Gepost door: Paul Voestermans | 14 oktober, 2020

Waarom is status zo’n hardnekkig probleem?

In de NRC van vrijdag 9 oktober werden twee boeken besproken die tot onderwerp hebben de te grote nadruk op hoofdarbeid en een kosmopolitische intelligente levensstijl met verwaarlozing van hand- en hartarbeid; van het werk van boeren, technici en bouwers en van de zorgmedewerkers in ziekenhuizen en verpleeginstellingen.

Beide boeken over het probleem status werden in de besprekingen als onbevredigend afgeserveerd. Michael Sandel die het boek De tirannie van verdienste schreef krijgt het verwijt dat hij het vraagstuk van de te lage status van veel hard werkende mensen terugbrengt tot gebrek aan erkenning, waarbij hij dan ook nog eens de waarderingsproblematiek nauwelijks van de economische kant benadert. Is het wel gebrek aan erkenning of moet de erfbelasting drastisch worden verhoogd om een meer gelijk speelveld te krijgen en moet de belasting op werk niet drastisch omlaag? En is er wel echt sprake van sociale marginalisering van deze groepen of zijn er andere dingen aan de hand als ze bijvoorbeeld op Trump stemmen of voor de Brexit? Hoe zit het met outsourcing naar lagelonenlanden als voornaamste oorzaak van economische marginalisering van arbeiders?

David Goodhart, die het boek Head, hand, and heart schreef krijgt het verwijt dat hij veel te weinig differentieert en alle hand- en hart-werk op een hoop gooit waardoor we niet goed meer kunnen zien welke beroepen nodig blijven en welke echt aan creatieve destructie ten offer zullen (moeten) vallen. Daardoor verwatert het erkenningsprobleem tot het naar Goodharts eigen zeggen verwaarloosde “psychologische vraagstuk” van dat status verplaatst is van hand/hart naar hoofd. Maar Goodhart levert bij deze psychologische constatering geen bruikbare psychologie die deze verschuiving verklaart en zo tot een oplossing kan leiden. Het is een hardnekkig gegeven dat je status niet zomaar kunt uitdelen, die verkrijg je op basis van wat je zichtbaar of merkbaar levert. Hoe krijg je het voor elkaar om status zo te distribueren dat deze niet alleen naar hoofd maar ook naar hand en hart gaat?

Nauwelijks had ik deze kritiek van de recencenten opgepikt of ik kreeg in de Volkskrant van 10 oktober een reeks gegevens voor de kiezen die het probleem nog ingewikkelder maken. Uitgebreid onderzoek door een stel jonge onderzoekers van de Erasmus School of Economics, geleid door de econoom Bastian Ravesteijn, zochten uit welke factoren inkomenskansen vergroten of verkleinen. Het bleek dat wanneer je van twee willekeurige mensen uit twee plaatsen in Nederland alleen weet wat het inkomen van hun ouders is, hun geslacht kent en weet waar ze hun kindertijd doorbrachten, je al kunt zeggen hoeveel de een zal verdienen en hoeveel de ander. Talent is minder bepalend dan waar je wieg staat was de kortste conclusie in het krantenartikel dat Joris Tieleman en Jonathan Witteman naar aanleiding van dit onderzoek schreven.

Ongelijkheid als economisch vraagstuk is hot maar de vraag hoe economische ongelijkheid mede iemands positie op de statusladder bepaalt is veel minder voorwerp van belangstelling en onderzoek. Hoe zit die statusongelijkheid in elkaar? Wat zijn daarvan de bepalende factoren?

Eerst nog even het economische verhaal. Uit het onderzoek van Ravesteijn en zijn team blijken wat je ouders verdienen, de plaats van opgroeien en of je man of vrouw bent bepalend te zijn voor je kansen in termen van inkomen.

Wat zijn hiervan de mogelijke verklaringen? De onderzoekers geven er drie.

(1) Steden bevatten de meeste kinderen met migranten-ouders en die scoren nu eenmaal laag in kansen. Daarnaast zijn er ook veel Amsterdamse kinderen van niet-migrantenouders die laag scoren. Dus de migratieachtergrond is een deelverklaring.

(2) In de steden wonen steeds meer mensen van dezelfde soort. Door gentrificatie en doordat de scholen tamelijk homogeen zijn, kunnen mensen zich daar minder makkelijk optrekken aan voorbeelden uit allerlei millieus. Op het platteland bestaat er vaak wel een gelukkige mix. Dat verklaart waarom de inkomenskansen op het platteland vaak groter zijn dan in de stad.

(3) Het onderzoek gaat over jonge dertigers. Toen die jonge waren woonden zij in steden waarin nogal wat probleemwijken lagen. Dat zou verklaring kunnen bieden voor in vergelijking met landelijk Nederland lagere kansen van de dertigers in de steden.

Nog een paar krenten uit de pap: het noorden komt er slecht vanaf omdat daar minder mensen wonen en er veel minder aan kansen scheppende industriepolitiek is gedaan en men opgehouden is er de ambtenarenbanen beter te spreiden. In het begin bij de mijnsluiting deed Den Haag dat nog wel maar dat beleid werd niet volgehouden waardoor de regio noord verpieterde.

En dan de migranten: de dertigers uit die groep -Turken, Marokkanen, Antillianen en Surinamers – doen het slechter dan kinderen zonder deze achtergrond. Maar dat geldt niet voor de meisjes. Alleen zij maken de sprong voorwaarts; jongens die altijd in Nederland hebben gewoond met ouders die het duidelijk slecht hadden in het begin van hun verblijf hier, blijven achter. Hier geboren zijn maakt niet veel uit. Dat is opmerkelijk en ook daar kom ik op terug.

Goed, dat zijn een paar mogelijkheden om inkomensverschillen en verschillen in kansen te verklaren.

Wat we in Cultuur & Lichaam en in Culture as Embodiment gedaan hebben in de hoofdstukken die we aan status hebben gewijd, is eerst de inkomens- en kansenverschillen relateren aan statusverschillen. Vervolgens zoeken we de verklaring voor statusverschillen in habituele praktijken die zich lichamelijk hebben ingesleten onder invloed van het leven in intrinsiek sociale groepen. (Dat zijn groepen waar men zichzelf echt lid van vindt. Ze verschillen van groepen die voor het beantwoorden van onderzoeksvragen kunstmatig gemaakt zijn op basis van een aantal indicatoren zoals sekse, inkomensverschillen e.d.) Klasse als leefomgeving komt op die manier weer terug in het hart van de problematiek van de verdeling van cultureel kapitaal en kansen. Het etiket ‘waar je wieg staat’ kan aldus specifieker worden gemaakt. En ook het opkijken tegen mensen die het beter getroffen hebben of het neerkijken op mensen die lager staan op de statusladder kan op die manier gerelateerd worden aan gedrag dat in die intrinsiek sociale groepen is geleerd.

Om dat leerproces beter te kunnen doorgronden sluiten we aan bij het onderzoek van Pierre Bourdieu die met het begrip habitus een brug probeert te slaan tussen het sociologisch gecijfer met aggregaatkenmerken als basis: inkomen, woonplaats, geslacht e.d. en psychologisch inzicht in hoe groepsgebonden praktijken ervoor zorgen dat de bestaande sociale verhoudingen gereproduceerd worden. Die praktijken leveren duidelijk aan het lichaam af te lezen houdingen op die de actoren o.a. op een andere manier laten bewegen in kringen waar ze niet aan gewend zijn. Het lichaam van de chirurg is echt anders dan dat van de bouwvakker. De gemeenteambtenaar beweegt anders dan de vrachtwagenchauffeur. Het zit in taal en spraak, in de smaak voor muziek, huisinrichting, eetgewoonten en wat er thuis op de buis komt.

Neem het lichaam voor wat het is, maar let ook op iets anders: waarop zijn de gevoelens die in dat lichaam huizen en ermee tot expressie worden gebracht – het geleefde lichaam is eerst en vooral een expressief lichaam – afgestemd? Wat iemand denkt, voelt en verwoordt wordt mede voortgebracht door de voorafgaande en voortdurende fijnregeling en ijking in de groepen waarin iemand dagelijks in gezin, op het werk, in de klas en bij het uitgaan verkeert. Daar wordt de smaak gevormd voor de keuze voor een bepaalde opleiding, voor het soort werk dat je wilt, voor het type hofmakerij dat bij je past, het soort woonomgeving waarin je je prettig voelt enz. En dus ook de gerichtheid op sociale stijging ja dan nee, en hoe je omgaat met de statusverschillen.

Eerst even terug naar de man-vrouwverschillen in inkomen waar het onderzoek op wijst en het opvallend verschijnsel dat in migrantengroepen de meisjes meer kansen zien dan jongens. Zou het kunnen dat de meisjes in die kringen eerder kijken naar wat het mogelijk maakt om te ontsnappen aan mannelijke dominantie? Die is in migrantengroepen veel duidelijker aanwezig dan bij de niet-migranten. Ook bij deze laatsten is natuurlijk nog veel te winnen als het gaat om een gelijk speelveld voor mannen en vrouwen, maar er zijn wel duidelijke stappen gezet. In de migrantengemeenschappen is hier nog een inhaalslag te maken die de vrouwen aldaar – met hun seksegenoten uit niet-migrantengezinnen als mogelijk voorbeeld – voortvarender lijken te maken dan de mannen.

Denk nu niet meteen dat het met deze nadruk op het lichaam om een dwangbuis gaat. Maar hoe iemand ‘uit de bakkerij’ komt – mooi, lelijk, soepel, houterig, schonkig of elegant -en met welke vormgevingsmogelijkheden iemand in aanraking is gekomen, zegt veel over welke kansen er zijn.

Dat is de manier waarop wij in onze boeken naar statusverschillen kijken. Geen psychologie van opvattingen en denkbeelden, redeneringen en overtuigingen maar van praktijken, gevoelens, automatismen die alleen door training en blootstelling aan alternatieven verder kunnen worden bijgestuurd en verfijnd.

En bij dat laatste schiet ons onderwijs tekort. We hebben lichamelijke opvoeding en expressie door woord en gebaar tot een minimum teruggebracht en laten verdampen tot educatieve vorming en lespakketten met een cognitief waterhoofd. We hebben scholen gehomogeniseerd tot witte en zwarte scholen, tot scholen met een door levensovertuiging gedicteerd karakter, maar ze hebben ook een eenvormigheid gekregen door een veel te vroege voorsortering op taken die in hoofdzaak aan taal en rekenen gekoppeld zijn. Het leren van een ambacht wordt uit de buurt van andere leertaken gehouden. En zelfs de vaardigheidstraining is eenzijdig gefocust op cognitieve taken.

Er is inmiddels zoveel kritiek op het onderwijs dat daarvan geen impuls tot betere kansen meer uitgaat. Lees Jan Bransens boek over het onderwijs in Nederland: Gevormd of vervormd. Hier een bespreking.

We hebben ook hele wijken gehomogeniseerd door gentrificatie en het opbergen van minderheden in wijken die toch al niet zo’n hoge waardering genoten. Dat beperkt de mogelijkheden om te gaan met diversiteit.

Status en klasse zijn verschijnselen die niet gemakkelijk verdwijnen in een samenleving die egalitair wil zijn en ongelijkheid wil bestrijden. Het is zaak beide te ontleden met behulp van meer dan aggregaatindicatoren zoals afkomst, inkomen, geslacht etc. We moeten vooral ook kijken naar de intrinsiek sociale groep waarin het lichaam getraind wordt. We moeten in onze analyse kansen koppelen aan concreet aan te leren stilering en grotere beweeglijkheid door de nog steeds gestratificeerde samenleving waarin dubbeltjes maar moeilijk kwartjes worden.

De macroscopische aanpak van de economische ongelijkheid in het onderzoek van Ravesteijn levert een informatieve kaart op van de kansenspreiding in de regio’s in Nederland. Wie slaat er niet aan het spelen met de site waar de Volkskrant je in staat stelt je eigen stad of dorp op te zoeken? Voor die kaart zijn sociologische indicatoren zoals de SES, de sociaaleconomische status, regionale afkomst en sekse gebruikt. Om de pijn van de ongelijkheid in sociale status echt te begrijpen zullen die evenwel moeten worden aangevuld met microanalyses van het gedrag in de groepen waar de kansen op een beter inkomen laag zijn. Daarvoor is een apart instrumentarium nodig. Dat wordt geleverd in Cultuur & Lichaam en Culture as Embodiment. Het is een instrumentarium dat inzoomt op habituele praktijken, affecten die van sturende invloed zijn op keuzes voor onderwijs, woonomgeving, groepstoebehoren en op hoe hoog de lat wordt gelegd in een poging de eigen situatie te verbeteren.

Maar wordt dat instrumentarium gebruikt in onderzoek? Nauwelijks, helaas. En dat ligt vooral aan de gangbare onderzoekspraktijk. Hier wreekt zich dat het type onderzoek dat nu de krant haalt in al zijn complexiteit de zaken toch sterk versimpelt. Echt uitzoeken hoe in kansarme regio’s gedrag wordt geproduceerd en in stand gehouden is meer werk en ingewikkelder, maar ook meer werkelijkheidsnabij. Het verheldert meer.

Ik geef een voorbeeld. We weten uit de cognitiewetenschap dat het menselijk brein tot zeker halverwege de twintig aan herordening en gereedmaking voor optimaal functioneren onderworpen is. Thomas Piketty had gelijk dat hij de som gelds die de ongelijkheid kan bestrijden, wilde geven aan 25-jarigen. Waarom dan de grens bij 18 leggen zoals in de plannen van Groen Links wordt voorgesteld?

De grens van 18 is een regel, de regel die bepaalt wanneer iemand als volwassen wordt beschouwd. Groen Links heeft blijkbaar alleen oog voor deze regel. Dat is kortzichtig. In onze boeken leggen we uit dat er naast regels conventies zijn die per klasse bijv. bepalen waaraan geld wordt besteed. Hier geldt niet de leeftijd maar wat in een bepaalde groep gebruikelijk is: vroeg uit werken voor geld, of investeren in een opleiding, bijvoorbeeld. Hoe jonger, hoe minder aandacht in de overgrote meerderheid voor het doorbreken van bepaalde conventies. Dat is toch een inzicht om rekening mee te houden.

Nog krachtiger in de productie van gedrag zijn wat wij in onze boeken ‘arrangementen’ hebben genoemd. Daarmee doelen we op praktijken die aansluiten bij de klassegebonden stilering van de leefomgeving en de wijze waarop de afstemming in de groep vorm krijgt. Arrangementen zijn hardnekkiger dan regels of conventies; bepalender voor het alledaagse gedrag in de groepen waar men toe behoort. Het zijn lichaamspraktijken, of preciezer nog: lichaamstechnieken, waarmee getoond wordt waar je bij wilt horen. Hierdoor vindt bijvoorbeeld beïnvloeding door mode plaats. Hierdoor wordt uitdrukking gegeven aan identiteit, aan hoe men wil zijn en met wie.

Vooral hier ligt dus de oorzaak waarom status zo’n hardnekkig probleem is. Het is niet “the economy, stupid” maar klasse zoals die geleefd wordt in alledaagse gearrangeerde omstandigheden. Niet klasse als sociologische entiteit maar als leefwereld, als ervaringswereld. Immers in het leven van alledag worden gevoelens en strevingen, maar ook denkbeelden, tot een in het lichaam verankerd gedragspatroon geweven dat kansen beperkt, of ingeval van het bereiken van een hogere sport op de ladder, verruimt. Want denken dat de voorspoed die je geniet of de prestatie die je levert je eigen verdienste is, is een even hardnekkig patroon als ervan uitgaan dat je nooit een kwartje wordt. Beseffen dat het velen zijn die jouw verdiensten mogelijk maken is ook een ervaring die je niet helemaal uit de eigen koker haalt, maar mede het gevolg van de ijking van je gevoelen in de groep(en) waartoe je behoort. Ontkennen dat er een algemeen belang is dat voorrang dient te krijgen boven eigenbelang leer je evenzeer in de intrinsiek sociale groep, de klasse waarin je vanzelfsprekend tot de bevinding komt dat wat je bereikt hebt je eigen verdienste is. Meritocratisch denken is een groepsfenomeen met ook weer de stevige verankering in lichaamsgebonden praktijken: je beweegt je voort met de vanzelfsprekende tret: kijk mij eens! Juist daarin word je bevestigt. Zoals omgekeerd, je ook niet voor vol wordt aangezien – een zaak die je primair lijfelijk ervaart – als je het niet zo goed getroffen hebt.

Tegen mensen opkijken of erop neerkijken is een van de hardnekkigste patronen in gedrag; alleen te bestrijden door training met heel je hebben en houden, lichaam en geest in settingen waar mensen van diverse statuur samenkomen, weg van de eigen bubbel.

Gepost door: Paul Voestermans | 26 september, 2020

Het ongelijk van Mahbubani genuanceerd

Nu China en het Verre oosten weer in de belangstelling staan, is een wat oudere post veel actueler dan hij was op het moment van schrijven.

Opvallend dat al jaren het gesprek gaat over Oost en West. Er zijn China notities, er is China politiek, er is veel te doen over TikTok en over de rol die China op zich gaat nemen op het wereldtoneel. Hier nog maar eens een aspect van de discussie dat veel verder gaat dan de rivaliteit tussen China en de VS.

In de NRC van vrijdag 3 juni 2016 staat een interessante aanvulling op het ongelijk van Mahbubani zoals ik dat destijds zag: Deze week sprak hij (Mahbubani) in tien Skype-minuten met architect Rem Koolhaas op het forum Re: Creating Europe in Amsterdam. Mahbubani’s uitgangspunt: er vindt geen ‘clash’ tussen beschavingen plaats, maar een ‘fusie’. Neem China. Het zal nooit een replica van Amerika of Europa worden, maar neemt in zijn moderniseringsbeweging wel stukken westerse cultuur over. In 2008 hadden 36 miljoen Chinese kinderen pianoles en 50 miljoen viool. Ze krijgen seksuele voorlichting op basis van beproefde westerse methoden. Polio is uitgeroeid. Het westerse universitaire stelsel verspreidt zich over de wereld, inclusief de Golfstaten. Terwijl we ons terecht zorgen maken over 30.000 IS-strijders vergeten we de 200 miljoen niet-radicale moslims die alleen al in Indonesië samenleven. Mahbubani spreekt van „overlappende gebieden van gemeenschappelijkheid” ( Foreign Affairs , mei-juni 2016).

Dit hieronder was de blog van toen. Lees die met het bovenstaande in het achterhoofd.

De Kernvraag: is Mahbubani te aardig voor de geschiedenis van het Oosten? Hij gaat wel iets te losjes om met de beschavingsgeschiedenis van het Westen.

Kishore Mahbubani kan wat mij betreft niet vaak genoeg komen uitleggen wat zijn boek The New Asian Hemissphere The irresistable shift of global power to the East aan goede raad bevat voor de westerse intelligentia. Zijn optimistische kijk op Azië is een verademing vergeleken bij de navelstaarderige doemdenkerij van bijvoorbeeld John Gray die onlangs nog in de NRC van 1 Okt. 2008 het einde van de Amerikaanse hegemonie aanzegde. Dat gebeurde in erg negatieve termen waarbij de Aziatische wereld de rol kreeg van kaper op de kust of lachende derde. Mahbubani doet dat duidelijk anders.

Zijn centrale stelling is dat de mensen in het Oosten wel willen moderniseren maar niet verwestersen: “(The Asian countries) found that there were at least seven pillars of Western wisdom that could have an almost miraculous effect on their societies” (p.52).(…) “The world can no longer be Westernized. Naipul was wrong; the West does not represent “universal civilization”. There are many other successful civilizations, many of which are about to blossom again in the twenty-first century”(p. 272).

Dat Azië – heel algemeen: het Oosten, ook wel “de Rest” genoemd – waarden vertegenwoordigt die het Westen vrijwel negeert, is de hoofdboodschap van Mahbubani. Het Oosten heeft het Westen meer te zeggen dan wat exotica.

Mahbubani vat de modernisering samen in de 7 pilaren van westerse wijsheid: (1) vrije markt economie, (2) wetenschap en technologie (3) meritocratie, (4) pragmatisme, (5) cultuur van de vrede, (6) de rechtsstaat en (7) onderwijs. Het Westen ziet onvoldoende hoezeer de Aziatische landen al hun voordeel doen met deze wijsheid. Ze moderniseren snel.

De vrije markteconomie wint overal in Azië terrein. In het China van Deng Xiaoping bijvoorbeeld komen de verandering van onderop in de plaats van de door Mao van bovenaf opgelegde revolutie. De zo begeerde Grote Sprong Voorwaarts komt pas in zicht nu de centrale planning terzijde is geschoven. Het Westen doet er volgens Mahbubani goed aan ook af en toe te luisteren naar Hu Jintao, wanneer hij uitlegt dat het aantal mensen in grote armoede in China intussen met 400 miljoen is afgenomen.

Op het gebied van wetenschap en technologie is Azië aan een inhaalslag bezig. Het is Mahbubani niet ontgaan dat er in het Westen een beslissende stap werd gezet, nadat vanaf het midden van de 17e eeuw de wetenschappelijke precisie werd omarmd en kennis los kwam te staan van het hogere weten van de godsdienstigheid. Tot in de 16e en 17e eeuw was Azië de grootste innovatieve economie. Dat stagneerde. Mahbubani erkent dat ook. Maar er verandert veel in Azië. Ter illustratie voert hij de coverstory op van Time met daarin de voorspelling van Richard Smalley dat rond 2010 90% van alle wetenschappers en ingenieurs met een Ph-D in Azië zullen verblijven. Dat is al gauw.

Ook met de meritocratische beginselen gaat het in Azië goed. Het doorzoeken van alle klassen en lagen van de bevolking in India en China op talent is een moeizame aangelegenheid vanwege het kastensysteem, resten feodalisme en eindeloos veel platteland, maar Mahbubani geeft genoeg voorbeelden van hoe ook in China en India steeds meer capabele mensen uit alle lagen van de bevolking op cruciale posten worden benoemd. Singapore gaf daarbij het voorbeeld. Dat dit in het Westen niet wordt opgemerkt is het zoveelste bewijs van Westerse arrogantie.

Over de overige pijlers zal ik kort zijn. Japan is al vanaf de tweede helft van de 19e eeuw een toonbeeld van pragmatisme. Dat heeft aanstekelijk gewerkt voor China en India. De Associatie van Zuidoost Aziatische Staten (ASEAN) is als vredesorganisatie overtuigender in de Aziatische regio dan de EU in Europa op de Balkan, zozeer is de cultuur van de vrede als westerse wijsheid doorgedrongen. Met de rechtsstaat hebben de Aziatische landen het nog het moeilijks, maar de meeste tenderen toch naar een type wet- en regelgeving dat nepotisme, dwang en machtsmisbruik zal doen verminderen. Het onderwijs wordt steeds toegankelijker, ook voor de lagere regionen in de samenleving. De gegoede klasse in Aziatische landen studeert steeds meer aan westerse universiteiten en door de economische groei in de thuislanden komt er een omgekeerde brain drain op gang: de knappe koppen blijven niet in het Westen, maar keren terug.

In plaats van de adoptie van de zeven wijsheden te benutten om een brug te slaan zit het Westen volgens Mahbubani vast in een kramp waarin bijvoorbeeld de volle participatie van Azië in belangrijke instituties zoals IMF en de Veiligheidsraad geen optie is. Regeringen van landen met samen nog geen half miljard mensen sluiten meer dan 5,5 miljard mensen effectief uit bij het nemen van belangrijke beslissingen en verhinderen deelname aan cruciale politieke en monetaire instellingen. Dat is heel kort Mahbubani’s belangrijkste grief.

Deze harde boodschap verdient het wereldwijd te worden verstaan. Ik heb wel een paar vragen.

In de eerste plaats bij zijn historisch perspectief. De laatste tijd hebben een aantal historici geprobeerd– ook voor het brede publiek – om de geschiedenis te schrijven vanuit mondiaal perspectief om daarmee provincialisme of meer in het algemeen een westerse bias te voorkomen. Geschiedenis is meer dan de verschaffer van nationale identiteit of het middel tot volksopvoeding. In dat brede perspectief wordt duidelijk dat de beschaving van het Christelijke Westen hoofdzakelijk zijn articulatie kreeg door confrontatie met beschavingen die zich rond de Islam, het Confucianisme, het Taoïsme, het Hindoeïsme en het Boeddhisme ontwikkelden. Die confrontatie duurt tot op heden. Maar vond die plaats op de wijze die Mahbubani beschrijft?

Chris Bayly’s boek The Birth of the Modern World: 1780-1914 laat een heel ander beeld zien. Bayly is zo’n historicus die gerichte vragen probeer te beantwoorden en daarbij geen typisch westers perspectief aanhangt. Hij wijst erop dat in de loop van de confrontatie tussen de diverse beschavingen de imperia erg op elkaar zijn gaan lijken. Overal manifesteerden zich heersers die in kleding, leefstijl, hofhouding, wensen en verlangens, vormgeving aan macht, gevoeligheid voor eer etc. erg op elkaar gingen lijken.

Ook religies gingen op elkaar lijken. Opvallend zijn de mannelijke priesterkaste, de bedevaartsoorden, pelgrimroutes en andere ideologische instrumenten voor de vestiging van wat in alle beschavingsoffensieven aanwijsbaar is: een overwegend mannelijke heersersstructuur met altijd ergens in het imperium groeperingen die van de welvaart zijn uitgesloten maar toch gedwongen worden om hun bijdrage eraan te leveren. Wat dat betreft wijst Bayly niet zozeer op Westerse dominantie als wel op de ontwikkeling van onder andere door handel bevorderde machtsverhoudingen waarin lokale, reeds bestaande centra van groot belang waren. Misschien niet zo invloedrijk in vergelijking met wat de overheersers inbrachten, maar de lokale machthebbers en rijke bovenlaag raakten op den duur wel degelijk bij de macht betrokken. Zozeer, dat er grote betrokkenheid bij westerse politieke en maatschappelijke ontwikkeling en ideeën ontstond. Dat leidde op vrijwel elk continent ook tot verzet van de gestudeerde elite die naar hun eigen land terugkeerden, gewapend met westerse politieke idealen van bevrijding en machtsdeling.

Bij dit hele proces moeten we bedenken dat het zo’n 500 jaar terug in de geschiedenis bepaald niet duidelijk was welk imperium de hegemonie zou vestigen: het rijk van Karel V, de Ming dynastie, de Mogul, of de Osmanen. Dat zorgde gedurende lange tijd voor wederzijdse beïnvloeding. De Europeanen haalden vrijwel heel de verfijning van hun levensstijl uit dat contact, want Azië maar ook de Osmanen waren toen rivalen waarvan veel te leren viel. Wat er aan burgerlijke stijl ontstond voedde altijd direct terug naar de landen waarmee deze uitwisseling bestond. Bayly spreekt hier van een ‘archaïsche globalisering’ om aan te geven dat er van meet af aan van frequente, wereldwijde kennisname sprake was.

Vanaf 1800 kreeg het Westen evenwel overtuigend de wind mee, nadat daar de voorkeur was gegeven aan wetenschappelijk en industrieel onderzoek, technische innovatie en de daarop gebaseerde handel. Dat driespan had lange tijd tezamen met militair en juridisch overwicht (hoofdzakelijk in de vorm van allerlei maatregelen die de eigen handel bevorderden) een vervaarlijke uitwerking en leidde tot de botte dominantie en uitbuiting die zo kenmerkend is voor het kolonialisme en het imperialisme: een beschavingsmissie at gun point. Mahbubani verwijst vaak naar de vernederingen tengevolge daarvan.

Bayly laat evenwel zien hoe dat in zijn werk ging en sluit geen enkel imperium uit van brute chicanes rond macht en overheersing, niet in het Westen en niet in het Oosten. Zonder Maharadja’s, Javaanse Raden, Mandarijnen, Sultans, Kaliefen, en andere aan de hoven geconcentreerde machthebbers – geen enkel continent uitgezonderd – geen overheersing; geen Engelse Raj, of concessies voor handelscentra aan Aziatische kusten om maar een paar voorbeelden te noemen.

Maar wat is nu het meest beslissend geweest in deze fase? Wat kwam er ondanks alles al heel vroeg in deze periode allemaal mee? Dat was uiteraard diezelfde modernisering, waar Mahbubani zo hoog van opgeeft. Maar die term is misleidend en dekt niet wat er gebeurde. Modernisering ging overal gepaard met veel achterblijvers en gefrustreerde en verwaarloosde subgroepen. Maar wat doorzette was de zichtbaarheid van een levensstijl die iedereen wel wilde. Overal brachten wetenschap, de techniek en de daarop gebaseerde handel in goederen en diensten materiele genoegens voort die op den duur niemand meer kwijt wilde. Denk bij die materiele genoegens niet meteen aan hedonisme of consumentisme. Het gaat van gecontroleerd voedsel tot vrije leefstijlkeuzes, van zuivere lucht tot medische zorg, van betrouwbare incusieve instituties rond gezonheid en scholing tot communicatie, transport en mode. Daar zorgde dat driespan voor en dat wordt niet gedekt door ‘modernisering’.

Hierbij aansluitend kan een tweede vraag worden opgeworpen. Is Mahbubani wel voldoende duidelijk over waar de werfkacht van deze materiele genoegens ophoudt en de verwestersing begint? Op veel plaatsen in zijn boek komt verwestersing neer op – om het lapidair te zeggen – de grote bek van het zogenaamde vrije westen bij monde van zijn politici. Die arrogantie werd deel van het pakket aan zeven wijsheden. Opvallend aan Mahbubani’s voorbeelden van deze arrogantie is dat ze vaak van recente datum zijn en eigenlijk gaan over de bekende uitwassen van de neoliberale ideologie.

Maar zoals gedetailleerd staat uitgewerkt in Cultuur & lichaam en in Culture as Embodiment is de ervaring van mensen hartgrondig door de het driespan dat onze leefstijl zo wervend maakt veranderd. We pleiten voor een psychologische kijk op de globalisering waarin een belangrijke rol is weggelegd voor de tuning, de afstemming van het instrumentarium waarmee mensen het leven ervaren en vormgeven. Zodoende wordt aan het driespan van wetenschap, techniek en handel een vierde factor is toegevoegd: de ervaring van miljoenen mensen raakt voor eens en voor altijd getekend door de zegeningen van de onmisbaarheden en dat levert wereldwijd een wervend leefpatroon op. Er is sprake van gedragsglobalisering. Die heeft voora de jeugd in zijn greep waar die niet wordt gehersenspoeld door een elite die haar macht niet diensbaar wil maken aan inclusieve welvaart.

In het rijke Westen, dat wil zeggen hoofdzakelijk in het Noord-Atlantisch gebied, veranderde de ervaring van de mensen drastisch. In de laatste helft van de 20ste eeuw werd het “nooit meer oorlog” in het welvarende deel van de wereld een belangrijke bron van de wil tot van samenwerking. Daarmee ontstond niet meteen een vredelievende houding tegenover de rest van de wereld, maar aan het brute kolonialisme kwam een einde.

Helaas, zo kunnen we achteraf zeggen, moesten we eerst nog door de fase heen van een vervaarlijke bipolaire wereld, de wereld opgedeeld in het Vrije Westen en de landen van het Oostblok. Welk land kwam niet onder invloed, ja soms betovering daarvan en koos voor het ene of het andere perspectief (soms voor beide, met alle interne spanning van dien)? Mahbubani abstraheert van die periode en stelt de verwestersing aan de kaak alsof er van dit alles niets is gebeurd.

Toen de bipolaire kramp na de val van de muur in 1989 enigszins versoepelde, betekende dat niet het einde van de geschiedenis, zoals dat destijds pathetisch werd aangekondigd. De globalisering werd versterkt, die al vanaf 1500, aan de gang was en die de gelijkvormigheid van imperia en machtscentra heeft bewerkstelligd. Dat zorgde voor de verdere adoptie van een leefpatroon dat niet kan worden afgedaan als ‘Westers’. Daarvan bij Mahbubani geen spoor.

In dat patroon zit het wereldwijde gebruik van internet (ondanks de uitwassen van ongevraagde politieke beïnvloeding nog steeds overal gewild) communicatie tot in alle uithoeken, de wereldwijde eis van scherpe controle op voedsel en water, oog voor duurzaamheid, duurzaam energiebeleid, gezondheidszorg voor iedereen, kinderen op school in plaats van op het land of in de fabriek. Landen die daar niet aan willen voldoen, kunnen rekenen op verzet, vroeg of laat.

Gedreven door dat patroon roeren zich overal ter wereld de vrouwen. Ze willen niet langer leven onder de heerschappij van mannen. Jongeren eisen in naam van datzelfde patroon de vrije keuze op van met wie ze een groep vormen. Er is verzet tegen de dwang van ouders bij huwelijk en gezinsvorming. Overal ter wereld tref je het pleidooi aan voor de vrijheid van voorkeur voor met wie je intiem wilt zijn. In het Westen gebeurt dat meestal openlijk, elders in het verborgene, maar de roep is onmiskenbaar. Huidskleur als lot in plaats van kans wordt overal afgewezen. Is dat verwestersing?

Rond deze thema’s staat het Westen soms tegenover de rest. Niet als dwingeland, maar als proeftuin. Het gaat om voorkeuren, die de uitkomst zijn van een heel lange, maar onafwendbare ontwikkeling. Het gaat om een algemeen menselijk patroon. Vreemd dat Mahbubani daar geen oog voor heeft. Hij zelf is er een illustratie van evenals Barack Obama. Met hen zijn er duizenden in Oost en West die dat patroon nooit meer zullen opgeven. Wat is dan nog verwestersing in dat perspectief? Inhoudelijk zal het een en ander nog zeker moeten worden uitgezuiverd. Voor die taak is het Westen niet speciaal toegerust, geen sprake van. Het gelukkige feit doet zich voor dat de precisering op inhoudelijk terrein geen aangelegenheid meer zal zijn en ook niet meer kán zijn van één beschaving.

Paul Voestermans

Gepost door: Paul Voestermans | 13 juli, 2020

Racisme, tracing & tracking

Het verzet tegen racisme wordt steeds sterker. Helaas willen velen maar niet inzien dat lang genegeerde etnische groepen door het toenemend gevoel van eigenwaarde op basis van zelfverworven status eindelijk hun rechtmatige plaats in onze samenleving opeisen. Dat wordt hen niet altijd gegund.

Om James Baldwin te parafraseren: de zwarte medemens is er gewoon zoals de witte, niet meer maar zeker niet minder en daar heb je maar aan te wennen, of beter, geloof daar maar in.

De actualiteit rond de gewelddadige dood van George Floyd en de vele protesten wereldwijd vraagt om een scherper beeld van racisme dan nu naar voren komt in de antiracismebeweging. In de artikelen van dit weblog is het al vaker luid en duidelijk gezegd: racisme maakt deel uit van het groepsgedrag van mensen. Onderzoek naar in- en outgroup voorkeuren en aan stereotypen laat zien dat mensen aan de eigen groep verknocht raken en vandaaruit negatief kunnen gaan oordelen over andere groepen en mensen. Juist dat betekent dat niet iedereen zomaar racist is.

De kern: racisme hangt niet als een wolk boven de natie maar houdt zich op in identificeerbare niches. Die kun je opsporen, volgen en bijsturen.

Wat hebben ‘white privilege’ (dat is niet zomaar sociaal-economische geprivilegieerdheid maar het achteloos veronderstellen dat je superieur bent aan andere ethnische groepen, zonder reserve, dank zij een hogere positie in de beschavingshierarchie, die mede door witte wetenschappers is opgesteld. Je kunt laag op de sociaal-economische ladder staan en toch dit privilege genieten)… Dus, wat hebben wit privilege, de ‘helper whitey’, weerstand tegen ‘cultural appropriation’, de zwartepietendiscussie, etnisch profileren, “black life matters”, superioriteitsdenken en racisme gemeen? Het zijn allemaal termen die de afkerige reactie van witte mensen op donkere mensen aan de kaak stellen. Of preciezer, het zijn termen die verwijzen naar het aan de kaak stellen van weerzin tegen mensen naar mate hun kleur donkerder wordt. Die kleur verwijst naar ras. Maar we weten dat dit ‘biologische’ begrip stamt uit een tijd dat er nog vrijelijk maar zonder echte biologische basis van rassen gesproken werd. Die tijd is voorbij, maar de term racisme is blijven hangen. Terecht? Ik denk van wel. Of het klopt dat je racisme beter kunt vervangen door discriminatie? Niet doen. Zwartheid is echt een categorie apart. Dat sommigen af willen van het begrip ras vanwege de in onbruik geraakte biologische betekenis, prima. Maar let wel op: daarmee verbloem je de afkeer van zwart en donker, die er overduidelijk blijkt te zijn.

Van die afkerigheid hebben niet alleen de witte mensen last. Ook donker gekleurde mensen onderling, zo blijkt uit de geschiedenis van diep-zwart versus bruin. Het is nog steeds een onbegrepen fenomeen: hoe donkerder of beter gezegd, hoe zwarter, hoe meer discriminatie, althans vooral als het over zwarte Afrikaanse volkeren gaat. (De uitbreiding van racisme naar geloofsovertuiging zoals bij de negatieve reacties op moslims, is een onterechte vertaling van het begrip ras naar cultuur en religie, waar ik al eerder bezwaar tegen aantekende: zie deze link. Dit neemt niet weg dat bijv. een afwijkende religie evengoed een reden tot vernederende slavernij kon zijn. Dat was in het verleden bij alle godsdiensten het geval.)

Veel zwarte levens overleven de witte agressieve handen niet, maar ze sneuvelen ook door zwarte handen. De getallen zijn voor wit bezwarender, maar het gaat erom te erkennen dat racisme niet alleen een zaak is van witte mensen. Heel de geschiedenis door verhandelde mensen met een donkere huid mensen die veel zwarter waren en lichtgetinte mensen verhandelden wit (denk aan de slaven in het Ottomaanse rijk). En omgekeerd: zie de slavernijgeschiedenis van Nederland. Pas als je dat erkent kun je proberen vandaaruit deze tamelijk algemene houding te veranderen.

De etnische discriminatie- en white supremacydiscussie, daarin begrepen de discussie over racisme, is erg oud. In de wetenschap zeker. Over die lange geschiedenis heb ik in onze twee boeken Cultuur & Lichaam en Culture as Embodiment uitgebreid gerapporteerd (in beide is dat in hoofdstuk 2). In die geschiedenis speelde Nederland als handelsland een van de hoofdrollen. Maar wetenschappelijk waren het vooral Duitse, Franse en Engelse geleerden die de rassenhierarchie opstelden. Over dat laatste vooral gaan die hoofdstukken.

De inlandse mensen mochten ongehinderd door wit als goedkope arbeidskrachten worden verhandeld en geëxploiteerd. Eeuwenlang waren ze een post op de begroting die hoofdzakelijk in het voordeel werkte van de werkgevers alleen. Die paar gevallen waarin slavernij ook bijdroeg aan de emancipatie van het zwarte werkvolk mogen dan soms worden uitvergroot, maar die wegen niet op tegen het overduidelijke leed dat deze mensen is aangedaan. Zeggenschap over hun lot werd hen onthouden en ze moesten luisteren naar de witte man, ja, vooral naar de witte man. Dat liet eeuwenlang nauwelijks ruimte voor een ander verhaal, hoezeer ook toen al beseft werd – en nu deste meer – dat dit allemaal eigenlijk helemaal niet kan.

Immers, bij dit witte verhaal dat deze denigrerende behandeling van donkere volkeren rechtvaardigde en aanzette tot bekering- en beschavingspogingen, valt op dat in het superioriteitsdenken achter deze ijver volkomen veronachtzaamd wordt dat ‘beschaving brengen’ geen Joods-Christelijk voorrecht is geweest. Minder Europa-gecentreerde geschiedschrijving toont aan dat ook Moslims, Boeddhisten, Hindoeïsten, Confucianen, Thaoïsten en de aanhangers van animistische levensleren allen hun steentje hebben bijgedragen aan het beschaven van de mensheid. De witte zelfingenomenheid op basis van een exclusieve beschavingsmissie was en is een hardnekkig verzinsel en de witte superioriteit waarvoor pas in de tweede helf van de 19e eeuw de kiem werd gelegd, is een product van grove historische vertekening. De bijdrage van andere beschavingsoffensieven werd straal genegeerd. Mede doordat de Christelijke verlossingsleer die het vroege imperialisme rechtvaardigde, in de voortschrijdende secularisatie vervangen werd door een ‘cultuurtheorie’ die verlossing uit onbeschaafdheid beloofde. Die quasi-wetenschappelijke pretentie hadden de niet-westerse offensieven niet. Juist dat overwicht van het Westers offensief is mede een bron van racisme. Uit de koker van dat offensief kwam bovendien een economisch systeem dat stelselmatig een klein groep winnaars en een grote groep verliezers creërde. Bij de laatste hoorden wereldwijd de donker gekleurde mensen.

Door de documentaires van Sunny Bergman over aanvankelijk de zwartepietendiscussie (“Zwart als roet”) en later het witte vooroordeel (“Wit is ook een kleur”), maar ook door de boeken van Gloria Wekker en Anousha Nzume, beseffen we ineens dat er mensen zijn die zonder dat ze er zelf erg in hebben en ook zonder dat ze meteen kwaadwillend zijn, discrimineren en over de donkere medemens allerlei negatieve denkbeelden en gevoelens koesteren. Tot peuters aan toe. Daarbij zijn ze zich niet bewust van hun eigen bevoorrechte positie. Ze merken de voordelen en de vooroordelen die samenhangen met hun witte kleur niet op.

Hoe komen we aan deze houding en nog beter: komen we ervan af? Hoe staat het met het onderzoek hiernaar?

In sociaal-psychologisch onderzoek is het vooral gegaan om de demonstratie van met name onbewust racisme. Zoals zo vaak zijn sociaal-psychologische experimenten demonstraties van verschijnselen zonder dieper in te gaan op de condities waaronder deze optreden. Veel meer dan aantonen dat een ruim percentage van witte proefpersonen onbewust afstand houdt van zwarte ‘avatars’ in de proefopstelling leverde dat soort onderzoek niet op.

Sociologisch ondervragingsonderzoek is eigenlijk alleen geïnteresseerd in de mate van voorkomen; niet eens in waar en hoe precies. In dat vakgebied bestaat nogal wat verwarring over institutioneel racisme wat de nuancering van dat begrip niet ten goede komt. In de instellingen die we in Nederland hebben – of het nu het onderwijs is of de politie of de gezondheidszorg etc. – bestaan er voor zover ik weet geen in beleid verankerde regels of afspraken die de afkeer van de donker gekleurde medemens institutionaliseren. In de instellingen werken dus wel mensen in wat ik in onze boeken intrinsiek sociale groepen heb genoemd die wel degelijk racistisch opereren. (In de VS zijn wel historische voorbeelden van institutioneel racisme: bijv. het op systematisch wijze ontnemen van kiesrecht aan Afrikaans-Amerikanen na de burgeroorlog (en de sluipende wijze waarop dat nu nog gebeurt) en racistische segregatie als gevolg van het feit dat hypotheekverschaffers besloten in de jaren vijftig als groep in zwarte binnensteden de zwarten daar geen hypotheek te geven, en witte buitenwijken wit te houden met zogeheten ‘covenanten’, dat zijn verboden op bewoning door zwarten. De ghetto’s van Amerika zijn zodoende gewoon gemaakt niet spontaan gegroeid.)

Intrinsiek sociale groepen zijn groepen op basis van werkelijk bestaande betekenisvolle interactie. Ze zijn niet voor de gelegenheid geconstrueerd op basis van voor een of andere onderzoeksvraag belangrijke kenmerken. (In de uitspraak ‘Nederlanders zijn racistisch’ gaat het over een aggregaatgroep, wat niet erg betekenisvol is.)

Als je zegt dat racisme ingebakken zit in de instelling dan zie je dus de samenstelling van het personeel over het hoofd. Racisme komt natuurlijk voor in instellingen zoals scholen, of de belastingdienst. Daarvan zagen we boven een historisch voorbeeld, maar dan worden daar mensen die racistische gevoelens en denkbeelden koesteren en vandaaruit donkere mensen of – als we de negatieve houding los van de connotatie met ras uitbreiden naar religie bijvoorbeeld – mosmlims of mensen met een andere seksuele orientatie negatief bejegenen, niet precies genoeg geïdentificeerd en onvoldoende van tegenwicht voorzien. Want dat tegenwicht is er in elke instelling, maar lang niet altijd duidelijk aan de oppervlakte. Ook dat maakt institutioneel en structureel tot onzinnige termen in dit debat. Dat is de crux. Het gaat om de fijnregeling van gevoelens in de gemeenschap of groep. Daarover gaat Culture as Embodiment en Cultuur & Lichaam.

In de intrinsiek sociale groep vindt de fijnregeling van gevoelens plaats, ook die tegenover mensen van kleur. Op die manier kan de afkeer worden versterkt. Die afstemming of fijnregeling moet je opsporen en monitoren, maar dan hebben we het niet meer over stucturen en instituties maar over groepsgedrag. Tussen individueel en institutioneel staat de reëel bestaande groep. Hoe een instelling los van de mensen die zelf geen bewuste racisten zijn toch structureel minderheden kan discrimineren, is mij dus een raadsel. Je zult toch echt de kopstukken en wat daar verder onder zit moeten aanpakken en de zaak niet verdoezelen met zo’n term. Ook gaat het te ver om te zeggen dat die instellingen zonder meer racistisch gedrag versterken. Gebeurt dat bij de politie, in het onderwijs, de gezondheidszorg? Niet dat ik weet. Wat wel gebeurt is binnen specifiek groepen afgeven op donker gekleurde mensen. Hoeveel van deze discriminatie echt racistisch gemotiveerd is, is een empirische vraag. Daaraan zou de theorie (die dus getoets moet worden) ten grondslag kunnen liggen dat achterstand in werkervaring, de achterstallige scholingsgraad en andere hindernissen voor adequate deelname aan de arbeidsmarkt toch ook samenhangt met etniciteit, dus met de afkeer van mensen met een donkere huidskleur. (Maar het kan evengoed ook zo zijn dat mannen en jongens vooral uit etnische groeperingen duidelijk anders gesocialiseerd zijn, waardoor ze gedrag vertonen dat niet past bij de huidige arbeidsmarkt. Dat gedrag is vanzelsprekend ook aangeleerd in de groep. Onderzoek dat al in de jaren negentig onder Nederlanders met een migratieachtergrond werd uitgevoerd op de sectie Cultuurpsychologie van de RU wees in de richting van aangeleerde gedragsparonen die opgedaan waren in de herkomstsituatie en die moeilijk vertaalbaar bleken naar de nieuwe verblijfssituatie. Nog steeds is dit een belangrijk inzicht. Racisme heeft hiermee weinig van doen.)

Kort gezegd: racisme in zijn vele varianten is niet een houding van geïsoleerde individuen. Of zoals wel eens gezegd wordt, van een paar rotte appels in de mand. Het gaat niet om slechterikken die kwaad willen zijn tegenover mensen van donkere kleur. De gevoeligheid ervoor is ook niet het kenmerk van het enkelvoudige individu. Beide zijn een zaak van affectieve automatismen die zijn aangebracht in de groep waarin zo iemand dagelijks verkeert. Bij racisme zou het het niet moeten gaan over de vraag dat het bestaat in deze of gene, maar hoe het vorm krijgt onder mensen en hoe het zich manifesteert.

De #MeToo-beweging legde vergelijkbare automatismen bloot bij mannen. Vrouwen worden niet op hun werkelijke waarde geschat en zijn zomaar zonder dat er veel woorden aan vuil worden gemaakt voor sommige mannen met macht en invloed en vaak zonder natuurlijke lichamelijke aantrekkelijkheid – want die speelt mee, omdat je die onaantrekkelijkheid vaak gecompenseerd ziet door macht en rijkdom – koopwaar en een speeltje. We kunnen hier veel van leren. Immers, in dat verband spreken we niet van institutionele of structurele vrouwenhaat, wel van – in de terminologie van Culture as Embodiment – tuning (afstemming) en kalibratie van gevoelens in de mannengroep. Hetzelfde geldt voor racisme.

Oprecht positieve waardering van mensen met een andere kleur dan wit vereist een resocialisatie in een andere groep dan die waarin iemand gebruikelijk verkeert. Niemand heeft deze afkerige smaak zomaar uit zichzelf. Deze wordt opgedaan in de vertrouwde groep. Om dat ‘structureel’ te noemen, is dus geen goede afslag. De kunst is de sociale achtergrond van deze voorkeur nauwkeurig te achterhalen. Die is door en door wit en zoals in bovenstaande link te lezen valt, met een lange geschiedenis waarin altijd al het verhaal ging dat de donkere mensen ‘beschaafd’ moesten worden, eerst door godsdienst en later door de Westerse cultuur over te nemen.

De blinde vlek voor de ongelijkwaardige positie van de donker gekleurde medemens is in veel groeperingen op zijn retour. Dat merk je aan de betogingen tegen racisme. Maar dit teruglopen is wel een tamelijk recent verschijnsel. Er zijn nog steeds hardnekkige kernen van racisme.

Dat moet je goed uitzoeken en bestrijden. Gewoon zoals dat met roken ook gegaan is. Roken is in de meeste kringen genant geworden door de vele acties. Gedrag kan zomaar ineens veranderen als het zijn basis verliest in groepen die verkrampt aan bepaalde patronen vasthouden.

Verder is de beste remedie ontmoetingen, ontmoetingen, ontmoetingen en nog eens ontmoetingen. Maak concreet in welke situaties wit en donkerder samen iets ondernemen. En richt de focus op geslaagde vormen van verbinding en aandacht voor elkaar. De media mogen best mislukkingen onder de aandacht brengen mits die dan ook voldoende gekwalificeerd worden door meteen uit te zoeken onder welke precieze omstandigheden dit soort ingesleten racistische praktijken voorkomen. In Cultuur & Lichaam, en in Culture as Embodiment staat handzaam opgeschreven dat racisme en superioriteitsdenken voortkomen uit groepsgebonden afstemmingspraktijken. Het zijn geen eigenschappen van losse individuen van wie je incidenten kunt rapporteren in de veronderstelling dat daarmee de kous af is. Dat is luie journalistiek. Zoek de automatismen op, identificeer de intrinsiek sociale groepen, ga na hoe de affectieve sturing in zijn werk gaat en vertel daarover. Dat neemt in elk geval de indruk weg dat je van racisme afkomt door opvoeding en onderwijs waarbinnen op louter verbale wijze de juiste cognities of opvattingen worden aangebracht. Zo identificeer je niet de echte bron van witte privileges. Die ligt in de groepsvorming met de daarmee samengaande onbewuste affectieve tuning.

Je zag dit duidelijk geïllustreerd in de documentaire ‘Wit Is Ook Een Kleur’: op een dag voor mariniers wilde niemand van de daar aanwezige groep mannen dat hun boegbeeld Michiel de Ruyter slavenhandelaar werd genoemd. En onderling werd er veel gelachen over het witte vooroordeel. Zo werkt het.

Racisme hangt niet als een donkere wolk boven de natie. In een stuk over racisme van Kiza Magendane in de NRC van zaterdag 6 juni 2020 stelde hij de vraag waarom we wel het covid19 virus willen verslaan en geen geneesmiddel kunnen bedenken tegen het “het anti-zwart racisme”. Ongemerkt legt hij hiermee de weg open naar de bestrijding van racisme. Ook bij racisme komt het aan op tracing & tracking, op opsporen en monitoren.

We kennen de plaatsen waar racisme zich ophoudt: op school bij het adviseren van een vervolgopleiding, op plaatsen waar gevraagd wordt om stageplekken, op uitzendbureaus, in het uitgaansleven bij de toegangscontrole, bij de belasting, zo weten we uit het toeslagenschandaal, bij de politie, maar dan lang niet overal, zoveel is zeker en bij het bekijken van sollicitatiebrieven. De lijst van niches kan veel langer worden gemaakt, maar het punt is dat we dit al heel lang weten uit onderzoek. En we weten ook hoe je de situatie kunt verbeteren. Niet door heel in het algemeen over ‘de cultuur van racisme’ te spreken, maar door de gevoelens en overwegingen te identificeren en te monitoren van de sleutelfiguren in de interactie. Dat kost inderdaad veel inspanning. Bovendien kan dan pas blijken dat het vaak helemaal niet om racistische denkbeelden of gevoelens gaat, maar om machteloosheid van bestuurders maar ook de burgers tegenover zoveel achterstelling, armoede en verwaarlozing.

Dus niks institutioneel of structureel racisme, maar misschien wel onvoldoende weerwerk tegen ongelijkheid, wat wel structureel kan zijn, omdat het met extractieve instituties samenhangt ( zie hier ).

Daarom heeft het geen zin de zaak af te kopen met het opruimen van een paar rotte appels…maar pak de leiders aan door tracing & tracking, (1) ontmoedig de concrete praktijken die onder hun aanvoering gevoelens van afkeer en witte superioriteit blijven voortbrengen, (2) leer kleur herkennen, (3) leer de eigen witheid als toevallig voorrecht te zien (4) kijk ook verder dan de lokale negatieve sentimenten om te zien of het probleem niet elders ligt en (5) erken en hamer erop dat het automatismen zijn die door niet racistische reacties moeten worden vervangen wat voorlopig een moeizaam leerproces blijft.

Precies kijken, kortom. Laat de protesten daartoe een oproep zijn.

(Onder constructie)

Paul Voestermans

Er worden veel lessen uit de coronacrisis getrokken. Ook worden er veel vergezichten gedebiteerd. Ze raken aan een duurzame economie en aan een evenwichtiger politiek rond de gezondheidszorg. Een die oog heeft voor haar medewerkers en het door hen benodigde materieel. En er is natuurlijk samenhang tussen deze twee. Dat maakt de huidige politiek zo interessant. Bovendien, de tijd voor de crisis wordt in het licht van Covid-19 niet zo positief beoordeeld, wat burgemeester Bruls van het CDA er ook van zegt. Dat vraagt om herijking. Is het werkelijk zo gloomy als Houellebecq denkt?

Mij treft hoe in deze tijd ook ongemerkt geëxperimenteerd wordt met een nieuwe vorm van bestuur. Dat opent een nog ongekend vergezicht, volgens mij. Dat zou wel eens een verandering kunnen zijn waar we als de bliksem mee aan de slag moeten.

Juridisch is er nog heel wat te sleutelen aan de wijze waarop het land nu wordt geleid. Er is nog steeds geen noodwet die de noodverordeningen inzake de anderhalve-meter-samenleving (die nu per gemeente of veiligheidsregio worden uitgevaardigd) een stevig landelijk juridisch fundament geeft en aangeeft waar je verhaal kunt halen als je de maatregelen te ver vindt gaan. (Zonder toetsing aan de grondwet, want dat doen we hier niet, een hele klus overigens en uitkijken dat zaken niet gemakzuchtig per ministerieel decreet geregeld worden. Dat draai je namelijk moeilijk terug.)

Maar wat echt nieuw is en ook nog helemaal niet verankerd is in wat voor democratisch georganiseerde voorziening ook, is de wijze waarop de politiek die over beleid gaat én de wetenschap die gaat over een hecht kennisfundament onder de maatregelen, elkaar het beste kunnen vinden. En dan gaat het natuurlijk niet alleen over de medische en de natuurwetenschappen maar ook over de geestes- en gedragswetenschappen.

Wat er ook wetenschapstheoretisch over wetenschap te zeggen is – en dat is helaas niet genoeg om scepsis buiten de deur te houden, blijkt uit de velen die denken dat wetenschap ook maar een mening is – vast staat dat de praktijk van de wetenschapsbeoefening, dat wil dus zeggen hoe wetenschap werkt, wel degelijk een meerwaarde vertegenwoordigt. Zeker als je het vergelijkt met beleid zonder wetenschap.

Ook al staan beleid en wetenschap met elkaar op gespannen voet toch werd onlangs in de Volkskrant van 6 mei, 2020, terecht erop gewezen dat “een samenleving die in de volle breedte op haar wetenschap wil vertrouwen de beste kans heeft de weg omhoog weer terug te vinden”.

Dat ze op gespannen voet staan komt omdat wetenschap autocratisch is ondanks de voortdurende twijfel en de noodzakelijke aanpassing aan de nieuwste bevindingen. Er zijn altijd checks & balances. Door voortdurend onder kritiek te staan en steeds maar weer verder te zoeken en nooit stil te staan en altijd open te staan voor nieuwe inzichten, ontstaat er toch ook een mate van zekerheid waaraan for the time being niet getornd kan worden, hoe onzeker de situatie ook blijft. Dat geeft wetenschap onmiskenbaar autocratische trekjes. Want eenmaal iets vastgesteld, ontstaat er ook een moment van bruikbare zekerheid waar je je maar het beste op verlaten kunt, want iets beters hebben we niet. Het heet: wetenschappelijke autocratie met checks & balance. Dat die checks & ballance soms beentje gelicht worden, is ook waar, maar er blijkt altijd correctie niet alleen mogelijk; deze blijft nooit lang uit, zoals ook nu in coronatijd steeds maar weer blijkt. De beoordeling van de wetenschappelijke kwaliteit van onderzoek blijft mensenwerk maar de waarborgen zijn nergens zo scherp.

Welnu, dit lijkt mij een inzicht dat wat mij betreft voor een blijvertje in politiek en bestuur mag zorgen.

Want in deze coronatijd raken we gewend aan een regeringsvorm die je gerust een gelukkige mix kunt noemen van autocratisch richtgeven vanuit de wetenschap en maatregelen op basis daarvan in de politiek. Er is van alles op aan te merken en dat gebeurt ook zo zagen we de aflopen tijd, maar het was ook mooi om te zien hoe dat samenspel van wetenschap en maatregelen verliep.

We oefenen nu al meer dan twee maanden met deze vorm van democratie op autocratische grondslag. We hebben kunnen zien hoe steeds opnieuw een balans gezocht wordt en er steeds gecheckt wordt wat moet en kan.

Een mooi voorbeeld van deze mix van de autocratie van de wetenschap en politieke maatregelen leveren Bart Slagter en Peter Slagter. Zij richtten het journalistiek kennisplatform ‘LekkerCryptisch’op. Dat moet zorgen voor getoetste kennis op basis waarvan dan geïnformeerde maatregen kunnen worden getroffen. Zo’n platform is een voorbeeld van met wat voor soort kennis precies kamercommissies in deze nieuwe mix zouden kunnen opereren. Natuurlijk is dat ook wennen voor wetenschappers: ze moeten leren leven met deze mix, met democratisch genomen maatregelen die botsen met de redelijkheid. Dat zie je aan de discussie over mondkapjes. It is all in one package.

We oefenen dit nieuwe pakket nu op het terrein de gezondheidszorg, een vitaal sociaal domein. Wat we hiervan leren kan ook toegepast worden op andere domeinen. Ook elders is een mix nodig en mogelijk van autocratie met checks & balances en democratisch genomen maatregen.

Het is nu experimenteren omdat het moet, straks komt het aan op experimenteren omdat het kan.

Gepost door: Paul Voestermans | 6 maart, 2020

Hebzucht is niet zomaar een eigenschap van het individu

Ten tijde van de credietcrisis in 2009 schreef ik deze aflevering hieronder over de sociale afstemming van gedrag naar aanleiding van de vele opmerkingen over hebzucht bij de bankiers en meer specifiek naar aanleiding van de bekentenis van de bankier Floris Deckers toendertijd dat zijn beroepsgroep het spoor bijster was.

 

Op 26 juli 2019 werden twee boeken over hebzucht besproken in de NRC. Een reden om een eerdere post te herhalen. Het een gaat over het boek Hebzucht van de filosoof Jeroen Linssen het andere over het boek Licence to be bad: how economy corrupted us van de econoom Jonathan Aldred. Jeroen Linssen zal op 7 maart 2020 zijn ideeën over hebzucht presenteren als onderdeel van het boekenfeest in Nijmegen.

Het zijn filosofische, economische en historische speculaties over hebzucht als een kenmerk van deze tijd dat nauwelijks nog morele verontwaardiging ontlokt. Helaas gaan beide boeken naar de bespreking te oordelen voorbij aan wat ik in onderstaand artikel al aanvoerde tegen een al te individualistische benadering van de hebzucht. Ik waardeer de historische dimensie en het is nooit weg om te lezen hoe in de loop van de geschiedenis via Aristoteles, Thomas van Aquino, Kant, Adam Smith e. a. hebzucht stelselmatig als economische noodzaak werd gezien. Dat mag dan zo zijn voor wie de sociale dimensie van individueel gedrag ontgaat, maar vandaag de dag moeten we het ook hebben over wat wij in Culture as Embodiment de ‘social tuning of behavior’ hebben genoemd.

 

Kijk eens naar het roken? Er is een nieuw soort ijking van ons detectieapparaat aan de gang: we verdragen de lucht van rookmiddelen steeds slechter. Dat detectieapparaat of ‘sensorium’ zoals we dat in onze boeken genoemd hebben, kan in de gemeenschap opnieuw worden gekalibreerd, zodat roken steeds meer weerstand ontmoet. Het is maar een voorbeeld, maar het laat zien dat verslaving geen louter individuele aangelegenheid is. De geldt ook voor de verslaving aan geld en goed zoals die in hebzucht gestalte krijgt.

 

Maar hier nu wat ik eerder op deze blog schreef.

De financiële crisis is een crisis van de moraal, zei Wouter Bos. Heeft hij daar gelijk in? Je zou het wel zeggen als een bankier het boetekleed aantrekt en ons vertelt dat hij “genoeg aanleiding heeft gehad om nadrukkelijk te wijzen op symptomen waar ik me ongemakkelijk bij voelde”. Een bankier voelt wanneer het scheef zit. Er moeten er natuurlijk veel meer zijn die gevoeld hebben dat het scheef zit. Zo werkt het gevoel wanneer het gekalibreerd is in de praktijk van het bankieren. Dat onderscheidt een bankier met ‘feeling’ voor haar zaakvan een willekeurige financieel econoom, wetenschapper of politicus: zij voelt wanneer het scheef zit.

 

Dat een dergelijk gevoel toch onder de mat geveegd kan worden en de kans niet krijgt om tot daden aan te zetten, heeft weinig met moraal te maken en alles met gebrek aan regels. Of met een gebrek aan scherpe regelgeving waardoor bestaande wetten te gemakkelijk kunnen worden aangewend door de beroepsgroep voor allerlei legale maar niettemin slinkse zaakjes. De expert-groep is dan onvoldoende toegerust om het individuele gedrag van een richtsnoer te voorzien.

 

Het heeft ongeveer een eeuw geduurd – van zo ongeveer vanaf de verschijning van Het Communistisch Manifest in 1848 tot na de Tweede Wereldoorlog – vooraleer er voldoende sociale regelgeving werd bedacht en geïmplementeerd ter bestrijding van schrijnende sociale ongelijkheid. En opnieuw staat dit thema hoog op de maatschappelijke agenda. We zijn er dus nog lang niet, maar armoede is in de Eerste Wereld van het Westen het vraagstuk van een minderheid. Het is bijna onvoorstelbaar dat een goede eeuw geleden in Engeland 10% van de bevolking ongeveer 90% van heel Engeland bezat en één imperium in ongeveer een kwart van wereld de dienst uit maakte. Het ging om bijna 500 miljoen mensen en bijna 34 miljoen vierkante kilometer. Er moet nog veel gebeuren, want nu bezit een kleine bovenlaag de helft van heel het mondiaal vermogen, maar zo erg als het ooit in het VK was is het zelfs met de huidige vermogensongelijkheid niet. We maken nu veranderingen mee die aansluiten bij wat intussen sociaal gevoel is geworden: absurde ongelijkheid. Onomkeerbaar zal de wereld bij nog betere sociale regelgeving betrokken worden. Dat is het resultaat van de hoofdzakelijk Westerse proeftuin van meer dan een eeuw sociale kwestie.

 

De veranderingen van de jaren zestig en zeventig brachten het besef met zich mee dat de aarde niet onuitputtelijk was en het milieu kwetsbaar. De Club van Rome luidde de noodklok. Dat leidde tot ecologische regelgeving. We zitten nu midden in de vormgeving daaraan. De noodzaak ervan wordt steeds duidelijker, wat je verder ook van de opwarming van de aarde vindt. Dat er nog steeds mensen zijn die het zo’n vaart niet vinden lopen, doet niets af aan de de grote hoeveelheid mensen die aarde door ecologische regelgeving zo veel en zo goed mogelijk voor het nageslacht willen bewaren. We zijn er nog lang niet, maar het gevoel van urgentie is er. Dat gevoel wordt intussen gekoesterd en uitvergroot, hoe dan ook. Ook dat gebeurt intussen wereldwijd.

 

De creditcrisis en de economische teruggang maken duidelijk dat we een begin moeten maken met een derde vorm van regelgeving, de moeilijkste wellicht, maar wel even noodzakelijk als de de sociale ongelijkheid en klimaat: de financiële. Ook hier moet bij gevoelens worden aangesloten. Het probleem is dat de geschiedenis van het geld (zie bijv Niall Fergusons The ascent of money) wel aantoont dat dat heel moeilijk zal zijn. Geld is niet zomaar een onderdeel van onze maatschappij, het is vermoedelijk het meest beslissende. Maar in zijn algemeen aanvaarde rol ook het meest onbegrepen, omdat er gevoelens van o.a. vertrouwen en zekerheid mee gemoeid zijn. We beginnen langzaamaan te beseffen hoe belangrijk dit soort gevoelens zijn. Het begint door te dringen dat geld op menselijke gevoelens kapitaliseert die heel gemakkelijk ontregeld kunnen raken. Of beter gezegd, die het moeilijks te reguleren zijn. En hier komt hebzucht in beeld als de grootste bedreiging voor de gevoelshuishouding rond geld. Wie kent niet de verzuchtingen dezer dagen over hebzucht? Niet alleen die van de bankiesrs maar van ons allemaal. Maar zouden we echt allemaal afgesteld zijn op hebzucht? We zijn zoals ik boven al opmerkte getuigen van het eerste begin van ook hier een verandering van gevoelens.

 

De bekentenis en het excuus van Floris Deckers zijn op dit punt interessant en hoopgevend. Want waar is een tuning, een fijnregeling van het gevoel mogelijk die in elk geval nog steeds voor alarmering zorgt. Dat gebeurt in de groep van experts. Hebzucht is geen eigenschap van het individu. Deze fijnregeling is vooral een kwestie van ‘feeling’ voor wat er in de beroepsgroep werkelijk toe doet. Dat blijkt bij uitstek een zaak van de gemeenschap van experts. Dit is ook de hoofdboodschap van Culture as Embodiment. The social tuning of behavior.

Deckers is daar een mooi voorbeeld van. Hij is een voorbeeld van de tuning van gedrag in de groep, van de fijnregeling van het gevoel voor wat hoort onder bankiers met nog een duidelijke beroepseer. Het gaat om feeling die je krijgt. Maar dat moet wel geruggensteund worden door regelgeving. Dat is andere koek dan moraal, wat ook maar een woord is dat, evenals de term ‘cultuur’, weinig verklaart. Spreken van crisis in de moraal staat, evenals spreken van crisis in de cultuur, ver af van wat gedaan kan worden tegen een ontregeld – in dit geval financieel systeem.

De bekentenis van Deckers laat zien dat er bij bankiers nog steeds iets plaatsvindt dat een weermiddel kan zijn tegen hebzucht: feeling voor het vak. Weliswaar onder druk van de omstandigheden, maar bij experts blijkt  zich nog steeds iets te roeren dat niet zomaar buiten spel komt te staan. Dat is belangrijker dan moraal. Vanuit die feeling geeft Deckers goede raad: ondersteun de feeling van de expert met expliciete regels. Hij geeft er een zestal: (1) banken moeten weer werken aan de beantwoording van de echte vraag van klanten; (2) risico’s moeten zeker worden genomen, anders beweegt er niets, maar zeker niet tot elke prijs; (3) zorg voor transparantie en een juiste balans tussen de zo begeerde beweeglijkheid van de koersen en tegelijkertijd de onvermijdelijke zucht naar zekerheid bij de klanten; (4) zorg voor echte, gewaarborgde service, waarvoor dan ook een redelijke prijs gevraagd mag worden en richt je gescheiden daarvan op het nemen van risico; met andere woorden, geen onduidelijke vermenging van beide; (5) banken moeten weer gewoon banken worden, geen beleggingsobjecten; (6) zeker geen bonussen die meer zijn dan het salaris, als die prikkel dan toch echt nodig blijkt (wat nog steeds niet duidelijk is; aan het werk onderzoekers!). Ze worden pas uitgekeerd als de lange termijn doelen worden gehaald.

 

Een prachtig begin. Deze punten laten duidelijk zien dat het niet om moraal gaat. Het gaat om regels die aansluiten bij waar bankiers nog gevoel voor blijken te hebben. Zo goed zit de beroepsgroep nog wel in elkaar, leert ons deze ene bekentenis. Meer hebben we er niet nodig. Wellicht kan er nog een aanvulling worden gegeven op dit mooie begin van Deckers? De regels die hij voorstelt moeten juridisch worden verankerd, zoals dat ook het geval was bij sociale en ecologische regelgeving. Dat het lang zal duren, zal niemand verbazen, maar dat het nodig is, staat buiten kijf.

 

Maar nu dat gevoel dat het mis zat. In C&L en CaE wordt veel aandacht besteed aan het affectieve systeem en de tuning van de gevoelens in de gemeenschap. Ons lichaam is een soort gewaarwordingsinstrument dat afgesteld raakt in de groep van experts waartoe men zichzelf rekent. Deckers kreeg zo dat typische bankiergevoel dat het niet goed zat. Hij beschikt net als iedereen over het sensorium zoals beschreven in  C&L en CaE: onze samenhangende zintuigen. Het gaat om dat geheel van gewaarwordingsmogelijkheden dat op basis van universele lichaamskenmerken grenzen stelt aan wat verdragen kan worden. Wij mensen beschikken over zoiets. Deckers als bankier beschikt over zijn eigen variant. We zijn dus zeker niet allemaal zo maar hebzuchtig maar altijd in een gemeenschap waarin onze gevoelens geijkt worden. Gevoelens kenmerken zich doordat ze vorm krijgen in de groep. Natuurlijk zijn er dan nog steeds hebzuchtige mensen maar dan dan is het zaak deze groep te identificeren naast die welke een weermiddel ontwikkelen. In die zin is niet iedereen zomaar hebzuchtig. Van bankier tot burger is het zaak de tuning, ijking of vormgeving te onderzoeken. Daar hebben we affective science voor, onderdeel van cognitiewetenschap waarin filosofische speculatie over het gevoelsleven vervangen wordt door inzicht in hoe ons affectsysteem werkt zodra het gaat over geld en goed. Van algemene hebzucht en van een algemeen klimaat waarin meer, meer, meer over de hele linie het ondernemen en geldverdienen kenmerkt is geen sprake. Er zijn wel specifiek niches waarin het gevoel voor proportie te wensen overlaat. Die bevinden zich in wat Oliver Bullough zo inzichtelijk heeft beschreven als een apart land, Moneyland.

Het sensorium stelt grenzen. Is de wijn echt zuur dan spugen we hem uit, maar is het druivensap draaglijk geconserveerd dan accepteren we deze techniek om druivensap te behouden. Gaat de dictator te ver met zijn dwingelandij dan verzet zich alles in mensen ertegen, ook al is de onderdrukking wreed en uiterst beangstigend. Men weet waar men de grens zou willen trekken. Valt de dictatuur weg, dan roert zich meteen het sensorium en we weten weer wat echt graag willen. Wat dat is leren we in de gemeenschap waartoe we behoren. Daar raakt het sensorium getuned. Zo ontstaat het sensorium van de bankier, de sporter, de wijnproever, de wetenschapper. Want wat voor de bankiers geldt, geldt ook voor de ceo’s van grote bedrijven met hun miljoenensalarissen. Ook daar is hebzucht een kwestie van miscalibratie. Ook daar geldt de verplichting een omgeving te scheppen waarin dat leren en deze tuning optimaal kan plaatsvinden. Dat is cruciaal voor de graad van wellevendheid in een samenleving. Ook voor de wellevendheid rond geld. Dat mag moraal genoemd worden maar niet zonder het inzicht dat er werk aan de winkel is. Bankiers verfijn uw sensorium en bindt het aan regels die ervoor zorgen dat het net als bij Floris Deckers blijft opspelen!

 

Kortom, er bestaat geen hebzucht die ons allemaal in de greep heeft en ons in het verderf zal storten. Dat zijn atavistische verklaringen, die in een tijdperk van gentherapie, klonen en knippen in DNA op zijn zachts gezegd wat ouderwets aandoen. De bankier met het gevoel van Deckers bewijst het tegendeel. Het mag dan getuned zijn door bijvoorbeeld ook de ervaring dat hij geen topman bij de ABNAMRO werd (zie J. Smit, De Prooi), maar zijn hebzucht is in elk geval genuanceerd geraakt. En wat hij kan voelen, voelen er meer of kunnen meer bankiers voelen, als hun beroepsgroep zich daar eens wat meer mee zou bezig houden. Regels kunnen dat bevorderen, maar er is vanzelfsprekend meer nodig.

Misschien is daarom het gescherm met moraal niet meer van deze wereld. Ik roep in herinnering dat het hoofdwerk van Spinoza Ethica heet en dat daarin geprobeerd wordt een algemene gedragsleer te ontwerpen (in die zin dat daarin een werkwijze in het onderzoek naar de menselijke natuur wordt voorgesteld die we nu gedragswetenschappelijk zouden noemen. Zie hiervoor de post ‘waarom toch steeds Spinoza?). We weten intussen nog beter hoe het zit: het gevoel dat er iets mis is kan weliswaar een tijdje zwijgen, maar zodra het de spuigaten uitloopt, roept het in elk geval één bankier of één ceo tot de orde. Dat is genoeg, want eenmaal erkend, kan het ook al die andere bankiers en ceo’s tot de orde roepen om zich weer eens op die tuning in de expert group te richten en tot herijking over te gaan.

Paul Voestermans

 

 

 

Gepost door: Paul Voestermans | 17 februari, 2020

Mens/onmens: een essay zonder wetenschap

Een mooi essay, dat is Mens/onmens zeker. Maar de thema’s die het aansnijdt zijn te belangrijk om dat zonder wetenschap te doen. Kan het wel, over emotie en gevoel schrijven met gebruik van alleen de filosofie? En kan bestrijden van de verduisterde rede slagen zonder inzicht in de wisselwerking van groep en individu? In Heijnes essay verschuift de focus steeds van de waarden van de Verlichting naar de affectieve en cognitieve dynamiek van gedragspatronen waarin gevoel en rede niet langer in balans zijn. De analyse daarvan kan niet zonder gedragswetenschap.

Bas Heijne gaat wel heel diep in het ontleden van post truth en de liberale leegte: “(het zijn) dieperliggende tegenstellingen die het debat sturen. Het gaat om emotie tegenover ratio, beleving tegenover cijfers, afstand tegenover nabijheid, abstractie tegenover herkenbaarheid, maar ook om ‘volk’ tegenover ‘elite’”. De leegte van geen antwoord te hebben op de kritiek van rechts dat inbedding in de eigen vertrouwde gemeenschap verloren gaat en van links dat universeel en solidair broeder- en zusterschap aan kracht inboeten.

Waarheid en identiteit – de kernthema’s van deze tijd – worden in een gevechtshouding tegenover elkaar geplaatst. De algemeen geldigheid van de waarheid wordt bedreigd door een veelvoud aan identitaire groepen die elk met hun gelijk vastzitten aan de eigen beleving. Zo verspelen velen het zicht op wat werkelijk het geval is. Emoties die ons wijzen op wat van belang is en de moeite van een engagement waard, zijn de boosdoeners, omdat ze de blik vertroebelen op wat ons te doen staat. Niet langer wordt de rede aan een betrokken richtsnoer geholpen. In tegendeel, Zowel verblind zijn door belangen als in je eigen kleine clubje menen te kunnen aanvoelen wat er echt gedaan moet worden zorgen juist voor de vergruizing en verguizing van de rede. Doordat sommige mensen hun gelijk halen door hun eigen en andermans gevoelens te bespelen, goes truth through thdrain. Het gaat over wat de filosofie van grote denkers als Hume, en wat de bespiegelingen van onderzoekers en essayisten als Bobby Duffy, Edmund Fawcett, Michiko Kakutan en David Wootton – hij sprak persoonlijk met sommigen – ons te zeggen hebben over waarheid en identiteit, over gevoel en rede.

Begrijp me goed, wat volgt is niet louter kritiek. Ik ken geen boek dat in zo’n kort bestek, zo vlot en toegankelijk geschreven, ons met overtuigende argumenten bij de tijd brengt en ons doordringt van de urgentie weer opnieuw inhoud te geven aan waar de Westerse wereld met haar liberale traditie voor staat. Als je het uit hebt kun je de debatten in de media, ook de sociale, beter begrijpen. Het helpt ook de tijdgeest te weerstaan en nieuw elan te geven aan het enige echte liberale gedachtegoed.

 

Teruggebracht tot de kern gaat het eerste deel van het boek over de crisis waarin we met zijn allen terecht gekomen zijn. Ze wordt mede veroorzaakt doordat de passie die voor de noodzakelijke betrokkenheid zorgt en dus onontbeerlijk is, de boventoon gaat voeren waardoor de eigen ervaring en beleving zo centraal komen te staan dat alleen deze twee de bron van identiteit worden. Dan gaan emoties en gevoelens met de redelijkheid aan de haal en verkruimelt de wereld. Dat levert eilanden of bubbels op die niet meer met elkaar communiceren.

 

In deze communicatieve chaos wordt het liberalisme gereduceerd tot technocratisch, visieloos besturen. Vooral de neo-variant is de grote boosdoener. Daarin is nauwelijks nog oog voor hoezeer de samenleving verdeeld is geraakt. De opdeling van mensen in eilandjes van het eigen gelijk heeft hen op afstand gesteld van waar het algemeen belang het beste mee gediend is. Daardoor nemen ze niet  meer echt deel aan de razend snel veranderende tijd en zoeken ze houvast in hoe het vroeger was. Vanuit die gevoelens volgen ze gretig de leiders die ook omkijken in plaats van vooruit. Daarover gaat het tweede deel.

 

Het derde probeert uit deze gefragmenteerde wereld te geraken en weer op een verbindende koers te komen. Hier worden de kernwaarden van de verlichting hernomen: vrijheid, gelijkheid en broederschap. Over vrijheid en gelijkheid is het boek kort. Heijne: “over de definities van vrijheid en gelijkheid valt ook heel wat te steggelen, maar die begrippen kun je toch vrij gemakkelijk praktisch realiseren.(…) Maar met broederschap ligt het een stuk ingewikkelder”. En dus gaat het derde deel daarover.

Maar dat is toch wel een heel gemakkelijke retorische truc. Immers, als je vrijheid opdeelt – op suggestie van Isaiah Berlin – in vrijheid van en vrijheid tot en als je gelijkheid onderzoekt onder het opzicht van gelijkwaardigheid, zijn beide even ingewikkeld als broederschap. Sterker nog juist broeder- en zusterschap liggen zo ingewikkeld omdat ‘vrijheid tot’ en gelijkwaardigheid roet in het eten gooien. In de vorm van vrijheid tot spelen immers idealen mee die lang niet iedereen kan bereiken. Vrij zijn van dwang, heerszucht, gebrek, te grote inkomensverschillen, zelf bepalen door wie je bestuurd wilt worden, en vrij zijn van alllerlei onlust is op zich inderdaad met sterke inclusieve instituties nog wel te realiseren, al is ook hier nog veel werk te doen. Dat zijn politieke keuzen. Maar vrijheid tot, d.w.z. de vrijheid om voor bijvoorbeeld het goede leven te kiezen, of voor minder economisme, minder alleen kijken met euro’s in de ogen, levert meteen een debat op over wie uitmaakt wat hier de beste keuze is. Wie maakt uit wat je in vrijheid maar het beste kunt nastreven? In zo’n debat zijn sommigen meer je broeder of zuster dan anderen. Vrijheid tot verdeelt de wereld meteen in idealisten en klootjesvolk. Het levert een verdeelde elite op en hier en daar verweesd volk. En dan komt het op getallen aan over die verdeling. Nee, zo gemakkelijk gaat dat niet met de vrijheid.

En ook niet met gelijkheid. Want als je de nadruk niet zozeer legt op gelijkheid voor de wet, gelijke beloning, geen al te grote ongelijkheid door inkomensverschillen etc., maar op gelijkwaardigheid wat op zich niet hoeft te impliceren dat we allemaal gelijk zijn, duikt ogenblikkelijk de vraag op wie je broeders en zusters zijn in deze wereld waarin we dan wel niet gelijk zijn aan elkaar maar wel gelijkwaardig. Wat moet je in dat geval aan met sommige individuen die vast geklonken zijn aan groepen die je niet zo ziet zitten? We zijn weliswaar allemaal allereerst individuen die in groepen leven met ieder onze eigen bewegingsruimte, maar sommigen hechten daarbij veel te sterk aan de gemeenschap – en aan de daarin vigerende godsdienst vooral. Geloof wordt een halszaak. Daar halen nogal wat mensen hun waardigheid vandaan, terwijl anderen graag op zichzelf blijven en op hun eigen voorwaarden verbonden willen zijn zonder religieus geloof. Weer anderen zijn moeilijk als gelijkwaardig te beschouwen en brengen broeder/zusterschap in gevaar doordat ze ideologieën aanhangen die veraf staan van die van jezelf en jouw groep. Hier is toch enig inzicht op zijn plaats in over hoeveel mensen het gaat en wat hun precieze invloed op de samenleving is.

Niet dat het verkeerd is over broederschap te schrijven. Maar wat als we ons maar hebben neer te leggen bij een wereld die nu eenmaal in toenemende mate bewoond wordt door mensen die hun eigen groep kiezen om zelf iemand te zijn? Hoe stel je tegenover de groepsidentificatie die individuen geheel doet opgaan in de groep waartoe ze behoren – iets waar heel veel mensen vanaf willen omdat ze vrij willen zijn tot waar ze zelf voor kiezen –  het individu dat zijn eigen groep kiest en zo de gemeenschap zoekt waarin hij of zij als persoon gedijen kan? Ja, dan moet je echt iets met broederschap en hoe je verschillen kunt overbruggen. Op dit punt heeft Heijne het grootste gelijk van de wereld. Maar een oproep tot meer gemeenschap is krachteloos als niet tevens wordt ingegaan op de dynamiek van een keuze voor gemeenschap versus individualiteit. Immers, de groep kan ook het individu verstikken, terwijl het ook waar is dat je niets bent zonder verbinding met anderen. Die dynamiek verdient precisering en die geeft Heijne niet.

De groep in dienst van het individu in plaats van omgekeerd is het enige weermiddel tegen de heilloze conservatieve roep om ‘binding’ en ‘gemeenschap’ die zo schel opklinkt uit rechtse en ultra-rechtse kringen. Maar hoe pak je dat praktisch aan?

Je mag zo’n oproep tot precisering misschien niet doen want het is allemaal zo goed bedoeld en het levert een alom geprezen essay op. Maar waarop is de oproep tot dat moeilijke onderdeel van de verlichtingsslogan gebaseerd? Het schrijft heerlijk weg, zo’n verhaal over wat er allemaal mis is met de hedendaagse mensen. En met redelijkheid en emotionaliteit en met de liefde tot de medemens. Dit soort beschouwingen zijn verleidelijk. Het opschrijven is zonder meer een verdienste. Daar wordt Heijne terecht om geprezen. Maar is het zinvol zo’n filosofische analyse te maken met zo weinig inbreng vanuit de gedragswetenschap? Immers, wat uit het bovenstaande meteen blijkt is dat het niet alleen over de waarden van de Verlichting gaat, maar vooral over daarmee verbonden praktijken. Dan verlaat je de filosofie. Heijne begeeft zich in dit essay nadrukkelijk op het terrein van emotie, gevoel en gedrag. Dan verschuift zijn betoog van waarden naar praktijken. Daar hoort wetenschap bij. Dat kan niet anders.

Wetenschap komt bij Heijne mondjesmaat aan bod. Een beetje biologie, vaak á charge om de menselijke natuur stevig te verankeren in stamtoebehoren, irrationaliteit en impulsiviteit, maar dat is het dan ook. Geen woord over gedragswetenschap. Ik begrijp dat stilzwijgen wel: journalisten branden niet graag hun vingers aan psychologie. Maar intussen behoort de wetenschap van cognitie en affect evenals de natuurwetenschappen, biologie, en de kosmologie waarover zo voortvarend in de media bericht wordt tot de gezamenlijke menselijke inspanning om te begrijpen waarom mensen zijn zoals ze zijn. Wetenschap is een en ongedeeld. De studie van mens en natuur werkt met dezelfde beginselen van wetenschap en laat de filosofie ver achter zich, zeker als daarin over zulke verschijnselen als emoties en gevoelens, rationaliteit en saamhorigheid, groepstoebehoren en identiteit maar wat raak wordt gespeculeerd. Intussen hebben wetenschappers een eigen verhaal. Verdient dat niet meer aandacht dan de 18e eeuwse filosofie?

Het klopt dat je Hume ook kunt lezen als de filosoof die de passie noodzakelijk verklaart en daarbij nogal eens verkeerd werd begrepen, Heijne een tijdje zelf voorop. Door alleen te zien dat de rede nogal eens door emoties en gevoelens buiten werking wordt gesteld misken je de functie van emotie en gevoel als belangenbehartigers buiten controlerende redeneringen om. Maar redt je het met alleen Hume die slechts erop wijst dat de rede niet zonder passie kan?

Robert Zajonc schreef in 1980 Feeling and thinking: preferences need no inferences. Daarin kwam vast te staan dat gevoel en oordeel door twee aparte systemen worden aangestuurd die wel samenwerken maar ieder hun eigen effect hebben op hoe mensen dingen beleven. Kun je de twee dan nog eenvoudigweg tegen elkaar uitspelen soor een tegenstelling tussen rede en gevoel te creeren? Het woord emotie is afgeleid van emovere, bewegen, en we hebben in het Nederlands het fraaie woord beweegredenen, waar het gemotiveerd zijn om redenen al in zit. De rede moet bewogen worden om iets te kunnen uitrichten. Die samenhang van affect en cognitie is de sleutel tot waarom mensen zich door hun emoties en gevoelens laten meeslepen, maar ook tot hoe daarmee om te gaan. Een groot probleem bijv. is waar toch de zware affectieve lading van ideologie vandaan komt. In de strijd om milieu, handel – nu bij CETA bijv.- , bij duurzaamheid, ja ook in zake de democratie zelf staan partijen onverzoenlijk tegenover elkaar, hakken in het zand, met weinig oog voor proportie. How come? Wat maakt dat de emoties zo hoog oplopen bij wat in de kern een cognitieve aangelegenheid is? Van waar die heftige gepassioneerdheid die de rede alleen maar verduistert?

Richard Lazarus muntte in 1982 ‘hot’ en ‘cold’ cognitions, waardoor emoties en gevoelens midden in het menselijk cognitieve systeem worden geplaatst. Het door hem geïnspireerde onderzoek zocht en vond evidentie voor twee soorten appraisal, dat is taxatie: enerzijds de geautomatiseerde en anderzijds de deels cognitief controleerbare taxatie van de omgeving door ons gedragssysteem. Daar passen concrete belevingen bij: de afkeer van iemand die helemaal anders is dan wij, en het trage besef na samen iets doen van hoe schappelijk zo iemand bij nader inzien blijkt te zijn. Daar kun je concrete training op enten. En meteen wordt duidelijk dat broeder- en zusterschap een praktijk is die oefening vergt. Om nog maar te zwijgen van wat zulk inzicht zegt over de rol van de groep waarvan we weten dat die het individu in hoge mate kan opslokken, terwijl de groep ook onmisbaar is. Pas in de groep leren we individu te zijn, doordat zo veel door mensen in groepen wordt geregeld: onze veiligheid, onze gezondheidszorg, ons onderwijs etc. In de groep waartoe je behoort oefen je de doordringbaarheid van affect door cognitie tegen die geautomatiseerde reacties in. Nergens anders.

Om daar even op door te gaan. Emoties kun je maar beter duidelijk onderscheiden van gevoelens. Jagers die gewend zijn op wilde beren te jagen schrikken ook van een Grizzly maar nadat ze weggerend zijn slaan ze elkaar op de schouder vanwege deze narrow escape en delen gevoelens van trots en durf, terwijl argeloze toeristen ook wegrennen maar eenmaal bekomen van dat verschrikt wegrennen nog nasidderen van angst: twee soorten gevoelens bij een en dezelfde emotie die bij beide groepen is opgewekt door de waarneming van gevaar wat een automatische reactie over het ruggenmerg uitlokt. Waarom is dit onderscheid van belang? Omdat bij twee verschillende gevoelsreactie op gevaar er altijd een ijking van emoties en gevoelens in de groep aan ten grondslag ligt. Daar leer je wat gepast is en wat niet; daar leert de jager stoerheid en de toerist, wel, die hoort weinig anders dan dat beren angst aanjagen en dus zit er weinig anders op dan sidderen. Maar ijking slaat vooral op de afstemming die een geijkte, een gepaste relatie oplevert. Daar had Spinoza het als eerste over. Een verwaarloosd inzicht doordat het sociale en het lichamelijke door het dualisme van Descartes nooit goed in samenhang werden gezien. Daarmee is de groep overigens ook de bron van juist dat opgezweepte gevoel dat de rede blokkeert. Een reden temeer om veel preciezer te kijken naar waar en hoe die gevoelens worden afgestemd en geijkt.

Om identitaire bewegingen goed te begrijpen kun je maar beter het expressieve lichaam erbij halen en niet alleen dat van de biologie. Immers, lichaamsstylering behoort bij identiteitsvorming en de uiting ervan: mode en lichaamspraktijken zijn naast religie de bron bij uitstek van identiteit. Gevoelens zijn een zaak van lichamen met verschillende stileringen. Gevoelens die mensen tegen elkaar opzetten en de rede verduisteren krijgen gemakkelijk vorm in groepen met aanjagers die de sentimenten van de massa uitbaten ten gunste van hun eigen agenda.

Nu terug naar de bubbels waar iedereen en ook Heijne het over heeft. Er zijn inderdaad veel groepen vandaag de dag die op onredelijke gronden met elkaar overhoop liggen. Dat geldt ook voor de elite zelf die uit een veelheid van elitegroepen bestaat.

Inderdaad, van luisteren naar elkaar geen sprake. Geen vergelijk, geen kennisname over en weer. De primaire appraisal overheerst, de secundaire komt niet op gang. Cognities, overwegingen, redeneringen van fatsoen hebben geen vat op gekwetste gevoelens. Politiek is primair een emotioneel spel, lijkt het wel. Maar tot die groepen behoren ook de groepen waar ik zelf en ook Heijne toe behoren, de universitair of HBO-geschoolden, de mensen met een media-opleiding, de opinievormers etc. Kortom ook de zogenaamde ‘elite’ – een woord dat ik aarzelend gebruik omdat het vrijwel niks betekent – is verdeeld en ingekapseld in bubbels. Maar wat zijn dat, die bubbels? Dat zijn groepen waarin ons affectieve en cognitieve systeem geijkt wordt wat overigens ook gezonde diversiteit van opinie oplevert. Dat feiten naar de achtergrond verdwijnen is een proces van trage en gestage afstemming van ons affectieve en cognitieve systeem op wat de groep van ons vraagt. Daar tegenover staat de handhaving van gevoel voor proportie. Niet iedereen is lid van een identitaire groep. De meesten juist niet. Ook dat is een gedragswetenschappelijk inzicht.

Toegegeven, het ging goed mis met de psychologie – vooral met de voortvarende experimentele sociale psychologie – en met dat inzicht. In de tweede helft van de vorige eeuw mislukten een aantal sociaal-psychologische experimenten. Dat van Mostafa Sherif, van Stanley Milgram, en dat van Philip Zimbardo. Ze zagen allemaal de beslissende rol van instructie en de daarvan afgeleide autoriteit over het hoofd. Uit de te grote stelligheid van Henri Tajfel dat groepsidentiteit een kwestie is van gekleurde petjes in plaats van geleden leed en ervaren minachting, werd veel te snel afgeleid dat mensen in rap tempo vijanden van elkaar worden. Zo werkt dat niet. Je krijgt ze zover als er mensen zijn – dat andere stuk van de elite – die de zaak moedwillig aanjagen. Dat is een hard inzicht. Dat bleek namelijk het geval in al die experimenten: er zat een appél van leidinggevenden achter. Dat moet je in kaart brengen met naming en shaming. Natuurlijk is daar durf voor nodig en breek je de terreur niet een-twee-drie. Voorlopig hebben ze die durf en moed alleen nodig in China en in de wereld van de gematigde Islam. We leven daarvoor in een te mooi en vredig land. Althans dat nemen we aan. Het vergt heel wat gezoek naar hoe het bij ons echt zit.

Wat wij hier kunnen doen komt neer op de dissidenten steunen en aankaarten wat elders aan vrijheidsbeknotting plaatsvindt en verder de eigen groepsbarrières zoveel mogelijk slechten door bijvoorbeeld gewoon veel samen te doen. Dat kost heel veel moeite, meer moeite dan vaag gefilosofeer over broederschap.

En de Bergrede helpt ook niet echt. Wel mooi en radicaal, maar het oppoetsen van de christelijke moraal helpt niet veel. Wat in het dagelijkse samenleven in zo’n veilig land als Nederland wel helpt is bijvoorbeeld het lichaam – niet dat van de biologie maar het expressieve – trainen om mensen die er anders uitzien en anders denken mee te helpen common ground te vinden door ook zelf de juiste souplesse op te brengen. Dat kan op jonge leeftijd vooral in instellingen van onderwijs en vorming gebeuren, op school en bij sport. Door de expressielessen en lessen lichamelijke opvoeding weer in ere te herstellen. Ik noem deze twee niet als oplossingen voor een gedragswetenschappelijk tekort, maar omdat die lessen vrijwel uit het schoolprogramma verdwenen zijn. Het kan dus concreter, bedoel ik maar te zeggen. Dat in de sport juist de zittende witte massa in de stadions bananen gooit naar de zwarte spelers is veelzeggend. Op het veld houden wit en zwart zich verre van dit soort identitaire oprispingen.

Behandel de gedragswetenschap eindelijk eens als een bron van inzicht in plaats van deze te negeren op basis van inderdaad hopeloze schandalen en de absoluut verkeerde organisatie van wetenschap aan onze uni’s. Maar dat wordt al aan de kaak gesteld door WoInActie.

Ik volg de wetenschapsredacties van onze media met argusogen en dat al meer dan een halve eeuw. Ik ken vele wetenschappers van nabij doordat ik ze aan de tand heb mogen voelen in het ScienceCaféNijmegen. Ik weet hoe weinig aandacht er in de media uitgaat naar gedragswetenschappers. Niet om ze te laten opdraven zoals dat zo mooi kan bij de kwantum computer of een foto van een zwart gat en bij het vruchteloos zoeken naar donkere materie. Nee, bevraag ze eens vanuit een engagement met het inzicht dat er al is. En zoek zaken eens uit.

En dan nog iets dat vaak heel gemakkelijk afgedaan wordt als gezeur van iemand uit de wetenschap, vooral die van gedrag en maatschappij. Vaak wordt in het essay “we” gebruikt: “waar is wat we voelen dat waar is”; “aangezien we nooit in in een tijdperk van de waarheid hebben geleefd”; “hoe we geneigd zijn dingen verkeerd in te schatten”; “we zien steeds meer maar we weten steeds minder goed wat we zien”.

Wie zijn deze we? De diagnose van onze tijd wordt weinig gespecificeerd over echte mensen en echte groepen. Geen geconstrueerde, maar groeperingen die herkenbaar de rede buiten werking stellen op basis van gevoelens alleen. Dat hoort niet alleen maar te worden aangestipt met een ongespecificeerd ‘we’. Wie doen dat precies? Het zal niet te doen zijn geweest in een essay als dit van Heijne, maar zou dat toch niet tot wat meer voorzichtigheid aanleiding hebben moeten geven? En iets meer graafwerk? Er is toch tamelijk veel bekend over in welke omstandigheden de gevoelens ontsporen en bij wie.

De politiek-filosofische analyses in dit essay zijn ook tamelijk ongespecificeerd als het over ‘liberaal’, ‘neoliberaal’ of ‘conservatief’ gaat. Kijk om je heen: het overgrote deel van de bevolking trapt niet in nepnieuws, eert de waarheid, is niet agressief en wantrouwt niet. En als bijvoorbeeld onzin over vaccinatie om zich heen grijpt, kan met een beetje onderzoek al snel duidelijk worden waar de bron zit en hoe die onschadelijk te maken. Het kost alleen heel gerichte actie. Geen algemene beschouwing over dat de waarheid in de knel komt. Het misbruik van wetenschap in zulke kringen is te weinig algemeen om er een probleem van deze tijd van te maken.

Ook het gebruik van substantieven als ‘de waarheid’ of ‘identiteit’ ‘de moderniteit’ ‘de liberale leegte’, ‘de elite’ etc. in dit essay komt dicht in de buurt van wat Michael Billig in zijn boek Learn to write Badly beschreef als de belangrijkste rem op inzicht: door dit soort substantieven zie je geen beweging, veelvormigheid en processen. Als je belangrijke thema’s substantiveert en niet beschrijft met goede voorbeelden van hoe het in zijn werk gaat en wie het precies zijn blijft de analyse abstract. Maar goed, zo wordt het boek te dik, dat begrijp ik ook wel, maar toch.

De kernvraag blijft als je dit essay uit hebt: hoe groot is de afkeer van het liberalisme echt en is die inderdaad groeiende? En als gevoelens het denken in de weg zit, hoe gaat dat dan in zijn werk. Zijn dat niet gewoon empirische vragen die je niet met filosofie maar met wetenschap te lijf moet gaan?

 

 

Gepost door: Paul Voestermans | 16 februari, 2020

Er deugen er een paar niet: veel hangt af van tuning in de groep

Het zal vast zo zijn dat de meeste mensen deugen, zoals Rutger Bregman in zijn boek De meeste mensen deugen beweert, maar o wee als er enkele zijn die dat niet doen. En waarmee hangt deze deugdelijkheid samen? Dat zijn een paar vragen bij een prijzenswaardig stuk werk van Bregman.

Altijd zijn er mensen die heel veel macht hebben en met miljoenen kunnen strooien om ons te misleiden, gezonde bedrijven uit de markt te prijzen en startups tot valse concurrenrie aan te zetten door ze een tijdje met veel geinvesteerd kapitaal onder de kostprijs te laten produceren. Het gevaarlijke is dat ze zoveel kapitaal hebben dat ze niet eens een handige ondernemer hoeven te zijn om toch heel veel macht te vergaren en die rücksichtlos gebruiken.

Vandaar de vraag: was het niet beter geweest als Rutger Bregman aan zijn boek De Meeste mensen deugen een hoofdstuk had toegevoegd waarin ook beschreven wordt dat sommige heel machtige figuren duidelijk niet deugen? Niet naar de letter van de wet maar wel naar de geest ervan. In Bregmans boek komen er een paar langs, maar zonder veel analyse waarom ze niet deugen.

In het boek van Olivier Bullough Moneyland staan heel veel namen van heel rijke mensen die echt niet deugen. En hij analyseert hun gedrag genadeloos. Ze maken gebruik van het lastige gegeven dat geld geen grenzen kent en wetten wel, zodat ze de wet kunnen ontduiken en de morele verplichtingen die zovele mensen deugdzaam nakomen naast zich neer kunnen leggen. Bullough legt omstandig en goed uit wat hier niet deugt.

Ook Marleen Stikker neemt in haar boek Het internet is stuk geen blad voor de mond. Ze analyseert grondig hoezeer een aantal investeerders in de techindustrie de weg totaal kwijt zijn. Ook hier wordt bewust naming & shaming gepraktiseerd. Overigens is het noemen en beschaamd maken niet hetzelfde als het censureren van andersdenkenden, of het beknotten van iemand vrijheid, of het aan de publieke schandpaal nagelen van wie je onwelgevallig is om wat voor reden dan ook. Benoemen van wie de fout ingaan en waarom en daar vervolgens schande van spreken uit naam van het soort normativiteit dat iedereeen begrijpt (de kern daarvan is fairness oftewel billijkheid, wat iets anders is dan rechtvaardigheid want het recht staat soms vierkant achter iets dat hoogst onbillijk blijkt te zijn zo leert ons Moneyland) is een effectief weermiddel tegen de sluipende afbraak van fatsoen en deugdzaamheid.

Dus terecht dat Stikker de hedge fund millionaire’ Robert Mercer, met naam en toenaam noemt. Hij zit met zijn geld achter Cambridge Analytica waarover ik al eerder schreef (de moedermaatschappij van CA, de Strategic Communication Laboratory groep, die evenals CA niet meer onder die naam bestaat, drong zonder dat er een strobreed in de weg werd gelegd bijna onze defensie binnen: zie voor CA de aflevering: Weer wordt misbruik van persoonlijkheidsgegevens aan de kaak gesteld en voor het gevaar bij defensie: https://www.nrc.nl/nieuws/2020/06/26/een-soft-maar-gevaarlijk-wapen-moderne-oorlogsvoering-richt-zich-op-beinvloeding-van-de-bevolking-a4004227)

Mercers door onnavolgbare algoritmen vermeerderd kapitaal wordt ingezet voor het verzamelen van zoveel mogelijk data die als het nieuwe goud kunnen worden gedolven. Het internet wordt op die manier grondig verpest. Ook noemt ze de oprichter van de Japanse Softbank bij naam, Masayoshi Son, die moedwillig de markt verstoort door allerlei startups de concurrentie te laten aangaan met bestaande bedrijven. En Mark Zuckerberg, natuurlijk, die moedwillig misbruik maakt van wat hij meteen al bij de oprichting van zijn platform incalculeerde namelijk dat mensen graag over zichzelf van alles kwijt willen. Het zijn lui die duidelijk niet deugen.

Een ander boek dat naming and shaming praktiseert op voorbeeldige wijze is Zwarte Golf Van Kim Ghattas. Aan het begin van haar boek is een lijst opgenomen van belangrijke en invloedrijke mannen vooral, die in de landen Irak, Iran, Libanon, Saoedi-Arabië, Syrië, Egypte en Pakistan een hoofdrol speelde. Ze vermeldt ook de namen van kritische vrouwen en mannen, maar de meeste mannen in de gebeurtenissen in het Verre- en Midden-Oosten deugen voor geen meter. Zoals ook een aantal Westerse autocrTen niet deugen. Zij noemt in elk geval de verkeerde leiders gewoon bij naam die het aanvankelijk redelijk verlichte en gemoderniseerde Midden- en Verre Oosten hebben gemaakt tot een zompig moeras vol geweld en voor het gewone volk vol onleefbare omstandigheden. Zeker in die regio zijn mensen te vinden die absoluut niet deugen. Ze liggen verspreid over heden en verleden. Het gewone volk was en is daar slachtoffer van.

Maar het is onverstandig om het bij naming and shaming te laten. Ook deugdzaamheid toeschrijven aan de individuele mens of de menselijke natuur en er een puppy van te maken die zich met een lief gezichtje tot het goede wendt is weliswaar een eerste stap maar dan moet de analyse van waardoor zowel de deugd als de ondeugd worden geproduceerd nog gemaakt worden. Doet Bregman dat? Ik geloof van niet. Ik kan het nergens vinden (wie wel?).

Ik heb natuurlijk niet dé oplossing, maar wel een stukje ervan door te wijzen op het belang van gedragsafstemming, de tuning en callibratie ervan in de groep of groepen waartoe iemand behoort, automatismen, affectieve sturing en de beperkte werking van alleen talige instructie.

Dat zijn de kernthema’s van Culture as Embodiment. Zonder groepsgewijze versterking van deugd en ondeugd en wat je de ‘education of the senses’ kunt noemen geen gedrag(sverandering). Dit belang van groepen heeft overigens niets te maken met een aan bodem en voor sommigen zelfs aan bloed gekoppeld ‘wij’. Intrinsiek sociale groepen die op hun beurt weer drastisch verschillen van op basis van indicatoren samengestelde aggregaat-groepen, zijn leefgroepen, vriendengroepen, werkgroepen en meer van dit dit soort vrijwillige gekozen verbanden. Die zijn onontbeerlijk voor gedragsproductie. Ze staan in dienst van het individu en niet omgekeerd: het individu in dienst van de groep, wat zoveel voorkomt in patriarchale samenlevingen. Juist op die dienstbaarheid van het individu aan de groep is het conservatieve wij van bijv. de onlangs overleden Scruton en zijn aanhanger Baudet gebaseerd. Daar deugt echt niks van. Ook het argument dat door het belang van de groep te benadrukken het gevaar van group think en sociale druk wordt miskend moet genuanceerd worden. Group think kan door het dappere gedrag van de enkeling, de durver, de onafhankelijke denker worden doorbroken. Maar vergis je niet, ook zij tegen de groep in denkt heeft hoe dan ook een andere groep achter zich staan – de primaire leefgroep van het gezin, de vriendengroep, de ideologisch verwante groep etc. Zonder die andere groep zou je geen dapper onafhankelijk individu geworden zijn.

Ik heb al vaker geopperd dat investeringen in gedrags- en sociale wetenschap op vergelijkbare schaal met die in de natuurwetenschappen nodig zijn om een eenheid van wetenschap te creëren die de grote problemen aankan van klimaat, een ontspoord internet, verstoorde solidariteit, de erosie van sociale cohesie, en identitaire aanvallen op die ene menselijkhied die we met elkaar gemeen hebben. Gefilosofeer over de wereld zonder proefondervindelijk onderzoek naar de toestand van de menselijke conditie helpt niet.

Het is erg moeilijk om deugdelijkheid en ondeugdelijkheid van sociale dimensies te voorzien in een tijd waarin individualiteit geconceptualiseerd is in termen van het enkelvoudige brein en een geisoleerd lichaam “propvol tengere draadjes en slangetjes” zoals Leo Vroman ooit dichtte. Wat Monica Meijsing in haar boek Waar was ik toen ik er niet was heeft gedaan voor de persoon moet op veel breder schaal worden uitgesponnen.

Zij komt na een spannende en avontuurlijke tocht door de filosofie van lichaam en zelf tot de slotsom dat: “het het tweedepersoonsperpectief is dat ons tot personen maakt, het zijn andere personen die ons opvoeden voor toetreding tot een gemeenschap en die ons daadwerkelijk opnemen in een gemeenschap van personen. Het is in deze context van aansprakelijkheid en aanspreekbaarheid, van verantwoording afleggen tegenover anderen en tegelijkertijd verantwoordelijk zijn voor anderen, dat personen bestaan”.

Je zegt niks teveel als je erop wijst dat het sociale in de filosofie een mager bestaan leidt. Het obligate “de mens is een sociaal dier” en hier daar wat afgeven op kuddegeest en group think zijn niet voldoende om tegenwicht te bieden aan verkrampt individualisme.

Maar Meijsing gaat verder: “personen zijn dus organismen die door andere personen opgenomen worden in de menselijke gemeenschap. Betekent dat dat we het niet verkeerd kunnen doen? Als personen precies diegenen zijn die door andere personen als zodanig benoemd en bejegend worden, gaat dat dan per definitie goed?” Op deze vraag geeft Meijsing geen antwoord. Ze wijst alleen op het gevaar van uitsluiting. Maar volgens mij kan het wel degelijk goed verkeerd gaan. De groep is geen garantie want daarin worden deugd én ondeugd getuned en gecalibreerd.

Regelmatig vindt er totaal verkeerde gedragsafstemming plaats. Dan versterkt de groep ondeugdelijk gedrag. Met andere woorden menselijk gedrag is door en door sociaal. Deugen en niet deugen is daarmee een sociale aangelegenheid.

Een analyse van deze sociale dimensie heeft alleen dan een kans van slagen en kan alleen dan als er korte metten gemaakt wordt met de solipsistische interpretatie dat mensen een brein hebben dat alles bepaalt en regelt. Als de inbedding in de groep van breinen en lichamen in meervoud niet uit het oog wordt verloren. En dat gebeurt nogal eens in de hersen- en cognitiewetenschap.

Wat zou Silcon Valley zijn zonder het wereldje dat daar met zijn allen in stand wordt gehouden?

Het belangrijkste punt van groepstoebehoren is dat mensen ook een lichaam hebben en juist op dat gebied krijgt deugdzaamheid een deuk.

Het blijk bijvoorbeeld moeilijk de eenmaal in een bepaalde etnische groep, seksegroep, klasse- of religieuze groep aangeleerde gedragspatronen zomaar op te geven. Eenmaal opgedaan in de groep is het nauwelijks mogelijk daarvan los te komen. Dat geldt van bankier tot metselaar.

Daarnaast blijkt het moeilijk de eenmaal opgedane expressievormen van elkaar te accepteren. Daarin deugen de meeste mensen nauwelijks. De sturing van het affect die samengaat met de automatismen van smaak is nog zo’n punt: elkaars look aanvaarden, de manier van bewegen, het zich manifesteren met vuist of taal – het levert evenzovele ondeugdelijke praktijken op. Pas wanneer bijvoorbeeld op scholen expressielessen maar ook de rest van wat ooit terecht ‘lichamelijk opvoeding’ heette weer in ere zouden worden hersteld, krijgt de training van wat in Culture as Embodiment het sensorium wordt genoemd een kans.

Het is zeker waar dat alle mensen deugen als je niet al te diep duikt in waar onze gevoelens, lichamelijk automatisme en beperkte controle door taal en cognitie vandaan komt.

Een nieuw werkterrein voor De Correspondent?

(Onder constructie)

Gepost door: Paul Voestermans | 2 januari, 2020

In de plaats van geopolitiek

Het decennium 2010-2019 was het tijdvak van de terugkeer van de geopolitiek wordt nu gezegd bij deze jaarwisseling van 2019 naar 2020.

In dat verband herpost ik een eerder artikel. We kunnen maar beter anders kijken dan politieke leiders die bij hun electoraat gevoelens van verlies en vernedering activeren.

Hier dus dat artikel:

In ons boek Culture as Embodiment kritiseren wij de politieke analyses die zich baseren op geopolitiek machtsstreven en niet op de globalisering van gedrag, niet op wat mensen verwachten van de regering met betrekking tot de verbreiding van het wereldwijde succes van de leefstijl die zijn eerste vorm kreeg in de westerse wereld. Globalisering van gedrag is de verspreiding van gedragsvormen die samenhangen met het beschikbaar komen van onmisbare materiele genoegens, gemakken en diensten. Niet in de vorm van simplistisch hedonisme, maar als beproefde vormen van het goede leven.

Deze beproefde vormen hangen samen met veranderingen in levensstijl die in gang zijn gezet door wetenschap, techniek en wereldwijde vrijhandel. Ze staan nu onder druk.. niet in de laatste plaats omdat ze iedereen raken. Daardoor veranderen de eisen aan het leven van alledag en dat is vaak onwelgevallig aan machthebbers. Niettemin ervaren mensen de beloften van verandering heel concreet aan den lijve. Daarmee raakt de bestaande orde op achterstand. Vanzelfsprekend wil ook dat deel  van de bevolking vooruit dat tot dan toe van allerlei privileges werd uitgesloten: vrouwen, jongeren, minderheden etc. Er worden nieuwe rechten en plichten geformuleerd tot en met de manier van omgaan met de aarde zelf aan toe, en die zetten overal de wereld op zijn kop. Dat raakt ook aan de traditionele politieke orde. Daarvan worden parallelle modelen uitgeprobeerd die ruimte scheppen voor nieuwe gedragsvormen, ondergronds, bovengronds, maar onverbiddelijk. Dat is de globalisering van gedrag met een werfkracht over de gehele planeet.

Die werfkracht betreft ook de oplossingen die aangedragen worden voor zulke existentiele problemen als klimaat, biodiversiteit en andere dreigingen. Die oplossingen komen niet van geopolitiek machtsvertoon maar van de verbreiding van een levensstijl waarin deze vraagstukken concreet worden aangepakt en die de politiek kan helpen mogelijk maken, zoals ik elders hier geschreven heb (zie “macht versus mogelijk maken: proeftuin Europa in de plaats van geopolitiek”).

Wat Lilia Shevtsova schreef in de NRC van 3 januari 2017 vat het desastreuze van de geopolitiek goed samen: “Nu breken andere tijden aan. In plaats van de globalisering met haar vrijhandel, open grenzen en compromissen breekt een tijd aan van de door het Kremlin zo beminde geopolitiek met zijn verdediging van soevereiniteit, machtsevenwicht en steun op militair vertoon. Wat de Russische machthebbers hebben nagestreefd, wordt nu werkelijkheid. Maar snappen de Russische leiders wel wat dat voor tijdperk is? Het is een tijdperk voor roofdieren en hyena’s: sterke staten, die hun spierballen kunnen laten rollen, zullen de regels bepalen en tevens hun recht verdedigen die regels te doorbreken; voor zwakkere broeders blijft slechts de rol van hyena’s over.”

We benadrukken in ons boek de globalisering van gedrag als weermiddel tegen juist deze vraatzuchtige geopolitiek. Het is een vorm van globalisering die geen verliezers kent want ze is gebaseerd op wat iedereen gewoon voelt en onmisbaar acht. Immers, wie wil geen gezond voedsel, geen veilig water, geen tegengaan van overbodig lawaai, geen onderwijs voor allen, geen beschermde natuur, geen veilige omgeving, geen goed millieu, geen vrije keuze om te gaan met wie je wilt en geen zeggenschap over de vormgeving aan zijn/haar eigen leven die onverbiddelijk samengaat met deze genoegens?  Iedereen wil toch de materiele genoegens en de vrijheid die het gevolg zijn van wetenschap, techniek, handel en het aldus veranderd leefgevoel? Dit is geen hedonisme maar de realisatie van beloften die meekomen met inzichten in hoe de wereld in elkaar zit. Dat ging en gaat heel de wereld over. Het is de afwezigheid van angst omdat er inzicht is verworven in de natuur van zowel de materiele als de sociale wereld.  Die globalisering kent geen vijanden behalve in wie macht en privileges louter en alleen voor zichzelf willen houden. We gaan dat soort oude politiek toch geen nieuw leven inblazen?

Dat wetenschap in deze globalisering een hoofdrol heeft gespeeld en dat nog steeds doet, kun je diskwalificeren met de slogan ‘kennis is macht’ en vervolgens aan het ‘science bashen’ slaan onder de leus dat wetenschap ook maar een mening is die ons met van alles en nog wat opscheept waar we niet om gevraagd hebben en ons laat zitten met collateral damage aan millieu en levensvormen van mens en dier. Maar wie dat denkt vergeet wat hij nooit meer kwijt wil en wat zonder wetenschap nooit zou zijn ontstaan: een wereld waarin het goed is om te leven en waarvan de landen bovenaan de geluksladder, waaronder Nederland, de verwerkelijking zijn. Mannen, vrouwen, kinderen en dieren zijn daar veiliger en verzorgder dan waar ook.
De globalisering van gedrag is verre van abstract. Het gaat over gedragsvormen die overal een parallelle wereld scheppen die de oude zal vervangen. Jongeren, vrouwen, minderheden willen allen leven in zo’n wereld. Zeker onder hen zijn er nog velen die het bij het oude willen houden omdat ze bang zijn macht en controle te verliezen. We hebben dat in onze boeken geidentificeerd als een voornamelijk mannen-probleem, het meest serieuze vraagstuk van dit moment. Op veel plekken op deze aarde slaan mannen wild om zich heen, maar op den duur te vergeefs want deze globalisering zet onverminderd door. Waarom, omdat ze mede wordt gedragen door 50% van de wereldbevolking, vrouwen.
Deze globalisering mag wat mij betreft in de plaats komen van de abstracte verlichtingsidealen die veel te ver van de mensen afstaan en blijkbaar veel te weinig ijver genereren om ze te realiseren. Ze zijn zo abstract dat ze gemakkelijk kunnen worden afgedaan als elitair. Kosmopolitisme, vrijheid van meningsuiting, democratie, het zijn onvervangbare ‘waarden’ maar waarden bepalen geen gedrag. Ze worden uit wenselijk gedrag afgeleid. Als dat gebeurt door een conservatieve bovenlaag heb je een probleem. Conserveren gaat veranderen immers tegen en bewaart vaak de status quo ten gunste van een geprivilegieerde groep. Bovendien  worden deze abstracte verlichtingswaarden (zoals ik elders uitleg zijn ze voortgekomen uit de gematigde en niet de radicale verlichting) vaak geschonden. Waar heerst echte democratie, echte vrijheid, echt recht doen aan de rechten en plichten van iedereen? Vandaag de dag hebben we de middelen om heel concreet wenselijke zaken af te leiden uit de menselijke ervaring zelf en dat op een manier die iedereen voor de volle honderd procent erbij betrekt. Dat is de democratie van de toekomst. Hoe? Daarvoor hebben we de avant garde van de gedragswetenschap. Ook dat maken we concreet in Culture as Embodiment.

Maar is dit allemaal niet zoete praat? Zijn de gedragsveranderingen die bijvoorbeeld een Rutger Bregman bepleit of die vaak worden geconcretiseerd in De Correspondent, of die welke de Finse regering van zijn burgers verlangt, nu daar met het basisloon wordt geexperimenteerd – allemaal voorbeelden van gedrag met planetaire werfkracht – opgewassen tegen het vuile geopolitieke spel waarvan de beste politici slachtoffer worden? Ik denk van wel. Die gedragingen worden immers door miljarden aangeleerd en die beschikken vrijwel allemaal, ook in Afrika, ook in Rusland en ook in het Midden Oosten, over moderne vormen van communicatie. Geef ik wetenschap een te prominente rol? Misschien. We zullen zien. Maar de globalisering van gedrag gaat onverminderd door. Meestal verborgen wat het deste belangrijker maakt om de idealen van de verlichting te herschrijven in termen van deze globalisering.

Paul Voestermans

(Under construction)

Gepost door: Paul Voestermans | 24 oktober, 2019

Placebo op de korrel: er bestaan geen lichaamloze ervaringen  

 

Onderlangs luisterde ik in de trein naar “Wij zijn onbehaarde apen”, een podcast over wetenschap van de NRC. Dit keer ging het over het placebo-effect. Het placebo-effect is kort gezegd de invloed van nep-medicijnen op de genezing. Het placebo is dus dat (nep)medicijn; het placebo-effect is de ‘genezing’ (minimaal symptoomafname) die gebaseerd is op de positive verwachtingen door het geneesmiddel.

 

Maar het gaat om meer dan geneesmiddelen. In de podcast wordt het voorbeeld gegeven van proefpersonen die gevraagd worden hun hand in koud water van 0 graden te steken. Dat houd je niet lang vol; water van 0° voelt al snel heel pijnlijk aan. In de proef-opstelling staan twee bakken: één met gewoon blauwig water van 0 graden en een met geel gekleurd water, ook 0 graden. De proefleider deelt de studenten mee dat in het water met de gele kleur een pijnstiller zit. Die zit er niet in maar zo wordt de verwachting gewekt. Wat blijkt? De studenten die de hand in het gele water hebben gestoken houden het langer vol. Dat kan alleen maar verklaard worden door de positieve verwachting die het toegevoegde medicijn – wat er niet inzit – heeft gewekt.

 

In Leiden is onder leiding van Andrea Evers een grootscheeps onderzoeksprogramma opgezet naar placebo en het placebo-effect. In dit programma wordt onderzocht wat de effecten zijn van nep-medicijnen op het genezingsproces. Maar tegelijkertijd wordt dit onderzoek verbreed naar naar het belang van de arts-patiënt relatie. Die blijkt ook van grote invloed op het genezingsproces. Er is immers ook een nocebo-effect. Dat is het effect op genezing van negatieve informatie over de behandeling. Een voorbeeld van direct aan een medicijn gekoppeld nocebo is de bijsluiter met informatie over vervelende bijwerkingen. Maar er is meer: ook de negatieve bejegening van de patiënt door de behandelende arts valt eronder. Bij nocebo-effecten gaat het dus niet over verkeerde medicijnen die niet echt verkeerd zijn maar nep, maar over woorden van ontmoediging door de behandelaar, negatieve informatie over bijwerkingen en genezingskansen, onheuse bejegening en meer van dat soort negatieve interacties.

 

De interactie tussen arts en patiënt laat nogal eens te wensen over, blijkt uit Leids onderzoek. Als mensen juist positief worden bejegend helpt dat bij de genezing. Placebo-onderzoek omvat dus meer dan het toedienen van nep-geneesmiddelen. Dat sommige geneesmiddelen net zo goed vervangen kunnen worden door nep-geneesmiddelen met het zelfde effect als echte is natuurlijk het onderzoeken waard. Ik herinner mij dat Andrea Evers die dit onderzoekprogramma leidt in ScienceCafé Nijemegen erop wees dat zo misschien wel geld bespaard kan worden. Dat de Universiteit Leiden een heel programma rond placebo heeft opgezet is uiterst belangrijk.

 

Maar er is wel iets interessants aan de hand. Onder de vlag van placebo verplaatst zich belangrijk psychologisch onderzoek naar bètafaculteiten. Immers, wat wordt in deze medische context tot op de werking in het brein onderzocht aan zowel geneesmiddelen die hun werking halen uit de verwachting van de patiënt als aan de algemene interactie tussen arts en patiënt? Is dat niet gewoon gedrag dat altijd gebaseerd is op wat we geloven, verwachten, ervaren en meemaken? Is daar niet altijd het lichaam bij betrokken en de hersenen? Er bestaan toch geen lichaamloze ervaringen? En waarom die speciale aandacht voor hersenprocessen? Die spelen toch altijd een rol? Hoe kan anders interactie ontstaan? Zonder een fuctionerend brein gaat het niet. En alles wat tussen de oren zit, zit in het hoofd, maar er speelt ook van alles tussen mensen. Maar ook daarbij speelt de electrochemie van het lichaam – bij interactie dus lichaam en brein in meervoud, dat wel – een cruciale rol.

 

Placebo suggereert iets vreemds, iets mysterieus, iets wat eigenlijk niet kan: de werking van iets zonder werkzame stof. Maar is het niet zo dat onder mensen vrijwel alles gebeurt op basis van iets dat werkt zonder dat we de werkzame stof ook maar bij benadering in het vizier hebben? Gebeurt het niet ontzettend vaak dat bij menselijke interactie nocebo en placebo effecten optreden? Ik geef een voorbeeld van het eerste. Op een feestje vindt een geanimeerd gesprek plaats tussen onder anderen een socioloog die heel zijn werkzame leven heeft moeten horen dat hij met zijn vak studenten leert “beter de krant te lezen” en een medicus die hoogst gerespecteerd onderzoek doet aan bepaalde vormen van kanker en bekend staat om de vele successen. Ineens haalt de socioloog uit na een opmerking die de medicus maakt bij een van de beweringen van de socioloog: “kom, niet dat belerende toontje”. Het valt zo uit zijn mond. Blijkbaar hoort hij in een bepaalde opmerking die eeuwige kleinering die hij al zo vaak heeft moeten ondergaan en waarvan de medicus nauwelijks last heeft. De interactie is verstoord, de sfeer is weg.

Het type sensitiviteit van de socioloog uit het voorbeeld is overigens tot in groot detail uitgezocht door Mick Matthys in zijn proefschift uit 2010 Doorzetters. Een onderzoek naar de betekenis van arbeidersafkomst voor de levensloop en loopbaan van universitair afgestudeerden. Het blijkt een moeilijk beheersbare gevoeligheid te zijn. Deze is habitueel ingesleten door afkomst en verdere ervaringen en levert een lichaam op dat verschilt van wie die ervaring niet op deze wijze kent. De Franse socioloog Pierre Bourdieu heeft de habitus, de hexis of ‘vasthechting’ van klasse aan het lichaam tot de ‘reproducerende instantie’ van klasseverhoudingen gemaakt. In Culture as Embodiment besteden we een heel hoofdstuk aan wat we daar het ‘klasselichaam’ noemen (hoofdstuk 5).

Wat hier aan te onderzoeken valt hoort thuis in de psychologie, de wetenschap van de menselijke interactie, of het gedrag, kort gezegd. Kern van dat soort onderzoek is het samenspel van het electrochemische en het expressieve lichaam. De electrochemie veroorzaakt  – zoals Candace Pert het ooit formuleerde – een “symphony in the head” op basis van een hele reeks stoffen. Ze deed haar onderzoek in dezelfde tijd toen in het Schotse Aberdeen endorfine werden geisoleerd. Dat onderzoek is prachtig beschreven door Jeff Goldberg in zijn boek Anatomy of a scientific discovery. Het was het begin van een hele reeks onderzoekingen aan de hersenen in o. a. medische laboratoria.

Maar dat was ook het begin van een onzalige verschuiving van gedragsonderzoek naar hersenonderzoek. Immers, die stofjes waren ineens veel belangrijker dan de interactie die al dit soort reacties van stofjes in gang zet. Dat betekende dus dat de hexis, de expressief-lichamelijke vormgeving vrijwel uit het zicht verdween.

Dat gebeurde ook met het onderzoek aan placebo. Onder placebo werd een hele reeks gedragseffecten geschaard zonder daarbij dieper op de vormgeving aan gedrag en de sociale afstemming ervan in te gaan. Culture as Embodiment is onder meer een poging het tij te keren.

Nog even terug naar het voorbeeld: wat hier gebeurt is de vliegensvlugge, geheel geautomatiseerde vertaling langs electrochemische weg in het lichaam van de socioloog van de door hem waargenomen stilering van het gedrag van de medicus. De medicus heeft immers ook een ‘klasselichaam’. De voortdurende ervaring van de socioloog zich te moeten verdedigen en het telkens weer vanuit dat soort ervaring lik op stuk te geven is geautomatiseerd geraakt. Er is sprake van een extreme sensitiviteit rond status. De medicus is zich van geen kwaad bewust want zijn stijl is ook geautomatiseerd geraakt door een tamelijk probleemloze ervaring van het tegendeel: hij heeft zijn statuur zelden hoeven verdedigen en slaat dus heel snel dat belerende toontje van despreekkamer aan.

Hebben hier een nocebo en het nocebo-effect hun werk gedaan? Wat is hier de werkzame stof? Zoveel is zeker: alles wat hier ervaren werd, werd ervaren door concrete lichamen. Er hangen hier geen tekstbalonnetjes boven deze mensen uit het voorbeeld die hen instrueren. Het is klip en klaar, hier heb je een nocebo-effect.

 

Placebo-effecten zijn er ook legio in de gewone menselijke interactie: alles wat we geloven dat een ander voor ons doet om ons prettig te laten vinden heeft dat effect op basis van stofjes waarvan we de werking net zo min kennen als bij nep-medicijnen.

 

Het is opvallend dat het onderzoek naar welke lichaamsgebonden processen verantwoordelijk zijn voor nocebo-effecten van (1) de interactiestijl, (2) de in de persoonlijke leergeschiedenis aangebrachte verwachtingen en (3) het feitelijk gespreksverloop is verplaatst van de psychologische laboratoria aan de universiteiten naar medische faculteiten. Daar is niks mis mee, want zo kan er meer geld gaan naar gedragsonderzoek.

 

Placebo’s en placebo-effecten, zeker als die effecten worden verbreed naar de arts-patiënt interactie horen per traditie thuis bij de algemene bestudering van menselijke interactie in de gedragswetenschap. Maar daar is kennelijk geen ruimte voor aan de studierichtingen psychologie aan de universiteiten.

Het risico van de onderbrenging van het onderzoek naar interactie bij placebo en nocebo is – zoals gezegd – dat de inzichten opgedaan door bijv. Matthys en Bourdieu veel te weinig aandacht krijgen. Geautomatiseerde skill en stijlverschillen vormen de bron van veel conflicten, of het nu gaat over de “deplorables” die Hillary Clinton zo achteloos wegzette of de discussie over witte bevoorrechting, racisme, of plattelanders versus stedelingen.

De muziek van Bach zit niet alleen in hoeveel Hertz en de grondtonen, het hout en het koper, de snaren en de klankkast. Dat ook, zo leert ons de uitvoering met prachtige oude instrumenten. De schoonheid zit vooral in de lichaamsgebonden skill en stijl van de uitvoerders. Zonder lichaam geen ervaring.

De vraag is evenwel of de verbreding van het placebo/nocebo-onderzoek naar de algehele interactie op die manier toch niet verengd raakt tot hersenonderzoek. Zoveel is zeker: nep-pillen en slecht gevoerde gesprekken, echte pillen en goede medische begeleiding demonstreren dat er geen lichaamloze ervaringen bestaan.

(onder constructie)

Gepost door: Paul Voestermans | 21 oktober, 2019

Waar komt gedragsverandering vandaan?

Een al wat oudere post die actueel is in verband met de mondkapjesdiscussie in corona-tijd.

Als gedragsverandering ergens op gestoeld is dan is het niet zozeer op de bereidheid van de enkeling, maar op de beïnvloeding door de intrinsiek sociale groep, de groep of groepen waarvan je door jezelf erkend lid bent.

In Culture as Embodiment (CaE) schreven we over het vierspan dat zorgt voor de wervende invloed van wat we nog maar even ‘Het Westen’ zullen blijven noemen: wetenschap, techniek, handel en de daarmee gepaard gaande verandering in de levensstijl van mensen.

In de loop van de geschiedenis is gedragsveranderingen vooral gekomen van de voortdurende invloed van wetenschap, techniek, grensoverschrijdende handel. Deze zijn de bron van de werfkracht van de levensstijl die vorm krijgt in de intrinsiek sociale groep.

Daarmee verklaar ik het Westen niet superieur, maar vast staat dat het Westen al vanaf de tijd van Spinoza een proeftuin is geweest voor een levensstijl die de hele wereld over is gegaan en in toenemende mate zelfs tot in China en in de moslimlanden van het Midden-Oosten en Noord-Afrika een manier van leven afficheert die vooral jongeren aanspreekt. Dit is het effect van wat wij in CaE ‘de globalisering van gedrag’ hebben genoemd en op veel plaatsen in dit weblog ter sprake komt (zoekwoord globalisering van gedrag).

Proeftuin Europa – daar heb ik het regelmatig over op deze pagina’s – kun je zien als een wereldwijde en tot in alle uithoeken wervende oproep tot gedragsverandering.

De algemene educatie die onder invloed van wetenschap, techniek en handel binnen bereik van miljoenen kwam leverde op den duur een streven op naar onder meer burgerschap, zeggenschap over de inrichting van het eigen bestaan en de vraag naar inclusieve in plaats van extractieve instituties (zie hiervoor op dit weblog: We need strong insitutions).

Als in die context gedragsverandering wordt nagestreefd, kunnen veel problemen opgelost worden. Het is zoals Louise Fresco zegt: “Het is niet zo dat de problemen onoplosbaar zijn. Met een combinatie van techniek, gedragsverandering en regelgeving zijn vele dat wel”.

Maar hoe gaat gedragsverandering in zijn werk?

Als gedragsverandering ergens op gestoeld is dan is het niet zozeer op de bereidheid van de enkeling, maar op de kracht van de groep; van wat bijv. op school in peergroups wordt aangeleerd, of in het gezin, of op het werk. Het gaat om groepen waarvan de leden elkaar proberen te overtuigen hoe de werkelijke stand van zaken bij een gegeven probleem of issue in elkaar steekt. Maar er schuilt meteen ook een addertje onder het gras, want ook onjuiste beoordelingen van de stand van zaken worden opgedaan in de groep waartoe iemand behoort. Dat is het lastige en daar is alleen goed onderwijs tegen opgewassen. Vast staat dat het indivudu in zijn uppie zonder de groep geen hechte overtuigingen heeft.

Het is een misvatting om te denken zoals onlangs in NU.nl (zelf even zoeken onder de rubriek wetenschap; NU heeft niet gezorgd voor een link, helaas) werd betoogd, dat het aan ons brein ligt dat we niet door feiten worden overtuigd. Het ligt aan de groep waarin we ons gelijk steeds bevestigd zien en waartegen maar een wapen mogelijk is: deelname aan een andere groep die weet te overtuigen met argumenten. Onderwijs zorgt voor de openheid daarvoor.

Gedragsverandering is een kwestie van wat we in CaE de sociale ijking van gedrag in de groep hebben genoemd. Dat is gemakkelijk in te zien als we het voorbeeld van de ontmoediging van het roken erbij halen: de rokersmaffia werd niet bestreden door de individuele roker aan het ontwennen te krijgen – natuurlijk kan dat ook maar dat is erg omslachtig. Het gaat evenwel veel sneller als er in de gemeenschap van de eigen groep weerzin tegen rookgedrag georganiseerd raakt. Wat helpt is goede voorlichting over de schadelijke gevolgen die gedragen wordt door de groep. De groep van het gezin, maar ook de vriendengroep en collega’s op het werk. Group think, de sociale druk die je tot meeloper maakt kun je alleen bestrijden vanuit deelname aan een andere intrinsiek sociale groep – de primaire leefgroep, de vriendengroep de groep van ideologische verwanten etc. – waarin deze druk wordt bestreden, want zonder de groep in dienst van het individu wordt je geen zelfstandige eigengereide denker. (Elk goed team is zo’n groep in dienst van het individu, d.w.z. een groep waarin elk individu tot zijn recht komt.)

En wat natuurlijk ook helpt zijn de institutionele voorzieningen: de waslijst aan instellingen die het roken in een kwaad daglicht stellen. Hetzelfde gebeurt als de inname van alcohol in de groep negatief gelabeld raakt en wordt ontmoedigd doordat er alternatieven worden aangeboden.

Punt is dat verandering niet aan het geïsoleerde individu wordt overgelaten maar bezien wordt in de context van te vestigen groepspraktijken. Psychologen die het sociale aan sociologen overlaten, voornamelijk experimenten verzinnen waarin fenomenen slechts worden gedemonstreerd in plaats van ze te verklaren en blijven schermen met het brein dat van alles ‘doet’ verdienen geen plaats in de media.

Kortom, bijvoorbeeld het verzet tegen vaccinatie, waar het RIVM mee te maken kreeg in de pogingen een tijdje terug om vaccinatie aanvaarbaar te krijgen, maar ook de mondkapjesdiscussie in deze coronatijd, krijgen beide vorm in de intrinsiek sociale groep. Die zorgt ervoor dat individuen verharden of omgaan.

Daar vindt gedragsverandering plaats.

Older Posts »

Categorieën