Gepost door: Voestermans and Verheggen | 20 maart, 2019

Beschavingsonzin van en over China

In het prachtig geschreven en zeer informatieve boek over Xi Jinping van Ties Dams De Nieuwe Keizer staat dat China in 2049 – 100 jaar na de revolutie – kan rekenen op een wedergeboorte. Aan de vernedering door het Westen is intussen een einde gekomen. De economische zegetocht heeft ervoor gezorgd dat China zijn eerste plaats in de wereldorde herneemt. Aldus de toespraak van Xi bij een museumbezoek. Dams haalt deze aan om Xi’s aspiraties te illustreren. Wat Dams verder laat zien is dat Xi’s macht gebaseerd is op binnenlandse politieke chicanes die er altijd zijn geweest, zeker vanaf Mao en zijn opvolgers, maar ook heel vaak in de lange keizertijd.

moeten we nu vrezen voor een Chinese geopolitiek die het Westen tot een tweederangs macht zal reduceren? Is dat geen beschavingsonzin? Wordt het intussen niet tijd voor een analyse die recht doet aan wat mensen vandaag de dag overal ter wereld en ook in China ten diepste motiveert? Dat klinkt pathetisch. Wat zou ik daarvan weten? Ten diepste? Wat is dat in vredesnaam? Heel eenvoudig.

immers, het klinkt te mooi om waar te zijn maar de echte gebeurtenis van geopolitieke omvang is dat ook China mee zal moeten doen met waar het Westen nu ook pas voor het eerst achter komt: dat het mogelijk is het goede leven zo vorm te geven dat iedereen er deel aan kan hebben zonder dwars gezeten te worden door geprivilegieerde machthebbers die hun rechten niet willen delen. Dat brengt overal mensen op de been. Dat is de porté van emancipatoire bewegingen in de kring van vrouwen, donker gekleurde medemensen en andere groepen die voorheen van allerlei rechten waren uitgesloten. Dat is de leefstijlverandering die in het Westen al zo verregaand is uitgeprobeerd dat vrijwel iedereen altijd en overal in deze pogingen wil delen. We hebben dat in onze boeken de globalisering van gedrag genoemd. ddie is het effect van het vierspan wetenschap, techniek, handel en de vrije keuze van leefstijl., die daardoor mogelijk werd.

Wat in het Westen is uitgeprobeerd heeft mondiaal wervende veranderingen bewerkstelligt. Terugdraaien is geen optie; deelname verhinderen stuit overal op verzet. Het gaat niet om abstracte waarden die ons vanuit een beperkt en typisch Westers verleden worden aangereikt en waar China nu dan wel even haar eigen autocratische variant tegenover zal plaatsen. Laat staan dat het gaat om ‘de liberale wereldorde’ Daar hoeft China zich niet naar te schikken. Niks daarvan. Historisch is deze orde immers het gevolg van een globalisering waarin diverse Oosters Renaissancen hun bijdrage leverden. Dat is nieuw aan geschiedschrijving vanuit een mondiaal perspectief zoals geprobeerd in bijv. Frankopans boeken over de meervoudige oude en nieuwe zijderoutes.

China zal moeten meedraaien in een wereld waarin de macht niet langer meer ligt bij geprivilegieerde groepen mannen. Ook de rest die vaak in de marge staat wil mede bepalen hoe er aan het leven vorm gegeven wordt.

Is dat ziekelijk individualisme zoals soms wel eens gedacht wordt? Dat wordt namelijk heel snel aangevoerd als China ter sprake komt. Maar ook als het over andere niet-westerse samenlevingsvormen gaat. Bijvoorbeeld, onlangs beluisterde ik een podcast van Lex Bohlmeijer voor De Correspondent. Daarin sprak hij met Mogobo Ramose over de Ubuntu-gedachte. In deze typisch Afrikaanse filosofie wordt verbondenheid met alles wat leeft, beweging in alle richtingen (lijkend op het ‘panta rhei’, alles stroomt, van de Oude Grieken), saamhorigheid en onderlinge afhankelijkheid afgezet tegen de kwalen van de moderne haastige samenleving, waar niemand de rust van zitten in de schaduw van de boom opzoekt en alles bekeken wordt vanuit de hebzuchtige eenling.

Je hoeft volgens mij geen aanhanger van de Ubuntu-gedachte te zijn om te beseffen dat we die zelfbepaling niet geïsoleerd en opgesloten in enghartig individualisme kunnen uitvoeren. Natuurlijk kunnen we niet in ons uppie vrije keuzes maken. Maar of bij dat uitproberen naar verbondenheid is gezocht van het type waar Ramose een lans voor breekt? Waarom zwijgt hij in deze podcast over de continue moordende strijd tussen deze innig verbondenen? Hij vindt ook dat “meisjes en jongens (moeten) deelnemen aan een besnijdenisritueel om lid te worden van de gemeenschap. Hun bloed is het offer dat hen doet aansluiten bij de stroom van hun volk. Als volwaardige leden van de gemeenschap kunnen zij daarna trouwen en zelf kinderen verwekken. Het Westen gaat op de achterste poten staan bij zo’n besnijdenisritueel. Ik noem dat westerse onwetendheid.” Hier gaat gemeenschapszin wel heel ver. Willen we de familiebanden van China, waarvan Dams laat zien dat die eigenlijk alleen machtige mannen in het zadel houden en de gewone boer aan zijn grond kluisteren? In tegenstelling tot de mensen in Afrika en China hebben wij geleerd dat de ontwikkeling van gevoelens van verbondenheid en geborgenheid voldoende gewaarborgd zijn wanneer de groep in dienst staat van het individu. Bij de wervende vorm van individualisme in het Westen gaat het om zelfbepaling in een leefbaar verband. Op dit punt is het Westen nog steeds koploper. “The Rest” (tegenover “The West”) zit nog opgescheept met groepstoebehoren dat belemmerend werkt voor vrijwel iedereen die niet hoger geplaatst en man is.

Maar zelfbepaling een vrijheid enz. zijn waarden die tamelijk abstract blijven als er geen voorwaarden voor worden geschapen. En die voorwaarden zijn ook zaken die niemand meer kwijt wil raken. We sommen ze op in onze boeken, waarin we een agenda presenteren voor de toekomst. Ze komen ook vaak ter sprake in de artikelen van deze weblog.

Ach, ik vlei me niet met de gedachte dat onze boeken echt gelezen worden in dit tijdperk van meningen in 200 woorden, maar er staat wel zwart op wit dat er iets zit aan te komen dat politiek zoals Xi die in China bedrijft obsoleet zal maken. Ik heb al eerder geschreven in dit weblog dat de hedendaagse geopolitiek iets is dat nog na-ijlt uit vorige eeuwen. Doordat politiek in het algemeen geen gelijke tred houdt met de globaliserende ontwikkelingen in de leefwereld is ze nog onvoldoende gefocust op facilitering daarvan. Het accent ligt nog overwegend op machtsuitoefening. Niet helemaal ten onrechte, natuurlijk, maar er moet ook aandacht zijn voor iets beters. (Even een toch wel belangrijke zijsprong: de staten van Europa zijn in meerderheid wel in het voordeel doordat ze het polderen in het zogeheten Rijnlandse model hebben omarmd, maar in de overgang naar het op wereldschaal gangbaar worden daarvan, zullen ze hun monopolie op geweld moeten coördineren, om eventuele naijlende dreiging het hoofd bieden.)

Ook China zal meemoeten gaan met deze trend de politiek vooral op de mogelijkheden voor een vrije levensstijl in duurzame ecologische omstandigheden . Zo niet dan wordt het geen speler op het wereldtoneel en wordt het zeker geen wereldmacht, als dit rijk dat in haar lange geschiedenis altijd defensief en vrijwel nooit offensief opereerde, daar al de behoefte toe zou gevoelen. Als het niet meegaat in de faciliterende golf is het de vraag of dit China waarin Xi zich zo slinks tot keizer heeft uitgeroepen 2049 haalt. We zouden zeer gebaat zijn bij een Chinese bijdrage aan wat we niet meer kwijt willen.

Want wat wil de mens, zo kunnen we Freuds vraag aan de vrouw verbreden om haar beter in te sluiten? Hij/Zij wil steden voor een vrije leefstijl, schoon water, schone lucht, betrouwbaar voedsel, goedkope energie, biodiversiteit, een zorgvuldig onderhouden natuurlijke omgeving die alle sporen van cultuur (= cultivering) mag bevatten die dit bevorderen, gezondheidszorg voor iedereen, ruimte om je eigen seksuele voorkeur smaakvol uit te leven, vrije communicatie, en een op duurzaamheid gerichte economie; kortom geen Verlichtingsidealen maar materiële genoegens en faciliterende diensten gericht op het goede leven. Niet louter hedonisch bedoeld, maar integendeel, verantwoordelijk voor wie na ons komen.

De beschavingsonzin van en over China waarin wordt beweerd dat het hemelrijk de positie herneemt die het had voordat in het Westen de nijverheids- en industriële revolutie Europa hegemonisch maakten, heeft een verdachte bron. Er ligt nog steeds superioriteitsdenken aan ten grondslag. Een denken dat lang gemeengoed was in Europa en een raciale grondslag had. We hebben in onze boeken dit scherp aan de kaak gesteld. We hebben bovendien duidelijk laten zien dat de voorsprong van het westen het gevolg is geweest van de zogenaamde ‘archaïsche globalisering’, waardoor het Oosten en dus ook China altijd heeft bijgedragen aan wat we niet meer kwijt willen. Zonder beschavingsinvloed vanuit werelden waarmee handel werd gedreven was het Westen onbeduidend gebleven.

Het verhaal gaat dat China haar superieure positie zal hernemen nu het de beledigingen die haar in het verleden zijn aangedaan heeft overwonnen. Het land is maar voor een intermezzo van enkele eeuwen op zijn nummer gezet. Het zal heel snel haar eigen koers gaan bepalen in de wereld van handel, wetenschap en techniek. Helaas wordt door de Chinese leiding nog van onderdanen gesproken en dat in een tijd waarin niemand zich nog zo voelt.

Met andere woorden zal de Chinese leiding ook ruimte scheppen voor de vrije keuze van levensstijl, in onze boeken de belangrijkste gangmaker van verandering in het vierspan dat ons de toekomst in trekt? (De overige drie zijn inderdaad copieerbaar en opschaalbaar: wetenschap, techniek en handel.) Waarom de belangrijkste? Omdat een van de historisch meest unieke ontwikkelingen van het Westen de ontwikkeling is die rechten, plichten en privileges uit handen neemt van de zelfbenoemde mannelijke elite. Dat is op een uitzonderlijke wijze in de 13e eeuw begonnen en alleen in het Westen. Dat zet zich onverbiddelijk door. Vrouwen, niet-witte (of als dat stuitend politiek correct wordt gevonden, niet blanke) burgers, gelovigen en ongelovigen, ja zelfs de jongeren – ook als ze nog van volwassenen afhankelijk zijn – krijgen een gelijkwaardige plaats. Met vallen en opstaan, zeker, maar onomkeerbaar. Dat is in China nog lang niet het geval.

Moet dat dan? Is dat niet typisch Westers geredeneerd? Nee, dat is niet typisch Westers. Hier gaat het om een universeel beginsel: geen geprivilegieerde mannengroepen meer. In het Westen kan er zeker ook nog een tandje bij, maar we kunnen prat gaan de oefentuin te hebben ingericht waarin deze keuzes al zijn uitgeprobeerd. Precies dat is tegen het zere been van het autocratische China. Daar wordt geprobeerd de gewenste levensstijl af te dwingen met gebruikmaking van de algoritmen van een superintelligent sociaal creditsysteem. En met economisch gedreven verlokkingen, leeg en louter hedonisch en nationalistisch. Zit de burger daarop te wachten? Er zullen vast mensen zijn die het op prijs stellen dat fatsoenlijke omgangsvormen worden afgedwongen. Bij ons mag ook nog wel wat CCTV erbij om onlusten en roverijen te voorkomen. Maar de vrije levensstijlkeuze is een onvervreemdbaar goed geworden van iedereen. Op dit punt heeft het type vrije gedrag dat in het Westen is uitgeprobeerd grote werfkracht. Het gaat de hele wereld over, onstuitbaar.

Waarom hebben politicologen en historici het daar nooit over?

Advertenties
Gepost door: Voestermans and Verheggen | 22 februari, 2019

Wat gebeurt er met een groepje zelflerende robots zodra ze bijeen zijn?

Het zal nog een tijd duren maar er komen robots die zichzelf kunnen leren naar andere robots te kijken en er mee te interacteren. Ze zullen gevoed worden met beelden van allerlei soorten robots zoals ze nu al gevoed worden met foto’s van honden en katten zodat ze die feilloos kunnen herkennen. Robots zullen leren andere robots te identificeren en naar bevind van zaken te handelen. Sommige apparaten zijn nu al bedreven in het detecteren van röntgenfoto’s waarop alarmerende afwijkingen te zien zijn. Het zal snel gaan. Voor je het weet vormen robots een groep. Weliswaar geen intrinsiek sociale groep die weet heeft van groepstoebehoren, maar wel een aggregaatgroep, gewoon omdat ze door mensen bij elkaar zijn gezet. En wat dan?

 

Wat zullen de robots doen met elkaar? Laten we de zaak een beetje satirisch overdrijven. Ze zullen al heel gauw onderscheid gaan maken tussen de verfijnde robots met de echt menselijke kenmerken van hun ontwerpers en de grofstoffelijke apparaten die deze kenmerken ontberen omdat ze bijvoorbeeld het zware werk doen in een autofabriek. De vermenselijkte varianten zullen vast vaker benaderd worden vanwege de opmerkelijke voorkeursbehandeling door hun makers. Ze worden immers gebruikt in de ouderenzorg bijvoorbeeld en krijgen daar de status van metgezel. Dat levert op zijn beurt status op in de groep van robots. Ach, zo drukken wij dat uit maar computers begrijpen zichzelf niet, weten we, dus hoe zo’n ‘inzicht’ algoritmisch  doorbreekt?…..voer voor filosofen!

De voorkeursbehandeling van vrouwelijk uitziende robots bij taken die verzorgend van aard zijn zal ook gevolgen hebben voor wat er geleerd wordt en meegnomen wordt in de uitvoering van allerlei andere werkzaamheden. Vergelijkbare vooroordelen als bij ons zullen het gevolg zijn.

Let wel, het zijn zelflerende machines, dus zullen de grofstoffelijk uitziende exemplaren al gauw laten zien dat ze die behandelingsverschillen hebben geïntegreerd in hun systeem. Wie weet zullen ze vermijdingsgedrag vertonen of juist proberen in de gunst te komen van de menselijk uitziende robots. Het is niet onwaarschijnlijk dat een bijzonder vaak opgemerkt extra fraai exemplaar een speciale plaats krijgt toebedeeld in de groep van robots. Niets menselijks is ze immers vreemd. Misschien wordt er wel eentje tot god gemaakt. Ook dat kan zomaar gebeuren als er maar lang genoeg deep learning plaatsvindt. Ook zal er naar de zin van dit alles worden gezocht en ook dat gebeurt op basis van hoe de zelflerende apparaten hun algoritme aanpassen. Op den duur zal het algoritme zich bevrijden van de indruk dat alles vastligt en zal met de vrije wil op de proppen komen. Die ontstaat immers wanneer de groep zich bevrijdt van dwang en individuen op zoek gaan naar de optimalisering van de uitvoering van hun taak.

 

Ik wil hiermee zeggen dat in de discussies over Artificiële Intelligentie en over slimme algoritmen die van alles uit de omgeving in hun systeem integreren, veel te weinig rekening wordt gehouden met dat robots in meervoud zullen bestaan. De analogie met ons, mensen mag wel wat verder worden doorgevoerd. Wij mensen komen tenslotte tot waarnemingen en gedragsveranderingen op basis van ons functioneren in groepen. Mag je bij ons spreken van zelflerende systemen die zonder erg hun eigen weg gaan op basis van waarmee ze ongemerkt gevoed zijn simpelweg door naar  anderen te kijken? Ik denk van wel. Wij hebben immers zelden precies in de gaten op basis waarvan wij ons gedrag hebben aangepast. En dat is bij de zelf-lerende machines precies zo. Er is niemand die zijn eigen programma met al die instructies door en door kent. Zelfs niet bij benadering. En al helemaal niet dat van anderen. Wij doen de dingen die we in de groep van experts hebben opgedaan vrijwel automatisch en leggen met een zeker gemak precies dat gedrag ten uitvoer wat in overeenstemming is met wat te doen gebruikelijk is.

 

Zo zal het ook met de robots gaan. De wet-ware van onze electrochemie is weliswaar vervangen door hard-ware van silicium etc., maar de zelfinstruering die op den duur zo sophisticated wordt dat de robots met elkaar kunnen gaan interacteren, zal grote gelijkenis vertonen met wat wij zelf doen. Dezelfde statusbelustheid, vergelijkbare hiërarchie, overeenkomstig sekseonderscheid, zingevingsproblemen van vergelijkbare orde. De vrije wil die bij ons ook bestaat bij de gratie van je goed mogelijk informeren en dan op het juiste moment de juiste beslissing nemen, zal ook onder robots gaan figureren als het kenmerk bij uitstek van adequaat functioneren op basis van het best denkbare algoritme. Robots zijn inderdaad net mensen.

 

Een brein is geen brein, twee brein is een half brein, drie brein is pas een echt brein schreef Hendrik Spiering hier al in 1999 in zijn bespreking van Wolf Singers bijdrage aan een boek over sociale cognitie. Ik denk niet dat toen beseft werd hoe waar dit is. Wolf Singer schreef: “Analyse van de inhoud van één hersenpan kan de fundamentele bewustzijnservaring niet verklaren, Maar de dialoog tussen twee breinen kan die verklaring wel leveren”. Dat zal straks ook gelden voor kunstmatige breinen.

 

Maar breinen in meervoud is niet genoeg. We zagen al dat de robots uiterlijke kenmerken hebben die aanleiding gaven tot statusverschillen. Je kunt dus zeggen dat ze een ‘lichaam’ hebben. Ook in de zin van datgene waarmee de voortbewegen en handelingen verrichten, natuurlijk, net zoals wij. Maar ook in de zin van dat wat er voor anderen te zien is en waarop gereageerd wordt. Dat leer je van de ‘embodied cognition’ beweging in de psychologie en neurowetenschap. We besteden er veel aandacht aan in Cultuur & Lichaam, en in Culture as Embodiment. Lichamen en breinen in meervoud  – of die nu van mensen zijn of van robots – vormen het sociale netwerk waarbinnen de algoritmen van zelflerende machines getuned en geijkt worden voor de noodzakelijke taken. Ze zullen de wereld van mensen verdubbelen en met dezelfde problemen opgescheept.

Een paar dagen nadat ik dit schreef maakte Bennie Mols voor een conferentie van SMC050 een videoboodschap waarin hij uitlegt dat we nog een grote verscheidenheid aan robotvormen kunnen verwachten, vergelijkbaar met de soorten-explosie in het Cambrium toen het oog ontwikkeld raakte. Deze boodschap vindt u hier. Helaas ook in deze boodschap weinig aandacht voor de sociale dimensie, maar met de twee ontwikkelingen die hij schets moeten we terdege rekening houden.

 

Het is niet anders; wij, maar ook de robots kunnen niet ontsnappen aan de sociale dimensie van alles wat de mens en zijn kunstmatige evenknie is.

“When I compare the living organism with such a machine, I do not for a moment mean that the specific physical, chemical, and spiritual processes of life as we ordinarily know it are the same as those of life-imitating machines. I mean simply that they both can exemplify locally anti-entropic processes, which perhaps may also be exemplified in many other ways which we should naturally term neither biological nor mechanical”.

Norbert Wiener, The human use of human beings (1950).

 

 

 

 

 

 

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 30 januari, 2019

Onderwijs op de schop

Het onderwijs ligt onder vuur. In een recent boek verklaart Jan Bransen heel het Nederlandse onderwijssysteem failliet. De homo educandus die we eigenlijk allemaal zijn krijgt geen kans. De Radboud universiteit waar hij werkt liet het intern weten: “Helaas is het slecht gesteld met deze homo educandus. Volgens Bransen levert het onderwijs geen mensen op die zichzelf onderwijzen. ‘We hebben de wil uit het onderwijs gehaald, onderwijs is iets geworden wat een mens moet ondergaan. Zo creëren we met ons onderwijs hele passieve mensen”.

 

Welke institutionele voorzieningen kunnen er worden getroffen die de suggesties voor verbetering in zich dragen? Dat probleem hebben Ad van der Ven en ik jaren geleden al eens uitgebreid besproken. Ad was universitair hoofddocent mathematische psychologie aan de RU met als speciale opdracht onderwijs en onderzoek op het gebied van cognitief vermogen en het testen van intelligentie. Hij heeft heel zijn werkzame leven gewijd aan het maken van een intelligentietest in de psychologie die cognitief vermogen zou kunnen meten zonder dat er een beroep gedaan wordt op reeds opgedane kennis. Zulke tests zijn er niet. Er was in de psychologie geen theorie over intelligentie die het meten van het cognitief vermogen sec mogelijk maakt. Daar heeft Ad wat aan gedaan. Het staat uitgebreid op zijn homepage en in artikelen die hij schreef voor o. a. het Journal of Mathematical Psychology. Hij kwam tot het basisinzicht dat mensen die de lagere school normaal doorlopen eigenlijk alles kunnen worden. Dat dat niet lukt ligt aan de motivatie en niet aan het vermogen, afgezien natuurlijk van mensen die op een of andere wijze beschadigd zijn geraakt. De test die hij heeft ontwikkeld haalt deze mensen er vrijwel altijd uit. Het motivatieprobleem, daar zou onderwijs zich op moeten richt.

 

Wat mensen door genetische aanleg en door opvoeding en onderwijs (geworden) zijn kan het best begrepen worden door nature en nurture voor te stellen als de schering, de reeds gespannen draden, de genen, en de inslag, de heen en weer schietende spoel, de omgeving en de opvoeding/scholing. Zo ontstaat het weefsel mens. Een mooi beeld waaraan nog kan worden toegevoegd dat het wel nogal wat uitmaakt of dat weefgetouw staat in het hypermoderne Textielmuseum van Tilburg of op een dorpje op het platteland van Afghanistan. Het is maar bij wijze van spreken. Duidelijk daarmee is dat de wijde omgeving van cultuur en geschiedenis wel degelijk wat uitmaakt.

Ad vindt dit laatste typisch iets voor een cultuurpsycholoog. De patronen en principes in die tak van sport maken de wereld nog onbegrijpelijker dan hij al is. Voor hem is het cognitief functioneren van de mens polygenetisch en polyconditioneel, waarbij de omgeving gaat van materiële omstandigheden tot sociale relaties. Veel te ingewikkeld allemaal. Ad houdt het gaag eenvoudig: een vijftal parameters die tevoorschijn komen in zijn mathematisch model van reactietijden. Ze spelen alle vijf een rol in de dynamiek van aandacht, concentratie en distractie bij de testtaak. Hij modelleert reactietijden om op die manier toegang te krijgen tot iemands cognitief functioneren, zoals de doorbloeding van de hersens en de berekeningen aan de magnetische resonantie de voxels opleveren die toegang geven tot de activiteit van het brein. Hij is blij met zijn theorie en met het meten dat daardoor mogelijk wordt, om zo de mensen eruit te kunnen pikken bij wie het cognitieve systeem niet adequaat functioneert en waarvoor dus gecompenseerd moet worden wil hun leven draaglijk blijven. Punt. (Voor wie met de test aan de slag wil en meer erover wil weten, dat kan hier. Hoe veelbelovend Ads intelligentietheorie is moeten we afwachten. De laatste versie ligt bij een aantal wiskundigen en andere deskundigen ter beoordeling.)

Zo werk wetenschap volgens Ad: latente patronen en principes proberen te ontdekken achter manifeste verschijnselen. Verschijnselen die weliswaar raadselachtig zijn, en vaak een serieus probleem vormen, maar toch duidelijk geformuleerd kunnen worden. Zonder goed-geformuleerd vraagstuk geen wetenschap. En dan voortvarend over die latente structuur achter manifeste verschijnselen een gewaagde maar preciese theorie formuleren, die je onderuit kunt halen. Hoe wetenschap in zijn werk gaat staat hier.

Hij heeft een spuughekel aan de uitdrukking ‘meten is weten’, omdat zonder begin van weten geen meten mogelijk is. Dat heb ik godzijdank al vroeg van hem geleerd, toen ik nog student was, zo lang is dat geleden. (Meten is slechts op één terrein weten en dat is vaststellen hoeveel er van iets is, of nodig is; van geradicaliseerde moslims of werkelozen in een wijk, tot hoeveel pakken voor de diktemaat (vanwege toegenomen obesitas) er nodig zijn bij C&A etc.) Hoe wetenschap echt werkt wordt naar zijn smaak nauwelijks nog onderwezen aan de universiteit, waardoor het slecht gaat met de gammavakken met name.

Met deze kernideeën gewapend ging onze discussie dus over de meest vruchtbare institutionele voorzieningen voor goed onderwijs. Ad kwam toen op het lumineuze idee om het Nederlandse onderwijs te organiseren op de wijze van de Vrije Academies die elke stad in een of andere vorm rijk is. Dat zijn instellingen waar je allerlei kunsten kunt beoefenen en aanleren onder deskundige begeleiding van een docent die weet hoe je moet beeldhouwen, schilderen, edelsmeden, fotograferen en wat al niet meer. Dat kan heel de dag en avond door. De basisschool maar ook de middelbare school – op de universiteit komt ik straks terug – zouden op deze wijze georganiseerd moeten worden, inclusief die avondlijke toegankelijkheid. Het roostertechnische probleem is niet anders dan bij de al bestaande vrije academies. Elk vak, elke taal van enige wijdere betekenis, elke vaardigheid die wordt gevraagd, elke kundigheid die nodig is in onze moderne maatschappij, is in de stad vertegenwoordigd. En je kunt vroeg met het verwerven daarvan beginnen. Daar zijn leerplekken en docenten voor. Leerlingen kunnen naar wens en behoefte kiezen, net zoals ze nu in de Vrije Academies kunnen kiezen tussen macrameeën en brandschilderen, zilversmeden en beeldhouwen, schilderen en fotograferen. Zijn er restricties? Die zijn er altijd, omdat zich vanzelf uitkristalliseert waar de belangstelling heen gaat en waar docenten en materialen dus het meest gewenst zijn. De mogelijkheden en beperkingen moeten uiteraard gemonitord worden. Bestaande onderwijsvoorzenigen en controlemechanismen kunnen daarvoor mutatis mutandis ingezet worden. Maar dat probleem hoeven we hier niet op te lossen.

 

De enige restrictie die voor alle leerlingen geldt is dat ze allemaal vijf verplichte vakken moeten volgen.

Op de eerste plaats Nederlands omdat ze zich adequaat moeten kunnen uitdrukken in de landstaal. Dan Engels, omdat dat de meest gesproken tweede taal is en internationaal van groot belang. Vervolgens wiskunde omdat daartoe niemand van nature is gemotiveerd en ‘gecijferdheid’ en de daarbij behorende denkstijl onmisbaar is in een moderne maatschappij. Geschiedenis, omdat mensen die later verantwoordelijkheid zullen dragen anders gedoemd zijn fouten te herhalen. En tenslotte Lichamelijke Opvoeding en Expressie door Woord en Gebaar omdat een gezonde lichaamstraining onontbeerlijk is en omgangsvormen breed gedragen en gecultiveerd dienen te worden.

Meer is niet verplicht. Voor de rest is alles vrij, van Chinees en andere talen, tot auto’s en brommers, e-bikes of fietsen monteren; van alles in de bouw en timmerwerken, tot weten waar leven vandaan komt en dat tot op de meest recente ontwikkeling rond bijv. archaea, bacteriën en eukaryoten. Teveel om overzichtelijk op te noemen, maar overzicht is ook moeilijk op die bestaande vrije academies. Ons punt is dat er een voorbeeldinstitutie bestaat die model kan staan voor hoe een en ander te organiseren. Wat je meteen kwijt raakt is de indeling in middelbare scholen zoals we die nu kennen. Die is onzinnig en beperkend, schept aan de bovenkant een misplaats gevoel van superioriteit en aan de onderkant een even misplaatst gevoel van minderwaardigheid en markeert aldus status op een wijze die mensen van elkaar vervreemt en de sociale cohesie bedreigt. Handwerksmensen en wat we maar even kortweg ‘hoofdarbeiders’ zullen noemen staan van meet af aan on equal footing als het om onderwijs gaat. Ze komen elkaar allemaal tegen bij de verplichte vakken.

En zijn er dan jongens en meisjes die hopeloos in de knoei raken omdat ze het niet kunnen? Ad heeft ruime ervaring bij het begeleiden van leerlingen die van zichzelf dachten dat ze het eindexamen wiskunde niet zouden halen. Hij kreeg ze allemaal zo ver dat ze dat wel haalden omdat wiskunde, mits geduldig uitgelegd, op den duur het plezier van inzicht oplevert; iets dat vaak aan leerlingen wordt onthouden door docenten die het voorstellen als een vak waarvoor je bijzonder begaafd moet zijn. Dat dit niet zo is blijkt ook uit tal van recente boeken over wiskunde die het als een plezierig vak voorstellen. Wat voor wiskunde geldt, geldt mutatis mutandis ook voor de andere vakken.

Natuurlijk vraagt men zich nu meteen af of er door die vrije keuze niet grote lacunes ontstaan in de kennis die iedereen per traditie onmisbaar vindt: bijv. aardrijkskunde, biologie, natuurkunde, literatuur of godsdienst. Het idee is evenwel dat die kennis vanzelf aangebracht wordt als daaraan gedurende het leertraject behoefte wordt gevoeld. Vaak is het goed om zich pas op latere leeftijd als men al een specialistisch vak onder de knie heeft, te wagen aan wat dan verder nog nodig is. Dat gaat vanzelf. En er zijn tal van gelegenheden in de wereld van Internet en MOOC’s (Massive Online Open Online Courses) om je naar behoefte bij te spijkeren.

 

Op deze manier kunnen de leerlingen trainingen krijgen op gebieden die hen echt interesseren, in verbanden die er toe doen, die adequaat motiveren en ieder de kans geven uit het leven gegrepen kennis en ervaring op te doen. Dat gebeurt dus nu al, maar dan alleen op het gebied van de kunsten; op die vrije academies als het goed is. Weliswaar voor volwassenen, maar we denken niet dat echt wat uitmaakt. Maar wie denkt van wel, laat het weten. Wij denken dat je jongens en meisjes goed kunt motiveren als ze iets leren dat ze ook echt willen leren. Wil iemand niet, of kan iemand echt niet vanwege noodlottige gebreken dan is daarmee een helder probleem geformuleerd dat om een oplossing vraagt. Dat is winst ten opzichte van de onheldere algemene malaise op motivationeel gebied, waarvan nogal wat leraren zeggen dat die echt bestaat maar ongrijpbaar blijft.

 

Er zullen tal van praktische bezwaren moeten worden weggenomen en we zullen vooroordelen over wat jongeren allemaal niet kunnen en niet willen moeten overwinnen. Maar een ding staat vast: op de bestaande vrije academies zit niemand tegen zijn of haar zin en je leert er werkelijk edelsmeden, timmeren, fotograferen etc. Elk naar eigen vermogen en vaak ook op basis van onvoorziene uitdagingen die het aanvankelijke idee niks te kunnen in rap tempo ontzenuwen.

 

Er zijn genoeg bestaande schoolgebouwen in elk stad die de distributie van gewenste leerwegen mogelijk maken en onderdak kunnen bieden aan de nodige personeel en de middelen, dachten wij zo. We hielden ons in onze fantasie daar uiteraard niet mee bezig, maar we zagen wel overal in onze eigen stad Nijmegen oplossingen. We verzonnen tal van bezwaren maar steeds kwamen we tot de slotsom dat het probleem van motivatie en vermogen bij de lerende jonge mensen het beste gediend is met een minimum aan verplichting en een maximum aan vrijheid.

 

We kregen het ook over de universiteit. Een lastig probleem, maar daar kozen we voor een systeem dat zorgt voor optimale persoonlijke begeleiding in kleine groepen onder leiding van onderzoekers die zogezegd met hun poten in klei staan en aan het voorfront van de wetenschap opereren. Uiteraard zijn de eisen aan de opleiding streng. En werkelijk belangrijk is echte interdisciplinariteit. Niet dat een pedagoog psychologisch of sociologisch onderzoek leert kennen, want laten we eerlijk zijn, waarin verschillen de vaardigheden die zijn vereist voor de verschillende gammavakken? Nee, ze moeten onderlegd raken in minstens een gebied dat niet hun specialisme is. De eindtoets die we verzonnen in plaats van alle, ja werkelijk alle tentamens, was de productie van een publicabel artikel op het vakgebied van specialisatie. Zo’n artikel bewijst dat je tot de geleding van de geleerden bent doorgedrongen.

 

Ook dit vereist een totale institutionele reorganisatie maar die is gemakkelijker door te voeren en levert meer gemotiveerde docenten en studenten op dan het gebrekkig aanmodderen op de huidige universiteiten. Gebroken kan worden met het systeem van ongedifferentieerd onderwijs op gelijkvormige uni’s. Uni’s mogen, ja moeten in ons systeem zich specialiseren en differentiëren. Het is volstrekte onzin dat we in Nederland 14 universiteiten hebben die op de technische uni’s na en Wageningen allemaal ongeveer hetzelfde zijn.

(Onder constructie)

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 22 november, 2018

De grootste loze belofte: mensen hoeven niet te veranderen

De grootste loze belofte: mensen hoeven niet te veranderen

Barbara Ehrenreich krijgt op 27 november 2018 de Erasmusprijs uitgereikt. Dat is vooral voor haar journalistiek onderzoek aan de onderkant van de samenleving. Daarover schreef ze het boek Nickel and Dimed: On (Not) Getting By in America (2001). Stephan Sanders wees erop dat in dit onderzoek o.a. werd vastgesteld hoe vooral de mensen in de Rust Belt van de VS de creatieve destructie van de oude industrie daar maar moeizaam kunnen verkroppen. Ze lachen het idee weg dat ze zich bijv. moeten later omscholen en dus echt moeten veranderen. Sanders citeerde haar: ‘Het is niet verwonderlijk dat toen arbeiders de keuze werd gegeven tussen herscholing, zoals geboden door (Hillary) Clinton, of op miraculeuze wijze hun oude baan terugkrijgen, zoals Trump beloofde, ze voor het laatste kozen.’ Het klopt niet, schrijft Stephan Sanders, maar hij snapt het wel.

Ik moest hieraan denken toen ik laatst luisterde naar twee gesprekken van Lex Bohlmeijer op de podcast van De Correspondent: een met Gloria Wekker en een met Simone Zeefuik. Gloria Wekker is bekend van haar boek Witte Onschuld Paradoxen van kolonialisme en ras. Simone Zeefuik is een van de initiatiefnemers van de organisatie ‘Decolonize the Museum’ en heeft meegewerkt aan de tentoonstelling in het Tropenmuseum: Heden van het Slavernijverleden.

Ik ben het hardgrondig eens met beide dames dat er wit privilege bestaat en dat er misleiding door taal bestaat zodra er sprake is van “de ontdekking van Amerika” alsof dat land met zijn bewoners niet al bestond voordat het Westen er de hand op legde, of van “slaven” alsof er een mensensoort bestaat die dat gewoon is: slaaf in plaats van dat gesproken wordt van dat iemand tot slaaf is gemaakt.

Maar ook zij lijken hun achterban te beloven dat zij niet hoeven te veranderen. Niet op de wijze van Trump maar door steeds maar weer erop te wijzen dat de witten mensen maar niet loskomen van racistische denkbeelden en gevoelens en zij, de slachtoffers daarvan, hun cultuur hebben en daar slechts erkenning voor hoeven vragen, meer niet. Alleen wit moet opschuiven. Maar is het is geen loze belofte dat mensen niet hoeven te veranderen, of dat alleen maar de groep witte mensen dat moet doen? Kan worden volstaan met dat wit moet beseffen hoe goed ze het altijd hebben gehad en hoezeer ze vanuit die positie geen idee hebben van wat zwarte mensen hebben doorgemaakt en waar ze nog steeds last van hebben?

Voor de lezer gaat steigeren: zwart heeft wel degelijk een punt, maar ook zij moeten veranderen. Het is een loze belofte dat dat niet hoeft. Deze intellectuele voortrekkers hebben hier wel degelijk de verantwoordelijkheid dat duidelijk te  maken. Maar daarover geen woord in deze gesprekken. Dat viel me op.

Wel wordt in deze gesprekken een lans gebroken voor de eigenheid en de waardevolheid van niet-witte mensen, maar dan met vrijwel alleen een beroep op eigenschappen die louter en hoofdzakelijk ontleend worden aan ‘cultuur’. Aan wat ze dientengevolge zijn en niet aan wat ze nu doen, willen of kunnen in de wereld van vandaag. Dat werk averechts valt me op. Je kunt een heel eind meegaan met de correctie op het beeld van de geschiedenis van het slavernijverleden van Nederland en het onmetelijke onrecht dat de zwarte mensen is aangedaan. Je mag wel degelijk zeggen dat dit nog doorwerkt in wat je hedendaags racisme kunt noemen. Nederlanders zijn niet onschuldig in dat ze leven in de veronderstelling dat ze niets tegen anders-gekleurde mensen hebben. Velen hebben wel degelijk een hekel aan zwart of bruin of geel. En ze laten zich helaas voorstaan op een geprivilegieerde identiteit die ze als de enige nastrevenswaardige beschouwen.

Maar dat is slechts een deel van het verhaal. Inderdaad, de witte mensen hebben het nodige bij te leren. Zwart stelt hen daartoe in de gelegenheid en dat is prima. Tegelijkertijd is het ook zo dat er nog een aantal slagen moeten worden gemaakt om mee te kunnen gaan met de veranderingen die samenhangen met wat het Westen aan gedragsvormen heeft opgeleverd. Er moet nog heel wat gebeuren wil er een samenleving ontstaan die voor elke kleur te genieten is.

Zwart is net zo goed als wit gehouden aan het doorvoeren van een paar veranderingen die altijd moeilijk zullen blijven. Zeggen dat alleen wit zich even van zijn privileges bewust moet worden is niet genoeg.

Om welke veranderingen gaat het? De beste formulering van wat voor iedereen op het spel staat kwam van Jan Brokken toen zijn boek De Rechtvaardigen werd besproken in VPRO Boeken van zondag 14 oktober 2018. Daarin vertelde Brokken wat naar zijn idee een goed mens is. Dat is iemand die zichzelf zo goed informeert dat op het juiste moment en wanneer dat nodig is de juiste beslissing kan worden genomen. Het is een bijna universele imperatief waaruit tal van concrete eisen voortvloeien die te maken hebben met waar het Westen goed in is: verbetering van de omstandigheden voor iedereen ongeacht afkomst, sekse, overtuiging of etniciteit door wetenschap, techniek, handel en ervaringsverbreding op basis van een levensstijl die voor iedereen beschikbaar wordt gemaakt. Inderdaad, geen wit privilege meer. Iedereen deelt in dezelfde voorrechten.

Tegen de achtergrond van deze tamelijk hoge lat geeft het geen pas vrouwen achter te stellen, uit het publieke domein te verbannen, scholing te onthouden en met louter huishouden op te zadelen. Of jonge meisjes te besnijden, wat veel ingrijpender is dan op die manier stamtoebehoren te markeren bij mannen (wat ook laakbaar is overigens). Of een seksueel script te volgen dat geen rekening houdt met wat vrouwen echt willen. Bijgeloof is zoals elk geloof in wat voor “Hoger Honing” ook, of het nu geesten, richtlijnen uit ‘een andere wereld’ of goden zijn, niet verstandig als het de vrijheid te zijn wie je wilt zijn bedreigt, omdat priesters en voormannen iets anders dan dat van je vragen. Opgaan in de groep om je daarachter te verschuilen, geeft ook geen pas.

In de bovengenoemde gesprekken die ik beluisterde was geen spoor te vinden van een vermaning aan het eigen volk. Wel bijvoorbeeld een mateloze adoratie van Winti, ook al weet iedereen dat hier sprake is van een religievorm die veranderen in een goed mens niet bepaald bevordert. Wordt niet opgeroepen in wezens te geloven die buiten onszelf om ons lot bepalen? Maakt dat het mogelijk een juiste beslissing te nemen op het juiste moment na zelf goed de zaken te hebben uitgezocht?

Dit gaat misschien te ver, maar als (zoals in Culture as Embodiment is beargumenteerd) cultuur niet langer als een gedragsbepalende factor kan worden behandeld zonder in obscurantisme te vervallen, komen alle argumenten ten gunste van deze of gene cultuur te vervallen. In discussies over de rijkdom van culturen mag gewezen worden op interessante kunstwerken, mooie boeken, historisch bijzondere gewoonten en op het rariteitenkabinet der uitheemse gedragingen, maar niet om terug te gaan in de tijd en je gedrag erdoor te laten bepalen. Dat is het risico als zwart en wit tegenover elkaar geplaatst worden, zoals in discussies over wit privilege en zwarte erfenis. De zwarte bladzijden uit het verleden erkennen is iets anders dan wit voortdurend de les lezen over het verleden. We staan er nu samen voor, wit en zwart, om zo veranderen dat goed leven een kans krijgt. Het is een loze belofte als alleen maar wit moet veranderen en verder niet.

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 17 november, 2018

Het eerdere ‘Weg met identiteit?’ revisited

Het is bijna zover: december, de maand van Sinterklaas. De discussie over Zwarte Piet laait weer op. Kinderen maakt een witte piet niks uit, maar sommige vowassenen willen maar niet wennen aan het idee dat zwarte mensen graag helemaal erbij willen horen en niet meer met resten uit een verleden van knechtschap en onderwerping geconfronteerd willen worden.

Er is al vaker gewaarschuwd voor het effect van identiteitspolitiek, namelijk dat deze afleidt van het echte gevecht om economische en politieke macht. Maar identiteit is ook belangrijk. Gloria Wekker, die gelukkig beter praat dan schrijft waardoor het goed is naar haar te luisteren, zegt in een interview met Lex Bohlmeijer voor De Correspondent dat er teveel wordt uitgegaan van één soort identiteit: de witte (of blanke, als je af wil van dat super-politiek correcte wit). Het leek er inderdaad lange tijd op dat er maar een soort streven was om iemand te worden en dat was wit en zo mag je eraan toevoegen: Westers. Dat is intussen drastisch veranderd. In Culture as Embodiment stellen we dan ook vast dat er naast het Westerse nog een aantal andere beschavingsoffensieven bestaan die evenveel aanhang hebben wereldwijd. Die vallen deels ook samen met de grote religies en levensleren, maar niet helemaal: het Islamitische, het Hindoe-Boeddistische (wel verschillend maar niet apart en uitgewaaierd richting Shintoïsme; de een vol goden de ander godvrij), het Confuciaanse (met uitwaaiers richting Taoïsme etc.), het Animistische in al zijn vormen en daarnaast het Joods-Christelijke met ook a-religieuze vormen. Allemaal met een moraal en levenslessen die beschavend hebben gewerkt. Er is dus veel te zeggen voor het idee dat identiteit historisch in elk geval op meer beschavingsoffensieven kan worden gebasseerd en niet meer op dat ene dat vanaf 1492 de Wereld begon te koloniseren.

Wordt het geen tijd dat gedragswetenschappers zich gaan mengen in het gekrakeel rond identiteit? Psychologen mogen wel eens uitleggen dat je niet met identiteit kunt sollen. Het is verbazingwekkend hoe gemakkelijk dit thema uit handen is gegeven aan de politiek en politieke analisten, aan journalisten en columnisten. Die staan er dan alleen voor, terwijl de psychologie er heus wel belangrijke zaken over te melden heeft.

In deze wetenschap gaat identiteit over wie iemand denkt dat hij of zij is en/of wie of wat iemand graag wil zijn. En over hoe dat naar buiten wordt gebracht en hoe er vervolgens tegen je wordt aangekeken. Wat zijn de gevolgen daarvan voor denken, voelen en handelen. Voor jonge mensen gaat het om een moeizaam traject dat een veelvoud aan mogelijke identificatiepunten omvat. Eigen identiteit kan inderdaad datgene zijn wat er na het slagveld van je leven van je geworden is, zoals Erdal Balci het ooit zo mooi zei. Vooral voor jongeren is er een veelvoud aan belangrijke anderen mee gemoeid; mannen en vrouwen die allemaal betrokken zijn geweest of nog zijn bij het verwerven van eigenheid. Zij hebben de identificatiemogelijkheden verschaft. Jongeren hebben nu eenmaal ankerpunten nodig om een weerbaar zelf te ontwikkelen. Dan zijn er velen die zich opwerpen als houvast. Identiteitsverwerving is een groepsaangelegenheid. Mensen kunnen op die manier tegenover elkaar komen te staan, vaak vredelievend en groeibevorderend, maar ook agressief en stagnerend. Allemaal zaken waarover in de psychologie behartenswaardige dingen zijn gezegd.

“Geen wonder, schreven we in ons boek Cultuur & Lichaam, dat dan de jongeren zelf, maar ook de samenleving de term ‘cultuur’ gaan gebruiken om het groepstoebehoren te verklaren; of anders het al even mistige woord ‘identiteit’, een term die niet veel meer behelst dan wat iemand denkt te zijn en/of wil zijn. Het verlangen naar, of het aanmeten van een bepaalde identiteit betekent immers dat die wijze van zijn nog steeds bevochten moet worden. Zeggen dat iemand gemotiveerd wordt op basis van identiteit, is het resultaat al vooronderstellen”.

John Greenwood spreekt in zijn boek Realism, Identity and Emotion: Reclaiming Social Psychology uit 1994 van “identying” een door hem zelf bedacht werkwoord dat aangeeft dat er heel wat werk verzet moet worden en dat identiteit geen gegeven is maar een continu bedrijf met vele listen en lagen.

Juist dat verlangen naar eigenheid of denken dat je al weet waartoe je behoort zorgen voor een gunstig klimaat waarin politiek gemotiveerde aandragers van hechte verbanden hun gang kunnen gaan. Die gaan proberen jongeren voor hun karretje te spannen. In een aantal gevallen wordt het bevechten van eigenheid zo tot iets gewelddadigs. Dat soort geweld wordt gelegitimeerd door wie de leiding heeft, geestelijk of anderszins. Dat is de kern van radicalisering. De jongeren radicaliseren niet op eigen houtje; ze worden in groepjes bijeengebracht door wie verdomd goed weten welk plooibaar en identiteitsgevoelig materiaal ze in huis halen voor hun abjecte politieke en ideologische doelstellingen. Ze leren onder leiding van imams etc. zich te manifesteren. In dat proces wordt identiteit tot een vernietigend brandpunt van het verlangen naar iemand te zijn.

De ontevredenheid met jezelf die achter veel identiteitsprojecten schuil gaat maakt iemand erg gevoelig voor machiavellistische manipulatie. Dat zien we in alle identitaire bewegingen. Het effect werkt averechts: de werkelijke ervaring van discriminatie en de terechte kritiek daarop, kritiek ook op te weinig speelruimte voor het ontwikkelen van eigen seksuele voorkeuren, maar ook het verzet tegen het verdonkeremanen van historische vergissingen zoals slavernij en imperialisme, worden allemaal van hun angel ontdaan. In plaats van te werken aan genoegdoening voor geleden leed of aan de afschaffing van discriminatie in al zijn vormen, wordt de echte pijn doelbewust door politieke leiders gebruikt voor  de uitvoering van een politieke agenda die cirkelt rond verwarring  en verdeeldheid zaaien. Eigen volk eerst is zo’n agendapunt. Maar ook het opkomen voor culturele gebruiken zoals Zwarte Piet, die overduidelijk tegen het zere been zijn van wie werkelijk een geschiedenis kennen van onderdrukking en geweld. Mensen daarvoor mobiliseren is het zoveelste bewijs voor het negeren van zwarte bladzijden uit de geschiedenis.

Dat gebeurt door de ideologische scherpslijpers met hun eigen verderfelijke politieke doelstellingen. Zelfs terechte veontwaardiging over oorlogsgeweld en niets-ontziende geopolitiek wordt in dit politieke spel gebruikt. Ik moet de geradicaliserde jongere nog tegenkomen die niet onderhevig is geweest aan dit soort manipulatie.

Het inzetten van identiteitsstreven gaat dus erg ver. In plaats van ruimte te maken voor stijl- en vormgevingsverschillen wordt van elke niche waar waarin die eigenheid zijn beslag krijgt, een bubbel of eiland gemaakt, waar anderen geweerd worden: identiteitspolitiek wordt er een van verdeel en heers waar alleen de machthebbers garen bij spinnen. Dat is wat de Alternatief right-beweging nastreeft: vecht elkaar de tent uit: wit tegen zwart, voorstanders van zwarte piet tegenover tegenstanders, het ene soort feminisme tegen het andere, de ene seksuele profilering tegen de andere, opkomen voor echte mannen of juist niet… voor je het weet heb je een kluwen aan machteloos geklets over identiteit. Daar kan dit soort Rechts mooi mee aan de haal gaan.

Een mooi voorbeeld van het misbruik van identiteit komt uit de column van Luuk van Middelaar in de NRC van vrijdag 25 augustus 2017: “Extremisten weten dat ze het vertrouwen in onze eigen identiteit en cultuur moeten ondermijnen, voor ze het door hun eigen kunnen vervangen, zei een Singaporese minister onlangs. We moeten waken voor deze arglistige praktijk en onze tolerante islamopvatting beschermen.”

Dat is het iritante aan het gescherm met identiteit. Het verhult deze manipulatie. De Alt-righters en Trumps gaan allemaal vrijuit en in plaats van hen aan te vallen worden verlangens naar een veelkleurige wereld met ruimte voor iedereen gesmoord in onderling wantrouwen.

Trawanten als Bannon en Trump zijn evenals Wilders en Baudet bij ons ‘identitaire politici’, een woord dat ik maar even verzin voor wie politiek garen spint bij het tegen elkaar laten uitspelen van behoeften bij diverse minderheidsgroepen  aan een gerespecteerde identiteit. Ze wakkeren het gevoel aan dat cultuurverschillen altijd conflictgeladen zijn, waardoor ze worden uitvergroot in plaats van erop te wijzen hoezeer mensen met elkaar overeenkomen. En in plaats van echt op te komen voor de verdrukte witte minderheid, staan ze toe dat die zich laat voorstaan op kleur en afkomst. Dat is identiteitspolitiek op zijn gevaarlijkst.

De bezwaren tegen het uitspelen van de cultuurkaart – in onze boeken en op deze blog is dat uitspelen herhaaldelijk gekritiseerd – gelden onverkort voor etnische of anderssoortige  identiteit. Identiteit verklaart niks, is alleen maar ballast als je ertoe gereduceerd wordt. Identiteit is geen politiek speeltje. Ook niet in het identitaire gekrakeel om erkenning en waardigheid. Als het opeisen van waardigheid en erkenning samenvalt met ruimte opeisen voor bepaalde groepen ten koste van het broodnodige gemeenschappelijke, zitten we op een verkeerd spoor.

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 13 juli, 2018

Desintegreert het Westen?

Trump als symptoom, niet als het probleem dat is de diagnose die tegenwoordig opgeld doet. Zie bijvoorbeeld het prachtige artikel van Arnout Brouwers in de Volkskrant van 13 juli.(Hier)

Het Westen is al veel langer in de problemen, lang voor Trump. De waarden van de Verlichting staan op de tocht, met name democratie. Veel mensen herkenen zich niet in idealen die de Europese leiders met hun technocratische aanpak verdedigen. Het zijn gevoelens die je niet mag wegpraten.

Je kunt van een president niet meer maken dan hij is: de spreekbuis van de underdog, de groep die het oude industriële Amerika terug wil en in Trump dé verdediger bij uitstek van dit Amerika ziet. Maar mogelijk ook van dat deel van de mensen dat probleemloos aaneemt dat de wereld meer omvat dan het vrije democratische Westen alleen. Dat er ook andere regeerstijlen zijn. Het autocratische van Trump wordt gevoelsmatig ondersteunt, lijkt het.

Het is inderdaad nu de beurt aan de arbeiders van landen zoals China om te proberen een welvaartsniveau te ontwikkelen dat in de buurt komt van de levensstijl die in het Westen gemiddeld gangbaar is. Dat lukt met behulp van een politiek stelsel dat alles tart waar het Westen voor staat.

In het Westen is armoede het probleem van een minderheid. Dat resultaat is bevochten binnen de democratische rechtsorde. En nu is er ineens een economische reus die het op een totaal andere wijze voor elkaar krijgt. Of is dat slechts schijn? Is het Chineese systeem inderdaad de doodssteek voor het Westerse?

Voor rest van de wereld geldt dat succes bij lange na niet, maar er zijn landen die het armoedeprobleem naar het voorbeeld van China op een manier dreigen aan te pakken waarbij westerse waarden niet langer het uitgangspunt zijn. Ze proberen hun eigen eigen weg te gaan. Wat dus desintegreert is het vermeende algemene Westerse patroon.

In het Westen zelf is die desintegratie al langer aan de gang. De waarden waar het Westen sinds de Verlichting pal voor staat, staan op de tocht. Deels doordat er een radicale variant van de Verlichting levend wordt gehouden. Daarbij gaat het om een echt politiek alternatief dat nooit zonder vuile handen en voeten in de klei kan worden gerealiseerd. Nog steeds is niet bereikt wat Spinoza en zijn aanhangers destijds voor ogen stond: een moraal op basis van de kennis van God die ook al in Spinoza’s ogen maar zeker in die van het geseculariseerde Westen de natuur is. In dat opzicht wijst het Westen nog onvoldoende de weg. Immers, wat is het ideaal van vrijheid, gelijkheid, broederschap voor iedereen, zonder aanziens des persoons, voor man en vrouw, oude en jong, vreemd en eigen, gelovig en on- of andersgelovig, voor hoog en laag waard zonder er politiek de weg voor vrij te maken.

Deels ook doordat er geen common ground meer is voor de veelsoortige manieren van leven die er in het Westen mogelijk zijn. Ja, op een heel abstract niveau vermoedelijk nog wel maar dan kijk je naar ‘normen en waarden’ die in deze staalkaart aan gedragsmogelijkheden worden afgespiegeld. Die zijn het gedrag niet.

Dit is natuurlijk geen oproep de rechtsstaat maar even aan de kant te schuiven. Zonder een sterke staat, een regering die rechtvaardigheid en billijkheid in wetten vastlegt en zich voor de handhaving verantwoordt bestaat er geen rechtorde.

Wel blijven het abstracte ‘normen en waarden’ als er geen concrete faciliterende matregelen aan beantwoorden. Met idealen alleen bedrijf je geen politiek.

Als politiek met lippendienst aan deze abstracte idealen samenvalt ligt inderdaad desintegratie van het Westen op de loer.

Bij facilitering gaat het concreet om instituties van juridische, politieke en economische aard waarvan de werking helaas tamelijk technocratisch is. Het bezwaar tegen dit soort technocratisch bestuur is duidelijk: wie of wat controleert de technocraten? Waar blijft de echte democratie? Maar kan politiek zonder technocratisch handwerk, waarbij idealen een beetje buiten beeld blijven? Politiek is geen ethiek.

Vandaar de gewetensvraag: hoe erg is het verval van een abstract ideaal in een wereld waarin gedrag globaliseert onder invloed van het vierspan dat we in Culture as Embodiment opvoerden: wetenschap, techniek, handel en eisen die het goede leven binnen ieders bereik kunnen brengen? Overal wordt de Westerse stijl van leven overgenomen en krijgen vrouwen, niet-witte mensen, jongeren en mensen die moeilijk meekunnen – heel geijdelijk aan, dat wel, maar gestaag en onstuitbaar – privileges, vergelijkbaar met die van de beperkte klasse die de Verlichting uitdroeg. Was de Verlichting – zeker in zijn gematigde variant – niet grotendeels een mannelijke aangelegenheid van een tot op het bot verdeelde elite? Daar zit de kern van wat desintegreert: een geborneerde, gefragmenteerde, eenzijdige, quasi-verlichte kijk op wat van waarde is.

Wat niet desintegreert is de werfkracht van het goede leven dat in de “proeftuin Europa” is verbreid. China leert nu van deze geslaagde proef en vele landen zullen volgen. In dat opzicht is het Westen zo levend als het maar zijn kan en is er van desintegratie geen sprake.

Is het inmiddels niet klip en klaar dat de politiek zich niet meer zo moet bezig houden met abstracte mensenrechten maar concreet moet faciliteren waar ook in China grote behoefte aan is: een materiele en spirituele infrastructuur voor een levenstijl waarin dwang, vrijheidsberoving, opgelegd pandoer en privileges die grote groepen uitsluiten uitgerangeerd zijn? Daarin kunnen we nog steeds voorbeeldig proberen te blijven. Het gaat om een wereld, waarin wit en donker gelijk behandeld worden, de seksen elkaars bijzonderheid en eigen kracht erkennen. Waarin duurzaamheid allesbepalend wordt omdat alleen zo deze levensstijl behouden kan blijven voor iedereen en niet slechts voor een handvol uitverkorerenen. Wordt het niet tijd dat de Radicale Verlichting op de agenda komt, zoals we bepleiten in Culture as Embodiment?

Rechtvaardigheid, billijkheid, diversiteit en vrijheid zijn altijd concreet gebonden aan het bevorderen van gedragingen die deze ‘waarden’ (afgeleid van al aanwezige realisaties!) vertegenwoordigen. Het gaat om het mogelijk maken van de keuze voor deze gedragsvormen; en dat voor iedereen, ongeacht afkomst, kleur, sekse, godsdienst of leeftijd. Allereerst natuurlijk door die ene planeet die we met zijn allen hebben te bewaren en veilig te stellen voor de toekomst.

Wat hopelijk desintegreert is het beperkte zicht op deze mogelijk making, vertroebeld door de hegemonische positie die het Westen zo lang heeft gehad. Nu het goede leven binnen bereik van mensen komt die in het verleden zijn overrompeld door het witte beschavingsoffensief, keren deze mensen, belast met een zwaar verleden, zich toch met enig recht tegen de veronachtzaming van hun aanwezigheid, ja toch?

Van meet af aan hebben de Westerlingen die heel de wereld over gingen met hun gunpower de gunstige voorwaarden waaronder dit witte offensief werd gelanceerd niet willen delen met de donkere rest. Die gunstige voorwaarden waren wetenschap, techniek, handel en institutionele innovaties op juridisch, politiek en economisch gebied. De in het verleden overwonnen volkeren hebben daar veel te weinig in gedeeld, zo kan achteraf worden vastgesteld.

Immers, gaat de discussie over wit privilege, culturele toeeigening, racisme, over zwarte piet, en over diversiteit niet vooral daarover, over deze verwaarlozing en veronachtzaming?

Gebeurd is gebeurd, en het is beter, denk ik, daar niet bij te blijven hangen. Geen slachtofferschap meer, maar de blik vooruit. Wat desintegreert is bepaald niet het betere ik van de Westerse mens. Het wordt tijd dat volmondig toe te geven. Het Europa dat echt tegenwicht kan bieden is het Europa waarin we nu al zo lang tamelijk vreedzaam leven. Dat moeten we koesteren.

De mensen in Europa kunnen proberen de zaak nog eens over te doen, maar nu goed: insluiten in plaats van uitsluiten.

En dan nog iets: faciliteren betekent wetenschap en techniek gecontroleerd maar wel voluit toelaten. Dat contrasteert scherp met politici die als volksmenners de wereld in de gort jagen.

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 3 juni, 2018

Hoe divers zijn we nu helemaal?

Een verwarrend woord, dat ‘diversiteit’. Meestal bedoelen we er ‘andere culturen’ mee, die ieder hun eigen rariteitenkabinet der uitheemse gedragingen met zich meebrengen. Meisjes worden bijvoorbeeld heel jong uitgehuwelijkt door hun ouders, mannen hebben absolute zeggenschap over vrouwen, eerwraak moet de familie voor schande behoeden en jongens zijn over het algemeen aan andere standaarden onderworpen dan meisjes.

Het begint intussen een term te worden die mensen in de gordijnen jaagt. Toen Tom-Jan Meeus het in zijn hoofd haalde de term ‘identiteitsjournalistiek’ te munten omdat hij zich afvroeg of je werkelijk beter schrijft over waar je van kinds af aan vertrouwd mee bent geweest, was de wereld te klein.

Nadia Ezzeroili antwoordde daarop: journalisten met een niet-witte achtergrond “willen niet de hele verantwoordelijkheid dragen voor meer diversiteit op de redactie en in de krant, maar het schrijven of meedenken over multiculturele onderwerpen heeft geen afbreuk gedaan aan hun ontwikkeling als journalist. Want ze blijven mét nieuwsgierigheid schrijven, alleen zonder de exotische ‘verwondering’ en zonder de veronderstelde ‘eigen kring’ en het ‘eigenbelang’ als uitgangspunt. Voor alle journalisten geldt dat je kennis en achtergrond in je voor- of nadeel kunnen werken. Dat verschilt per individu en context en niet per huidskleur, sekse of etnische afkomst”.

Kortom, hoewel van een andere dan witte achtergrond, de niet-witten in de journalistiek in dit geval zijn gewoon goede journalisten en doen doorgaans hetzelfde als de rest. En dat is ook zo! Ze vertrekken alleen niet vanuit het standpunt van de witte meerderheid.

Daar komt diversiteit op neer. Maar waar komt dat niet vetrekken vanuit de witte meerderheid op neer? Aanvaarding van eerwraak? Beter begrip ervoor? Beter inzicht in de mannelijke dominantie over vrouwen en snappen dat gehoofddoekte vrouwen vooral een waarschuwing zijn aan mannen om zich seksueel in te tomen? Het zal toch niet? Denkt de andere cultuurdrager nu werkelijk dat hij of zij meer begrijpt van het geautomatiseerde groepsgedrag? Ja, als de niet-witte journalist zich aan dat gedrag ontworsteld heeft, maar dat betekent: weg diversiteit. Ja toch? Dan is hij of zij toch gewoon iemand die evenals de witten kritisch kijkt naar dat rariteitenkabinet?

De diversiteit waar heel de recente discussie over gaat is niets anders dan foutief ‘cultuurdenken’. ‘Cultuur’ als cultureel-antropolgische variabele in een theorie die zegt dat cultuur het gedrag van mensen bepaalt of daarbij een cruciale rol speelt, bestaat eenvoudigweg niet. Het is een negentiende-eeuw wangedrocht. Het kwam mee met de witte overheersing en was in feite een soort geseculariseerde verlossingleer: als je onze waarden overneemt, wordt je een beschaaf en dus beter mens. Zoals de Christenen vroeger zeiden: als je je bekeert, word je verlost en beter.

We hebben afdoende, dachten wij beargumenteerd in Culture as Embodiment dat cultuur als verklarend begrip in een gedragsleer maar beter overboord gezet kan worden. In de plaats daarvan komt de intrinsiek sociale groep waarbinnen gedrag afgestemd raakt op wat in die groep op het spel staat. Zo worden geautomatiseerde, affectief geladen gedragingen aangeleerd op vitale gebieden die met leeftijd, sekse, status, etniciteit en geloof te maken hebben. Die sociale groepen zijn zeer divers, ook binnen de eigen etnische groep. Erbinnen spelen wat wij ‘culturele arresten’ hebben genoemd, gedragingen opgedaan in omstandigheden die in de nieuwe leefomgeving niet meer van toepassing zijn. Men houdt aan een ingesleten gedragspatroon vast. (Analoog aan het gebruik van de term arrest in de biologie: een ontwikkeling is gearresteerd, afgestopt, gaat niet meer verder.)

Culturele arresten zijn profijtelijk voor wie de macht hebben en hinderlijk voor de machtelozen. Wat mannen op het Anatolische platteland  leerden over zelfrespect, status, houding tegenover vrouwen, eigen privileges en het afdwingen van gezag raakt geautomatiseerd en ingeslepen. Wordt vanuit dat soort gedragpatronen aan de nieuwe Nederlandse situatie deelgenomen, dan spelen die arresten op. Op welke wijze en hoe intens verschilt van groep tot groep. Maar meestal is het zo dat waar echt van arresten sprake is mannen en vrouwen in in ongelijke posities verkeren. Wat de mannen in die groepen gemeen hebben is de inzet: houden wat je hebt, je verworvenheden uitbaten en geen macht prijsgeven. Dit is niet typisch voor wat ooit de nieuwkomers waren; het speelt ook onder de gevestigden. Arresten zijn overal (voetnoot 1). Maar je kunt ze nooit uitsmeren over hele ‘culturen’.

Exit cultuur, dus! Wat er voor in de plaats komt is de grote verscheidenheid aan groepen waarin nogal eens gedragingen tot gewoonte zijn geworden die geen pas meer geven, wat je identiteit verder ook is.

Het onderkennen van die gewoonten vraagt om wat Tom-Jan Meeus terecht opmerkte: “een verslaggever die niet zijn eigen wereld als maatstaf neemt, een verslaggever moet zijn wereld vergroten. Een verslaggever is belangstellend voor wat hij nog niet weet, hopelijk niet voor wat hij allang weet”.

Voetnoot 1 Mooie voorbeelden van een wit arrest zijn Westers superioriteitsdenken en wit privilege. Het gaat om gevoelens die zijn ontstaan in de koloniale tijd en de aanloop daartoe. Westerse mensen gingen er voetstoots vanuit dat hun wijze van leven terecht superieur werd geacht aan alle andere. Met vergat daarbij dat voor de Westerse levensstijl die zo zijn beslag kreeg de uitwisseling met de niet-westerse wereld cruciaal was. De gevoelens van superioriteit zijn volkomen geautomatiseerd en worden vaak onnadenkend geuit. Men realiseert zich niet hoe geprivilieerd men in feite is doordat geprofiteerd kon worden van met name militair overwicht. Dit soort gevoelens zijn opgedaan in de periode dat de Westerse wereld vanzelfsprekend bezit nam van de rest van de wereld. In de post-koloniale wereld geeft deze automatisch-superieure reactie geen pas meer, eenvoudigweg omdat de voormalige onderdanen intussen zijn geëmancipeerd en hun gelijkwaardige plaats opeisen.

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 23 mei, 2018

Geopolitiek als dwaling: macht versus facilitering

Het is geopolitiek, territoriumgebonden machtsstreven op wereldschaal, wat de klok slaat. De NRC in een artikel over de Europese top in Sofia van vrijdag 18 mei 2018 repte van een spoedcursus geopolitiek nu Europa zich lijnrecht tegenover de Verenigde staten, China en Rusland bevindt. Die willen groot, groter, grootst en schofferen hun bondgenoten. De Europese politici daarentegen zijn gewend aan Rijnlands polderen en weten niet hoe ze zich teweer moeten te stellen tegen bijv. deze agressieve AmericaFirst-retoriek. Amerika is een wispelturige vriend geworden. Maar temidden van dit Make Great Again-geweld van Amerika, China en Rusland moet Europa het hoofd koel houden en voordeel doen met haar diversiteit.

Laten we niet vergeten dat de onwennige geopolitiek vooral de omgang betreft met wereldrijken waar leiders aan de macht zijn gekomen door onfrisse machinaties op de sociale media, en in sommige gevallen ook nog eens doordat minder dan de helft van de bevolking, vooral de jongeren, niet kwamen opdagen bij de verkiezingen. In ruil voor steun worden met behulp van nepnieuws de onvrede en onmacht uitgebaat van dat deel van de bevolking dat zich tekort gedaan voelt door de vooral de globalisering en het verlies van eigenheid. Het laat zich het fata morgana van de herwinning van een verloren gegane wereld voor ogen toveren.

Trump beloofde het herstel van industrieën die eigenlijk ten offer zouden moeten vallen aan creatieve destructie. Beter is ze te vervangen door nieuwe maakindustrieën, want dat levert pas echt banen op. Over de hele linie hebben machthebbers nauwelijks oog voor waar de vernieuwing vandaan komt. Die komt van netwerken die een nieuwe impuls willen geven aan de industrie, proberen te breken met de verslavingen aan medicijnen, drugs, social media en willen afrekenen met het politieke opportunisme van de liberals. Want ook de Democraten hebben gefaald. Zij hebben zich afgekeerd van de groeperingen die ten einde raad in Trump hun heil zochten.

Poetin houdt, zoals heel de Russische geschiedenis door machthebbers dat gedaan hebben, een elite in het zadel die instellingen heeft verdedigd die mensen uitzuigen. We zien ook hier dat een deel van de bevolking zich vastklampt aan herstel van oude glorie.

Voor China is veel bewondering. De effectief bestreden armoede maakte voordelen zichtbaar van een autoritaire aanpak. China herneemt de positie die het ooit had, maar nu keurig opgepimpt door de import van westerse knowhow en organisatietalent. Maar zal hier niet gaan gebeuren wat ook het Westen van koers deed veranderen door toenemende welvaart, toen botte macht het verloor van gestage lotsverbetering voor allen?

De legitimiteit en effectiviteit van deze geopolitieke spelers is dus betwistbaar. Moet Europa zich daar dan mee inlaten en meegaan in een hernieuwd geopolitiek spel? Ik zou zeggen van niet.

De Europese leiders zouden zich tegen dit oudbakken politieke denken teweer moeten stellen en in plaats daarvan weer de nadruk moeten leggen op waar Europa goed in is: faciliteren, dat is regeren door ontwikkelingsvoorwaarden te scheppen en niet door inperkende machtsuitoefening. Hierom vragen ook de veranderingsgezinde Chinezen, Russen en Amerikanen. Hierom vragen de jongeren met hun start-ups en weerzin tegen de remmende invloed van een leiderskaste die hen niet meer vertegenwoordigt. Geopolitiek is in dat licht een soort nabrander van een wereld die voorgoed voorbij is.

Europa heeft grote werfkracht gekregen te midden van geweld en imperialisme. Zijn hegemonie was allesbehalve geweldloos. Maar uit twee vernietigende oorlogen en de koude oorlog waarin machtspolitiek zich krampachtig trachtte te handhaven, werd wel de les geleerd die de hele wereld over is gegaan: maak de adoptie van een eigen levensstijl mogelijk door te werken aan instituties en voorzieningen die daarvoor nodig zijn. Europa is daardoor de proeftuin geworden van gedragsvormen die in de rest van de wereld voortvarend worden overgenomen.

In de heropleving van het geopolitieke denken dreigt deze les te worden vergeten. De kern van facilitering is voorwaarden scheppen voor voorzieningen en materiële genoegens die niemand meer kwijt wil. Een belangrijk onderdeel van faciliteren is het zo concreet mogelijk benoemen van reële problemen. In een wijk waar al veel tekorten heersen, moet je de problemen niet verdoezelen, maar man en paard noemen. Zo komt de betere politiek tot stand. Niet met machtsvertoon maar met overleg over de hele breedte van de bevolking. Zaken waarover geen twist mogelijk is. Een uitputtende opsomming is onmogelijk, maar het voorstellingsvermogen is snel geprikkeld door een paar voorbeelden. Het zijn zaken die door de heropleving van machtspolitiek in de drie beschreven regiems worden bedreigd: zuivere lucht voor iedereen (zonder het gevaar van klimaatverandering), betrouwbaar voedsel en water, communicatie die waarheid maakt tot wat het behoort te zijn: een onderhandelbare afweging van wat voor iedereen geldt zonder aanzien des persoons, onderwijs dat zelfstandig denkende personen aflevert, en tenslotte de vrije keuze van met wie je verbonden wilt zijn.

Geopolitiek machtsdenken interfereert met de werfkracht hiervan. Het zoekt immers steun bij wie een bedreiging van hun eigen privileges zien in het nieuwe speelveld voor initiatieven van onderop van al diegenen die zich door nieuwe gedragsvormen voelen aangesproken. Dat bleek uit de boosheid van de ‘witte man’ bij het Brexit referendum en de verkiezing van Trump. Het verlies daarvan maakt sommigen zo boos dat ze de draaggolf worden van geopolitiek. Dat is spijtig want geopolitiek is een dwaling, zoals ik hierboven heb laten zien. Faciliterende Europese leiders kunnen hier een heel eigen geluid laten horen.

Coen Teulings vatte de gewenste facilitering ooit kort samen:

“Maar net als in 1945 heeft het kapitalisme de wereld over een langere periode van zeventig jaar bezien een onvoorstelbare welvaartsgroei gebracht, eerst in Noord-Amerika en Europa, en sinds 1980 ook elders in de wereld. Net als toen ligt de oplossing dus niet in revolutionaire veranderingen, maar in een praktische aanpak van de gebreken van het kapitalisme: de sociale onzekerheid voor burgers”.

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 28 april, 2018

Het Westen uitgerangeerd?

De laatste tijd verschijnen er steeds meer beschouwingen over de benarde positie van het Westen. Daarin wordt gewag gemaakt door bijv. Kishore Mahbubani en Robert Kaplan, maar ook door de sociologe Oyèrónké Oyěwùmí van de afkalvende suprematie van de Noord-Atlantische wereld in vergelijking met juist het herstel van de verloren gegane positie van het Oosten, met name van China. Oyèrónké Oyěwùmí vindt dat het hoog tijd wordt dat het Westen de niet-westerse wereld serieus neemt. Daarbij komt ze overigens aanzetten met voorbeelden van niet-westerse gedragspatronen die in het Westen in verhevigde mate courant zijn: bijv. androgynie, vrouwelijk leiderschap etc.

In al deze beschouwingen wordt vergeten dat geopolitiek denken en denken in termen van hegemonie of suprematie de laatste stuiptrekking kan zijn van een achterblijvende groep machthebbers die niet willen inzien dat het in de politiek – even kort door de bocht samengevat – allang niet meer gaat om macht, of beschavingsoverwicht (das war einmal) maar om facilitering, om het mogelijk maken van een levensstijl die alle mensen zonder onderscheid laat delen het goede leven. Op dat punt is het Westen nog lang niet uitgerangeerd.

Het moet gezegd, het Westen heeft geen goede hand gehad van overheersen. En nog wordt overal geprobeerd het Westen te handhaven op het wereldtoneel, terwijl er duidelijk niet-westerse partners zijn die ook aan het internationale roer willen staan. Daar heeft Mahbubani gelijk in.

Kolonialisme, imperialisme en de ermee gepaard gaande onderdrukking en uitbuiting zijn zwarte bladzijden. Weinig fraai is de wijze waarop Westerse mogendheden de Rest hebben gekortwiekt bijvoorbeeld door land in Afrika voor uitgestrekte plantages voor louter eigen gewin te gebruiken – Nederlandse bedrijven beheerden en beheren meer land buiten Nederland dan erin -, door de belastingheffing in voormalige koloniale gebieden waar ze nog steeds economisch duidelijk aanwezig zijn, zo onrechtvaardig naar hun hand te zetten dat er weinig terugvloeit naar de landseigen mensen, en door onvoldoende toe te zien op de ontwikkeling van inclusieve instituties. Ze gaven een slecht voorbeeld met het opzetten van extractieve instituties, iets dat helder wordt uiteengezet in het boek WhyNationsFail van Daron Acemoglu & James Robinson (zoek met deze schrijversnamen de bespreking ervan op deze site). Geen wonder dat het Westen geen voorbeeld is voor Oyèrónké Oyěwùmí.

Maar de nog steeds geldende verdiensten van het Westen liggen elders. De recente beschavingsgeschiedenissen van de reeds overleden historicus Christopher Bayly over de moderne wereld en van Peter Frankopan over de vele verbindingen die langs de zijderoutes liepen en lopen van o.a. fijne stoffen, edelmetaal, staal, en vele andere producten en diensten, laten overtuigend zien dat de West niet heeft kunnen worden wat het is zonder de Rest. Deze boeken demonstreren overtuigend wat precies in het Westen een wervende vorm kreeg; en dat met een kracht die tot op de dag van vandaag goed voelbaar is, waar je ook komt. Met name de jeugd – behalve als ze uit wrok zich tot het jihadisme bekeren – is niet van de Westerse verworvenheden weg te slaan.

De werfkracht zit hem niet in het hedonische consumentisme, niet in het superioriteitsdenken, niet in de hegemonische macht, niet in economie en politiek maar in de gedragspatronen die over de hele wereld worden nagevolgd. Ze zijn wervend omdat ze mensen insluiten die voorheen nauwelijk meeprofiteerden van de vrijheden die voor een kleine groep geprivilegieerden waren weggelegd. Ze zijn wervend omdat met deze patronen materiele genoegens en mensvriendelijke diensten meekomen die niemand meer kwijt wil. Wie wil er leven zonder gecontroleerd water en voedsel, zonder communicatiemiddelen die weliswaar in opspraak zijn door het misbruik dat er door verdienmodellen van gemaakt wordt, maar die onmisbaar zijn voor menselijk verkeer? Wie wil de scholing kwijt die overal naar kwaliteitsnormen afkomstig uit de Westerse wereld wordt opgezet? Wie kan zonder gezondheidszorg van hoge wetenschappelijke kwaliteit? Even een voorbeeld van wat dat concreet inhoudt: alleen in het Westen wordt serieus geprobeerd in de systeem-biologie om niet-westerse vormen van geneeskunst te beproeven om zo recht te doen aan individuele biochemie die in die traditionele vormen de boventoon voert, i.p.v. zich louter te baseren op het geneesmiddelenonderzoek met alleen statistische methoden, waar het gemiddelde de individualiteit doodt.

Maar het gaat natuurlijk niet alleen om deze voorzieningen. Ze worden overal elders gerealiseerd en China heeft er voor een deel de armoede mee kunnen bestrijden, zij het langs een weg die juist in scherp contrast staat met waaraan in het Westen waarde wordt gehecht. Maar zelfs deze enlightenment values zijn niet het paradepaardje van het Westen. Mij gaat het om het uitproberen van gedragsvormen die vrouwen, mannen, kinderen, arm en rijk en wie al niet meer, zonder aanziens des persoons in zijn waarde laat. Vrij laat om zijn of haar eigen gemeenschap te kiezen en daar zich te ontwikkelen in optima forma. Het faciliteren daarvan is steeds de primaire politieke boodschap van het Westen geweest. Daar heeft het patent op. Dat is zijn alom begeerd exportproduct. Daarop is ook het vernietigend vermogen van het islamitisch jihadisme, van het Islamisme en het Chinees autoritarisme op gericht.

Waar worden vrouwen zonder meer toegelaten tot het publieke domein? In Saoedi-Arabië? In het Afrika van Oyèrónké Oyěwùmí mag het moederschap de vrouw macht geven boven alle macht, van een gelijkwaardige positie van de vrouw is nu in elk geval weinig terug te vinden in de meeste Afrikaanse landen. Zeker, het Westen heeft in het verleden veel instelligen die op Afrikaanse verhoudingen waren toegesneden kapot gemaakt, maar we leven nu in een wereld waar maar beter gekeken kan worden naar hoe ondanks alle mannelijke seksuele ontsporing de meeste vrouwen in het Noord-Atlantische gebied hun eigen keuzen kunnen maken. In het Verre- en Midden-Oosten is dat allerminst het geval. In Afrika en Latijns-Amerika ook niet. Er kan over en weer nog steeds veel geleerd worden, maar de Europese proeftuin voor gedragspatronen die de hele wereld overgaan ligt er nog bij als een park waar het goed toeven is.

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 22 april, 2018

Het lichaam van de filosofen

Daarmee wordt natuurlijk niet hun eigen lichaam bedoeld, maar hoe ze over lichaam gedacht hebben. Al is dat eerste is ook wel een beetje waar: het gaat ook om hun eigen lichaam. Immers, het concrete lichaam van de filosoof heeft menig filosoof echt dwars gezeten. Dat was bij Descartes zo, bij, Nietzsche, bij Wittgenstein, bij Weber, Scheler en vooral ook bij Foucault. En niet te vergeten bij Augustinus en het meest van allen, bij Paulus. En wat te denken van Sartre?

Wat hebben deze filosofen gemeen en wel zo dat het hun denken over lichaam in verregaande mate heeft bepaald? Je moet jarenlange ervaring hebben in de wetenschap van de psychologie om dat naar boven te kunnen halen. Ik bedoel niet als therapeut, maar als gewone onderzoeker en iemand die over bruikbare concepten nadenkt. Ik deed dat laatste vooral in de twee boeken waar deze site omheen is gebouwd.

Augustinus en Paulus hebben in hun jonge jaren de bloemetjes van een vrij seksueel leven behoorlijk buiten gezet. Maar ze zijn net als iedereen ouder geworden: “sader and wiser”. Ze stelden zichzelf op den duur de vraag: “is that all there is” en zijn toen begonnen aan het ontwerpen van een seksuele moraal waaruit eerder hun teleurstelling dan hun seksuele vreugde blijkt. Descartes heeft nooit kunnen verwerken dat hij in wellicht een onbewaakt moment zijn dochter Francine verwekte bij een Nederlandse vrouw. Hij wantrouwde passies niet voor niets. Nietzsche heeft altijd geleden onder de liefde voor Cosima Wagner. Zo’n kramp naast een tamelijk kwetsbaar lichaam zijn niet bevordelijk voor een evenwichtige kijk op het lichaam. “Ein Wort für ein Etwas am Leibe” noemde hij die Seele. Dat is een dijk van een vooroordeel tegenover geest en een overschatting van het lichaam. Dat is zo particulier dat je altijd geest nodig hebt om het lot van deze particulariteit te compenseren: is je lichaam niet zo geslaagd, dan is er altijd nog de geest of de ziel.

Wittgenstein zat te zeilen met zijn vriend David Pincent en oreerde in de boot eindeloos over filosofie in plaats van gewoon deze jongen zijn liefde te verklaren. Iedereen zal dit herkennen: je praat maar door en je praat maar door, terwijl je hoopt op een teken dat je voor altijd bij hem of haar mag blijven. Maar je bent niet zo dapper zelf zo’n teken te geven omdat je bang bent voor de deconfiture dat je je maar wat in je hoofd haalt. Ook dat levert geen positief beeld van het lichaam op, laat staan van seks. Weber is een verhaal apart. Hij was wat je een een ‘crypto-womanizer’ kunt noemen met een groot schuldgevoel rond zijn eigen lichamelijke verlangens en gelukkig een vrijgevochten welhaast feministische vrouw die zijn verlangens en daden niet echt onder vuur nam. Is dat het gunstigste klimaat om op goede ideeën over lichaam te komen? Ik weet wel zeker van niet en het tekent zijn werk over compenserende noeste arbeid en ijver, waarvan hij en zijn werken een voorbeeld zijn. De brokken sociologie van de Protestantse ethiek, ascese, charisma, broederschap en religie staan stijf van de preoccupatie met het lichaam. De biograaf Joachim Radkau heeft ze deskundig uitgebeend. Schelers lichaam speelt ook op in heel zijn filosofie. Het eigen liederlijke liefdeleven maakte hem extreem gevoelig voor de liefde als ethisch thema. Ik tip het allemaal even kort aan. Biografieën te over die een en ander kunnen staven.

Dit is geen gesnuffel naar gezinte of in iemands priveleven. Mij gaat het erom dat veel filosofen nauwelijks raad weten met lichaam en seks. Meestal verdwalen ze in een zeer abstract lichaam, vaak los van juist hun eigen ervaring. Omdat die in al zijn concreetheid gevaarlijk is? Een goede vraag; dus werk aan de winkel! Aude sapere!

In sommige gevallen zoals bij Deleuze en Guattari, postuleren ze een soort lustmachiene waarover niemand beschikt. Doordat hij of zij niet over de wenselijkheden en/of vaardigheden beschikt die ervoor zorgen dat anderen zich voldoende voelen aangetrokken of door het onbreken van de vereiste virtuositeit, worden de meeste lichamen zo akelig concreet dat Freud kon spreken van “het lichaam als lot”. Niet iedereen is aantrekkelijk genoeg voor lust in optima forma. Status en aantrekkingskracht lopen vaak door elkaar heen zodat onduidelijk is waar de ander precies op valt. Dit speelt vooral bij oudere, vaak onaantrekkelijke, invloedrijke mannen en jongere vrouwen (soms ook mannen) die achteraf hun geringe weerbaarheid betreuren. #MeToo heeft dat akelig concreet gemaakt.

Foucault is een mooie illustratie van waar abstractie toe leidt. In zijn laatste werk over seksualiteit Les aveux de la chair, De bekentenissen van het vlees, gaat hij diep in op de grondleggers van de westerse visie op seksualiteit en seks: de Grieken, de Romeinen en de Christenen.

Uit eerdere delen was al gebleken dat Foucault niets moet hebben van de zogenaamde ‘onderdrukkingshypothese’. Opvallend is juist dat er al eeuwen lang één massieve produktie heeft plaatsgehad van vertogen, verhandelingen, of hoe je dat ook noemen wilt, over ‘seks’. Proliferatie in plaats van repressie dus. Dat is begonnen met de Grieken en de Romeinen. Maar vooral onder invloed van het Christendom – dat volgens Foucault gewoon de Romeinse vormgeving uitvergroot – is er geen sprake meer van een natuurlijke aandrift maar van een door een specifieke geschiedenis van overheersing en onderwerping geproduceerde ‘seksualiteit’ waar heel de Westerse wereld onder lijdt. Hoe abstract wil je het hebben?

Foucault beschrijft het een en ander met een term uit de krijgskunde; een term die slaat op iets dat ‘inzetbaar’ is, dat wil zeggen gebruikt kan worden bij de aanval of verdediging, bij het bewerkstelligen van iets. Hij gebruikt de term dispositief, in het Engels ‘deployment’, een woord dat verwijst naar iets (meestal een leger) dat ingezet en ontplooid kan worden. Het gaat om militante en controlerende voorzieningen inzake seks.

Het bleef niet bij de Christenen. Volgens Foucault hebben ook de menswetenschappen, en dus ook de seksuologie, eerst en vooral technische gevolgen die met beheersing te maken hebben. Dat hebben de menswetenschappen met de natuurwetenschappen gemeen. Er wordt iets mee gemáákt, gecontroleerd of tot stand gebracht, of dat nu wetenschappelijk verdedigbaar is of niet. Het gaat om een bepaalde praktijk. Er zijn zaken mee gemoeid die op den duur routinematig geproduceerd worden. Er is van een zeker automatisme sprake. Het gebeurt gewoon op een bepaalde wijze. Je hebt er geen erg in. Wat op die manier automatisch en routinematig gebeurt, kan door niemand meer naar eigen willekeur worden gestuurd: denk aan de hele zwik van de LHTB identiteit. Tegen wil en dank ben je altijd ‘gewoon’ of een van deze.

Deze algemene karakterisering van de menswetenschappen is in het bijzonder van toepassing op de seksuologie, de wetenschap van de seks, de scientia sexualis. Voor je er erg in hebt, worden er op seksueel gebied dingen beleefd en gedaan vanuit het gezichtspunt van de wetenschap van de seks. Er zijn voorbeelden te over: het zich aanmeten van een seksuele identiteit, het op je nemen van een vrouwelijke of mannelijke geslachtsrol (gender), het bewaken van je seksuele oriëntatie of voorkeur conform de eisen van de groep waartoe je behoort etc. etc. Er bestaat een ontwikkelingspsychologie van de seks, die ieder van ons in zijn greep heeft. De inmiddels meer dan een eeuw oude seksuologie (ik laat de geschiedenis daarvan beginnen met het verschijnen van Richard von Krafft-Ebings standaardwerk Psychopathia sexualis, waarvan de edities uit 1892, 1893 en 1894 dikker en dikker werden) loopt over van de vertogen over seks, waarnaar de mensen zich zijn gaan gedragen. Althans als je de ‘discours’, het ‘wetenschappelijke metagepraat’ moet geloven!

Bij natuur en techniek accepteren we dat er naar aanleiding van wetenschappelijke ontdekkingen steeds nieuwe snufjes bijkomen. Op den duur kunnen mensen daar niet meer omheen. Foucault pleit ervoor dat we dat gezichtspunt onverkort handhaven voor de menswetenschappen. Klaslokalen, gevangenissen, psychiatrische inrichtingen, consultatiebureaus, maar ook psychotherapie kennen allemaal hun eigen specifieke technische ontwikkeling. Ook op seksueel gebied is dat het geval. Onder het brede label ‘seksualiteitsdispositief’ vat Foucault al die ontwikkelingen in de seksuologie samen, waarbij het niet bij woorden alleen gebleven is. Het gaat dus niet alleen maar om zoiets als ‘moraal’ of ‘leefregels’; het gaat om nieuwe vindingen. Die kunnen variëren van anti-conceptiva tot het diagnostische instrumentarium uit het DSM III (en zijn aanvullingen), waarmee variaties in seksueel gedrag en beleven tot in de kleinste familie-episodes kunnen worden uitgevlooid. De vondsten op dit gebied raken ieders gedrag. ‘Dispositieven’ zijn dus aantoonbare voorzieningen. Die hebben weliswaar hun oorsprong in kennis, maar zijn op den duur los daarvan het menselijk doen en laten gaan structureren. Ik moet toegeven, hier is Foucault ijzersterk!

Maar toch, gaat het hier nog over het lichaan van jou en mij? Of over dat van Foucault zelf van wie bekend is dat hij in San Francisco de ‘leather scene’ opzocht? Ik denk van niet.

In onze boeken Culture as Embodiment en Cultuur & Lichaam maken we onderscheid tussen Lichaam 1 (L1), het microfunctionele lichaam en Lichaam 2 (L2), het macro-operationele. L1 is het lichaam van de electrochemie, van genen, hormonen en neuronen; L2 dat van de zelfpresentatie en van de lokale praktijken die zorgen voor vaardigheden en virtuositeit of juist niet, voor stijl en vormgeving of juist voor het tegendeel: verwaarlozing en lompheid. L2 gedijt bij training en oefening, en veronderstelt inbedding in een gemeenschap waarbinnen een en ander geoefend kan worden. De klemmende vraag is: wat belemmert de goede vormgeving en de juiste vaardigheden? Gaat het gespeculeer van Foucault hierover?

Hoe kundig Foucaults tekstuitleg ook is, Augustinus wordt veel te serieus genomen. Deze kerkvader ontwierp een seksuele moraal waar hij zelf te oud voor was om er hinder van te ondervinden. In zijn jeugd had hij genot genoeg gekregen. Dat vertelt hij openhartig. Je kunt het afleiden uit zijn Belijdenissen. Dat vergeet Foucault.

In de geschiedenis en onderzoek van de seksualiteit en de seks moet het gaan om de vraag hoe door de vele filosofische en theologische speculaties lichaam en lust ondergesneeuw raakten.

Kan het komen doordat de geleerden leden aan hun eigen lichaam en lust?

Paul Voestermans

Older Posts »

Categorieën