunde destijds heimelijk de stichting van de zogenaamde “Islamitische Staat” (IS) en nog steeds is IS niet uitgespeeld. Iran is nog steeds gevaarlijk en wil een hegemonische positie in de regio wat SA niet zint. Met alle gevaren van dien. Het Israelisch-Palestijns conflict blijft een heet hangijzer. Israel riep en roept kritiek op met zijn nederzettingenpolitiek. Al weer lang geleden kregen de Palestijnen in zoverre steun dat hun uitzichtloze situatie veel vergoelijkt van wat van de zijde van Hamas uit wanhoop wordt ondernomen. Maar het liefst heeft men nog steeds graag een kordate Palestijnse Autoriteit die de revolutieneigingen weet in te tomen. Zo’n bewind zat er aan te komen, maar op een onverdeelde Palestijnse autoriteit zit het bazige Israel niet te wachten en dus traineert Netanyahu de zaak. Geweld zou überhaupt geen optie mogen zijn als gewone burgers dicht op elkaar zitten in door en door gemilitariseerd gebied, maar het wordt wel gebruikt en fors. Zelfs dat geweld is geen doeltreffende breekijzer gebleken om de vredesbesprekingen weer vlot te krijgen.

Alles goed en wel: dit is politiek. Maar waar blijven de analyses in termen van mensen, mannen vooral, van vlees en bloed die met geweld hun wil opleggen, gemotiveerd door een sektarisch religieus bewustzijn? Is wel sprake van religieus bewustzijn, of is het iets anders? Wat dan wel? Antwoorden op dit soort vragen is geen zaak van politieke analyse maar van psychologie maar dat wel van het type dat in onze boeken staat met veel aandacht voor gevoelens, praktijken, automatismen, groepstoebehoren, sensorium en arresten.

Of het door de “verStapeling” van de psychologie komt, mensen willen niet nadenken over gedrag en motieven. De journalist niet, de politicoloog niet, en de gewone burger al helemaal niet. Die is zo door science bashing van de wijs gebracht dat hij zich liever suf leest aan analyses van het type dat elke krant in overvloed biedt. Maar wat gebeurt er nu echt in het Midden Oosten? Wat motiveert deze mensen – mannen hoofdzakelijk?

Motivatie lijkt een zaak van overtuigingen en opvattingen, die bijvoorbeeld op het Internet worden gevonden en worden gekoesterd vanwege de uitzichtloze situatie waarin de mensen daar verkeren. Maar zo abstract is het helemaal niet. Waar halen de jongens die daar met IS vlaggen zwaaien of in Aftika onder de vlag van Boko Haram de boel terroriseren die onstilbare honger naar geweld en vernietiging vandaan?

Wij pleiten in ons boek Culture as Embodiment ervoor ook te letten op waar het sensorium, waarmee elk mens zich richt op zijn omgeving, afgesteld raakt. Dat gebeurt in concrete sociale omstandigheden maar ook in een concrete fysieke omgeving. Architecten en stedenplanners zijn niet voor niets met de omgeving bezig. Is die fraai dan roept hij op tot zorgzaamheid en aandacht. Gaat het om slordig bij elkaar gezette onderkomens langs ongeplaveide stoffige wegen dan stimuleert dat de zorgzaamheid niet. De jongens die met de zwarte vlag zwaaien leven in steden waarvan het centrum misschien een beetje lijkt op de moderne metropolen die we kennen, maar in de buitenwijken en de dorpen zijn de huizen opgetrokken van spul dat nauwelijks uitnodigt er zorgvuldig mee om te gaan. Er is niets om zorg voor te dragen. Moeders en grootmoeders begieten dan wel de plantjes in blikken bussen buitenshuis, ook in de gebieden die IS nog steeds bevolkt, maar eigenlijk overheerst wat je de ‘nomadisering’ van het bestaan zou kunnen noemen: een leven zonder binding aan een plek.

Al eeuwen hebben de mannen hier nooit geleerd ook maar enige zorg te besteden aan waar ze verblijven. Het Westen kun je verwijten dat ze op dat punt vrijwel niets in de regio hebben geïnvesteerd, maar dat verwijt helpt nu niet. Nog steeds zijn hun leefgebied ondanks de olie de wegen door de woestijn langs dorpen en hele stadswijken met lemen huizen. Dat mag dan pittoresk zijn en van heel andere standaarden getuigen dan de onze maar aanzetten tot zorgzaamheid voor de omgeving doet het niet. Natuurlijk zijn er centra die er uitnodigend uitzien, maar beeldbepalend is de eeuwige trek van plek naar plek. De jongens zijn altijd onderweg. Zijn ze eenmaal de baas in een gebied waar ze hun zinnen op gezet hebben dan mag alles weg, kapot, want het stelt toch al niet veel voor en zeker niet als het van mensen is met andere overtuigingen en manier van leven. Ze hebben er geen binding mee. Een leven van zorgen en koesteren motiveert hun niet. Frustratie is hun deel.

Hun leermeesters en leiders zagen de decadentie van het westen al in Parijs, in het midden van de vorige eeuw in de hoogtijdagen van de koude oorlog waarin wereld verdeeld was tussen kapitalisme en communisme, maar ook eerder al. Daar kregen ze hun politieke vorming. Maar wat zagen deze voormannen echt? Was het niet telkens weer opnieuw iets wat hen totaal vreemd was: vrouwen en mannen die elkaars wereld herkennen en erkennen, die elkaar beïnvloeden en uitnodigden tot aandacht en zorg voor elkaar? Natuurlijk was er ook botheid en losgeslagenheid. Die mogen dan beeldbepalend zijn geweest, daarmee wordt geen recht gedaan aan de solidariteit tussen de seksen.

Die decadentie is er in de ogen van hun volgelingen nog steeds. Waar hun moeders en grootmoeders van houden en waar elke vrouw duidelijk meer op is afgestemd, wordt verre van hen gehouden doordat vrouwen een totaal andere wereld vertegenwoordigen. Die andere wereld dringt op geen enkele wijze de hunne binnen. Deze afscherming gaat onder het mom van seksuele moraal, maar wat er werkelijk speelt is niet de mannelijk lust. Het is het onvermogen te delen in zorg en aandacht voor de dingen om ons heen. Ik overdrijf niet: de hordes vechtlustige mannen op tanks en met de modernste wapens, uitgerust met navigatie- en oriëntatieapparatuur waardoor ze sneller kunnen oprukken dan verwacht, gaan niet voor opbouw en zorg maar voor een vernietigend machismo. Als overgeschoten zonen van vaders die ook niet veel te makken hebben zijn ze perspectiefloos en smachten naar avontuur. Ze willen met hun kameraden te hoop lopen tegen alles wat hun wereld mooi en goed zou kunnen maken: niets dat ook maar riekt naar het westen, niets dat ook maar een zweem van de wereld van de vrouw vertegenwoordigt. Wie helpt hen daar beter bij dan de leiders en leermeesters die op Internet in naam van Allah en religie hun eigen agenda hebben: een wereld in die weer opnieuw naar Allahs model ingericht moet worden. Dat zeggen ze tenminste maar bedoelen ze niet een wereld waarin zij het voor het zeggen hebben en die alleen maar hun kijk op de dingen vertegenwoordigt? Maar dan moet wel eerst alles kapot wat ook maar enigszins van dat model afwijkt.

Wie zijn het slachtoffer? Op de eerste plaatst de vrouwen. En natuurlijk probeert men de westerse wereld de stuipen op het lijf te jagen met middeleeuwse praktijken. Kerels die het liefst met hun tenten van plaats naar plaats trekken hebben niets met vrouwen die plantjes begieten en een stukje land en een gebouw tot een verblijfplaats maken om daar met de kinderen vorm te geven aan een leefbaarder wereld. Ze zwaaien liever met een zwarte vlag waarmee ze laten zien dat ze opkomen voor de Islam, tegen het westen waarvan ze wel de smartphone, Internet, wapens en tanks overnemen maar niet de zorg om onszelf en de ander. Ze geven geen zier om een beter leven voor allen. Ze gooien liever alles kapot om zo de eigen club te vestigen op een plek waaraan ze met niets verbonden zijn. Het zijn ontwortelde jongens met vaak grote psychische problemen.

Het Westen gaat overigens niet vrijuit. Het heeft in de periode van meer dan een eeuw dat het daar zit alleen de olie onder het zand vandaan gehaald, maar verder geen cent in deze regio geïnvesteerd. Daar was de koloniale politiek en het protectoraatschap van destijds niet op gericht. Ook in Azië is niet zo geïnvesteerd dat het op den duur op eigen benen kon staan. China werd vernederd met de opiumhandel om de voor Engeland nadelige handelsbalans te corrigeren. De oorlogen die daarmee gepaard gingen zijn nog steeds een bron van wrok. Xi kan dat nog steeds uitbaten ten gunste van zijn autocratische politiek. In India werd de bureaucratie grotendeels bemand met eigen avonturiers. Afrika werd onderling verdeeld met alle nare gevolgen van dien. Als ‘woke’ iets te betekenen heeft dan is het dat het besef van dit soort grove nalatigheden en vernederingen wel mag groeien. Verder is de sentimentele wrok die met dat woke-gedoe meekomt irritant en disfunctioneel. De wrok van China, en die over slavernij of Indonesië zal het probleem niet oplossen van dat mensen met zo’n verleden in die regio’s en daarbuiten, onvoldoende erkenning krijgen. Die erkenning komt van meer kennis en inzicht, d.w.z. door scholing alleen.

Kort en goed, het Westen heeft weinig gedaan aan het bestuurklaar maken van hun wingewesten. Van scholing en educatie is nauwelijks iets terecht gekomen. Dat leverde je reinste roverskapitalisme op. De lokale elite had die houding al en zag die versterkt. Van oudsher is er geen bekommernis om de verheffing van het volk. Dat bleef keurig zijn matje uitrollen. Dat alleen al is opmerkelijk. Terwijl overal ter wereld de clerus er van langs kreeg, eigenlijk al sinds Spinoza in de zeventiende eeuw er mee begon, bleef in het Midden Oosten deze mannenwereld intact. Op wat machteloos marxistisch geëmmer na over nieuwe sociale verhoudingen bleef het opvallend stil. Aan die kritiek lag een ideologie ten grondslag afkomstig van de Parijse elite die na de tweede wereldoorlog de politiek op een dood spoor zette. Lees daar Politicide van Luuk van Middelaar nog maar eens op na. Dat heeft deze regio van de regen in de drup gebracht want de nationalistische en seculiere regimes die daaruit voorkwamen draaiden allemaal uit op het met geweld opleggen van een utopie zonder zich werkelijk ook maar van enige concrete zorgtaak te kwijten.

Steeds hetzelfde soort mannen is erbij betrokken. Mannen die nergens zorg voor hoeven te dragen. Dat wordt overgelaten aan de wereld van de vrouwen waar ze niets mee te maken willen hebben. Ooit waren in dit gebied mooie steden, wordt er gezegd. Maar zelfs dat is een overschat aspect van deze regio. Immers, buiten de bouw van paleizen en moskeeën voor de mannelijke wereldlijke en religieuze elite is er verder nooit iets geweest. Als ze daar nu profiteren van wat het westen te bieden heeft is dat profiteren van iets waar ze nul komma nul aan hebben bijgedragen. Nu niet en vroeger niet. Beschavingshistorici roemen het verleden van wiskunde, medicijnen en filosofie uit die streek maar daarvoor moet je heel ver teruggaan. Waar het om gaat is dat de helft van de mensheid compleet wordt genegeerd. Op wat schermutselingen van een paar verlichte vrouwen na zit de rest thuis en kan geen kant uit. Ze zijn goed voor een half uur televisie op Westerse zenders en misschien worden ze onderschat, maar kijk je naar het optreden van de gewapende milities dan zie een horde die voor heel andere zaken interesse heeft opgevat dan voor het goede leven. Wat hiertegen helpt is scholing in de groep van gematigde experts die op zijn minst moet worden uitgebreid met vrouwen van wie de ervaringwereld nu zo drastisch buiten de deur wordt gehouden.

(Onder constructie)

Paul Voestermans

Gepost door: Paul Voestermans | 2 april, 2021

Lale Gül: ik ga leven…tegen culturele arresten in!

In onze boeken Cultuur & Lichaam en Culture as Embodiment hebben we een nieuwe term geïntroduceerd: culturele arresten. We hebben met culturele arresten te maken zodra mensen vasthouden aan gedragspatronen die zijn opgedaan in omstandigheden die niet meer van toepassing zijn in de nieuwe leefomgeving. Ze zitten ook een liberale vorm van religieus geloven in de weg.

Arresten zijn het resultaat van menselijk doen en laten in het land van herkomst of, veel algemener, in de situatie waarin men vroeger was en die niet nu niet meer geldt. In het herkomstland leerde de nieuwkomer zich te gedragen conform de gebruikelijke, aanvaardbare en soms afgedwongen manier van doen. Maar in het land van aankomst zijn de aangeleerde patronen in veel gevallen niet langer afgestemd op wat in een moderne samenleving te doen gebruikelijk is. Daar komt bij dat als je de reacties van bijvoorbeeld van Tommy Wieringa in de Volkskrant van 30 december 2018 mag geloven, veel mensen het niet eens zijn met wat de nieuwkomers aan gedragsvormen importeren. Hij heroverweegt in het interview dat hij met Laura de Jong heeft het openstellen van grenzen: er komen teveel mensen binnen met opvattingen, gevoelens en praktijken die duidelijk een stap terug zijn. De ontvangende gemeenschap heeft zich immers in veel gevallen eraan ontworsteld.

De nieuwkomer zoekt veiligheid in de ingeslepen patronen om de boze buitenwereld op afstand te houden. Verwar daarom kritiek op deze arresten niet met islamofobie. Er is geen enkel bezwaar kritiekmte hebben op islamistische uitwassen. Daarmee verwerp je de Islam in het geheel niet.

Het niet maken van een onderscheid komt sommige militante – in het geval van Lale Güls boek Turkse – groeperingen goed uit. En ook Erdoğan doet zijn voordeel met het gemakkelijke verwijt van islamofobie terwijl het in feite om kritiek op culturele arresten gaat, op gedragsvormen die sommige islamistische bewegingen kritiekloos laten voortbestaan. Zij en Erdoğan zouden graag zien dat de Turkse diaspora blijft vasthouden aan de patronen die ook worden geeist van Erdoğans partijgenoten en aanhangers in Turkije. Maar het boek van Gül laat zien dat dat geen haalbare kaart is. immers, de kinderen van de nieuwkomers blijven niet graag hangen in deze patronen en zoeken hun eigen weg. Dan leveren deze arresten allerlei problemen op.

Doorvragen
In haar boek Ik ga leven beschrijft Lale Gül uitvoerig waar ze allemaal tegenaan loopt als ze wil gaan leven zoals ze zelf wil, als ze zich teweer wil stellen tegen de omstandigheden van het gezin waarin ze opgroeit. Ze kan er ook helder over vertellen. Ze deed dat bijvoorbeeld in het tv-programma Buitenhof van zondag 28 maart 2021.

Mij viel op hoe weinig interviewer Twan Huys doorvroeg over wat er speelt in het gezin en de gemeenschap waarover Gül ons zoveel te vertellen heeft. Je wilt immers wel eens weten waarom het daar zo aan toe gaat als Gül schetst. Stuiten we hier op de vervaarlijke Islam, de religie die Gül als zodanig niet afkat maar waarvan ze de vormgeving in haar gezin en gemeenschap behoorlijk over de hekel haalt. Of stuiten we op de achterlijke kanten van ‘de Turkse cultuur’, die ook behoorlijk te kijk wordt gezet met alle te verwachten krampachtige reacties tot gevolg? Lale wordt overspoeld met uitingen van haat die – natuurlijk anoniem – worden geuit op sociale media. Met open vizier en vooral: met argumenten de confrontatie aangaan is er niet bij.

Dat soort reacties krijg je ook als de spijtoptanten van bevindelijk-gereformeerden of Jehova-getuigen een boekje open doen. Opvallend: in deze laatste twee gevallen wordt niet de hele Nederlandse cultuur in de beklaagdenbank gezet maar in het geval van Gül gaat het wel meteen over de Turkse en blijkens de vele reacties ook over de Marokkaanse cultuur. Daaraan zie je meteen waar de pijn zit: oei, moeten we ons wel branden aan een oordeel over culturen? Of over religie, helemaal een heet hangijzer? Misschien dat Huys daarom niet verder doorvroeg. Toch gaat het om iets betrekkelijk simpels. Simpel in de wetenschappelijke eenvoud van wat er speelt, maar allerminst simpel in hoe je er maatschappelijk en persoonlijk mee omgaat.

Nut en nadelen van arresten
Zodra mensen van het Turkse platteland of kleine stedelijke gebieden hier hun heil zoeken om hogerop te komen, nemen ze de aangeleerde gedragspatronen uit het land van herkomst mee naar het land van aankomst. Dat gebeurt vaak bij mensen die gemigreerd zijn. Mensen houden dan vast aan ingesleten gedragspatronen, en dat stuit op allerlei problemen als zijzelf en vooral hun kinderen mee willen doen in de Nederlandse samenleving.

De term arrest is hier ontleend aan de biologie: een biologische ontwikkeling is gearresteerd, afgestopt, vastgelegd, gaat niet meer verder. De technische term daarvoor is ‘biologisch arrest’. Arresten in de rechtspraak zijn ook vastleggingen, in dit geval van gerechtelijke vonnissen waar de rechtspraak zich voortaan op beroepen kan. De term komt ook terug in iemand arresteren.

Culturele arresten bieden allerlei voordelen. Ze maken het leven overzichtelijk; je weet wat je te doen staat. En je kunt ook controle uitoefenen op het leven van anderen door respect voor bepaalde gebruiken af te dwingen. Je kunt er identiteitspolitiek mee bedrijven. Bijvoorbeeld wat mannen op het Anatolische platteland leerden over zelfrespect, status, houding tegenover vrouwen, eigen privileges en het afdwingen van gezag, raakt geautomatiseerd en ingeslepen. Wanneer zij, aldus gevormd, aan de nieuwe Nederlandse situatie deelnemen, dan gaan die gedragspatronen in de weg zitten, ze gaan als arresten functioneren. Dat schaadt de machthebbers – mannen veelal, en vrouwen doen daar, zo blijkt uit Güls boek, aan mee – niet of nauwelijks, maar als tamelijk machteloze vrouw in het gezin werd Gül er hardhandig mee geconfronteerd. Ze beschrijft in feite een hele reeks van gedragingen die zij zelf niet meer vindt passen bij het leven dat zij wil in het land van aankomst .

Op welke wijze en hoe intens de arresten ingeslepen raken, is lang niet in elk gezin of in elke gemeenschap hetzelfde. Nuance is geboden en vooral ook preciezer onderzoek en daaruit afleidbaar inzicht in wat de gewraakte patronen in stand houdt. Wat vooral de mannen in die gezinnen of groepen die wel aan de verworven gedragingen vasthouden gemeen hebben is de inzet: houden wat je hebt, je verworvenheden uitbaten, je veilig weten en geen macht prijsgeven. Dit is niet alleen bij migranten het geval, maar ook bij sommige traditionele Nederlandse gemeenschappen. Kijk naar de Veluwe of Zeeland, waar bijvoorbeeld Franca Treur over schrijft. Arresten zijn overal. En misschien wel bij mannen in het algemeen, want ook in de moderne Nederlandse samenleving vind je arresten op allerlei terrein: vasthouden aan de opgedane gewoonte vrouwen veel vaker te onderbreken; vanzelfsprekend ervan uitgaan dat je overal aanspraak kunt maken op wat je aan privilege onderging in je eigen gegoede milieu, en dat je dat allemaal restloos kunt overhevelen naar waar je verder ook komt of wat voor taak je ook krijgt. Dat levert bazig gedrag op terwijl de omstandigheden daar niet om vragen. Een analyse van dit soort fenomenen wordt scherper en preciezer als je je rekenschap geeft van de grote verscheidenheid aan groepen waarin gedrag wordt vertoond dat niet past bij de nieuwe omstandigheden.

Hoe jongeren navigeren
Arresten zijn lokale praktijken. Je kunt ze dus nooit van toepassing verklaren op hele ‘culturen’, ook niet op de Turkse. Overduidelijk schermen de vader en moeder van Gül zich af van de Nederlandse samenleving door zich terug te trekken in een omgeving die ze zelf scheppen uit eigen veiligheidsbehoefte of om zich te verzekeren van medestanders uit de eigen gemeenschap. Wat de meisjes en jongens in deze gezinnen dan kunnen doen is al heel vaak in romans en films geïllustreerd: navigeren tussen twee werelden: thuis de hoofddoek, daarbuiten niet (stiekem).

De arresten doen ook hun werk bij het integratieproces. Ze zorgen voor een merkwaardige mix van aanpassing en vasthouden aan de eigen aangeleerde gedragspatronen. In Culture as Embodiment worden meerdere facetten aan integratie onderscheiden. In het kort: nieuwkomers weten over het algemeen razendsnel de wegen tot geld en goed te vinden. Daar komen ze doorgaans voor. Dan komt het tot assimileren of te wel totale aanpassing. Ook raakt een deel tamelijk snel wegwijs in de doolhof van instellingen die de moderne verzorgingsstaat nu eenmaal is. Je kunt dat institutionele integratie noemen. Een ander deel separeert en blijft afzijdig.

Meer uitgewerkt: assimilatie betreft zoals te verwachten valt vooral jongeren. Maar ook daar doen arresten hun werk. Want met name jongens maken gebruik van typisch mannelijke patronen die ze hebben aangeleerd in het traditionele ouderlijk huis. Traditionele vaders vragen van hun zonen dat ze hun eigen weg zoeken, buiten, op straat, weg uit het vrouwelijke domein van het eigen gezin waar moeder zo’n beetje de baas is en af en toe door de zoon getart mag worden, want dat hoort per traditie bij het man-zijn. Ze scheppen dan een eigen wereld op straat waar ze respect eisen, hun mannetje staan maar ook gewoon weer in de verder intacte huiselijke kring kunnen terugkeren (niet zo intact voor dochter en zus, overigens; voor haar zijn deze vrijheden niet weggelegd, laat Gül duidelijk zien). Dat zorgt ervoor dat ze niet het odium op zich laden – wat vaak wel bij jonge Nederlandse jongens die voortdurend op straat rond lopen het geval is – dat ze uit een gebroken of onvolledig gezin komen.

Veel jongens uit Turkse of Marokkaanse traditionele gezinnen laten zich de traditie mooi aanleunen en nemen zo bezit van de straat waar ze het mannelijkheidspatroon uitventen dat zogenaamd bij hun ‘cultuur’ past. Je ziet dat patroon overal: donkere Audi’s of BMW’s op de Waalkade van Nijmegen bijvoorbeeld; lawaaierig en soms intimiderend.

Dat ze daar aan vasthouden maar er ook beentje mee lichten wordt mooi geïllustreerd in het verslag dat Gül doet van een schoolreis naar Rome. De branie van een keur aan streepjes-Nederlandse jongeren – Turks-Nederlands, Surinaams-Nederlands etc.- wordt en detail neergezet maar erdoorheen kiert het ouderlijk milieu met zijn bekrompenheden en beperkingen. Assimilatie – vooral waar het gaat om mode, muziek, accessoires en grof-puberale overname van alles van de grootstedelijke straat – én tevens arresten in actie. De aanpassing laat zien dat jongeren, waaronder ook meisjes of jonge vrouwen, het gejongleer tussen twee leefwerelden beu zijn. Jongens uit bijvoorbeeld Marokkaanse kring – Gül wijst daar ook op – ontdekken vrij spoedig het snelle geld, wat een geheel eigen problematiek met zich meebrengt. Een klein aantal assimileert zelfs snel in het Nederlandse en/of het eigen Marokkaanse criminele of semi-criminele milieu.

Bij de gang door de instituties manifesteren arresten zich regelmatig in de vorm van resten cliëntistische corruptie of in een klein aantal gevallen van regelrechte misdaad. Dat is in de Nederlandse gemeenschap van Urk tot Heerlen ook bij ons het geval. In de Turks-Nederlandse en Marokkaans-Nederlandse gemeenschap vind je het ook: gedragspatronen die je aantreft in clan- en familierelaties zijn ooit in de dorpse of kleinstedelijke structuren gevormd en blijven doorspelen. Ze verdragen zich slecht met de maatschappelijke veranderingen, de gelijkberechtiging en transparantie die de moderne samenleving kenmerken.

Wees precies!
Maar nu de meest moeizame kant. Zodra het op huwelijk en gezin aankomt en het gaat om seksegebonden machtsverschillen, status of godsdienst, blijven tal van in vroegere perioden lokaal verworven en ingesleten gedragspatronen hardnekkig opspelen. Vooral op deze terreinen ontstaan de meest moeilijke integratieproblemen en – meer specifiek – de conflicten uit de roman van Gül. Maar het blijven lokale conflicten. Ze spelen zeker niet over de hele linie van de migrantengemeenschap, wat een duiding in termen van bijvoorbeeld de hele Turkse cultuur onzinnig maakt. Waar wel precies is pas na onderzoek vast te stellen. En even onzinnig is een duiding in termen van dé Islam alsof daar niet van een enorme verscheidenheid sprake is.

Voor een goed begrip van wat Gül in haar boek thematiseert is het nodig stelselmatig de specifieke problemen te preciseren van specifieke groepen of gezinnen. Door gemakzuchtig te verwijzen naar een massieve cultuur of religie die heel het leven van mensen zou beheersen help je niemand – de nieuwkomers niet, maar ook de ontvangende bevolkingsgroep niet. Specifieke gedragspatronen en manieren van spreken moeten op de ontleedtafel. Pas nadat je weet wat er precies schort aan communicatie en wat voor druk er wordt uitgeoefend kun je nieuw gedrag inoefenen met behulp van wat er op die manier wordt ontdekt. Dat gebeurt overal al, maar dat zou in politiek en onderwijs moeten worden versterkt in plaats van door van beide kanten steeds de culturele kaart te spelen.

Met andere woorden, het is raadzaam onze modernisering niet slechts van één kant uit te venten in termen van verlichting of secularisatie. Beter is het van beide kanten te beseffen waar we gezamenlijk staan in het proces van samenlevingsopbouw. Paul Scheffer speekt in dat verband tamelijk plechtig van een “gedeelde toekomst”. Onze eigen modernisering is immers nog in volle gang. Ook dat blijkt uit Güls boek. Haar vriend staat niet heel erg ver af van wat de hoofdpersoon in het boek met name haar moeder verwijt. Het is de grote verrassing van dit boek en maakt het voor mij tot een bijzondere en zeer lezenswaardige roman. Lees het zelf maar, want het zou een spoiler zijn als ik hier meer op inging.

Dat onze eigen modernisering nog lang niet af is wordt in den brede duidelijk als je kijkt naar de belofte die deze inhield toen het westen een grote wetenschappelijke, technische en economische voorsprong kreeg met een al eeuwenlange ontzagwekkende werfkracht. Er ontwikkelen zich bijvoorbeeld bij jongeren en bij vrouwen afkomstig uit ook etnische kringen nog steeds werelden parallel aan de bestaande. Niet als vluchthaven maar als antwoord op de eenzijdigheid en vastgeroestheid van de leefwereld die ze willen ontvluchten. Door die ontwikkeling zal het bestaande pas werkelijk veranderen. Daar kan de gevormde en gevestigde elite veel van leren. In dat leerproces moet plaats zijn voor overleg van alle elitegroepen afkomstig uit alle kringen.

Daarbij moeten we wel goed in de gaten houden dat delen van deze elite ronduit kwaadaardig zijn. Dat zien we bij de politieke partijen en bewegingen die na de recente verkiezingen weer aan invloed hebben gewonnen en voor wie integratie niet als opgave telt maar als last. Daarnaast zitten in de landen van herkomst regiems met ook elitegroeperingen die steun verlenen aan organisaties die weinig gemeen hebben met wat de ‘migranten’ hier werkelijk willen. Wat dat is hebben we breed uitgemeten in onze boeken, maar ook hier op dit weblog bijvoorbeeld onder het zoekwoord Proeftuin Europa.

We moeten de ogen niet sluiten voor arresten en aangeblazen identiteitsproblemen. In verband met dat laatste: aanpassingsproblemen in migratiegemeenschappen worden door hun eigen elite politiek gebruikt onder het mom van religie of van: ‘dit is onze cultuur’, drogredenen waar we in Cultuur & Lichaam en Culture as Embodiment drastisch mee afrekenen.

Zo is Güls roman een oproep haar verzet aan te scherpen en op te pakken van twee kanten, niet alleen van de kant van de zogenaamde ‘minderheden’. En dat met een vergelijkbare luchtigheid die de ernst van de problemen niet bagatelliseert. Dat kan alleen als ook gedragswetenschappers leren van deze roman en zich niet verliezen in de abstracte ‘botsing van culturen’ maar zich verdiepen in concrete, gearresteerde gedragspatronen.

Gepost door: Paul Voestermans | 1 januari, 2021

Weg met volksaard etc.

Volksaard, cultuur, tijdgeest- zodra die erbij gehaald worden verlies je zicht op wat er echt speelt, zeker als het over gevoelige thema’s gaat zoals gehoorzaamheid aan gedragsregels tijdens een pandemie, of identitaire politiek, of seksueel gedrag. Beroep op ‘dit is onze volksaard, cultuur, of het was/is de tijdgeest’ is altijd misleidend.

In het artikel van Haro Kraak in de Volkskrant van 28 december 2020 over of ‘volksaard’ wel of niet de reacties op de coronamaatregelen bepaalt, worden geleerden aangehaald die allen zo hun ideeën hebben over de Nederlandse variant. Maar meer dan wat roeren in de volksaardsoep die, zo schetst Kraak helder en raak, al geruime tijd wordt opgediend, doen ze niet.

Natuurlijk bestaat er wereldwijd een keur aan volkeren die door landschap, geschiedenis, materiële cultuur, hun eigen vondsten en god weet wat allemaal er anders uitzien dan wij en zich ook herkenbaar anders gedragen: met soms een rariteitenkabinet der uitheemse gedragingen. De vraag is evenwel of dit soort verschillen specifieke gedragingen zoals reacties op de pandemie en de genomen maatregelen afdoende verklaren. Dat is niet zo.

Je ziet het al meteen aan de wisseling in de reacties van ons volkje op corona. Eerst algemeen tamelijk volgzaam en dan ineens komt specifiek hier en daar de klad erin doordat zich lokaal en groepsgewijs allerlei manier van reageren hebben voorgedaan. En dat ook nog eens onder invloed van spokesmen, want dat zijn het voornamelijk. En die zijn ook nog eens opgeschreven in de krant, vertoont op TV en becommentarieerd in allerlei Op1-verhalen en -betogen.

Als je dus deze staalkaart van reacties goed bekijkt blijft er van de volksaard niks over. Het zijn dan misschien inderdaad allemaal ‘Nederlanders’ die grofweg en op het niveau van toeristische waarneming verschillen van Chinezen, maar wat ze groepsgewijs precies doen wordt door die grove kenmerken niet verhelderd. Daarvoor heb je lokale informatie nodig en een standaard gedragswetenschappelijke gereedschapskist, met de verzameling concepten die dat lokale gedoe begrijpelijk maken: o.a. opleidingsniveau, wel of niet aanjagers in de buurt (en of die op TV zijn geweest) en of die steun kregen van bijv. de voorman van FvD. En verder: of het gaat om affectieve reacties die wel of niet verfijnd zijn geraakt door verantwoordelijkheidsgevoel, of om expliciete denkbeelden van zelfbenoemde deskundigen die zijn gaan rondzingen of om automatismen die al bestonden, of om dit alles tezamen. 

Je komt er niet met volksaard of cultuur of tijdgeest. En ook niet met de vijf dimensies van Hofstede die grofweg aangeven of er in de geschiedenis van een land rond macht, masculiniteit, zekerheid, individu versus gemeenschap en planning een aantal kenmerkende ontwikkelingen hebben voorgedaan die bijv. Nederland en zijn volkje beschrijven. Leuk voor managers die over een paar kenmerken van hun nieuwe standplaats willen nadenken. Maar om te snappen welke mensen fed up zijn geraakt met de coronamaatregelen en wie niet, heb je een verfijnder instrumentarium nodig.

Een paar van de opgevoerde historici hebben het over de nare naoorlogse bijwerkingen die de discussie over volksaard heeft gehad. Onze geschiedenis raakte besmet met ideeën van de Nazi’s, zegt Stiene Jensen in het artikel. En Herman Pleij beaamt deze ontwikkeling rond het idee volksaard. Natuurlijk weten ze allen dat het een slecht idee is hoewel het ooit met pseudowetenschappelijke pretenties is gelanceerd. Daarop wijst ook van den Brink: “het begrip veronderstelt een statische, onveranderlijke essentie, en dat is bewezen onzin”. Hij voelt meer voor het idee van veranderlijke normen: “De sociale normen die tezamen een nationale cultuur vormen zijn altijd in beweging”. In de plaats van volksaard komt dus de notie ‘nationale cultuur’. We zullen nog zien dat dat geen verbetering oplevert.

Wat alle opgevoerde historici en filosofen vergeten is dat het idee volksaard een veel langere en tamelijk onfrisse geschiedenis heeft. Het witte superioriteitsdenken nam ermee al heel vroeg een aanvang. In het kielzog van het vroeg- en midden 19e eeuwse idee Volksgeist ontwikkelde zich namelijk het idee cultuur met een kleine c, het antropologische, naast dat van Cultuur met een grote C, dat de hogere menselijke verrichtingen als kunst en wetenschap omvat. Dit antropologische cultuuridee werd uitgevent om de verlossings- en beschavingsmissie van de Christelijke religie te vervangen in intussen door de Verlichting geseculariseerde tijden. Het Duitse cultuurgeïnspireerde Volksgeist leek geschikt om het wat gevaarlijke biologische idee ras te vervangen. Daarop wijze ook de historici die worden geciteerd maar zij zien alleen de naoorlogse gevaren. De missie dat je ‘Volksgeister’ in soorten hebt (net als bij het vroegere ras) met een hogere en lagere graad van beschaving is van veel vroegere datum. Zo ontstond gelijk oplopend met de tijd dat er fors gekoloniseerd werd het idee dat de Westerse Christelijke cultuur een vergelijkbare verlossing uit de benarde toestand van onbeschaafdheid en zondigheid zou kunnen bieden als de Christelijke godsdienst zelf. Een seculiere ‘soterologie’ ontstond waarin een mix bleef bestaan van christelijk verlossingsdenken en een beschavingsoffensief met weinig oog voor de waarde van de volkeren die er mee werden bestookt. Volksaard-denken is dus niet van smetten vrij. Maar het denken in termen van cultuur met een kleine c ook niet. Volksaard door flexibele normen en cultuur vervangen helpt dus niet veel. Maar daarover is al uitvoerig gerapporteerd in de diverse posts op op dit weblog.

Maar waarom zou je dat doen als allang duidelijk is dat je bij een pandemie qua nationaal georganiseerde gezondheidszorg niet te zuinig moet zijn, niet scherp maar ruim moet calculeren, spullen ook lokaal moet maken en op voorraad houden en geen versnipperd aanstuurbeleid moet voeren, zaken duidelijk moet uitleggen en oog moet hebben voor wie van de maatregeken echt heel veel last hebben, want die krijgen met enig recht snel genoeg van het gezwabber en de onduidelijkheid. Allemaal zaken die niks met cultuur of volksaard van doen hebben en al ruim zijn uitgezocht in dit jaar.

Terug naar wat er wel aan de hand is en deze tijden van ongehoorzame burgers die naar hun zogenaamde ‘volksaard’ zouden handelen zoals nogal eens is beweerd. Dan zie je dat de mensen zich verdelen over scheidslijnen die niks met volkaard of cultuur of tijdgeest te maken hebben maar met tamelijk lokale groepsgebonden en soms individuele ontwikkelingen. Hoe dat zit? More research needed.

Zoals de toeslagenaffaire slechte politiek is en geen slecht Nederlanderschap, zo is de reactie op de pandemie geen kwestie van volksaard maar van een verdeelde kijk op hoe het beleid uitwerkt en hoe bereid we zijn om een grote graad van improvisatie de dulden om van te leren.

Waar leren mensen verstandig omgaan met elkaar en tolerant op elkaar reageren; op een manier dat de politieke coronamaatregelen goed gevolg krijgen? Antwoord: in goed op elkaar afgestemde groepen die ontstaan bij de gratie van goed onderwijs. Niks volksaard dus!

Gepost door: Paul Voestermans | 31 oktober, 2020

Wat moeten we aan met Yuval Harari?

 (Long read over Homo Deus.)

Nu er voor Sinterklaas en Kerstmis een stripboekversie van Yuval Harari’s boek Sapiens in de winkels ligt en hij onlangs Buitenhof als verkooppodium kreeg, rijst de vraag: wat moeten we aan met Harari? Het stripboek voor onze tieners – en misschien wel nog jonger – kopen? De schrijver stelt het zelf voor als een gouden greep waar het gaat om de popularisering van wetenschap. Nu kan ook de lezer die niet zo heel graag dikke boeken doorworstelt genieten van wat de schrijver allemaal voor ons bijeen heeft gezet.

Het boek Sapiens heeft onmiskenbaar positieve kanten die vermoedelijk in de stripversie behouden blijven. Ik merk onder mijn vrienden dat ze het met plezier gelezen hebben en er veel van hebben opgestoken. Geen twijfel mogelijk. Je harkt al die kennis niet zomaar even bij elkaar, zelfs al ben je helemaal thuis op Wikipedia en kun je de zoekmachine bedienen als geen ander. Ook Homo Deus gaat erin als koek.

Dit laatste bevat de optimistische pagina’s over hoe we honger onder de knie hebben gekregen. Zozeer, voegt de schrijver ons fijntjes toe dat we nu zelfs met het probleem van teveel voedselinname opgescheept zitten; en hij is heel precies; 1 miljoen doden door honger en 3 miljoen door obesitas. Wat de infectieziekten betreft geldt hetzelfde verhaal: ze zijn grotendeels bedwongen. Covid-19 was er nog niet toen Homo Deus geschreven werd. De lezer weet intussen veel meer over infectieziekten dan in Harari’s boeken staat. Voor de schrijver biedt de nieuwe epidemie alle gelegenheid om in interviews aanvullingen te geven.

En dan oorlog. Hier is Harari ook optimistisch. De in militaire parades getoonde wapens gingen niet af. Terrorisme wordt afgedaan als theater; de slachtoffers worden overdreven.

Je gaat je afvragen waarover de schrijver zich echt zorgen maakt; en nu komt het: “als het voorkomen van honger, infectieziekten en oorlog niet meer onze zorg zijn dan moet wel iets anders hun plaats op de agenda innemen”. En ja hoor, er komen nieuwe problemen op ons af.  

De wetenschap stelt ons steeds meer in staat om wat “de menselijk conditie”, het menselijk tekort wordt genoemd, naar onze hand te zetten en de dood te bestrijden. Wie genoeg geld heeft kiest voor “het optuigen van het biochemische systeem” de upgrading van mensen naar goden. Weg met de dood en in plaats daarvan eeuwige jeugd (is dat niet het ultieme fantasma van de man en de vrouw die zoekt naar een partner wiens of wier jeugd op hem afstraalt?). Het nieuwe probleem is dat zo een fundamentele tweedeling ontstaat tussen mensen die zich deze ‘upgrading’ kunnen veroorloven en mensen die dat niet kunnen.

Dan: de vooruitgang van de wetenschap zal geluk op afroep binnen bereik brengen. Maar ook dat geeft nieuwe problemen. Door het streven naar onsterfelijkheid en geluk door biologische upgrading komt de 300 jaar oude religie van het humanisme en liberalisme – een korte geschiedenis vindt Harari als je het vergelijkt met Egyptische farao’s die 3000 jaar over leven en dood gingen – onder druk te staan. Immers, was homo sapiens niet de soort die in de eeuwen van de Verlichting god door de mens verving en het humanisme tot nieuwe religie verhief? Het gaf ons de vrije wil, de moraal dat de mens de maat is van alle dingen, het subjectivisme van dat schoonheid ligt ‘in the eye of the beholder’ en het individualisme van dat als iets goed voelt het verder prima is. Harari vraagt zich af of dit zingevingssysteem wel bestand is tegen een aanval vanuit de wetenschap. Ontwikkelingen in de wetenschap stellen de mens een upgrade in het vooruitzicht en daarmee een fris, nieuw “techno-humanisme”. Op den duur zal de mens zichzelf overstijgen met datagestuurde of voortgedreven supermachines die veel van wat mensen zijn en kunnen overbodig maken. Zie hier de nieuwe agenda van Harari in zijn boek Homo Deus.

Maar helaas. Met zo’n agenda ontspoort het werk van Harari. Het is ondoenlijk zowel Sapiens als Homo Deus helemaal uit te kammen op waar en hoe precies. Ik beperk me tot drie thema’s: (1) De behandeling van emotie en gevoel: beide zijn in zijn ogen algoritmische processen. Maar zijn ze dat? 2) Het algoritmische affectsysteem van mensen wordt door Artificiële Intelligentie biochemisch-bionisch vervolmaakt, zegt Harari. Kan dat? Tenslotte (3) Zijn aanval op het verlichtingshumanisme. Is die terecht? Deze drie thema’s leiden tot een regelrechte dystopie. Harari bedoelt dit alles als waarschuwing, maar daarbij baseert hij zich op een verkeerde voorstelling van zaken

Emoties en gevoelens zijn algoritme-gestuurde lichamelijke processen. Is dat zo?

Het blijft moeilijk om in het menselijk affect-systeem een bruikbaar onderscheid te maken tussen emotie en gevoel. De geschiedenis van filosofie en psychologie zit vol misvattingen, die levensgroot opduiken in Homo Deus.

Je kunt het probleem laten beginnen bij Descartes en Spinoza. Descarte rekende de passies tot de machinerie van het menselijk lichaam. Daartegenover staat Spinoza die vooral de nadruk legt op hoezeer de passies vormgeving vereisen en pas door verstandige training in de gemeenschap gepolijst raken. Tegenwoordig omvatten de passies zowel emotie als gevoel. Maar helaas, Descartes won het in de filosofie toch een beetje van de in zijn geschriften nogal hermetische Spinoza. Daardoor is het menselijk affectsysteem en vooral de emoties erin hoofdzakelijk een aangelegenheid geworden de bio-fysiologie, van wat ik in onze boeken ‘Lichaam 1’ heb genoemd, het microfunctionele lichaam; het lichaam van “de zachte machine propvol tengere draadjes en slangetjes” zoals Vroman dichtte. Voor zover emoties belangenbehartigers zijn en deel uitmaken van het geautomatiseerde detectiesysteem dat o. a. de vier V’s activeert: vechten, vluchten, vrijen en (vr)eten, kun je zeggen dat ze algoritmisch worden aangestuurd. Dat geldt min of meer ook voor afgeleide begeerten en angsten. Ze zijn niet gemakkelijk ‘cognitief doordringbaar’ – een technische term voor de mogelijkheid tot controle bijvoorbeeld – omdat ze in belangrijke mate ‘wired-in’ – ingebakken – zijn. Onderdrukken van de reactie is er vaak niet bij. Wegrennen bij accuut gevaar, vechten bij dreiging, het vermijden of afgaan op dingen die van vitaal belang zijn – hierbij gaat het om automatische emotieregulatie.

Maar er is meer. Naast emoties zijn er gevoelens. Lichaam 2 is het expressieve lichaam dat bij elke interactie onmisbaar is en daarbij spelen juist gevoelens een belangrijke rol. Wanneer we zeggen” nu wordt ik emotioneel” bedoelen we dat ons gemoed volschiet en wat we denken en doen kleuren zal. Mensen verschillen in de mate van het uiten van hun gevoelens maar er zal altijd sprake zijn van vormgeving, expressie en getraind zijn in de groepen waartoe iemand behoort. Zo zorgen mensen uiteindelijk voor een hanteerbare gevoelshuishouding. In hun gepolijste vorm bepalen gevoelens mede de kwaliteit van het denken. Gevoelens zijn interactief van aard, meer en duidelijker dan emoties. Van algoritmisering is geen sprake. Gevoelens zijn daarvoor te zeer cognitief doordringbaar al zitten er ook moeilijk beheersbare kanten aan omdat ze toch ook met emoties samenhangen. Uiteindelijk betekent cognitieve doordringbaarheid precies dat: dat er vorm gegeven kan worden aan wat we voelen. Maar die toch ook onbeheersbare kant maakt het onderscheid tussen emotie en gevoel juist zo ingewikkeld en controversieel.

Maar hoe dan ook: emotie en gevoel verschillen op tal van punten hoe groot de overlap ook is, vooral als het gevoelns gaat die mede afhankelijk zijn van wired-in reacties zoals bijv. walging, angst, en andere basis-emoties.

Het broodnodige onderscheid tussen emotie en gevoel is helaas niet algemeen geworden in de gedragswetenschappen. Het heeft geleid tot veel verwarring over emotie en gevoel. Langzaamaan breekt evenwel het inzicht door dat beide uit elkaar gehaald moeten worden. Emoties zijn ingebakken reactiewijzen op gebeurtenissen van belang. Ze maken deel uit van de wereld van interne fysische mechanismen. Het zijn actietendenties en belangenbehartigers (Frijda).

Gevoelens kennen een leergeschiedenis, sturen en kleuren het menselijk doen en laten, in het bijzonder hoe we over dingen denken en wat we vervolgens min of meer overwogen gaan doen. Ze maken deel uit van de wereld van menselijke interactie.

Welnu, in de boeken van Harari over wat emoties en wat gevoelens zijn en wat hun respectieve rol is in de aansturing van gedrag, geen spoor. Het hele onderwerp ontbreekt. In Sapiens komen emoties en gevoelens nauwelijks aan bod en in Homo Deus zijn gevoelens eenvoudigweg subjectieve gewaarwordingen die niet goed van emoties worden onderscheiden en voortdurend gemanipuleerd kunnen worden.

Hij gooit emoties en gevoelens op één hoop en neemt van beide aan dat ze aangestuurd worden door algoritmen. Die maken – zo gaat het verder – dat emoties en gevoelens, ik citeer: “aangescherpt (zijn) door de evolutie om dieren (waaronder de mens P.V.) te helpen de juist beslissing te nemen. Onze liefde, onze angsten, onze passies zijn geen mistige spirituele verschijnselen goed voor poëzie. Integendeel, ze bevatten eeuwen aan praktische wijsheid”. Dat klinkt verstandig en je denkt meteen: dat klopt want de activering van emoties volgt een algoritme, zoals zoveel in een organisme. Maar gevoelens niet. Die worden gevormd in de gemeenschap waartoe je behoort en voor hun rol in het menselijk verkeer is er geen algoritmisch script.

Waarom zegt Harari dan toch dat heel het menselijk gevoelsleven algoritmisch is? Ik denk omdat hij dan meteen over kan gaan op zijn stokpaardje: de wetenschap is al zover dat binnen afzienbare tijd deze eeuwenoude menselijke gevoelsalgoritmen overgenomen worden door “superieure algoritmen die nooit vertoonde rekenkracht en gigantische databases gebruiken”. Maar dat is dus een misvatting, zoals ik hierboven heb laten zien.

Verbeterde biotechnische algoritmen

Het verdienmodel van Facebook en Google heeft algoritmen in een kwaad daglicht gesteld. Maar er zijn natuurlijk onmisbare algoritmen. Type 1 diabetes patiënten beschikken al over slimme insulinepompjes waarvan het algoritme allerlei gegevens laat uitmonden in de juiste hoeveelheid insuline. Ze zijn onmisbaar op de intersive care waar een grote hoeveelheid gegevens gemonitord moeten worden. Er zullen ledematen geconstrueerd worden en andere lichamelijke hulpstukken, waarbij algoritmen zorg dragen voor optimaal functioneren, maar het ‘hacken’ van het menselijk gevoelsleven is een brug te ver. En dat wordt ons als een dreiging voorgehouden op basis van de onjuiste aanname dat gevoelens algoritmisch worden aangestuurd

Hij zegt het niet alleen in Homo Deus maar ook in bijna elk interview: de algoritmen van Google en Facebook weten precies hoe je je voelt; ze weten alles van je. Je gevoelsleven kan grotendeels voorspeld worden door Google’s algoritmen en ‘data mining’ en beter dan je dat zelf kunt. Waarom zou je nog naar je eigen gevoelens luisteren? Het bekende verhaal van Harari dat alle kranten haalde, zijn boeken een plek op menig nachtkastje bezorgt (tot in de Amerikaanse presidentiële slaapkamer aan toe) en zijn beeltenis regelmatig op TV brengt is dat van de knappe jongen versus de wat lelijkere. Ze strijden met elkaar om de aandacht van hetzelfde meisje. De vraag is: met wie is ze beter af? Google weet dan te vertellen – op basis van wat het algoritme over het meisje aan gegevens verzameld heeft – dat het de lelijke is, terwijl het meisje voor de knappe gaat. Ze zal er te laat achter komen dat het advies van Google beter was.

Het is nog niet in real life uitgeprobeerd, maar ik denk dat dit hele verhaal helemaal niet laat zien wat data mining vermag, maar verraadt hoe beperkt te kijk van Harari op gevoelens is. Hofmakerij blijkt moeilijker te voorspellen vanuit big data omdat het om gevoelens gaat die mede vorm krijgen in gemeenschap met anderen. Juist deze interactieve afstemmingrelaties krijgen ten onrechte geen enkele aandacht in Harari’s betoog over algoritmen. Omdat de gevoelens bij hem opgesloten zitten in de subjectieve ervaring en in geen relationeel verband staan, kunnen ze gemakkelijk op één lijn worden gezet met algoritmen die door het ‘diepe leren’ van de computer worden voortgebracht. Bij emoties is dat tot op zekere hoogte denkbaar, maar zodra het over gevoelens gaat is dat onzin. Het hele verhaal is bedoeld om het zogenaamde evolutionaire humanisme van maakbare superieure bionische mensen met een zweem van wetenschappelijkheid te omgeven.

Humanisme op de korrel

Het is niet duidelijk waarom Harari zo uithaalt naar het humanisme en denkt dat het zal worden vervangen door techno-humanisme en ‘dataïsme’. Dat is de 21steeeuwse religie die het bestaande humanisme op den duur obsoleet zal maken. In deze nieuwe religie gaat het idee dat het menselijke gevoelsleven gebaseerd is op biochemisch algoritmen, samen met het idee van zelflerende machines die aan data miningdoen. Dataïsme en moderne genetische engineering zullen op den duur de standaard menselijke regulering van het gevoelsleven vervangen, aldus de dystopie van Harari.

Het biochemisch algoritme komt in de plaats van het zelf en de vrije wil als de peilers van het ‘humanisme’. Die twee bestaan niet langer omdat ze in strijd zijn met wat de wetenschap leert. Dat beweert Harari met klem. Hij lijkt er geen been in te zien om zich te profileren als kennen van alle wetenschappen, ook al is hij van huis uit historicus. De biochemie is nu al zo geavanceerd dat we er ons zelf mee kunnen ‘upgraden’ (nog slimmer, nog mooier, nog volmaakter) en dat ad libitum, gewoon omdat mensen het willen. Dat schept een ongekende ongelijkheid en verdwenen is de gelijkheid tussen mensen als het humanistisch ideaal bij uitstek. Er bestaat nog wel een ‘verhalen vertellend zelf’ dat voor zover mogelijk nog voor enige compensatie zorgt voor wie achterblijft, maar er komt een fundamentele tweedeling.

Harari negeert hier hoe heel de mensengeschiedenis door allerlei politieke systemen – in de sociaal-democratie en liberale richtingen – geprobeerd hebben om op den duur iedereen te laten meeprofiteren van innovaties, simpelweg uit welbegrepen eigenbelang. Niks hierover bij Harari.

Volgens Harari vernietigt wetenschap het humanisme, dat met zijn liberale kijk op het menselijk bestaan al meer dan 300 jaar de dienst uitmaakt. Maar dat vindt hij niet erg want er zijn wel meer wereldbeelden gesneuveld. Wetenschap ondermijnt gaandeweg de voorwaarden waaronder het humanisme kon uitgroeien tot een dominante religie. Hariri vindt het op wetenschappelijke gronden niet langer vol te houden is dat alle mensen gelijk zijn en dat er individuele ‘zelven’ zijn met een vrije wil.

Het eerste is niet zo, zegt hij, want straks kunnen er door de moderne wetenschap bionische supermensen gemaakt worden. Het tweede is volgens hem nog grotere onzin want mensen maken keuzes op basis van de genetische en elektrochemische samenstelling van hun organisme. Van een instantie die als een zelf vrij beslist is geen sprake.

Dat is me nogal een grote klap voor ons ego! – veel groter dan die van Copernicus, Darwin en Freud bij elkaar! Maar is het waar? Harari noemt in voetnoot 2 van hoofdstuk 8 van Homo Deus, waarin het controleverlies van de homo sapienns wordt behandelt, de Libet-experimenten. Deze experimenten zouden aantonen dat voordat er een bewuste beslissing wordt genomen, het brein al volledig automatisch heeft uitgemaakt wat er gebeuren zal. Op die experimenten is veel kritiek. Daar doet Harari niets mee. Die kritiek is er en de vrije wil bestaat. Niet als louter individuele eigenschap maar als resultaat van afstemmingsrelaties tussen mensen. Dat de wil vrij is, is een emergente eigenschap van gemeenschappen waarin mensen geacht worden aan elkaar verantwoording over hun daden af te leggen.

Als je de vrije wil, het zelf of de persoon en de gelijkwaardigheid van alle mensen om zeep hebt geholpen is het enige dat nog rest de AI-machines die met de data van mensen aan de haal gaan. Als je het menselijk gevoelsleven terugbrengt tot een algoritme doen slimme deep learning machines het vanzelfsprekend beter.

Wat we kunnen leren van de missers in Harari’s boeken? Dat algoritmen verre moet houden van de controle op interactie tussen mensen. Dringen ze in deze sfeer door dan zit er een wederrechtelijke toe-eigening bij van controle van mensen over mensen. Dat is het probleem van Facebook, Google en hun verdienmodel.

Elders op dit weblog heb in de post “Weer wordt misbruik van persoonsgegevens aan de kaak gesteld” dit zogenaamde hacken van mensen geconfronteerd met een scherpe kritiek vanuit de gedragswetenschap. Dat ga ik niet herhalen.

(Nog onder constructie)

Gepost door: Paul Voestermans | 14 oktober, 2020

Waarom vormen klasse en status zo’n hardnekkig probleem

In de NRC van vrijdag 9 oktober werden twee boeken besproken die tot onderwerp hebben de te grote nadruk op hoofdarbeid en een kosmopolitische intelligente levensstijl met verwaarlozing van hand- en hartarbeid; van het werk van boeren, technici en bouwers en van de zorgmedewerkers in ziekenhuizen en verpleeginstellingen. Klasse- en statusverschillen dus en die vormen nog steeds een groot probleem. Maar wat is de kern ervan?

Beide boeken over het probleem status en klasse werden in de besprekingen als onbevredigend afgeserveerd. Michael Sandel die het boek De tirannie van verdienste schreef krijgt het verwijt dat hij het vraagstuk van de te lage status van veel hard werkende mensen terugbrengt tot gebrek aan erkenning voor de lagere sociale klasse, waarbij hij dan ook nog eens de waarderingsproblematiek nauwelijks van de economische kant benadert. Is het wel gebrek aan erkenning of moet bijv. de erfbelasting drastisch worden verhoogd om een meer gelijk speelveld te krijgen of moet de belasting op werk niet drastisch omlaag? En is er wel echt sprake van sociale marginalisering van deze groepen of zijn er andere dingen aan de hand als ze bijvoorbeeld op Trump stemmen of voor de Brexit? Hoe zit het met outsourcing naar lagelonenlanden als voornaamste oorzaak van economische marginalisering van arbeiders? Volgens deze boekbespreker mocht er wel wat meer economie in Sandels boek.

David Goodhart, die het boek Head, hand, and heart schreef krijgt het verwijt dat hij veel te weinig differentieert en alle hand- en hart-werk op een hoop gooit waardoor we niet goed meer kunnen zien welke beroepen nodig blijven en welke echt aan creatieve destructie ten offer zullen (moeten) vallen. Daardoor verwatert het erkenningsprobleem tot het naar Goodharts eigen zeggen verwaarloosde “psychologische vraagstuk” van dat status verplaatst is van hand/hart naar hoofd. Maar Goodhart levert bij deze psychologische constatering geen bruikbare psychologie die deze verschuiving verklaart en zo tot een oplossing kan leiden. Het is een hardnekkig gegeven dat je status niet zomaar kunt uitdelen, die verkrijg je op basis van wat je zichtbaar of merkbaar levert. Hoe krijg je het voor elkaar om status zo te distribueren dat deze niet alleen naar hoofd maar ook naar hand en hart gaat?

Nauwelijks had ik deze kritiek van de recencenten opgepikt of ik kreeg in de Volkskrant van 10 oktober een reeks gegevens voor de kiezen die het probleem nog ingewikkelder maken. Uitgebreid onderzoek door een stel jonge onderzoekers van de Erasmus School of Economics, geleid door de econoom Bastian Ravesteijn, zochten uit welke factoren inkomenskansen en dus vooral de economische klasse- en statusverschillen vergroten of verkleinen.

Het bleek dat wanneer je van twee willekeurige mensen uit twee plaatsen in Nederland alleen weet wat het inkomen van hun ouders is, hun geslacht kent en weet waar ze hun kindertijd doorbrachten, je al kunt zeggen hoeveel de een zal verdienen en hoeveel de ander. Talent is minder bepalend dan waar je wieg staat was de kortste conclusie in het krantenartikel dat Joris Tieleman en Jonathan Witteman naar aanleiding van dit onderzoek schreven.

Ongelijkheid als economisch vraagstuk is hot maar de vraag hoe economische ongelijkheid mede iemands positie op de statusladder bepaalt en je tot een bepaalde klasse veroordeelt is veel minder voorwerp van belangstelling en onderzoek. Hoe zit die klasse- en statusongelijkheid in elkaar? Wat zijn daarvan de bepalende factoren?

Eerst nog even wat meer van het economische verhaal. Uit het onderzoek van Ravesteijn en zijn team blijken wat je ouders verdienen, de plaats van opgroeien en of je man of vrouw bent bepalend te zijn voor je kansen in termen van inkomen.

Wat zijn hiervan de mogelijke verklaringen? De onderzoekers geven er drie.

(1) Steden bevatten de meeste kinderen met migranten-ouders en die scoren nu eenmaal laag in kansen. Daarnaast zijn er ook veel Amsterdamse kinderen van niet-migrantenouders die laag scoren. Dus de migratieachtergrond is een deelverklaring.

(2) In de steden wonen steeds meer mensen van dezelfde soort. Door gentrificatie en doordat de scholen tamelijk homogeen zijn, kunnen mensen zich daar minder makkelijk optrekken aan voorbeelden uit allerlei millieus. Op het platteland bestaat er vaak wel een gelukkige mix. Dat verklaart waarom de inkomenskansen op het platteland vaak groter zijn dan in de stad.

(3) Het onderzoek gaat over jonge dertigers. Toen die jonge waren woonden zij in steden waarin nogal wat probleemwijken lagen. Dat zou verklaring kunnen bieden voor in vergelijking met landelijk Nederland lagere kansen van de dertigers in de steden.

Nog een paar krenten uit de pap: het noorden van Nederland komt er slecht vanaf omdat daar minder mensen wonen en er veel minder aan kansen scheppende industriepolitiek is gedaan en de Haagse politici opgehouden zijn er de ambtenarenbanen beter te spreiden. In het begin bij de mijnsluiting deed Den Haag dat nog wel maar dat beleid werd niet volgehouden waardoor de regio noord verpieterde.

En dan de migranten: de dertigers uit die groep -Turken, Marokkanen, Antillianen en Surinamers – doen het slechter dan jongeren zonder deze achtergrond. Maar dat geldt niet voor de jonge vrouwen. Alleen zij maken de sprong voorwaarts; jongens die altijd in Nederland hebben gewoond met ouders die het duidelijk slecht hadden in het begin van hun verblijf hier, blijven achter. Hier geboren zijn maakt niet veel uit. Dat is opmerkelijk en ook daar kom ik op terug.

Goed, dat zijn een paar mogelijkheden om inkomensverschillen en verschillen in kansen te verklaren.

Wat we in Cultuur & Lichaam en in Culture as Embodiment gedaan hebben in de hoofdstukken die we aan status en klasse hebben gewijd, is eerst de inkomens- en kansenverschillen relateren aan verschillen in sociale rangorde. Vervolgens zoeken we de verklaring voor deze verschillen in habituele praktijken die zich lichamelijk hebben ingesleten onder invloed van het leven in intrinsiek sociale groepen. (Dat zijn groepen waar men zichzelf echt lid van vindt. Ze verschillen van groepen die voor het beantwoorden van onderzoeksvragen kunstmatig gemaakt zijn op basis van een aantal indicatoren zoals sekse, inkomensverschillen e.d.)

Op die manier komt klasse als leefomgeving of leefwereld weer terug in het hart van de problematiek van de verdeling van cultureel kapitaal en kansen en wordt dat kapitaal de crux. Het etiket ‘waar je wieg staat’ kan aldus specifieker worden gemaakt. En ook het opkijken tegen mensen die het beter getroffen hebben of het neerkijken op mensen die lager staan op de statusladder kan op die manier gerelateerd worden aan gedragspatronen die in die intrinsiek sociale groepen zijn opgedaan. Praat eens met de mensen die zogenaamd ‘laag op de ladder’ staan en leer hun wereld kennen. Dat is in feite herhalen wat ook in Culture as Embodiment en Cultuur & Lichaam staat: stap af van kwantitatief vragenlijstenonderzoek en ga gestructureerd spreken met wie je onderzoeken wilt; net zo lang tot je niks nieuws meer hoort. Meestal is dan na viijftien of twintig goed gestructureerde inteviews wel duidelijk waar de pijn zit; hoe hardnekkig de patronen zijn waar de mensen die je wilt snappen last van hebben.

De roep om scholing ja dan wel nee is onderdeel van dat patroon. Hoog vindt het vanzelfsprekend om voor kwalitatief degelijk onderwijs te kiezen; laag is daar niet zo zeker van. En als daar geen uitdagend onderwijs tegenover staat maar hooguit meegaand maatwerk, dan levert onderwijs dus geen weermiddel meer tegen deze ingesleten praktijken. De keuze ervoor of ertegen is zelf onderdeel van het opgedane patroon. In kwalitatief goed onderwijs op maat wordt dit patroon opgemerkt en doorbroken.

In onze boeken proberen we deze patroonvorming te doorgronden. Daartoe sluiten we aan bij het onderzoek van Pierre Bourdieu die met het begrip habitus een brug probeert te slaan tussen het sociologisch gecijfer met aggregaatkenmerken als basis: inkomen, woonplaats, geslacht e.d. en psychologisch inzicht in hoe groepsgebonden praktijken ervoor zorgen dat de bestaande sociale verhoudingen gereproduceerd worden. Die praktijken leveren duidelijk aan het lichaam af te lezen houdingen op die de actoren o.a. op een andere manier laten bewegen in kringen waar ze niet aan gewend zijn. Het lichaam van de chirurg is echt anders dan dat van de bouwvakker. De gemeenteambtenaar beweegt anders dan de vrachtwagenchauffeur. Het zit in taal en spraak, in de smaak voor muziek, huisinrichting, eetgewoonten en wat er thuis op de buis komt.

Neem het lichaam voor wat het is, maar let ook op iets anders: waarop zijn de gevoelens die in dat lichaam huizen en ermee tot expressie worden gebracht – het geleefde lichaam is eerst en vooral een expressief lichaam – afgestemd? Wat iemand denkt, voelt en verwoordt wordt mede voortgebracht door de voorafgaande en voortdurende fijnregeling en ijking in de groepen waarin iemand dagelijks in gezin, op het werk, in de klas en bij het uitgaan verkeert. Daar wordt de smaak gevormd voor de keuze voor een bepaalde opleiding, voor het soort werk dat je wilt, voor het type hofmakerij dat bij je past, het soort woonomgeving waarin je je prettig voelt enz. En dus ook de gerichtheid op sociale stijging ja dan nee, en hoe je omgaat met de statusverschillen.

Eerst even terug naar de man-vrouwverschillen in inkomen waar het onderzoek op wijst en het opvallend verschijnsel dat in migrantengroepen de meisjes meer kansen zien dan jongens. Zou het kunnen dat de meisjes in die kringen eerder kijken naar wat het mogelijk maakt om te ontsnappen aan mannelijke dominantie? Die is in migrantengroepen veel duidelijker aanwezig dan bij de niet-migranten. Ook bij deze laatsten is natuurlijk nog veel te winnen als het gaat om een gelijk speelveld voor mannen en vrouwen, maar er zijn wel duidelijke stappen gezet. In de migrantengemeenschappen is hier nog een inhaalslag te maken die de vrouwen aldaar – met hun seksegenoten uit niet-migrantengezinnen als mogelijk voorbeeld – voortvarender lijken te maken dan de mannen.

Denk nu niet meteen dat het met deze nadruk op het lichaam om een dwangbuis gaat. Maar hoe iemand ‘uit de bakkerij’ komt – mooi, lelijk, soepel, houterig, schonkig of elegant -en met welke vormgevingsmogelijkheden iemand in aanraking is gekomen, zegt veel over welke kansen er zijn.

Dat is de manier waarop wij in onze boeken naar statusverschillen kijken. Geen psychologie van opvattingen en denkbeelden, redeneringen en overtuigingen maar van praktijken, gevoelens, automatismen die alleen door training en blootstelling aan alternatieven verder kunnen worden bijgestuurd en verfijnd.

En bij dat laatste schiet ons onderwijs tekort. We hebben lichamelijke opvoeding en expressie door woord en gebaar tot een minimum teruggebracht en laten verdampen tot educatieve vorming en lespakketten met een cognitief waterhoofd. We hebben scholen gehomogeniseerd tot witte en zwarte scholen, tot scholen met een door levensovertuiging gedicteerd karakter, maar ze hebben ook een eenvormigheid gekregen door een veel te vroege voorsortering op taken die in hoofdzaak aan taal en rekenen gekoppeld zijn. Het leren van een ambacht wordt uit de buurt van andere leertaken gehouden. En zelfs de vaardigheidstraining is eenzijdig gefocust op cognitieve taken.

Er is inmiddels zoveel kritiek op het onderwijs dat daarvan geen impuls tot betere kansen meer uitgaat. Lees Jan Bransens boek over het onderwijs in Nederland: Gevormd of vervormd. Hier een bespreking.

We hebben ook hele wijken gehomogeniseerd door gentrificatie en het opbergen van minderheden in wijken die toch al niet zo’n hoge waardering genoten. Dat beperkt de mogelijkheden om te gaan met diversiteit.

Status en klasse zijn verschijnselen die niet gemakkelijk verdwijnen in een samenleving die egalitair wil zijn en ongelijkheid wil bestrijden. Het is zaak beide te ontleden met behulp van meer dan aggregaatindicatoren zoals afkomst, inkomen, geslacht etc. We moeten vooral ook kijken naar de intrinsiek sociale groep waarin het lichaam getraind wordt. We moeten in onze analyse kansen koppelen aan concreet aan te leren stilering en grotere beweeglijkheid door de nog steeds gestratificeerde samenleving waarin dubbeltjes maar moeilijk kwartjes worden.

De macroscopische aanpak van de economische ongelijkheid in het onderzoek van Ravesteijn levert een informatieve kaart op van de kansenspreiding in de regio’s in Nederland. Wie slaat er niet aan het spelen met de site waar de Volkskrant je in staat stelt je eigen stad of dorp op te zoeken? Voor die kaart zijn sociologische indicatoren zoals de SES, de sociaaleconomische status, regionale afkomst en sekse gebruikt. Om de pijn van de ongelijkheid in sociale status echt te begrijpen zullen die evenwel moeten worden aangevuld met microanalyses van het gedrag in de groepen waar de kansen op een beter inkomen laag zijn. Daarvoor is een apart instrumentarium nodig. Dat wordt geleverd in Cultuur & Lichaam en Culture as Embodiment. Het is een instrumentarium dat inzoomt op habituele praktijken, affecten die van sturende invloed zijn op keuzes voor onderwijs, woonomgeving, groepstoebehoren en op hoe hoog de lat wordt gelegd in een poging de eigen situatie te verbeteren.

Maar wordt dat instrumentarium gebruikt in onderzoek? Nauwelijks, helaas. En dat ligt vooral aan de gangbare onderzoekspraktijk. Hier wreekt zich dat het type onderzoek dat nu de krant haalt in al zijn complexiteit de zaken toch sterk versimpelt. Echt uitzoeken hoe in kansarme regio’s gedrag wordt geproduceerd en in stand gehouden is meer werk en ingewikkelder, maar ook meer werkelijkheidsnabij. Het verheldert meer.

Ik geef een voorbeeld. We weten uit de cognitiewetenschap dat het menselijk brein tot zeker halverwege de twintig aan herordening en gereedmaking voor optimaal functioneren onderworpen is. Thomas Piketty had gelijk dat hij de som gelds die de ongelijkheid kan bestrijden, wilde geven aan 25-jarigen. Waarom dan de grens bij 18 leggen zoals in de plannen van Groen Links wordt voorgesteld?

De grens van 18 is een regel, de regel die bepaalt wanneer iemand als volwassen wordt beschouwd. Groen Links heeft blijkbaar alleen oog voor deze regel. Dat is kortzichtig. In onze boeken leggen we uit dat er naast regels conventies zijn die per klasse bijv. bepalen waaraan geld wordt besteed. Hier geldt niet de leeftijd maar wat in een bepaalde groep gebruikelijk is: vroeg uit werken voor geld, of investeren in een opleiding, bijvoorbeeld. Hoe jonger, hoe minder aandacht in de overgrote meerderheid voor het doorbreken van bepaalde conventies. Dat is toch een inzicht om rekening mee te houden.

Nog krachtiger in de productie van gedrag zijn wat wij in onze boeken ‘arrangementen’ hebben genoemd. Daarmee doelen we op praktijken die aansluiten bij de klassegebonden stilering van de leefomgeving en de wijze waarop de afstemming in de groep vorm krijgt. Arrangementen zijn hardnekkiger dan regels of conventies; bepalender voor het alledaagse gedrag in de groepen waar men toe behoort. Het zijn lichaamspraktijken, of preciezer nog: lichaamstechnieken, waarmee getoond wordt waar je bij wilt horen. Hierdoor vindt bijvoorbeeld beïnvloeding door mode plaats. Hierdoor wordt uitdrukking gegeven aan identiteit, aan hoe men wil zijn en met wie.

Vooral hier ligt dus de oorzaak waarom status zo’n hardnekkig probleem is. Het is niet “the economy, stupid” maar klasse zoals die geleefd wordt in alledaagse gearrangeerde omstandigheden. Niet klasse als sociologische entiteit maar als leefwereld, als ervaringswereld. Immers in het leven van alledag worden gevoelens en strevingen, maar ook denkbeelden, tot een in het lichaam verankerd gedragspatroon geweven dat kansen beperkt, of ingeval van het bereiken van een hogere sport op de ladder, verruimt. Want denken dat de voorspoed die je geniet of de prestatie die je levert je eigen verdienste is, is een even hardnekkig patroon als ervan uitgaan dat je nooit een kwartje wordt. Beseffen dat het velen zijn die jouw verdiensten mogelijk maken is ook een ervaring die je niet helemaal uit de eigen koker haalt, maar mede het gevolg van de ijking van je gevoelen in de groep(en) waartoe je behoort. Ontkennen dat er een algemeen belang is dat voorrang dient te krijgen boven eigenbelang leer je evenzeer in de intrinsiek sociale groep, de klasse waarin je vanzelfsprekend tot de bevinding komt dat wat je bereikt hebt je eigen verdienste is. Meritocratisch denken is een groepsfenomeen met ook weer de stevige verankering in lichaamsgebonden praktijken: je beweegt je voort met de vanzelfsprekende tret: kijk mij eens! Juist daarin word je bevestigt. Zoals omgekeerd, je ook niet voor vol wordt aangezien – een zaak die je primair lijfelijk ervaart – als je het niet zo goed getroffen hebt.

Tegen mensen opkijken of erop neerkijken is een van de hardnekkigste patronen in gedrag; alleen te bestrijden door training met heel je hebben en houden, lichaam en geest in settingen waar mensen van diverse statuur samenkomen, weg van de eigen bubbel.

Gepost door: Paul Voestermans | 26 september, 2020

Het ongelijk van Mahbubani genuanceerd

Nu China en het Verre oosten weer in de belangstelling staan, is een wat oudere post veel actueler dan hij was op het moment van schrijven.

Opvallend dat al jaren het gesprek gaat over Oost en West. Er zijn China notities, er is China politiek, er is veel te doen over TikTok en over de rol die China op zich gaat nemen op het wereldtoneel. Hier nog maar eens een aspect van de discussie dat veel verder gaat dan de rivaliteit tussen China en de VS.

In de NRC van vrijdag 3 juni 2016 staat een interessante aanvulling op het ongelijk van Mahbubani zoals ik dat destijds zag: Deze week sprak hij (Mahbubani) in tien Skype-minuten met architect Rem Koolhaas op het forum Re: Creating Europe in Amsterdam. Mahbubani’s uitgangspunt: er vindt geen ‘clash’ tussen beschavingen plaats, maar een ‘fusie’. Neem China. Het zal nooit een replica van Amerika of Europa worden, maar neemt in zijn moderniseringsbeweging wel stukken westerse cultuur over. In 2008 hadden 36 miljoen Chinese kinderen pianoles en 50 miljoen viool. Ze krijgen seksuele voorlichting op basis van beproefde westerse methoden. Polio is uitgeroeid. Het westerse universitaire stelsel verspreidt zich over de wereld, inclusief de Golfstaten. Terwijl we ons terecht zorgen maken over 30.000 IS-strijders vergeten we de 200 miljoen niet-radicale moslims die alleen al in Indonesië samenleven. Mahbubani spreekt van „overlappende gebieden van gemeenschappelijkheid” ( Foreign Affairs , mei-juni 2016).

Dit hieronder was de blog van toen. Lees die met het bovenstaande in het achterhoofd.

De Kernvraag: is Mahbubani te aardig voor de geschiedenis van het Oosten? Hij gaat wel iets te losjes om met de beschavingsgeschiedenis van het Westen.

Kishore Mahbubani kan wat mij betreft niet vaak genoeg komen uitleggen wat zijn boek The New Asian Hemissphere The irresistable shift of global power to the East aan goede raad bevat voor de westerse intelligentia. Zijn optimistische kijk op Azië is een verademing vergeleken bij de navelstaarderige doemdenkerij van bijvoorbeeld John Gray die onlangs nog in de NRC van 1 Okt. 2008 het einde van de Amerikaanse hegemonie aanzegde. Dat gebeurde in erg negatieve termen waarbij de Aziatische wereld de rol kreeg van kaper op de kust of lachende derde. Mahbubani doet dat duidelijk anders.

Zijn centrale stelling is dat de mensen in het Oosten wel willen moderniseren maar niet verwestersen: “(The Asian countries) found that there were at least seven pillars of Western wisdom that could have an almost miraculous effect on their societies” (p.52).(…) “The world can no longer be Westernized. Naipul was wrong; the West does not represent “universal civilization”. There are many other successful civilizations, many of which are about to blossom again in the twenty-first century”(p. 272).

Dat Azië – heel algemeen: het Oosten, ook wel “de Rest” genoemd – waarden vertegenwoordigt die het Westen vrijwel negeert, is de hoofdboodschap van Mahbubani. Het Oosten heeft het Westen meer te zeggen dan wat exotica.

Mahbubani vat de modernisering samen in de 7 pilaren van westerse wijsheid: (1) vrije markt economie, (2) wetenschap en technologie (3) meritocratie, (4) pragmatisme, (5) cultuur van de vrede, (6) de rechtsstaat en (7) onderwijs. Het Westen ziet onvoldoende hoezeer de Aziatische landen al hun voordeel doen met deze wijsheid. Ze moderniseren snel.

De vrije markteconomie wint overal in Azië terrein. In het China van Deng Xiaoping bijvoorbeeld komen de verandering van onderop in de plaats van de door Mao van bovenaf opgelegde revolutie. De zo begeerde Grote Sprong Voorwaarts komt pas in zicht nu de centrale planning terzijde is geschoven. Het Westen doet er volgens Mahbubani goed aan ook af en toe te luisteren naar Hu Jintao, wanneer hij uitlegt dat het aantal mensen in grote armoede in China intussen met 400 miljoen is afgenomen.

Op het gebied van wetenschap en technologie is Azië aan een inhaalslag bezig. Het is Mahbubani niet ontgaan dat er in het Westen een beslissende stap werd gezet, nadat vanaf het midden van de 17e eeuw de wetenschappelijke precisie werd omarmd en kennis los kwam te staan van het hogere weten van de godsdienstigheid. Tot in de 16e en 17e eeuw was Azië de grootste innovatieve economie. Dat stagneerde. Mahbubani erkent dat ook. Maar er verandert veel in Azië. Ter illustratie voert hij de coverstory op van Time met daarin de voorspelling van Richard Smalley dat rond 2010 90% van alle wetenschappers en ingenieurs met een Ph-D in Azië zullen verblijven. Dat is al gauw.

Ook met de meritocratische beginselen gaat het in Azië goed. Het doorzoeken van alle klassen en lagen van de bevolking in India en China op talent is een moeizame aangelegenheid vanwege het kastensysteem, resten feodalisme en eindeloos veel platteland, maar Mahbubani geeft genoeg voorbeelden van hoe ook in China en India steeds meer capabele mensen uit alle lagen van de bevolking op cruciale posten worden benoemd. Singapore gaf daarbij het voorbeeld. Dat dit in het Westen niet wordt opgemerkt is het zoveelste bewijs van Westerse arrogantie.

Over de overige pijlers zal ik kort zijn. Japan is al vanaf de tweede helft van de 19e eeuw een toonbeeld van pragmatisme. Dat heeft aanstekelijk gewerkt voor China en India. De Associatie van Zuidoost Aziatische Staten (ASEAN) is als vredesorganisatie overtuigender in de Aziatische regio dan de EU in Europa op de Balkan, zozeer is de cultuur van de vrede als westerse wijsheid doorgedrongen. Met de rechtsstaat hebben de Aziatische landen het nog het moeilijks, maar de meeste tenderen toch naar een type wet- en regelgeving dat nepotisme, dwang en machtsmisbruik zal doen verminderen. Het onderwijs wordt steeds toegankelijker, ook voor de lagere regionen in de samenleving. De gegoede klasse in Aziatische landen studeert steeds meer aan westerse universiteiten en door de economische groei in de thuislanden komt er een omgekeerde brain drain op gang: de knappe koppen blijven niet in het Westen, maar keren terug.

In plaats van de adoptie van de zeven wijsheden te benutten om een brug te slaan zit het Westen volgens Mahbubani vast in een kramp waarin bijvoorbeeld de volle participatie van Azië in belangrijke instituties zoals IMF en de Veiligheidsraad geen optie is. Regeringen van landen met samen nog geen half miljard mensen sluiten meer dan 5,5 miljard mensen effectief uit bij het nemen van belangrijke beslissingen en verhinderen deelname aan cruciale politieke en monetaire instellingen. Dat is heel kort Mahbubani’s belangrijkste grief.

Deze harde boodschap verdient het wereldwijd te worden verstaan. Ik heb wel een paar vragen.

In de eerste plaats bij zijn historisch perspectief. De laatste tijd hebben een aantal historici geprobeerd– ook voor het brede publiek – om de geschiedenis te schrijven vanuit mondiaal perspectief om daarmee provincialisme of meer in het algemeen een westerse bias te voorkomen. Geschiedenis is meer dan de verschaffer van nationale identiteit of het middel tot volksopvoeding. In dat brede perspectief wordt duidelijk dat de beschaving van het Christelijke Westen hoofdzakelijk zijn articulatie kreeg door confrontatie met beschavingen die zich rond de Islam, het Confucianisme, het Taoïsme, het Hindoeïsme en het Boeddhisme ontwikkelden. Die confrontatie duurt tot op heden. Maar vond die plaats op de wijze die Mahbubani beschrijft?

Chris Bayly’s boek The Birth of the Modern World: 1780-1914 laat een heel ander beeld zien. Bayly is zo’n historicus die gerichte vragen probeer te beantwoorden en daarbij geen typisch westers perspectief aanhangt. Hij wijst erop dat in de loop van de confrontatie tussen de diverse beschavingen de imperia erg op elkaar zijn gaan lijken. Overal manifesteerden zich heersers die in kleding, leefstijl, hofhouding, wensen en verlangens, vormgeving aan macht, gevoeligheid voor eer etc. erg op elkaar gingen lijken.

Ook religies gingen op elkaar lijken. Opvallend zijn de mannelijke priesterkaste, de bedevaartsoorden, pelgrimroutes en andere ideologische instrumenten voor de vestiging van wat in alle beschavingsoffensieven aanwijsbaar is: een overwegend mannelijke heersersstructuur met altijd ergens in het imperium groeperingen die van de welvaart zijn uitgesloten maar toch gedwongen worden om hun bijdrage eraan te leveren. Wat dat betreft wijst Bayly niet zozeer op Westerse dominantie als wel op de ontwikkeling van onder andere door handel bevorderde machtsverhoudingen waarin lokale, reeds bestaande centra van groot belang waren. Misschien niet zo invloedrijk in vergelijking met wat de overheersers inbrachten, maar de lokale machthebbers en rijke bovenlaag raakten op den duur wel degelijk bij de macht betrokken. Zozeer, dat er grote betrokkenheid bij westerse politieke en maatschappelijke ontwikkeling en ideeën ontstond. Dat leidde op vrijwel elk continent ook tot verzet van de gestudeerde elite die naar hun eigen land terugkeerden, gewapend met westerse politieke idealen van bevrijding en machtsdeling.

Bij dit hele proces moeten we bedenken dat het zo’n 500 jaar terug in de geschiedenis bepaald niet duidelijk was welk imperium de hegemonie zou vestigen: het rijk van Karel V, de Ming dynastie, de Mogul, of de Osmanen. Dat zorgde gedurende lange tijd voor wederzijdse beïnvloeding. De Europeanen haalden vrijwel heel de verfijning van hun levensstijl uit dat contact, want Azië maar ook de Osmanen waren toen rivalen waarvan veel te leren viel. Wat er aan burgerlijke stijl ontstond voedde altijd direct terug naar de landen waarmee deze uitwisseling bestond. Bayly spreekt hier van een ‘archaïsche globalisering’ om aan te geven dat er van meet af aan van frequente, wereldwijde kennisname sprake was.

Vanaf 1800 kreeg het Westen evenwel overtuigend de wind mee, nadat daar de voorkeur was gegeven aan wetenschappelijk en industrieel onderzoek, technische innovatie en de daarop gebaseerde handel. Dat driespan had lange tijd tezamen met militair en juridisch overwicht (hoofdzakelijk in de vorm van allerlei maatregelen die de eigen handel bevorderden) een vervaarlijke uitwerking en leidde tot de botte dominantie en uitbuiting die zo kenmerkend is voor het kolonialisme en het imperialisme: een beschavingsmissie at gun point. Mahbubani verwijst vaak naar de vernederingen tengevolge daarvan.

Bayly laat evenwel zien hoe dat in zijn werk ging en sluit geen enkel imperium uit van brute chicanes rond macht en overheersing, niet in het Westen en niet in het Oosten. Zonder Maharadja’s, Javaanse Raden, Mandarijnen, Sultans, Kaliefen, en andere aan de hoven geconcentreerde machthebbers – geen enkel continent uitgezonderd – geen overheersing; geen Engelse Raj, of concessies voor handelscentra aan Aziatische kusten om maar een paar voorbeelden te noemen.

Maar wat is nu het meest beslissend geweest in deze fase? Wat kwam er ondanks alles al heel vroeg in deze periode allemaal mee? Dat was uiteraard diezelfde modernisering, waar Mahbubani zo hoog van opgeeft. Maar die term is misleidend en dekt niet wat er gebeurde. Modernisering ging overal gepaard met veel achterblijvers en gefrustreerde en verwaarloosde subgroepen. Maar wat doorzette was de zichtbaarheid van een levensstijl die iedereen wel wilde. Overal brachten wetenschap, de techniek en de daarop gebaseerde handel in goederen en diensten materiele genoegens voort die op den duur niemand meer kwijt wilde. Denk bij die materiele genoegens niet meteen aan hedonisme of consumentisme. Het gaat van gecontroleerd voedsel tot vrije leefstijlkeuzes, van zuivere lucht tot medische zorg, van betrouwbare incusieve instituties rond gezonheid en scholing tot communicatie, transport en mode. Daar zorgde dat driespan voor en dat wordt niet gedekt door ‘modernisering’.

Hierbij aansluitend kan een tweede vraag worden opgeworpen. Is Mahbubani wel voldoende duidelijk over waar de werfkacht van deze materiele genoegens ophoudt en de verwestersing begint? Op veel plaatsen in zijn boek komt verwestersing neer op – om het lapidair te zeggen – de grote bek van het zogenaamde vrije westen bij monde van zijn politici. Die arrogantie werd deel van het pakket aan zeven wijsheden. Opvallend aan Mahbubani’s voorbeelden van deze arrogantie is dat ze vaak van recente datum zijn en eigenlijk gaan over de bekende uitwassen van de neoliberale ideologie.

Maar zoals gedetailleerd staat uitgewerkt in Cultuur & lichaam en in Culture as Embodiment is de ervaring van mensen hartgrondig door de het driespan dat onze leefstijl zo wervend maakt veranderd. We pleiten voor een psychologische kijk op de globalisering waarin een belangrijke rol is weggelegd voor de tuning, de afstemming van het instrumentarium waarmee mensen het leven ervaren en vormgeven. Zodoende wordt aan het driespan van wetenschap, techniek en handel een vierde factor is toegevoegd: de ervaring van miljoenen mensen raakt voor eens en voor altijd getekend door de zegeningen van de onmisbaarheden en dat levert wereldwijd een wervend leefpatroon op. Er is sprake van gedragsglobalisering. Die heeft voora de jeugd in zijn greep waar die niet wordt gehersenspoeld door een elite die haar macht niet diensbaar wil maken aan inclusieve welvaart.

In het rijke Westen, dat wil zeggen hoofdzakelijk in het Noord-Atlantisch gebied, veranderde de ervaring van de mensen drastisch. In de laatste helft van de 20ste eeuw werd het “nooit meer oorlog” in het welvarende deel van de wereld een belangrijke bron van de wil tot van samenwerking. Daarmee ontstond niet meteen een vredelievende houding tegenover de rest van de wereld, maar aan het brute kolonialisme kwam een einde.

Helaas, zo kunnen we achteraf zeggen, moesten we eerst nog door de fase heen van een vervaarlijke bipolaire wereld, de wereld opgedeeld in het Vrije Westen en de landen van het Oostblok. Welk land kwam niet onder invloed, ja soms betovering daarvan en koos voor het ene of het andere perspectief (soms voor beide, met alle interne spanning van dien)? Mahbubani abstraheert van die periode en stelt de verwestersing aan de kaak alsof er van dit alles niets is gebeurd.

Toen de bipolaire kramp na de val van de muur in 1989 enigszins versoepelde, betekende dat niet het einde van de geschiedenis, zoals dat destijds pathetisch werd aangekondigd. De globalisering werd versterkt, die al vanaf 1500, aan de gang was en die de gelijkvormigheid van imperia en machtscentra heeft bewerkstelligd. Dat zorgde voor de verdere adoptie van een leefpatroon dat niet kan worden afgedaan als ‘Westers’. Daarvan bij Mahbubani geen spoor.

In dat patroon zit het wereldwijde gebruik van internet (ondanks de uitwassen van ongevraagde politieke beïnvloeding nog steeds overal gewild) communicatie tot in alle uithoeken, de wereldwijde eis van scherpe controle op voedsel en water, oog voor duurzaamheid, duurzaam energiebeleid, gezondheidszorg voor iedereen, kinderen op school in plaats van op het land of in de fabriek. Landen die daar niet aan willen voldoen, kunnen rekenen op verzet, vroeg of laat.

Gedreven door dat patroon roeren zich overal ter wereld de vrouwen. Ze willen niet langer leven onder de heerschappij van mannen. Jongeren eisen in naam van datzelfde patroon de vrije keuze op van met wie ze een groep vormen. Er is verzet tegen de dwang van ouders bij huwelijk en gezinsvorming. Overal ter wereld tref je het pleidooi aan voor de vrijheid van voorkeur voor met wie je intiem wilt zijn. In het Westen gebeurt dat meestal openlijk, elders in het verborgene, maar de roep is onmiskenbaar. Het is het soort vrijheid dat alleen een rechtsstaat kan garanderen, de ruggegraad van vrijheid. Huidskleur als lot in plaats van kans wordt overal afgewezen. Is dat verwestersing?

Rond deze thema’s staat het Westen soms tegenover de rest. Niet als dwingeland, maar als proeftuin. Het gaat om voorkeuren, die de uitkomst zijn van een heel lange, maar onafwendbare ontwikkeling. Het gaat om een algemeen menselijk patroon. Vreemd dat Mahbubani daar geen oog voor heeft. Hij zelf is er een illustratie van evenals Barack Obama. Met hen zijn er duizenden in Oost en West die dat patroon nooit meer zullen opgeven. Wat is dan nog verwestersing in dat perspectief? Inhoudelijk zal het een en ander nog zeker moeten worden uitgezuiverd. Voor die taak is het Westen niet speciaal toegerust, geen sprake van. Het gelukkige feit doet zich voor dat de precisering op inhoudelijk terrein geen aangelegenheid meer zal zijn en ook niet meer kán zijn van één beschaving.

Paul Voestermans

Older Posts »

Categorieën