Gepost door: Voestermans and Verheggen | 3 juni, 2018

Hoe divers zijn we nu helemaal?

Een verwarrend woord, dat ‘diversiteit’. Meestal bedoelen we er ‘andere culturen’ mee, die ieder hun eigen rariteitenkabinet der uitheemse gedragingen met zich meebrengen. Meisjes worden bijvoorbeeld heel jong uitgehuwelijkt door hun ouders, mannen hebben absolute zeggenschap over vrouwen, eerwraak moet de familie voor schande behoeden en jongens zijn over het algemeen aan andere standaarden onderworpen dan meisjes.

Het begint intussen een term te worden die mensen in de gordijnen jaagt. Toen Tom-Jan Meeus het in zijn hoofd haalde de term ‘identiteitsjournalistiek’ te munten omdat hij zich afvroeg of je werkelijk beter schrijft over waar je van kinds af aan vertrouwd mee bent geweest, was de wereld te klein.

Nadia Ezzeroili antwoordde daarop: journalisten met een niet-witte achtergrond “willen niet de hele verantwoordelijkheid dragen voor meer diversiteit op de redactie en in de krant, maar het schrijven of meedenken over multiculturele onderwerpen heeft geen afbreuk gedaan aan hun ontwikkeling als journalist. Want ze blijven mét nieuwsgierigheid schrijven, alleen zonder de exotische ‘verwondering’ en zonder de veronderstelde ‘eigen kring’ en het ‘eigenbelang’ als uitgangspunt. Voor alle journalisten geldt dat je kennis en achtergrond in je voor- of nadeel kunnen werken. Dat verschilt per individu en context en niet per huidskleur, sekse of etnische afkomst”.

Kortom, hoewel van een andere dan witte achtergrond, de niet-witten in de journalistiek in dit geval zijn gewoon goede journalisten en doen doorgaans hetzelfde als de rest. En dat is ook zo! Ze vertrekken alleen niet vanuit het standpunt van de witte meerderheid.

Daar komt diversiteit op neer. Maar waar komt dat niet vetrekken vanuit de witte meerderheid op neer? Aanvaarding van eerwraak? Beter begrip ervoor? Beter inzicht in de mannelijke dominantie over vrouwen en snappen dat gehoofddoekte vrouwen vooral een waarschuwing zijn aan mannen om zich seksueel in te tomen? Het zal toch niet? Denkt de andere cultuurdrager nu werkelijk dat hij of zij meer begrijpt van het geautomatiseerde groepsgedrag? Ja, als de niet-witte journalist zich aan dat gedrag ontworsteld heeft, maar dat betekent: weg diversiteit. Ja toch? Dan is hij of zij toch gewoon iemand die evenals de witten kritisch kijkt naar dat rariteitenkabinet?

De diversiteit waar heel de recente discussie over gaat is niets anders dan foutief ‘cultuurdenken’. ‘Cultuur’ als cultureel-antropolgische variabele in een theorie die zegt dat cultuur het gedrag van mensen bepaalt of daarbij een cruciale rol speelt, bestaat eenvoudigweg niet. Het is een negentiende-eeuw wangedrocht. Het kwam mee met de witte overheersing en was in feite een soort geseculariseerde verlossingleer: als je onze waarden overneemt, wordt je een beschaaf en dus beter mens. Zoals de Christenen vroeger zeiden: als je je bekeert, word je verlost en beter.

We hebben afdoende, dachten wij beargumenteerd in Culture as Embodiment dat cultuur als verklarend begrip in een gedragsleer maar beter overboord gezet kan worden. In de plaats daarvan komt de intrinsiek sociale groep waarbinnen gedrag afgestemd raakt op wat in die groep op het spel staat. Zo worden geautomatiseerde, affectief geladen gedragingen aangeleerd op vitale gebieden die met leeftijd, sekse, status, etniciteit en geloof te maken hebben. Die sociale groepen zijn zeer divers, ook binnen de eigen etnische groep. Erbinnen spelen wat wij ‘culturele arresten’ hebben genoemd, gedragingen opgedaan in omstandigheden die in de nieuwe leefomgeving niet meer van toepassing zijn. Men houdt aan een ingesleten gedragspatroon vast. (Analoog aan het gebruik van de term arrest in de biologie: een ontwikkeling is gearresteerd, afgestopt, gaat niet meer verder.)

Culturele arresten zijn profijtelijk voor wie de macht hebben en hinderlijk voor de machtelozen. Wat mannen op het Anatolische platteland  leerden over zelfrespect, status, houding tegenover vrouwen, eigen privileges en het afdwingen van gezag raakt geautomatiseerd en ingeslepen. Wordt vanuit dat soort gedragpatronen aan de nieuwe Nederlandse situatie deelgenomen, dan spelen die arresten op. Op welke wijze en hoe intens verschilt van groep tot groep. Maar meestal is het zo dat waar echt van arresten sprake is mannen en vrouwen in in ongelijke posities verkeren. Wat de mannen in die groepen gemeen hebben is de inzet: houden wat je hebt, je verworvenheden uitbaten en geen macht prijsgeven. Dit is niet typisch voor wat ooit de nieuwkomers waren; het speelt ook onder de gevestigden. Arresten zijn overal (voetnoot 1). Maar je kunt ze nooit uitsmeren over hele ‘culturen’.

Exit cultuur, dus! Wat er voor in de plaats komt is de grote verscheidenheid aan groepen waarin nogal eens gedragingen tot gewoonte zijn geworden die geen pas meer geven, wat je identiteit verder ook is.

Het onderkennen van die gewoonten vraagt om wat Tom-Jan Meeus terecht opmerkte: “een verslaggever die niet zijn eigen wereld als maatstaf neemt, een verslaggever moet zijn wereld vergroten. Een verslaggever is belangstellend voor wat hij nog niet weet, hopelijk niet voor wat hij allang weet”.

Voetnoot 1 Mooie voorbeelden van een wit arrest zijn Westers superioriteitsdenken en wit privilege. Het gaat om gevoelens die zijn ontstaan in de koloniale tijd en de aanloop daartoe. Westerse mensen gingen er voetstoots vanuit dat hun wijze van leven terecht superieur werd geacht aan alle andere. Met vergat daarbij dat voor de Westerse levensstijl die zo zijn beslag kreeg de uitwisseling met de niet-westerse wereld cruciaal was. De gevoelens van superioriteit zijn volkomen geautomatiseerd en worden vaak onnadenkend geuit. Men realiseert zich niet hoe geprivilieerd men in feite is doordat geprofiteerd kon worden van met name militair overwicht. Dit soort gevoelens zijn opgedaan in de periode dat de Westerse wereld vanzelfsprekend bezit nam van de rest van de wereld. In de post-koloniale wereld geeft deze automatisch-superieure reactie geen pas meer, eenvoudigweg omdat de voormalige onderdanen intussen zijn geëmancipeerd en hun gelijkwaardige plaats opeisen.

Paul Voestermans

Advertenties
Gepost door: Voestermans and Verheggen | 23 mei, 2018

Geopolitiek als dwaling: macht versus facilitering

Het is geopolitiek, territoriumgebonden machtsstreven op wereldschaal, wat de klok slaat. De NRC in een artikel over de Europese top in Sofia van vrijdag 18 mei 2018 repte van een spoedcursus geopolitiek nu Europa zich lijnrecht tegenover de Verenigde staten, China en Rusland bevindt. De Europese politici waren gewend aan Rijnlands polderen en weten niet hoe ze zich teweer moeten te stellen tegen de agressieve AmericaFirst-retoriek. Amerika is een wispelturige vriend geworden.

Laten we niet vergeten dat de onwennige geopolitiek vooral de omgang betreft met wereldrijken waar leiders aan de macht zijn gekomen door onfrisse machinaties op de sociale media, en in sommige gevallen ook nog eens doordat minder dan de helft van de bevolking, vooral de jongeren, niet kwamen opdagen bij de verkiezingen. In ruil voor steun worden met behulp van nepnieuws de onvrede en onmacht uitgebaat van dat deel van de bevolking dat zich tekort gedaan voelt door de vooral de globalisering en het verlies van eigenheid. Het laat zich het fata morgana van de herwinning van een verloren gegane wereld voor ogen toveren.

Trump beloofde het herstel van industrieën die eigenlijk ten offer zouden moeten vallen aan creatieve destructie. Beter is ze te vervangen door nieuwe maakindustrieën, want dat levert pas echt banen op. Over de hele linie hebben machthebbers nauwelijks oog voor waar de vernieuwing vandaan komt. Die komt van netwerken die een nieuwe impuls willen geven aan de industrie, proberen te breken met de verslavingen aan medicijnen, drugs, social media en willen afrekenen met het politieke opportunisme van de liberals. Want ook de Democraten hebben gefaald. Zij hebben zich afgekeerd van de groeperingen die ten einde raad in Trump hun heil zochten.

Poetin houdt, zoals heel de Russische geschiedenis door machthebbers dat gedaan hebben, een elite in het zadel die instellingen heeft verdedigd die mensen uitzuigen. We zien ook hier dat een deel van de bevolking zich vastklampt aan herstel van oude glorie.

Voor China is veel bewondering. De effectief bestreden armoede maakte voordelen zichtbaar van een autoritaire aanpak. China herneemt de positie die het ooit had, maar nu keurig opgepimpt door de import van westerse knowhow en organisatietalent. Maar zal hier niet gaan gebeuren wat ook het Westen van koers deed veranderen door toenemende welvaart, toen botte macht het verloor van gestage lotsverbetering voor allen?

De legitimiteit en effectiviteit van deze geopolitieke spelers is dus betwistbaar. Moet Europa zich daar dan mee inlaten en meegaan in een hernieuwd geopolitiek spel? Ik zou zeggen van niet.

De Europese leiders zouden zich tegen dit oudbakken politieke denken teweer moeten stellen en in plaats daarvan weer de nadruk moeten leggen op waar Europa goed in is: faciliteren, dat is regeren door ontwikkelingsvoorwaarden te scheppen en niet door inperkende machtsuitoefening. Hierom vragen ook de veranderingsgezinde Chinezen, Russen en Amerikanen. Hierom vragen de jongeren met hun start-ups en weerzin tegen de remmende invloed van een leiderskaste die hen niet meer vertegenwoordigt. Geopolitiek is in dat licht een soort nabrander van een wereld die voorgoed voorbij is.

Europa heeft grote werfkracht gekregen te midden van geweld en imperialisme. Zijn hegemonie was allesbehalve geweldloos. Maar uit twee vernietigende oorlogen en de koude oorlog waarin machtspolitiek zich krampachtig trachtte te handhaven, werd wel de les geleerd die de hele wereld over is gegaan: maak de adoptie van een eigen levensstijl mogelijk door te werken aan instituties en voorzieningen die daarvoor nodig zijn. Europa is daardoor de proeftuin geworden van gedragsvormen die in de rest van de wereld voortvarend worden overgenomen.

In de heropleving van het geopolitieke denken dreigt deze les te worden vergeten. De kern van facilitering is voorwaarden scheppen voor voorzieningen en materiële genoegens die niemand meer kwijt wil. Zo komt de betere politiek tot stand.Niet met machtsvertoon maar met overleg over de hele breedte van de bevolking. Zaken waarover geen twist mogelijk is. Een uitputtende opsomming is onmogelijk, maar het voorstellingsvermogen is snel geprikkeld door een paar voorbeelden. Het zijn zaken die door de heropleving van machtspolitiek in de drie beschreven regiems worden bedreigd: zuivere lucht voor iedereen (zonder het gevaar van klimaatverandering), betrouwbaar voedsel en water, communicatie die waarheid maakt tot wat het behoort te zijn: een onderhandelbare afweging van wat voor iedereen geldt zonder aanzien des persoons, onderwijs dat zelfstandig denkende personen aflevert, en tenslotte de vrije keuze van met wie je verbonden wilt zijn.

Geopolitiek machtsdenken interfereert met de werfkracht hiervan. Het zoekt immers steun bij wie een bedreiging van hun eigen privileges zien in het nieuwe speelveld voor initiatieven van onderop van al diegenen die zich door nieuwe gedragsvormen voelen aangesproken. Dat bleek uit de boosheid van de ‘witte man’ bij het Brexit referendum en de verkiezing van Trump. Het verlies daarvan maakt sommigen zo boos dat ze de draaggolf worden van geopolitiek. Dat is spijtig want geopolitiek is een dwaling, zoals ik hierboven heb laten zien. Faciliterende Europese leiders kunnen hier een heel eigen geluid laten horen.

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 28 april, 2018

Het Westen uitgerangeerd?

De laatste tijd verschijnen er steeds meer beschouwingen over de benarde positie van het Westen. Daarin wordt gewag gemaakt door bijv. Kishore Mahbubani en Robert Kaplan, maar ook door de sociologe Oyèrónké Oyěwùmí van de afkalvende suprematie van de Noord-Atlantische wereld in vergelijking met juist het herstel van de verloren gegane positie van het Oosten, met name van China. Oyèrónké Oyěwùmí vindt dat het hoog tijd wordt dat het Westen de niet-westerse wereld serieus neemt. Daarbij komt ze overigens aanzetten met voorbeelden van niet-westerse gedragspatronen die in het Westen in verhevigde mate courant zijn: bijv. androgynie, vrouwelijk leiderschap etc.

In al deze beschouwingen wordt vergeten dat geopolitiek denken en denken in termen van hegemonie of suprematie de laatste stuiptrekking kan zijn van een achterblijvende groep machthebbers die niet willen inzien dat het in de politiek – even kort door de bocht samengevat – allang niet meer gaat om macht, of beschavingsoverwicht (das war einmal) maar om facilitering, om het mogelijk maken van een levensstijl die alle mensen zonder onderscheid laat delen het goede leven. Op dat punt is het Westen nog lang niet uitgerangeerd.

Het moet gezegd, het Westen heeft geen goede hand gehad van overheersen. En nog wordt overal geprobeerd het Westen te handhaven op het wereldtoneel, terwijl er duidelijk niet-westerse partners zijn die ook aan het internationale roer willen staan. Daar heeft Mahbubani gelijk in.

Kolonialisme, imperialisme en de ermee gepaard gaande onderdrukking en uitbuiting zijn zwarte bladzijden. Weinig fraai is de wijze waarop Westerse mogendheden de Rest hebben gekortwiekt bijvoorbeeld door land in Afrika voor uitgestrekte plantages voor louter eigen gewin te gebruiken – Nederlandse bedrijven beheerden meer land buiten Nederland dan erin -, de belastingheffing in voormalige koloniale gebieden waar ze nog steeds economisch duidelijk aanwezig zijn zo onrechtvaardig naar hun hand te zetten dat er weinig terugvloeit naar de landseigen mensen en door onvoldoende toe te zien op de ontwikkeling van inclusieve instituties. Ze gaven een slecht voorbeeld met het opzetten van extractieve instituties, iets dat helder wordt uiteengezet in het boek WhyNationsFail van Daron Acemoglu & James Robinson (zoek met deze schrijversnamen de bespreking ervan op deze site). Geen wonder dat het Westen geen voorbeeld is voor Oyèrónké Oyěwùmí.

Maar de nog steeds geldende verdiensten van het Westen liggen elders. De recente beschavingsgeschiedenissen van de reeds overleden historicus Christopher Bayly over de moderne wereld en van Peter Frankopan over de vele verbindingen die langs de zijderoutes liepen en lopen van o.a. fijne stoffen, edelmetaal, staal, en vele andere producten en diensten, laten overtuigend zien dat de West niet heeft kunnen worden wat het is zonder de Rest. Deze boeken demonstreren overtuigend wat precies in het Westen een wervende vorm kreeg; en dat met een kracht die tot op de dag van vandaag goed voelbaar is, waar je ook komt. Met name de jeugd – behalve als ze uit wrok zich tot het jihadisme bekeren – is niet van de Westerse verworvenheden weg te slaan.

De werfkracht zit hem niet in het hedonische consumentisme, niet in het superioriteitsdenken, niet in de hegemonische macht, niet in economie en politiek maar in de gedragspatronen die over de hele wereld worden nagevolgd. Ze zijn wervend omdat ze mensen insluiten die voorheen nauwelijk meeprofiteerden van de vrijheden die voor een kleine groep geprivilegieerden waren weggelegd. Ze zijn wervend omdat met deze patronen materiele genoegens en mensvriendelijke diensten meekomen die niemand meer kwijt wil. Wie wil er leven zonder gecontroleerd water en voedsel, zonder communicatiemiddelen die weliswaar in opspraak zijn door het pmisbruik dat verdienmodellen ervan maken, maar die onmisbaar zijn voor menselijk verkeer? Wie wil de scholing kwijt die overal naar kwaliteitsnormen afkomstig uit de Westerse wereld wordt opgezet? Wie kan zonder gezondheidszorg van hoge wetenschappelijke kwaliteit? Even een voorbeeld van wat dat concreet inhoudt: alleen in het Westen wordt serieus geprobeerd in de systeem-biologie om niet-westerse vormen van geneeskunst te beproeven om zo recht te doen aan individuele biochemie die in die traditionele vormen de boventoon voert, i.p.v. zich louter te baseren op het geneesmiddelenonderzoek met alleen statistische methoden, waar het gemiddelde de individualiteit doodt.

Maar het gaat natuurlijk niet alleen om deze voorzieningen. Ze worden overal elders gerealiseerd en China heeft er voor een deel de armoede mee kunnen besrijden, zij het langs een weg die juist in scherp contrast staat met waaraan in het Westen waarde wordt gehecht. Maar zelfs deze enlightenment values zijn niet het paradepaardje van het Westen. Mij gaat het om het uitproberen van gedragsvormen die vrouwen, mannen, kinderen, arm en rijk en wie al niet meer, zonder aanziens des persoons in zijn waarde laat. Vrij laat om zijn of haar eigen gemeenschap te kiezen en daar zich te ontwikkelen in optima forma. Het faciliteren daarvan is steeds de primaire politieke boodschap van het Westen geweest. Daar heeft het patent op. Dat is zijn alom begeerd exportproduct. Daarop is ook het vernietigend vermogen van het islamitisch jihadisme, van het Islamisme en het Chinees autoritarisme op gericht.

Waar worden vrouwen zonder meer toegelaten tot het publieke domein? In Saoedi-Arabië? In het Afrika van Oyèrónké Oyěwùmí mag het moederschap de vrouw macht geven boven alle macht, van een gelijkwaardige positie van de vrouw is nu in elk geval weinig terug te vinden in de meeste Afrikaanse landen. Zeker, het Westen heeft in het verleden veel instelligen die op Afrikaanse verhoudingen waren toegesneden kapot gemaakt, maar we leven nu in een wereld waar maar beter gekeken kan worden naar hoe ondanks alle mannelijke seksuele ontsporing de meeste vrouwen in het Noord-Atlantische gebied hun eigen keuzen kunnen maken. In het Verre- en Midden-Oosten is dat allerminst het geval. In Afrika en Latijns-Amerika ook niet. Er kan over en weer nog steeds veel geleerd worden, maar de Europese proeftuin voor gedragspatronen die de hele wereld overgaan ligt er nog bij als een park waar het goed toeven is.

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 22 april, 2018

Het lichaam van de filosofen

Daarmee wordt natuurlijk niet hun eigen lichaam bedoeld, maar hoe ze over lichaam gedacht hebben. Al is dat eerste is ook wel een beetje waar: het gaat ook om hun eigen lichaam. Immers, het concrete lichaam van de filosoof heeft menig filosoof echt dwars gezeten. Dat was bij Descartes zo, bij, Nietzsche, bij Wittgenstein, bij Weber, Scheler en vooral ook bij Foucault. En niet te vergeten bij Augustinus en het meest van allen, bij Paulus. En wat te denken van Sartre?

Wat hebben deze filosofen gemeen en wel zo dat het hun denken over lichaam in verregaande mate heeft bepaald? Je moet jarenlange ervaring hebben in de wetenschap van de psychologie om dat naar boven te kunnen halen. Ik bedoel niet als therapeut, maar als gewone onderzoeker en iemand die over bruikbare concepten nadenkt. Ik deed dat laatste vooral in de twee boeken waar deze site omheen is gebouwd.

Augustinus en Paulus hebben in hun jonge jaren de bloemetjes van een vrij seksueel leven behoorlijk buiten gezet. Maar ze zijn net als iedereen ouder geworden: “sader and wiser”. Ze stelden zichzelf op den duur de vraag: “is that all there is” en zijn toen begonnen aan het ontwerpen van een seksuele moraal waaruit eerder hun teleurstelling dan hun seksuele vreugde blijkt. Descartes heeft nooit kunnen verwerken dat hij in wellicht een onbewaakt moment zijn dochter Francine verwekte bij een Nederlandse vrouw. Hij wantrouwde passies niet voor niets. Nietzsche heeft altijd geleden onder de liefde voor Cosima Wagner. Zo’n kramp naast een tamelijk kwetsbaar lichaam zijn niet bevordelijk voor een evenwichtige kijk op het lichaam. “Ein Wort für ein Etwas am Leibe” noemde hij die Seele. Dat is een dijk van een vooroordeel tegenover geest en een overschatting van het lichaam. Dat is zo particulier dat je altijd geest nodig hebt om het lot van deze particulariteit te compenseren: is je lichaam niet zo geslaagd, dan is er altijd nog de geest of de ziel.

Wittgenstein zat te zeilen met zijn vriend David Pincent en oreerde in de boot eindeloos over filosofie in plaats van gewoon deze jongen zijn liefde te verklaren. Iedereen zal dit herkennen: je praat maar door en je praat maar door, terwijl je hoopt op een teken dat je voor altijd bij hem of haar mag blijven. Maar je bent niet zo dapper zelf zo’n teken te geven omdat je bang bent voor de deconfiture dat je je maar wat in je hoofd haalt. Ook dat levert geen positief beeld van het lichaam op, laat staan van seks. Weber is een verhaal apart. Hij was wat je een een ‘crypto-womanizer’ kunt noemen met een groot schuldgevoel rond zijn eigen lichamelijke verlangens en gelukkig een vrijgevochten welhaast feministische vrouw die zijn verlangens en daden niet echt onder vuur nam. Is dat het gunstigste klimaat om op goede ideeën over lichaam te komen? Ik weet wel zeker van niet en het tekent zijn werk over compenserende noeste arbeid en ijver, waarvan hij en zijn werken een voorbeeld zijn. De brokken sociologie van de Protestantse ethiek, ascese, charisma, broederschap en religie staan stijf van de preoccupatie met het lichaam. De biograaf Joachim Radkau heeft ze deskundig uitgebeend. Schelers lichaam speelt ook op in heel zijn filosofie. Het eigen liederlijke liefdeleven maakte hem extreem gevoelig voor de liefde als ethisch thema. Ik tip het allemaal even kort aan. Biografieën te over die een en ander kunnen staven.

Dit is geen gesnuffel naar gezinte of in iemands priveleven. Mij gaat het erom dat veel filosofen nauwelijks raad weten met lichaam en seks. Meestal verdwalen ze in een zeer abstract lichaam, vaak los van juist hun eigen ervaring. Omdat die in al zijn concreetheid gevaarlijk is? Een goede vraag; dus werk aan de winkel! Aude sapere!

In sommige gevallen zoals bij Deleuze en Guattari, postuleren ze een soort lustmachiene waarover niemand beschikt. Doordat hij of zij niet over de wenselijkheden en/of vaardigheden beschikt die ervoor zorgen dat anderen zich voldoende voelen aangetrokken of door het onbreken van de vereiste virtuositeit, worden de meeste lichamen zo akelig concreet dat Freud kon spreken van “het lichaam als lot”. Niet iedereen is aantrekkelijk genoeg voor lust in optima forma. Status en aantrekkingskracht lopen vaak door elkaar heen zodat onduidelijk is waar de ander precies op valt. Dit speelt vooral bij oudere, vaak onaantrekkelijke, invloedrijke mannen en jongere vrouwen (soms ook mannen) die achteraf hun geringe weerbaarheid betreuren. #MeToo heeft dat akelig concreet gemaakt.

Foucault is een mooie illustratie van waar abstractie toe leidt. In zijn laatste werk over seksualiteit Les aveux de la chair, De bekentenissen van het vlees, gaat hij diep in op de grondleggers van de westerse visie op seksualiteit en seks: de Grieken, de Romeinen en de Christenen.

Uit eerdere delen was al gebleken dat Foucault niets moet hebben van de zogenaamde ‘onderdrukkingshypothese’. Opvallend is juist dat er al eeuwen lang één massieve produktie heeft plaatsgehad van vertogen, verhandelingen, of hoe je dat ook noemen wilt, over ‘seks’. Proliferatie in plaats van repressie dus. Dat is begonnen met de Grieken en de Romeinen. Maar vooral onder invloed van het Christendom – dat volgens Foucault gewoon de Romeinse vormgeving uitvergroot – is er geen sprake meer van een natuurlijke aandrift maar van een door een specifieke geschiedenis van overheersing en onderwerping geproduceerde ‘seksualiteit’ waar heel de Westerse wereld onder lijdt. Hoe abstract wil je het hebben?

Foucault beschrijft het een en ander met een term uit de krijgskunde; een term die slaat op iets dat ‘inzetbaar’ is, dat wil zeggen gebruikt kan worden bij de aanval of verdediging, bij het bewerkstelligen van iets. Hij gebruikt de term dispositief, in het Engels ‘deployment’, een woord dat verwijst naar iets (meestal een leger) dat ingezet en ontplooid kan worden. Het gaat om militante en controlerende voorzieningen inzake seks.

Het bleef niet bij de Christenen. Volgens Foucault hebben ook de menswetenschappen, en dus ook de seksuologie, eerst en vooral technische gevolgen die met beheersing te maken hebben. Dat hebben de menswetenschappen met de natuurwetenschappen gemeen. Er wordt iets mee gemáákt, gecontroleerd of tot stand gebracht, of dat nu wetenschappelijk verdedigbaar is of niet. Het gaat om een bepaalde praktijk. Er zijn zaken mee gemoeid die op den duur routinematig geproduceerd worden. Er is van een zeker automatisme sprake. Het gebeurt gewoon op een bepaalde wijze. Je hebt er geen erg in. Wat op die manier automatisch en routinematig gebeurt, kan door niemand meer naar eigen willekeur worden gestuurd: denk aan de hele zwik van de LHTB identiteit. Tegen wil en dank ben je altijd ‘gewoon’ of een van deze.

Deze algemene karakterisering van de menswetenschappen is in het bijzonder van toepassing op de seksuologie, de wetenschap van de seks, de scientia sexualis. Voor je er erg in hebt, worden er op seksueel gebied dingen beleefd en gedaan vanuit het gezichtspunt van de wetenschap van de seks. Er zijn voorbeelden te over: het zich aanmeten van een seksuele identiteit, het op je nemen van een vrouwelijke of mannelijke geslachtsrol (gender), het bewaken van je seksuele oriëntatie of voorkeur conform de eisen van de groep waartoe je behoort etc. etc. Er bestaat een ontwikkelingspsychologie van de seks, die ieder van ons in zijn greep heeft. De inmiddels meer dan een eeuw oude seksuologie (ik laat de geschiedenis daarvan beginnen met het verschijnen van Richard von Krafft-Ebings standaardwerk Psychopathia sexualis, waarvan de edities uit 1892, 1893 en 1894 dikker en dikker werden) loopt over van de vertogen over seks, waarnaar de mensen zich zijn gaan gedragen. Althans als je de ‘discours’, het ‘wetenschappelijke metagepraat’ moet geloven!

Bij natuur en techniek accepteren we dat er naar aanleiding van wetenschappelijke ontdekkingen steeds nieuwe snufjes bijkomen. Op den duur kunnen mensen daar niet meer omheen. Foucault pleit ervoor dat we dat gezichtspunt onverkort handhaven voor de menswetenschappen. Klaslokalen, gevangenissen, psychiatrische inrichtingen, consultatiebureaus, maar ook psychotherapie kennen allemaal hun eigen specifieke technische ontwikkeling. Ook op seksueel gebied is dat het geval. Onder het brede label ‘seksualiteitsdispositief’ vat Foucault al die ontwikkelingen in de seksuologie samen, waarbij het niet bij woorden alleen gebleven is. Het gaat dus niet alleen maar om zoiets als ‘moraal’ of ‘leefregels’; het gaat om nieuwe vindingen. Die kunnen variëren van anti-conceptiva tot het diagnostische instrumentarium uit het DSM III (en zijn aanvullingen), waarmee variaties in seksueel gedrag en beleven tot in de kleinste familie-episodes kunnen worden uitgevlooid. De vondsten op dit gebied raken ieders gedrag. ‘Dispositieven’ zijn dus aantoonbare voorzieningen. Die hebben weliswaar hun oorsprong in kennis, maar zijn op den duur los daarvan het menselijk doen en laten gaan structureren. Ik moet toegeven, hier is Foucault ijzersterk!

Maar toch, gaat het hier nog over het lichaan van jou en mij? Of over dat van Foucault zelf van wie bekend is dat hij in San Francisco de ‘leather scene’ opzocht? Ik denk van niet.

In onze boeken Culture as Embodiment en Cultuur & Lichaam maken we onderscheid tussen Lichaam 1 (L1), het microfunctionele lichaam en Lichaam 2 (L2), het macro-operationele. L1 is het lichaam van de electrochemie, van genen, hormonen en neuronen; L2 dat van de zelfpresentatie en van de lokale praktijken die zorgen voor vaardigheden en virtuositeit of juist niet, voor stijl en vormgeving of juist voor het tegendeel: verwaarlozing en lompheid. L2 gedijt bij training en oefening, en veronderstelt inbedding in een gemeenschap waarbinnen een en ander geoefend kan worden. De klemmende vraag is: wat belemmert de goede vormgeving en de juiste vaardigheden? Gaat het gespeculeer van Foucault hierover?

Hoe kundig Foucaults tekstuitleg ook is, Augustinus wordt veel te serieus genomen. Deze kerkvader ontwierp een seksuele moraal waar hij zelf te oud voor was om er hinder van te ondervinden. In zijn jeugd had hij genot genoeg gekregen. Dat vertelt hij openhartig. Je kunt het afleiden uit zijn Belijdenissen. Dat vergeet Foucault.

In de geschiedenis en onderzoek van de seksualiteit en de seks moet het gaan om de vraag hoe door de vele filosofische en theologische speculaties lichaam en lust ondergesneeuw raakten.

Kan het komen doordat de geleerden leden aan hun eigen lichaam en lust?

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 19 maart, 2018

Weer wordt misbruik van persoonlijkheidsgegevens aan de kaak gesteld

Opnieuw is de aandacht gevestigd op misbruik van facebookgegevens. Nu in de Volkskrant van 19 maart 2018. Hier staat het artikel in de New York Times waarop de Volkskrant zich baseert. (In de blog van 10 september 2017 staan verwijzingen naar eerdere stukken over Cambridge Analytica. De directe verbinding met Steve Bannon die nu zowel in de NRC als in de Volkskrant – helaas minder makkelijk te linken – wordt onthuld was mij destijds niet bekend.)

Beïnvloeding vroeger en nu

Niet zo heel lang geleden bracht ook Tegenlicht van de VPRO een item over de beïnvloeding van het individu op een op de persoon toegesneden wijze op basis van “data-extractivisme”, de term die Evgeny Morozov voor dit slinkse data mining bedacht.

Het was een tamelijk verontrustende aflevering, waarin door experts op het gebied van big data en psychometrie het beeld werd geschetst dat vooral wij gewone consumenten zijn overgeleverd aan beïnvloeding en nudging – het met zachte hand bijgestuurd worden – door niet alleen goedwillende gedragsveranderaars maar vooral ook kwaadwillige politici. Maar hoe bruikbaar zijn de big data?

Nu is desinformatie van alle tijden. Hoe lang is het geleden dat het in de oude wereld van het begin van de vorige eeuw de afspraak was tussen kapitaal en kerk dat deze laatste het volk dom zou houden en de eerste, de werkgevers, de arbeiders arm? Dat pact hield stand door steeds maar weer leugens te verkopen, alternatieve feiten te presenteren en bij voortduring angstgevoelens te bespelen, zodanig dat de mensen zich schikten; nudging avant la lettre.

De rijken behielden hun rijkdom en de gewone mensen deden het zware werk. Die ordening veranderde onder invloed van sociale bewegingen in de laat negentiende en gedurende de eerste helft van de twintigste eeuw. We weten uit de analyse van Thomas Piketty dat de herverdeling die plaats vond tussen de twee wereldoorlogen en even daarna – de periode waarin de ongelijkheid tijdelijk werd beteugeld – het gevolg was van beleid om de schokken van zoveel oorlogsgeweld te boven te komen. In deze periode van toenemende welvaart voor de arbeidende bevolking werden de autoriteit van de kerk en van de gevestigde orde drastisch aan de kaak gesteld. Het volk ‘ontkuddelijkte’ een term die we in Cultuur & Lichaam en in Culture as Embodiment overnamen van Jan Roes, omdat die beter beschrijft wat er gebeurde. Mensen werden niet ongevoeliger voor religie of ‘ietsismen’, maar ze geloofden niet meer als onmondige schapen die zo nodig door een herder moesten worden geleid. Dat verhaal ging er na de kritiek van de jaren zestig niet meer in.

Maar de desinformatie in de periode dat kerk en staat samenwerkten om het volk dom te houden en ideologische strijd werd geleverd om de hearts and minds van de gewone man en vrouw door sociaaldemocraten en christendemocraten valt in het niet bij wat vandaag de dag aan de hand mens en machiene zijn onontwarbaar verknoopt en onze leefwereld is technologie en menselijkheid ineen. Wat er met ons allemaal gebeurt door door en met mensen die grotendeels ‘vercomputerd’ zijn weet niemand. Ook Zuckerberg niet, maar dat er van onze onachtzaamheid wordt geprofiteerd is zonneklaar.

De disussie daarover is amper begonnen De ongelijkheid is terug als nooit tevoren. Maar daarmee ook de misleiding en het scheppen van een droomwereld waarin grote groepen het zicht ontnomen wordt op wat er werkelijk is verbeterd. Ik bedoel het massale inmasseren van waandenkbeelden over hoe de wereld er voor staat. De verkiezing van Trump en ‘Brexit’ hebben laten zien  dit gebeurt met behulp van Big Data zoals die ook gebruikt worden om de consument gericht te benaderen.

Cambridge Analytica: de Big Five van het persoonlijkheidsonderzoek

Minder bekend is hoe het een en ander in zijn werk gaat. We worden dit keer geconfronteerd met een heel andere techniek die mede door grootschalig psychologisch onderzoek is geïnspireerd. Daar ging een deel van de uitzending van Tegenlicht over. Het gaat niet langer om het opsporen van profielen van potentiële kopers maar om het bestoken van heel precies uitgezochte individuen van een welbepaald persoonlijkheidstype met op maat gesneden informatie. De verwachting is dat ze zich daar ongemerkt naar voegen en zo een bepaalde politicus aan de macht brengen.

Alexander Nix, de zegsman van de firma die dit uitzoekt, ‘Cambridge Analytica’ legt het zo uit:

“Five different faces, each face corresponding to a personality profile. It is the Big Five or OCEAN Model (het bekende instrument waarmee de Big Five van het persoonlijkheidsonderzoek worden opgespoord: openness, conscientiousness, extroversion, agreeableness, neuroticism). At Cambridge we were able to form a model to predict the personality of every single adult in the United States of America. The success of Cambridge Analytica’s marketing is based on a combination of three elements: behavioral science using the OCEAN Model, Big Data analysis, and advertisement targeting (AT). ‘Ad Targeting’ is personalized advertising, aligned as accurately as possible to the personality of an individual consumer.” Via Facebook en door de invullers van de vragenlijst te belonen werd buiten medeweten van de proefpersonen met de gegevens AT gepleegd: boerenbedrog dus en illegaal.

Het lijkt inderdaad een fluitje van een cent om mensen die bijvoorbeeld niet zo open zijn, een beetje neurotisch, wat opgesloten in zichzelf en gauw op hun teentjes getrapt te confronteren met alternatieve feiten die hun woede aanwakkeren en hun angst vergroten, waardoor een politicus in beeld komt die aan de ellende waarin deze mensen verkeren een einde zal maken.

Het World Wide Web revisited

Dat vraagt om een herijking van het oordeel in Culture as Embodiment over de zegeningen van het internet.

In dat boek was ik tamelijk optimistisch over de wereld waarin moderne communicatiemiddelen ervoor zorgen dat bijvoorbeeld machthebbers snel met hun laakbare daden worden geconfronteerd. Inmiddels kijk ik er anders tegen aan. Niet dat ik niet geloof in de kritische functie van deze nieuwe vormen van communicatie. Maar ik zie nu ook de keerzijde. Ik heb me danig verkeken op het gemak waarmee mensen kritiekloos hun gevoelens en opvattingen prijs geven in het volste vertrouwen dat deze gegevens op het wereldwijde net in een soort anonieme wolk blijven hangen en uitsluitend bij de direct betrokkenen terecht komen. Dat blijkt niet zo te zijn. Wie had er bij de optimistische ontvangst van eerst het internet zelf en later van de sociale media zicht op de snelheid en de omvang, waarmee de gegevens in de kolossale geheugens kunnen worden gecombineerd en gerubriceerd, zodat er allerlei commercieel interessante, maar naar het nu blijkt, ook politiek bruikbare voorspellingen mee kunnen worden gedaan? Wie had gedacht dat machines in no time leren hoe uit deze data de meest essentiële punten te halen en die te gebruiken voor de beïnvloeding van onze keuzes? Ik herinner me nog heel goed de verwachtingen die het World Wide Web begin jaren negentig wekte. De zoekmachine Google bestond immers pas vanaf 1998. Voor die tijd kon nog kiezen uit een hele reeks zoekmachines (wie zegt de naam Mozaic – later Netscape -, Gopher of Ilse nog wat?). We waren verrukt over het aan het Amerikaanse leger ontleende netwerk aan gecomputeriseerde informatie, waar – zo dachten we toen – geen enkele regering of welke instantie ook vat op zou kunnen krijgen. Zo zag het er in het begin uit. En ook nog toen de Arabische lente begon. Maar inmiddels is er dat onbetrouwbare, op geldelijk gewin gerichte Facebook, waar computationele operaties op onze bereidwillig verstrekte gegevens politiek gewicht krijgen op een manier waarvoor nooit toestemming is gegeven. Los van alle betogen over de hybride tussen mens en machiene: wettelijk kan wel degelijk paal en perk worden gesteld aan dit verdienmodel.

De dreiging

Yuval Harari is een mooi voorbeeld van iemand bij wie de schrik voor dit ongebreidelde gebruik van data er goed in zit. In zijn boek Homo Deus kondigt hij een nieuwe godsdienst aan: het Dataïsme. Hij doelt op de bijna religieuze verering voor de alwetende Data Mining door experts op het terrein van big data. Harari voorspelt dat het ‘Dataïsme het humanisme zal vervangen, als we niet uitkijken. Ook zal de machine de mens overtreffen op tal van relevante gebieden. Harari vertelt in zijn boek het volgende relaas:

“In a Dataist society I will ask Google to choose. “Listen, Google,” I will say, “both John and Paul are courting me. I like both of them, but in a different way, and it’s so hard to make up my mind. Given everything you know, what do you advise me to do?” And Google will answer: “Well, I know you from the day you were born. I have read all your emails, recorded all your phone calls, and know your favourite films, your DNA and the entire biometric history of your heart. I have exact data about each date you went on, and I can show you second-by-second graphs of your heart rate, blood pressure and sugar levels whenever you went on a date with John or Paul. And, naturally enough, I know them as well as I know you. Based on all this information, on my superb algorithms and on decades’ worth of statistics about millions of relationships — I advise you to go with John, with an 87 per cent probability of being more satisfied with him in the long run. “Indeed, I know you so well that I even know you don’t like this answer. Paul is much more handsome than John and, because you give external appearances too much weight, you secretly wanted me to say ‘Paul’. Looks matter, of course, but not as much as you think. Your biochemical algorithms — which evolved tens of thousands of years ago in the African savannah — give external beauty a weight of 35 per cent in their overall rating of potential mates. My algorithms — which are based on the most up-to- date studies and statistics — say that looks have only a 14 per cent impact on the long-term success of romantic relationships. So, even though I took Paul’s beauty into account, I still tell you that you would be better off with John.”

Tegengeluid

Maar er zijn ook belangrijke tegengeluiden. Die kwamen niet aan bod in VPRO Tegenlicht. Immers, er is vanuit de psychologie wel het nodige af te dingen op het gepoch van Cambridge Analytica over de Big Five. Het gaat altijd nog om een selectieve groep mensen die de vragenlijst op het internet hebben ingevuld. Het is bovendien zeer de vraag of de vijf persoonlijkheidskenmerken waarop de keuze voor de te beïnvloeden groepen is gebaseerd ecologisch valide zijn. Het is lang niet zeker of we echt met werkelijk bestaande groepen mensen te maken hebben. Maar dat op die manier politieke zaken kunnen worden beïnvloed is al wel gebleken. Vaststaat evenwel dat er bij deze hele operatie misbruik is gemaakt van Facebook data.

En dan de Big Data. Samantha Joel onderzocht (klik in de gepresenteerde reeks de TedX van Samantha aan in de derde rij) of door de mensen zelf gerapporteerde eigenschappen gebruikt kunnen worden in machine learning bij het voorspellen van romantische aantrekking. Dit onderzoek zet vraagtekens bij de effectiviteit van algoritmen en Big Data zodra het gaat om affectief geladen items. Het blijkt dat dit soort data de echte match niet voorspellen. Daar is veel meer voor nodig. Misschien dat een fotootje het verschil maakt, maar zeker is dat talige beweringen onvoldoende zijn. Worden dat soort big data door algoritmen bewerkt, dan is dat onvoldoende om er conclusies met betrekking tot echt gedrag aan te verbinden. Harari is me te snel in zijn enthousiasme.

Het onderzoek van Joel c.s. is een eerste stap op het terrein van de zo verwaarloosde invloed van affectieve voorkeuren op beslissingsprocessen. Robert Zajonc maakte begin jaren tachtig al de slagzin: “preferences need no inferences” (met deze zin en de naam Zajonc zoek je het artikel zo op). In taal vervatte oordelen komen langs een heel andere weg tot stand dan affectief georganiseerde voorkeuren. En die laatste zijn nu juist van groot belang bij beslissingen inzake affectief geladen onderwerpen. Ook Daniel Kahneman wijst daarop in zijn boek Thinking Fast and Slow. Vallen clicks en gewoon wat achteloos lekker surfen en daarbij reclame tegenkomen of ‘nieuws’ nep of echt onder voorkeuren, onder de ‘preferences‘ van Zajonc? Dat staat te bezien. Ik weet niet of die clicks en het surfgedrag voldoende affectief worden aangestuurd om aan de registratie ervan verregaande conclusies te verbinden. Maar zoveel is zeker: wat we over onze smaken vertellen en woordelijk beweren geeft te weinig houvast.

Voorkeuren op basis van emoties en gevoelens zitten niet van binnen. Worden ze aangestuurd door lichaamloze hersenen? Niks daarvan. Affectieve sturing en intuïtief gedrag zijn evenals cognitief georganiseerd gedrag het gevolg van afstemmingsrelaties tussen lichamen in meervoud, het kernthema in onze twee boeken. Opvattingen, gevoelens en gedragingen ontstaan niet in wat je ietwat kort door de bocht ‘het vacuüm van het enkelvoudige individu’ kunt noemen. Ze vereisen ijking en training door experts en ondersteuning in de groep. Effectief verweer tegen misleidende sturing door emotie en gevoel is alleen mogelijk in groepen: op school, in het gezin, in verenigingen waar deskundig wordt uitgelegd hoe de beinvloeding in zijn werk gaat en wat je ertegen kunt ondernemen. Onderwijs, onderwijs en nog eens onderwijs; zo dat onderling over onze loslippigheid gesproken wordt en facebook geen zaak blijft van het geisoleerde individu voor het beeldscherm. Laat de jongens en meisjes er samen over praten. Laat het een thema zijn in het gezin, bij sport, en maak facebook onderdeel van een training in communicatie. Dat helpt. Naast natuurlijk ingrepen van de facebookmaffia zelf onder leiding van de oudere jongere Zuckerberg. Hopelijk komen er verantwoordelijker leiders aan het roer daar! En een paar concurrenten zou ook mooi zijn, maar daar heb je zelfbewuste gebruikers voor nodig.

Onderzoek naar affectieve sturing en groepsgewijze training van emotie en gevoel staat nog in de kinderschoenen, maar het kan op den duur uitwijzen dat menselijke interactie met als kernactiviteit keuze en beïnvloeding (en de daarop volgende beslissingen) niet algoritmisch georganiseerd is. Maar daarover een andere keer.

In het boek Homo Deus van Harari spelen algoritmen een hoofdrol in zijn relativering van humanisme. Maar bijv. zeggen dat emoties algoritmisch zijn gaat wel heel ver. Een algoritme is altijd intern aan het organisme of apparaat en staat gelijk aan een berekening in geprogrammeerde stappen of ingeval van deep learning door de computer zelf aangegeven procedures. Naast dat emoties en gevoelens electroCHEMISCH zijn, spelen ze TUSSEN mensen. Misschien dat een quantumalgoritme, wat in feite parallelle en onmiddellijke berekeningen mogelijk maakt, ooit het menselijk brein in rekenkracht kan evenaren. Misschien dat zo ooit achterhaald kan worden hoe menselijke interactie als ‘computationeel proces’ – als het dat al is; we weten het niet – in zijn werk gaat. Maar zover zijn we nog lang niet en dat maakt dat Big Data Mining voorlopig niet echt effectief zal blijken bij het over de hele linie beïnvloeden van mensen.

Paul Voestermans

(Met dank aan Ruud Abma voor de waardevolle suggesties.)

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 25 januari, 2018

Bevrijd integratie van het identiteitsdebat

J

In het jaarverslag van de NRC werd het identiteitsdebat uitgeroepen tot een van de belangrijkste debatten van het jaar 2017. In dit debat is identiteit nauw verweven met integratie. Juist deze verbintenis geeft ernstige problemen. Door grote nadruk op hoe of wat mensen zijn en/of graag willen zijn, dat is identiteit, segregeren ze eerder dan dat ze integreren. In identiteitspolitiek wordt het individu geheel ondergeschikt gemaakt aan de groep, terwijl echte verbinding juist betekent dat de groep in dienst staat van het individu. Dat beargumeteren we uitvoerig in Culture as Embodiment.

Ik ben oud genoeg om het politieke begin en vooral ook de wetenschappelijke gevolgen van deze onzalige verbintenis te kunnen traceren. Meer dan 40 jaar geleden was er gedurende een korte periode vanaf de jaren zeventig tot tachtig sprake van categorale zorg voor wat toen ‘gastarbeiders’ heetten. Dat was per culturele groep bijstand verlenen aan de opname van deze nieuwkomers in onze samenleving. Dat gebeurde mede door hen hun ‘cultuur’ te laten behouden. Het belang van dat behoud werd niet beargumenteerd in termen van identiteit maar van ‘cultuur’, destijds beschouwd als een waarden- en normenpatroon. Identiteit werd wel meteen sneaky cultuur binnengesmokkeld. Ik heb dat zien gebeuren en we hebben er meteen op gewezen.

Bij Cultuur- en Godsdienstpsychologie (C&G) aan de Radboud Universiteit bestudeerden we ‘minderheden’ door cultuur op de psychologische snijtafel te leggen. Dat gebeurde naast de meer gebruikelijke studie van cultuur in antropologie en sociologie. We bogen ons ook over deze politiek van behoud van de eigen cultuur. Wat opviel was dat in de slipstream van het behoud van de eigen cultuur de autoriteit in minderheidskringen – in de vorm van religieus en mannelijk gezag – ongehinderd de identiteitskaart konden uitspelen. Dat was immers het beste voor behoud van de eigen cultuur: ervoor zorgen dat eigen identiteit voorop staat.

Dit uitspelen gebeurde in de gemeenschappen zelf. Met subtiele middelen die vooral gericht waren op het behoud van – letterlijk – een eigen gezicht: kleding, uiterlijk, sekse-gesegregeerd in het publieke domein. Op beleidsniveau stuurde men intussen aan op een heel ander koers. In diverse regeringsrapporten werd de strategie van behoud van de eigen cultuur afgeraden. Integratie werd gezien als een proces dat van twee kanten moet komen: geen categorale zorg meer.

Deze belangrijke beleidswijziging was het gevolg van het feit dat de arbeiders die voor werk als gast hier naartoe waren gehaald niet terugkeerden maar juist met hun gezinnen werden herenigd. Het standpunt van behoud van de eigen cultuur werd ingeruild voor meedoen in de Nederlandse samenleving. Helaas was toen het leed al geschiedt: de eigen identiteit was in de eigen gemeenschappen al een onvervreemdbaar thema geworden. En dat is zo gebleven.

Hoe kan het zijn dat ondanks dat op beleidsniveau de strategie van behoud van de eigen cultuur werd verlaten, men vooral in de politieke kringen van de PvdA doorging met het ‘pamperen’ van de ‘allochtonen’?

In de vele rapporten nadien over integratie, toen de keuze voor behoud van de eigen cultuur beleidsmatig verlaten was, werd onvoldoende onderkend dat identiteit als thema politiek heel anders uitwerkt dan behoud van de eigen cultuur. Het identiteitsstreven is een eigen leven gaan leiden. In de politiek ging het benadrukken van de eigen identiteit gewoon door, wat er ook over integratie en cultuur werd beweerd. In migrantenkringen werd het belang van eigen identiteit niet ontmoedigd.

Voorbeelden van identitaire politiek zijn hoofddoeken bij vrouwen maar ook toestaan dat er gescheiden leefwerelden ontstaan: eigen etnische groepen, maar ook mannen en vrouwen apart. Men laat het gebeuren dat een deel van Marokkaanse jongens de straat op gaat om onder het ouderlijk gezag uit te komen. Zo denken natuurlijk niet alle Marokkaanse vaders, maar in sommige kringen hoort dat bij hoe het mannelijk gezag omgaat met de opvoeding van zonen: man worden doe je buiten het bereik van de vrouwen thuis. Op straat mogen ze zich als echte Marokkaanse jongens manifesteren. De jongens gaan dus niet de straat op vanwege huiselijke conflicten, wat vaak juist wel het geval is bij Nederlandse jongens die op straat zwerven. Mixen met de ingezeten staatjeugd kan evenwel explosief zijn en dat ze op straat een eigen machismo-achtig regime uitoefenen kan overlast geven. Dat met de Marokkaanse jongens en hun thuishaven niks mis is, blijkt wel uit het feit dat in Zweden bijvoorbeeld de moeders uitgenodigd worden om hun invloed te laten gelden. Op die manier hopen ze de jongens op het goede spoor te houden. Lastig is ook dat het hier en daar leidt tot een andere omgang met niet-Marokkaanse meisjes. Zodoende kan hun gedrag aanleiding zijn tot seksuele mores met laakbare kanten. Dat zie je ook aan het gedrag van sommigen op,straat: meisjes naroepen of voor hoer uitmaken als ze bijvoorbeeld afwijkend gekleed zijn.

Kortom, we stelden vast dat allerlei identeitsthema’s lokaal in de gemeenschap versterkt kunnen worden. Gelukkig onttrekken veel mannen en vrouwen zich hieraan. Het onderzoek op de vakgroep C&G leidde daarom tot de slotsom dat je niet zo maar een beroep kunt doen op ‘de cultuur van…’ en vul dan maar in: Turken, Marokkanen enz., om langs die weg over het hele linie het gedrag te verklaren. Juist het versterken van identiteit is altijd erg groepsgebonden. Het gaat niet aan lokale identitaire politiek die wordt aangeblazen in deze of gene conservatieve moskee te verhalen op de hele culturele groep.

Er heersen ernstige misverstanden rond het idee van cultuur als gedragsbepalend systeem. Het belangrijkste is: cultuur gebruiken als rechtvaardiging van gedrag: ‘zo doen we dat nu eenmaal hier’, (iets dat door de koplopers zo weer veranderd kan worden) tewijl het in veel gevallen gaat om patronen in gedrag die lokaal zijn opgedaan in het land van herkomst, maar nu in het land van aankomst niet meer voldoen. Wordt aan deze hardnekkige patronen vastgehouden, dan raakt de integratie ernstig bemoeilijkt. Wij noemen dergelijke patronen ‘culturele arresten’. Gedragspatronen uit een vroegere situatie worden in hun ontwikkeling gearresteerd en blijven vervolgens hun nadelige invloed uitoefenen. Besef daarbij wel dat deze arresten niet uitgesmeerd mogen worden over de hele cultuur. Daarvoor zijn er teveel uitzonderingen. Doorgaans kunnen ze tot lokale, vooral aan mannelijk (religieus) gezag gebonden praktijken worden teruggebracht. Ze zijn zeer hardnekkig, want in die praktijken is eerder het hele lichaam geïnvolveerd en niet zozeer slechts een bestand aan opvattingen dat wel even kon worden gecorrigeerd met een paar cursussen van hoe wij het hier doen.

Een ander misverstand speelt vooral in populistische bewegingen. Het gaat van een vergelijkbare gedachte uit als ‘de cultuur van…’ redenering. Alleen is nu de hogere cultuur gedragsbepalend. Maar ook dat is niet juist want er zijn teveel uitzonderingen. Cultuur met een grote C, (dat is kunst en wetenschap en andere culturele verworvenheden, en de daarbij horende waarden) is geen gedragsbepalende factor. Dat is het paard achter de wagen spannen. Hogere waarden zijn juist het gevolg van hoe een deel van de bevolking zich heeft leren gedragen en hoe daar dan op gereflecteerd is. Het is een groot misverstand dat cultuur met een grote C of Beschaving over de hele linie een bepalende factor is of zou moeten zijn in menselijk gedrag. Ook dit misverstand kan identitair worden opgeklopt. Op rechts wordt het populistisch uitgebaat door bijv. Geert Wilders en Thierry Baudet. Zij zien het Avondland te gronde gaan en mobiliseren daarvoor de rancune tegen de elite van hun aanhang die verder weinig op heeft met deze vermeende ondergang en om heel andere redenen ontevreden zijn.

 

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 18 januari, 2018

De onzinnige terugkeer naar geopolitiek

Dit is nu eens te meer van belang: geen “Occidentcentrisme”, zeker geen Eurocentrisme, geen louter nationale belangen, maar een wereld waar de rechten en plichten die het goede leven voor allen mogelijk maken op de agenda komen.

Cultuur & Psychologie blog

In ons boek Culture as Embodiment kritiseren wij de politieke analyses die zich baseren op geopolitiek en niet op de globalisering van gedrag, niet op wat mensen verwachten van de verbreiding van het wereldwijde succes van de leefstijl die zijn eerste vorm kreeg in de westerse wereld. Globalisering van gedrag is de verspreiding van gedragsvormen die samenhangen met het beschikbaar komen van onmisbare materiele genoegens, gemakken en diensten. Deze zijn het gevolg van veranderingen in levensstijl die in gang zijn gezet door wetenschap, techniek en wereldwijde vrijhandel. Ze raken iedereen en daardoor veranderen de eisen aan het leven van alledag. Dat ervaren mensen heel concreet aan den lijve. Daarmee raakt de bestaande orde op achterstand. Vanzelfsprekend wil ook dat deel van de bevolking vooruit dat tot dan toe van allerlei privileges werd uitgesloten: vrouwen, jongeren, minderheden etc. Er worden nieuwe rechten en plichten geformuleerd tot en met de manier van…

View original post 938 woorden meer

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 1 januari, 2018

‘Exit cultuur’ revisited

Het zo vaak op deze weblog bepleitte “Exit Cultuur” d.w.z. cultuur niet langer opvoeren als verklaring voor gedrag is een bloedserieuze zaak. Even kort nog, bij wijze van samenvatting: als je cultuur als gedragsverklarende variabele afschaft ben je gehouden op zoek te gaan naar wat bepaalde patronen in gedrag wél verklaart. “Cultuur van….”-redeneringen helpen daarbij niet. Er bestaat teveel gedragsvariatie binnen wat je bijvoorbeeld met “de Marokkaanse cultuur” of “de Turkse cultuur” als culturele groep bestempelt. Dat geldt ook voor het gebruik van “de cultuur van politie” om bepaalde misstanden in het corps aan te duiden. Je mist dan juist het bijzondere dat de groep als geheel plaagt.

In de Volkskrant van 30 december vertelt Tommy Wieringa de journalist Laura de Jong over een opmerkelijke ommekeer in zijn denken. Hij was ooit mordicus tegen grenzen. Ze leiden tot bekrompenheid en ze verhinderen mensen om deel te nemen aan de verworvenheden van de wereld die er zo langzaamaan tot tevredenheid van zeer velen is ontstaan. Maar zo denkt hij niet langer. Hij wil nu dat de buitengrenzen van Europa goed bewaakt worden want de toevloed wordt te groot van mensen met opvattingen, gevoelens en praktijken die duidelijk een stap terug zijn. Vergelijk ze met waar wij intussen zijn aangeland, bevrijd als we zijn van religieuze ballast rond bijvoorbeeld kledingvoorschriften, eetvoorschriften, seksueel gedrag en sekseverhoudingen en het wordt klip en klaar dat we duidelijke afspraken moeten maken over wie wel en wie niet en hoeveel. Het gaat niet van harte, zegt Wieringa maar het moet: “Vriendinnen van me kunnen niet prettig door delen van Amsterdam fietsen. Dat vind ik onaangenaam. (…) Ik ervaar verlegenheid wanneer ik met de preutsheid van de orthodoxe islam wordt geconfronteerd. Vrouwen die me niet aankijken in het contact. Ontmoetingen die ongemakkelijk verlopen omdat ik niet hetzelfde geloof heb. De Marokkaans-Nederlandse voetballertjes met wie ik na een rugbywedstrijd de kleedkamer deelde, die gekleed douchten. Daar zelf naakt tussen gaan staan is dan vreemd. Lichamelijke en geestelijke preutsheid verheft zichzelf tot norm en infecteert ook degene die er niks mee te maken heeft”.

Wie goed om zich heen kijkt ziet overal vergelijkbare reacties. De mensen die nog uit eigen ervaring weten hoe het ruim een halve eeuw geleden bij ons hier eraan toeging als seks, de man-vrouw verhouding en gezag ter sprake kwamen, of zich uit de tweede hand van de toenmalige gebruiken op de hoogte hebben gesteld, gruwen van de terugkeer van preutse praktijken, bazige mannen en achtergestelde vrouwen.

Deze achterlijkheid, want dat is het, kan niet genoeg worden gedocumenteerd. Ook de afwijzing kan niet scherp genoeg zijn. Maar er is één zaak waar we goed op moeten letten als we voor dichte buitengrenzen pleiten: wat afgewezen wordt is gedrag, dat wil zeggen bepaalde vormen ervan, en geen mensen. Het gaat om gedrag dat is aangeleerd in omstandigheden in het land van herkomst die in het land van aankomst niet meer van toepassing zijn. Desondanks denken sommigen in hun gemeenschap dat dit gedrag opnieuw moet worden verordonneerd. Waarom? Omdat het die leden van de gemeenschap goed uitkomt. Ook al zijn de omstandigheden nu radicaal anders, het is duidelijk dat er onder de nieuwkomers voormannen – ja hoofdzakelijk mannen – zijn die de verhoudingen zoals die lagen in het land dat ze hebben verlaten willen handhaven. Dit is de crux in mijn pleidooi voor exit cultuur. Er bestaat geen gedrag dat van ‘de cultuur’ kan worden afgeleid of erdoor wordt voorgeschreven. Of preciezer gezegd, het haalt weinig uit als je op een of andere ‘culturele’ oorsprong wijst. Er bestaat alleen gedrag dat lokaal wordt aangeleerd en dus ook kan worden afgeleerd. Je zou willen dat bij alle pleidooien tegen gedragingen uit het jaar nul veel radicaler op zoek gegaan wordt naar de bron ervan. Die ligt niet in de cultuur.

Betekent dit naming en shaming van concrete lokale groeperingen? In zeker opzicht ja. Maar niet meteen van mensen, maar wel van wat er wordt aangericht. Het betekent ook dat weglopen van verantwoordelijkheid wordt afgestraft. Dus naming zoals dat ook bij #MeToo het geval is. (Met shaming moet je voorzichtig zijn. Eigenrichting is gebrek aan beschaving.) Ook daar moet gedrag met naam en toenaam worden benoemd. Iedereen weet dat je daarbij zorgvuldig te werk moet gaan. Zomaar met de vinger wijzen naar wie je toch al graag een loer wilde draaien wordt niet getolereerd. Het moet gaan om seksueel gedrag waarvan de betrokken vrouw of man zeer nadelige gevolgen ondervindt. Hetzelfde geldt voor de achterlijkheid waarvan Wieringa ons staaltjes laat zien.

Neem dat gekleed douchen. Wat is er mis met de zedelijkheidsopvatting van de jongetjes? We scheiden toch overal bij het opfrissen bij sporten mannen en vrouwen? We hebben hier toch een zedelijkheidsnorm die we allemaal vanzelfsprekend vinden? Waarom mogen anderen dan niet tegen naaktheid tout court zijn? Heel eenvoudig. Op het gevoel dat er iets mis is met naaktheid kan gemakkelijk identiteitspolitiek worden geënt. Wie met de gemeenschap andere zaken voorheeft dan een gedeelde toekomst komt gepreek over het lichaam dat bedekt moet blijven waar ‘zij’ het zomaar tonen, goed uit. De jongetjes in de douche worden dan al heel gauw zover gebracht dat ze niet meer gewoon meedoen. Omdat we allemaal een lichaam hebben met verlangens waaraan vorm gegeven moet worden, is de seksuele moraal altijd een een handig middel geweest tot controle en machtsuitoefening. De conservatieve islam staat daarin niet alleen. Maar we hebben niet voor niets de laatste vijftig jaar een hele weg afgelegd van preutsheid naar vrijzinnigheid, zodat dat gepreek van moralisten geen kans meer krijgt. Het heeft vrouwen in het algemeen bevrijding gebracht, maar vooral ook die vrouwen die van het patriarchale gezag in hun culturele groep te lijden hebben.

Er zijn ook stemmen die zeggen dat het allemaal zo’n vaart niet loopt. Zo haalt Leo Lucassen in DeKanttekening van 4 december, 2017 onderzoek aan waarin optimistisch wordt gewezen op de geringe moeite die de meeste vluchtelingen uit islamitische landen zullen hebben met de kernwaarden van de Nederlandse samenleving (zie het rapport van de WRR, Geen tijd te verliezen uit 2015 en het rapport van het SCP Vluchtelingengroepen in Nederland uit 2010). Ze doen er wel 20 jaar over, staat ook in die rapporten.

Inderdaad, integratie is een proces van lange adem. Het gaat om hardnekkige patronen in gedrag. Die wijzigen zich niet op stel en sprong. Maar dit soort bevindingen over integratie in deze rapporten nemen de zorgen van dit moment niet weg. Ze geven ook geen inzicht in de bron van de hardnekkigheid. Die ligt ook in de onwil van wie de contole in de islamitische gemeenschap wil behouden, zoals dat ooit ook bij de Christelijke kerken het geval was. Dat probleem wordt in deze rapporten niet eens aangestipt, laat staan gediagnosticeerd. En dat moet wel degelijk.

Vergeet overigens niet dat veel van de door Wieringa gelaakte gedragspatronen, vooral die welke gaan over de man-vrouw verhouding en over het gedrag van jonge jongens, mede het gevolg is van botte intimidatie en het aanjagen van angst, iets dat elk groepsgedrag karakteriseert. De op straat “hé, hoer”-hissende jongens leren dit gedrag in eigen kring onder invloed van wat overal, ook onder de Nederlandse jongeren die afkomstig zijn uit kringen van wie hier al geslachtenlang wonen (zo omslachtig moet je het formuleren: ‘vaderlandse herkomst’, zeg maar) het geval kan zijn: niet willen onderdoen voor elkaar. Het heeft niets te maken met ‘cultuur’. Van de jongens van vaderlandse herkomst die zoiets doen zeg je ook niet dat het “hun cultuur” is.

Om kort te gaan: de hekel aan gescheiden zwemmen, halal, vrouwen die apart gehouden worden etc. die ook Wieringa voelt, vindt zijn oorsprong in het bij ons voor altijd verslagen gewaand moralisme. Moralisme is heel iets anders dan normativiteit. Dat laatste is gezamenlijk zonder aanziens des persoon luisteren naar wat goed is voor ons allemaal. Moralisme is dat er een bevoorrechte groepering is die anderen haar zedelijkheidnormen of haar kijk op het leven oplegt. Daar zijn we goddank vanaf. Dreigt dat terug te keren dan proberen we de buitengrenzen te sluiten.

Dus bewaakte buitengrenzen? Zeker! Maar dit hierboven ook.

Paul Voestermans

Timothy Garton Ash asks for a moratorium on discussions about Europe. It would be better if the officials in Brussels would make no far-fetched promisses anymore but count the blessings of the achievements made and give once a year a report on real advances. Otherwise people won’t believe them anymore. Indeed, it is always better to deliver more than is promised. The rest is silence.

Understandable, but wrong. Contrary to this view I would suggest to bring up the issue of Europe in all public gatherings of whatever political party and discuss with the people present what can be done to revitalize the Eupean project. All politicians who are involved in this project anyway should present it in a still more positive way. Those against should be confronted with a proper list of the advantages.

It is a pitty that the discussion about Europe has been sickened for years by misrepresenting what more Europe really entails. It doesn’t mean being against localism. It doesn’t imply a derogatory attitude towards the sentiments people invest in their dearest places of remembrance. It also doesn’t mean that the peoples that now form the nation states have no say in now-national decisions about important regional and local issues. It means real solutions to real problems.

As Arnon Grunberg once wrote in one of his Footnotes (De Volkskrant of October 1st): “a strong regional identity has no need of the nation state”. To feel connected one needs not so much a nation state nor Europe, but a region.

let’s go back to the one who has been a loud and early proponent of more Europe. What did Verhofstadt say in his Van der Leeuw lecture on October 18th 2013 in Groningen? What has he repeated ever since? He simply argues that (1) a controlled military defense, that is to say, a valid claim to ‘the monopoly on violence’, (2) a reliable financial system that guarantees no risky or downright criminal speculation and bailouts of  banks “too big to fail” at the expense of the taxpayers, (3) a workable social security system (4) a fair job market and (5) an effective environmental protection system cannot do without a strong central administration.

It implies a strong arm, a fair juridical system, and an accountable government that crosses national borders just like pollution, terrorism, bad finance and many other threats to the good life do. Is Verhofstadt against the nation state? Not at all, the more local, responsable communities at the national level, the better. The point is: how to achieve a versatile, deployable government ready to face problems that don’t stop at national borders. The only way this can be achieved is a united Europe on relevant domains.

To sum it up: Verhofstadt does not favor a superstate. All he strives at is good government in three interrelated areas: the domain of social security/welfare and the labor marked, the area of environmental protection and, the most difficult domain of all: the finical system. The problem of migration needs to be added here. It also transcends national borders. Nation States have no real solution for this problem, which also involves population policies that no nation state can solve on its own. Good government does not involve sentimental “power to the people” rhetoric, but good legislation and execution of power controlled by a well-functioning parliament that counteracts national blind spots and ill-advised short-term interests. If one thinks that present-day EU falls short in accountability, the problem should be named as such. No vague, general dismissal!

How to mobilize the citizens for that? By continuous presentation of this European ideal by local national governments, nothing more and nothing less. It requires courage and perseverance at all local governmental levels without exception by the only important community that exists already: educated people that live in the cities and have already adopted these administrative projects. All existing governments should cooperate with such citizens in as much intellectual exchange as possible and quickly so in order to attain this new central government.

Yet, what is often the answer to this rather down-to earth plea for good government? Either the enormous difference in so called “cultures” is emphasized or the indispensable nation state and sovereignty are put up-front as a means to stimulate political involvement and adequate dicision making. Why not making a case for quite the contrary: that the nation state is a hindrance? That it fans the fire of mere sentimental nationalism? That it obstructs the strivings of those who really care?

It is often argued that in fact big companies profit the most from the European Union because of cheap labor, no currency transactions and no impositions at the borders. The so-called ‘common lot’, we ordinary citizens pay the price. A better balance can be achieved by reinforcing the nation state, so is agued.

Yet, in this type argument one forgets that there are still numerous national obstacles in trade and transfer and that the labor market suffers from national shortsightedness, due to e.g.  corruption, protectionism and bad social security in countries with limited resources. More Europe can improve that. Corruption is generally the result of an ill-funcioning national elite, nothing more and nothing less. Only by means of a strong United States of Europe one can fight the conditions that create such a disfunctional national elite. Something new can be controlled much better than worn-out national potentates.

It is said that the real European agenda should incude new jobs, obeying the 3% norm, respect for labor rights, more cooperation in regulating and controlling the labor market, measures against tax avoidance, exploitation, unequal pay, protected outer borders against the uncontrolled influx of less prosperous and poorly educated young men predominantly, and a fair treatment of those who seek refuge etc. But this agenda can only be realized  with more instead of less Europe. The nation state is powerless in facing these issues. How can the outer border be protected without the USE?

One should also not forget that the nationally organized strong lobby of the banks, again in favor of deregulation after all that has happened since 2008, is still very powerful; may-be also in the corridors of the European parliament due to failing unification, by the way. This can only be counteracted by more instead of less Europe. To make the banks’ balance sheets healthy again requires more cooperation at the European level.

Some want us to believe that the present-day malaise boils down to the fact that two ‘cultures’ are left intact: on the one hand the ‘culture’ of financial solidity of the North and on the other the ‘culture’ of solidarity of the South.

Playing the culture card, however, is very dangerous, because there is no single Southern or Northern European culture. There are only behavioral patters of all sorts, requiring proper research into its workings. What is really needed is to actively involve the educated, sensible people in those southern and northern areas who are willing to confront their irresponsible elites! Every local government has its responsable elites. There is no one single ‘elite’ as the populists want to have it.

All this has nothing to do with culture! There is no such thing as “culture”. There are some groups and communities supporting individuals who prefer to interfere with the Project Europe, simply because it serves their self-interest. The idea of culture as a behavioral variable is outdated and has no scientific viability anymore, as we have argued in Culture As Embodiment. The social tuning of behavior (Wiley/Blackwell, 2013).


Moreover, in this line of argument one forgets that these so-called ‘cultures’, that is to say the incompetent elites of the nation states involved, can go on and and on with their extractive institutions (see my blog on Why Nations Fail to learn what extractive means) not because of too much, but because of too little Europe.

The real solution is of course not a Europe of two currencies in accordance with the two so-called Northern and Southern “cultures”, but one centralized administration as favored by among others, Verhofstadt.

One caveat still: avoid a technocratic administration. Citizens just don’t want to be mobilized only every four years. They have the right continually to be heard whatever their staus or position. This is the hardest nut to crack: the right mobilization of people’s feelings and expectations about Europe and a policy that fosters the sentiments needed. It requires more than nudging, so popular among psychologically rather ill-informed behavioral economists. Present-day insights in how the mind works tend toward the idea that the conscious will and acting in accordance with clear insights can run counter unconscious proceedings in the brain. All it needs is a callibration of the senses in the community of sensible people. An immense psychological task for which this science is prepared. Not in the circles of cheap, quick experimentation in order to be able to live up to the devastating publication standards of the present-day academia, but in the niches of careful behavioral science research on embodied cognition and affect.

Psychology is also the only science that can be used for devising institution with which one can combat the problem of the increasing inequality in the world. It is a natural phenomenon that belongs to nature, physical nature but also human nature as recently has been argued in Pnas.org Only political choices based on what people experience, whether the ones at the bottom or those at the top, can be of any help. Inclusive institutions need to be devised here on the basis of what we know about people’s abilities, motivations and experiences worldwide. There is only one science that has ability, motivation, and experience at the heart of its subject matter. That science needs to be fostered in a scientific climate that can only be created on the basis of the unity in the diversity of the United States of Europe. Such science can face the problems posed by the upcoming smart cities. The technology needed can only be controlled by a science that obeys international regulations. It will enable politicians to come up with a model of the smartness the community really needs.

Recently, friends of mine who work with the police, politicians and community developers claimed that in the public service domain one is more willing to listen to this kind of psychology rather than to any other science. They claim that this is becoming mainstream. For this the United States of Europe are mandatory. Once science is directed at human nature, mere cooperation is not sufficient. A common ground of shared interests that trancent national borders is needed. Science can only thrive if the fascilitating institutions are based on an international community of shared concerns.

Remember the days of Spinoza and the Radical Enlightenment that came out of his grounding work. His followers formed an international community in which science served as a source of new means for a better life, because not only fysical nature but also human nature should be studied and critically investigated. That was Spinoza’s message and present-day psychology can follow up on that. Psychologization as a way of dealing with human behavior is some sort of a new enlightenment. I have written quite extensively about this in this very weblog and in our books. It needs a full-fledged international behavioral science. Its backbone should be the United States of Europe. Only in this manner national short-sightedness can be countered.

As we documented in our book Culture as Embodiment and in this weblog, the moderate enlightenment, which eventualy came out of the Spinoza-inspired radical one, predominantly served upcoming national interest – particularly religious ones – once nation states got a hold on the general populace. We are now in the historical phase that the international orientation of the radical variant can be restored.

Paul Voestermans

 

Let me add a Post Scriptum in Dutch: Arnout Brouwers remarked in the Volkskrant of December 29th: “Maar er is nog meer goed nieuws. Er is hoop. En die hoop heeft een onverwachte naam: Europa! Het continent van Duitsland en Frankrijk en Nederland (als kampioen socialistisch nivelleren, ongeacht wie aan de macht is) – en het continent van de vrijhandel. Hier is de inkomenskloof veel en veel minder toegenomen dan in hyperkapitalistische landen als de VS. ‘Zouden alle landen het Europese voorbeeld van de afgelopen drie decennia volgen, rekenen de onderzoekers voor, dan kan het inkomen van de armste helft van de wereldbevolking in 2050 verdriedubbeld zijn, van gemiddeld 3.100 euro nu naar 9.100.”

 

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 25 november, 2017

Het is niet de cultuur van de plattelanders of de politie…..

In de Volkskrant van zaterdag 25 november werd weer eens de vraag gesteld of het niet de ‘cultuur’ van het platteland is die botst met die in de steden en zo het zwartepietendebat verhardt. Journalisten blijven met cultuur schermen zonder nu eens echt deze term op zijn merites te beoordelen. Steeds maar weer dat: “het is de cultuur van… (en vul dan maar in). Dat is ronduit onproductief en mist de identificatie van de echte boosdoeners.

Het begint zo langzaamaan vervelend te worden: steeds maar weer de bewering dat het de “cultuur van….” is – en vul dan maar in: de plattelanders, de stedelingen, de politie, de armoede, de Islam, IS, de Turken, de Marokkanen, de hebzucht bij de banken etc. – die overal en altijd ellende  veroorzaakt.

Al in de jaren negentig van de vorige eeuw namen we op de sectie cultuurpsychologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen het besluit tot ‘exit cultuur’, tot “culture, ALT–DELETE”: weg met cultuur als verklarend concept.

Hoe lang is het niet geleden dat we daarmee begonnen, met cultuur eindelijk eens psychologisch te benaderen? Ik haal het boekje erbij van Ruud Abma en Herman Kolk, Meer dan de som der delen? Negentig jaar psychologie in Nijmegen (Boekhandel Roelants, 2013). Daar staat dat al vroeg in de geschiedenis van de Nijmeegse psychologie, eigenlijk al vanaf de oprichting van een aparte leerstoel ‘Cultuurpsychologie’ in 1986, er gepleit is voor dat de wetenschap van de psychologie ‘cultuur’ tot voorwerp van onderzoek maakt en daarmee ontmaskert. Ik citeer:

“Het begrip ‘cultuur’ kun je niet gebruiken om ermee de gedragingen van mensen in heel de samenleving te omschrijven. Het gaat altijd om gedragspatronen die verbonden zijn met specifieke groepen. Mensen leren hun gedragspatronen af te stemmen op wat in de groep waarmee ze zich vereenzelvigen gebruikelijk is. Meestal zijn ze zich niet bewust van de precieze aard van de eisen in de groep. (…) Het proces waarmee je je ‘invoegt’ in de groep is normatief, maar de normen zijn onuitgesproken, onbewust. Ze kunnen verband houden met klassenverschil,  het verschil tussen man en vrouw, jong en oud, autochtoon en allochtoon, en religieus en niet-religieus.”

Het is duidelijk: cultuur verklaart niks. Dat wat mensen ‘cultuur’ noemen is iets dat juist zelf verklaard moet worden. Als op het Friese platteland de discussie over Zwarte Piet niet leeft, dan moet worden uitgezocht waarom daar niet doordringt wat in de verstedelijkte gebieden van de Randstad al vanzelfsprekend begint te worden. Dit folkloristisch gebruik is stuitend in een tijd dat de mensen met een donkere huidskleur het zat zijn niet volwaardig mee te mogen doen in alles wat het leven te bieden heeft. Ze hebben evenveel recht als wit op onbekommerd solliciteren, voor vol aangezien te worden en nimmer te hoeven bemerken dat je als je zwart bent en vrouw automatisch geassocieerd wordt met hulpje in de catering. Nog erger is het te moeten ondervinden dat wanneer je als zwarte de zaak aankaart, je meteen wordt weggezet als iemand die in de slachtofferrol kruipt en alle wit ongenoegen over je heen krijgt. Moet je dan ook nog wit zijn om protest te mogen aantekenen? Dat is wit privilege in zijnbijtendste vorm!

Het zijn maar een paar voorbeelden, maar ik kan me heel goed inleven in de ergernis van dat je, eenmaal zwart, geassocieerd blijft met ondergeschikt, onintelligent, goed voor dienstbaarheid en zeker niet geschikt voor een leidinggevende of geleerde functie. Dat is stuitend. Zwarte Piet herinnert daaraan en dat kan echt niet meer. Dat is klip en klaar en wie daar niet aan toe is, heeft niet geen last van ‘de cultuur’ van het platteland maar moet gewoon grondig getraind worden in een cursus moderne omgangsvormen. We herscholen zoveel mensen.

Exit cultuur dus. Wat betekent dat? Om te beginnen moet je eerst lokaliseren bij welke groepen bepaalde laakbare gedragingen nog sterk aanwezig zijn en onnadenkend wordt uitgevoerd. Dat is een heel belangrijke stap. ’De cultuur van….’ gaat nooit over een hele culturele groep, bijv. ‘Friezen uit de Wouden’ of ‘Marokkanen’ maar altijd over concreet identificeerbare groeperingen. Daarom alleen al is het uitspelen van de cultuurkaart van generlei nut. Vervolgens – zo stel ik me voor – kun je landgenoten die vol blijvend onbegrip zijn voor de beledigende lading van zwarte piet of donkere collega’s bij de politie blijven discrimineren apart nemen voor een grondige herscholing. Ze een ‘cultuur’ aanpraten biedt geen soulaas; je identificeert daarmee het probleem niet.

In ons boek Culture as Embodiment. The social tuning of behavior (Wiley/Blackwell, 2014) (CaE) en jaren geleden in de Nederlandse voorbereiding tot dit boek – Cultuur & Lichaam (2007) – hebben we dit beginsel van lokale gedragsorganisatie met de erbij behorende sentimenten en overtuigingen voorzien van een gereedschapskist waarmee je dat soort gedragsorganisatie of patronen in gedrag effectief kunt ontleden. Waarom leveren we die instrumenten? Om het niet langer over cultuur te laten gaan, maar over de lokale organisatie van gedrag. Die moet je zowel bij de politie als in de provincie op touw zetten. Je mag Friezen uit de Wouden gerust eventjes apart zetten maar daarbinnen moet je wel meteen op zoek gaan naar de lokale niches waarin ‘Zwarte Piet’ de sentimenten oproept die tot dat protest tegen demonstraties hebben geleid. Het gaat immers om gedrag dat groepsgenoten – in dit geval de zwarte mensen in Friesland – overduidelijk schade berokkent. Dat geldt mutatis mutandis voor de politie: exit cultuur. Misstanden moeten concreet worden aangepakt en niet worden verdoezeld door er een ‘cultuur’ onder te veronderstellen. Dat helpt niet.

Even een totaal ander voorbeeld maar wel verhelderend: niet elke Marokkaan of Turk verdedigt eerwraak. Er zijn genoeg vrouwen – en mannen – uit deze kringen die de oorsprong van dit gedrag weten te plaatsen in de patriarchale plattelandsamenlevingen en zo de mannelijke vooringenomenheid tot op het bot weten te ontleden. Ze hebben zich zelf ervan bevrijd en hebben dus andere opties gekozen om te waken over de eerbaarheid van vrouwen.

Inderdaad, je hoort niet zomaar aan vrouwen te komen, weten we sinds #MeToo eens te meer. Dat is nergens toegestaan. Soms denken mannen daar anders over. Overduidelijk hebben we het dan over lokale ontsporingen of pathologie. Er bestaat geen ‘machismocultuur’ die vrouwen vogelvrij verklaart. Het zijn altijd concrete mannen of jongens die dat doen. Nergens is het zomaar toegestaan dat je je aan vrouwen vergrijpt. Niet in Marokko en hier ook niet. Doe je dat wel dan is dat niet ‘de cultuur’ maar zijn het lokale praktijken, bijvoorbeeld bij gangs, of onder opgeschoten jongens die aan groepsverkrachting doen, of onder machtige mannen in de showbizz die  vrouwen tot last zijn.

Nog een voorbeeld: er bestaat geen ‘cultuur van de hebzucht’ bij bankiers. Ook hier gaat het over lokale praktijken van bestuurders. Die hebben bijvoorbeeld de controle verloren over geld verdienen en denken te licht over risico nemen. Ze weten kennelijk niets van de risico’s die door hun nerdy personeel worden genomen. Ze zijn zich wel degelijk ervan bewust dat ze zo min of meer ongestraft de buit binnen te halen. Niks cultuur. Ze verliezen gewoon uit het oog wat de taak is van de bank is: geld zodanig beheren dat het voor de reële economie werkt en niet op een geïsoleerde manier voor de financiële markten alleen. Hoe die praktijken precies in elkaar steken moet vanzelfsprekend goed worden uitgezocht. Dan helpt het niet om bij ‘de’ banken een ‘cultuur van…..” – en vul dan maar in – te veronderstellen. Zo’n ‘cultuurtje’ is altijd iets heel concreets, groepsgebonden, affectief en cognitief gereguleerd, tot automatisme verworden, en wordt ondersteund in de groep door reëel bestaande idividuen.

Om kort te gaan: je gaat uit van de lokale groep. Die identificeer je met naam en toenaam. Dat gaat niet zomaar: geen naming and shaming. Dat mag niet. Wel kun je met hoor en wederhoor uitzoeken welke concrete aanwijzingen er zijn en om wie het gaat. Het gaat daarbij nooit om een zogenaamde aggregaatgroep, een groep kunstmatig gemaakt op basis van indicatoren zoals inkomen, opleiding, of toevallige etnische achtergrond, of geslacht etc. Het gaat altijd om wat we in onze boeken de intrinsiek sociale groep hebben genoemd, waarvan de grenzen door duidelijke regels, conventies en arrangementen zijn bepaald. Eenmaal geïdentificeerd kijk je naar praktijken die zo vanzelfsprekend zijn dat je helaas wel goed gereedschap nodig hebt om te analyseren hoe deze praktijken zich handhaven. Je let dan bij voorkeur op hoe de gevoelens worden opgewekt en in stand gehouden: primair gevoelens van hiërarchie, afhankelijkheid, maar ook van identificatie, betrokkenheid en loyaliteit.

De hardnekkigheid van steeds maar weer de verwijzing naar “de cultuur van….” wordt geïllustreerd door een citaat uit een artikel over de hardnekkig praktijk bij de politie om afwijkende gedragsvormen te stigmatiseren en belachelijk te maken. Het gaat om de bundeling van incidenten in het gele zwartboek van 92 pagina’s: “You may say I’m a dreamer…”. Daarin staan 26 verhalen van politiemensen over ongemakkelijke gevoelens in de ontmoeting met collega’s die doorsnee wit zijn. Deze zin uit de NRC van 25 november laat zien waaruit de neiging de ‘cultuurkaart’ te spelen bestaat: “Je kunt niet 26 keer volhouden dat iets een uniek, persoonlijk geval is”, zegt één van de aanbieders telefonisch – hij wil niet met zijn naam in de krant. „Daarom hebben we deze verhalen gebundeld. Dit zegt iets over de cultuur bij de politie.”

Dat is hét probleem: de term ‘cultuur’ gebruik je als je het niet persoonlijk wilt spelen. Dat is de bottleneck. Maar is dat terecht? Is er alleen het persoonlijke tegenover het culturele? Zeker niet. Het gaat om patronen in gedrag die ontstaan zijn door onderlinge afstemming. Dit zorgt voor de nodige afscherming van jou persoonlijk. In alle gevallen is de uitvoerder van het laakbare gedrag deel van een groepje mannen die support geven en er geen been in zien anderen die afwijken te kleineren en te ridiculiseren door jouw initiatief stiekem te steunen. Hier is geen sprake van ‘cultuur’. Juist door die term te gebruiken scherm je de mensen die het doen af. Je benadeelt de gehele organisatie die door het gebruik van deze term als een stam met vreemde gebruiken wordt afgeschilderd. In die zin roept het gebruik van de term dezelfde nare herinneringen op als destijds in het koloniale verleden. Toen werd de notie ‘cultuur’ gebruikt om hele volksstammen op de ranglijst te plaatsten van mensen met cultuur of beschaving en mensen zonder. Die moesten nog beschaafd of tot ‘cultuur’ gebracht worden omdat de hunne niet voldeed aan onze witte normen. Cultuurtheorie was toen een geseculariseerde verlossingsleer, zo tonen wij aan in hoofdstuk 2 van Culture as Embodiment die het Christelijke beginsel van heil verving door een geseculariseerde variant waarin alle heil van de Westerse cultuur kwam. Dat is wit privilege in een notendop.

Nu moet dit privilege weer niet worden uitgesmeerd over heel de witte bevolking. Immers veel witte mensen zijn slecht af en blijven ongeprivilegieerd vanwege allerlei hinderlijke stereotypen. Maar dat doet niets af aan de ongemakkelijke geschiedenis van witte superioriteit. Deze link verwijst naar een uitvoerig artikel over deze geschiedenis.

Older Posts »

Categorieën