Gepost door: Voestermans & Verheggen | 22 juni, 2017

Poging tot herstel van de oude wereld met moderne middelen: de Big Five in actie

Naar aanleiding van het artikel van Casper Thomas, “De gehackte kiezer” in de Groene Amsterdammer van 15 juni nog maar een keer deze blog.

Cultuur & Psychologie blog

Weet je nog, lezer, dat het in de oude wereld van het begin van de vorige eeuw de afspraak was tussen kapitaal en kerk dat deze laatste het volk dom zou houden en de eerste, de werkgevers de arbeiders arm? Dat pact hield stand door steeds maar weer leugens te verkopen, alternatieve feiten te presenteren en bij voortduring angstgevoelens te bespelen, zodanig dat de mensen zich schikten. De rijken behielden hun rijkdom en de gewone mensen hun plaats aan de onderkant. Politiek leidde dat tot systemen die ons op den duur wakker schudden maar daar waren wel twee verschrikkelijke oorlogen voor nodig. We weten uit de analyse van Thomas Piketty dat de herverdeling die plaats vond in de eerste helft van de twintigste eeuw – de periode waarin de ongelijkheid tijdelijk werd beteugeld – het gevolg was van beleid om de schokken te boven te komen. In naoorlogsebloeitijd van toenemende…

View original post 1.410 woorden meer

Gepost door: Voestermans & Verheggen | 9 juni, 2017

Waarom toch steeds Spinoza?

Ineens zie je het. Waarom toch steeds Spinoza in de twee boeken die ik samen met Theo Verheggen maakte over het belang van psychologie bij het begrijpen van de culturele vormgeving aan gedrag? Ineens begreep ik het naar aanleiding van de bespreking door Menno Lievers van het boek dat Kees Schuyt over Spinoza maakte: Spinoza en de vreugde van het inzicht. Lievers vraagt zich af of Schuyt Spinoza wel goed begrijpt. Hij vindt van niet. 

Dat heb ik ook zo vaak als ik over Spinoza lees in de boeken en artikelen van anderen. Snappen ze hem wel? Wordt hij niet overdreven gemystificeerd met zijn substantieleer en de uitleg ervan in termen van God? Is dat gedoe over of hij atheïst was ja of nee wel zo relevant? En moeten we tot op de millimeter de kring achterhalen waarbinnen zijn ideeën vorm kregen? Ik laat dat graag aan Spinoza-exegeten over.

 

Even over de God van Spinoza. God is altijd ‘bij wijze van spreken’, zou ik zeggen. Immers, machtige partijen hebben god en goden bedacht om uiteenlopende redenen, waarvan de belangrijkste zijn controle, legitimatie van de bestaande orde en invloed. Mensen voegen zich naar die macht (meestal onder invloed van angst voor de machthebbers) en komen daardoor moeizaam ertegen in opstand. Dat was zeker zo in een tijd dat atheïsme vrijwel onmogelijk was zonder jezelf in gevaar te brengen. Zoals dat nu nog steeds het geval is in sommige landen van het Midden-Oosten. Spinoza zal met zijn verbanning in het achterhoofd zich wel twee keer bedacht hebben om God uit zijn vocabulaire te weren. Vandaar God als de enige substantie met daarbij de vaststelling: Deus sive natura, God oftewel de natuur.

 

In feite komt Spinoza met zijn idee van slechts één substantie dicht in de buurt van wat in de natuurkunde doorgaat voor de basis van al wat is: het samenspel van krachten die de deeltjes/golven vormen waaruit alles wat bestaat uiteindelijk is samengesteld. Er is echt niets anders. We weten nog niet precies wat dat is en misschien komen we het nooit te weten, maar ik zou zeker niet iets van ‘geestelijke aard’ of zo inroepen. Met dualisme is door Spinoza voorgoed korte metten gemaakt.

 

Maar hoe zit het dan met de geest, of met het (zelf)bewustzijn en de vrije wil? Volgens mij heeft het zeker geen zin hier neurowetenschappelijk onderzoek bij te halen. Dat wordt heel vaak gedaan in de veronderstelling dat wetenschappers uit deze discipline het laatste woord hebben. Niets is minder waar. Het euvel waaraan de neurowetenschappen lijden is eenvoudig samen te vatten: hun beoefenaren – van Lamme tot Swaab – vergeten dat het brein nooit in isolement bestudeerd mag worden wil je begrijpen hoe het gedrag voortbrengt. Dat gebeurt altijd door breinen en lichamen in meervoud. Natuurlijk, je zult het moeten doen met gewone natuurkunde zoals Spinoza ook voorstond. Preciezer gezegd, je zult het moeten doen met de denkstijl van deze wetenschap, zonder filosofische speculatie en zonder theologie. Daar hebben de neurologen gelijk in. In de geest van Spinoza richt die zich het vruchtbaarst op hoe de rede opereert in de gemeenschap van mensen. Daarbij wordt ruimte gelaten aan werking van het lichaam en het menselijk gevoelsleven. Wetenschap geeft daar toegang toe. Geen aparte menswetenschap maar een wetenschap die een en ongedeeld is. Mensen wordt ermee onderzocht op dezelfde wijze als de natuur omdat mensen deel uitmaken van de natuur. De werkwijze is pluriform zoals bij onderzoek naar de natuur der dingen gebruikelijk.

 

Dat betekent dat je ‘de aangelegenheden van de geest’ – bijv. (zelf)bewustzijn, vrije wil, moraal – terug behoort te brengen tot waar deze volgens de beste inzichten die we tot nu toe hebben, ontstaan. Dat is tussen mensen, als dat wat er gebeurt als mensen hun gedrag onderling op elkaar afstemmen en coördineren. Daarbinnen, in de gemeenschap van mensen, ontstaan (zelf)bewustzijn, vrije wil, en moraal, zaken die verder met gewone wetenschappelijke middelen kunnen worden uitgezocht, zoals ook Spinoza voorstond. Een eenvoudig voorbeeld: voordat je zelfbewust ‘ik’ kunt zeggen is er een jij dat in de gemeenschap waarbinnen je opgroeide langzaam ertoe werd gebracht ik te zeggen. In diezelfde gemeenschap ontstaat de wens je leven in te richten volgens de standaarden van goed gedrag en langzaam vrij komen te staan van wat aanvankelijk met een zekere dwang aan je werd opgelegd: “doe dit zo of zus en niet dit of dat”. Daarbinnen ontstaat de vrije wil om je leven in te richten volgens inmiddels zelfgekozen maatstaven. Deze maatstaven worden mede bepaald door de normatieve orde waaraan alles is onderworpen en die iedereen impliceert, niemand en niets uitgezonderd. Hij kan alleen door goed wetenschappelijk onderzoek worden achterhaald.

 

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans & Verheggen | 2 juni, 2017

Is de hoofddoek wel een religieus symbool?

De discussie over de hoofddoek is weer opgelaaid naar aanleiding van de suggestie de moslimvrouwen bij de politie te tooien met een hoofddoek om op die manier bij deze beroepsgroep diversiteit naar overtuiging en sekse te bewerkstelligen. De argumenten voor worden doorgaans ontleend aan voorbeelden elders. De praktisch ingestelde Britten blijken er geen been in te zien: Sikhs bij de politie dragen tulbanden en moslimvrouwen een hoofddoek. Wat is daar nou tegen? Je mag toch voor je geloof uitkomen?
Het tegenargument benadrukt dat deze functionarissen neutraliteit moeten uitstralen. Keppeltjes, kruisjes, tulbanden en hoofddoeken verraden vooringenomenheid en die is bij deze beroepen niet wenselijk.
Nu lijkt het mij helemaal niet zo erg om net zoals in Engeland praktisch te zijn en zoveel mogelijk de heftige gevoelens rond dit thema te temperen. Maar ik vind dat je in dat geval wel moeten weten waar je je niet langer druk om maakt. Bij keppel, tulband en kruis laat je toe dat eerbied voor God, haardracht in naam van het geloof (en de tulband als praktische oplossing voor zoveel haar) en openlijk je geloof in de verlossing belijden worden toegestaan bij het uitoefenen van het ambt. Het zijn religieuze symbolen. De eerbied ervoor wordt verordonneerd door een gevestigde religieuze praktijk.
Twee zijn voorbehouden aan mannen. De kippa, omdat gelovige Joodse vrouwen nu eenmaal geen speciale aansporing tot eerbied voor god nodig hebben, de mannen wel en het keppeltje herinnert ze daaraan, de tulband omdat nu eenmaal alleen de mannen hun haren moeten laten groeien. Het kruis wordt door gelovigen van beiderlei kunne geëerd.

Hoe zit dat met de hoofddoek? Is die vergelijkbaar met tulband, keppel en kruis? Gaat het hier ook om een gevestigde religieuze praktijk? Nee. De hoofdoek is geen religieus symbool. Er zit geen religieus geīnspireerde redenering onder maar een seksuele. Sommigen zeggen dat die seksuele steunt op een religieuze maar dan sla je cruciale stappen in de rechtvaardiging over. De hoofddoek is een door mannen afgedwongen voorzorg die de vrouwen moeten nemen om mannen niet in de verleiding te brengen hun begeerte te laten opspelen. Het gaat in dit geval om een tamelijk ouderwetse seksuologie en niet om een religieuze aangelegenheid. Het religieuze argument dat op die manier voorkomen wordt dat mannen hun begeerte laten prevaleren boven hun godsvrucht, wordt er met de haren bij gesleept. Het gaat dus om een mannelijk-seksueel en niet om een godsdienstig project.

Nogmaals, misschien moeten we aanvaarden dat vrouwen zich vrijwillig schikken naar wat mannen kennelijk uit voorzorg nodig denken te hebben. In een wereld waarin mannen wellicht seksueel worden overprikkeld, hebben de moslima’s mogelijk een punt. Zo houden ze de mannen van het lijf, maar de religieuze rechtvaardiging fungeert in dit geval louter als dekmantel. Het is maar dat we dat weten als we de hoofddoek bij de politie toestaan.

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans & Verheggen | 17 mei, 2017

Het witte privilege verbergt het enige echte

Niet zo lang geleden schreef ik het onderstaande bericht over racisme en de vele uitingsvormen ervan. Verderop in het stuk verbond ik dat met het hardnekkigste privilege, dat van mannen. 
Ik erken voluit dat mannen het maar wat moeilijk hebben. Hun vormgeving aan het leven staat onder druk. De basisscholen  geven te weinig ruimte aan de expansiedrift van jongens, de seksuele veroveringsdrang  wordt afgeserveerd als vrouwonvriendelijk, de kracht van hun ondernemingszin en oplossend vermogen wordt gerelativeerd in een tijd waar dienstverlening het dingen maken als belangrijke bron van voorspoed verdringt. Maar staan blijft dat wereldwijd mannen goed voor zichzelf zorgen. Kleur maakt daarbij geen verschil. Lees daarom het onderstaande nog eens met deze bril: mannen hebben het moeilijk maar zeker niet moeilijker dan vrouwen en wit privilege is misschien wel vooral een mannenzaak. 

Wat hebben ‘white privilege’, aanmerkingen op de ‘helper whitey’, weerstand tegen ‘cultural appropriation’, de zwartepietendiscussie, etnisch profileren, “black life matters”, superioriteitsdenken en racisme gemeen? Het zijn allemaal termen die de afkerige reactie van witte mensen op gekleurde donkere mensen aan de kaak stellen.
De discriminatie- en white supremacydiscussie is erg oud. (Zie hier de link) In de wetenschap althans. Hij duikt nu op in de publieke opinie. Dat gebeurt onder invloed van tal van recente ontwikkelingen, niet in de laatste plaats doordat de donkere mensen mondiger zijn geworden en hun onderschikking leerden zien als een probleem van de overheersende groep. Mede door de documentaires van Sunny Bergman over eerst de zwartepietendiscussie (“Zwart als roet”) en later het witte vooroordeel (“Wit is ook een kleur”), maar ook door de boeken van Gloria Wekker en Anousha Nzume, beseffen we ineens dat er mensen zijn die zonder dat ze er zelf erg en hebben en ook zonder dat ze meteen kwaadwillend zijn, discrimineren en over de donkere medemens allerlei negatieve denkbeelden hebben. Tot peuters aan toe. Daarbij zijn ze zich niet bewust van hun eigen bevoorrechte positie. Ze merken de voordelen van hun witte kleur niet op.
Hoe komen we aan deze houding en nog beter: hoe komen we ervan af?
Het meeste sociaalpsychologische onderzoek laat deze vragen eigenlijk ongemoeid. Ook het onderzoek naar impliciet of onbewust racisme gaat niet echt in op de vraag hoe we aan die houding komen. Vanwaar dat belang van kleur? Met nadruk erop, ook op de witte schaf je racisme niet af maar versterk je het eerder. In sociaal-psychologisch onderzoek gaat het vooral om de demonstratie van het verschijnsel en de specificatie van de condities waaronder het optreedt. Sociologisch ondervragingsonderzoek is eigenlijk alleen geinteresseerd in de mate van voorkomen. Steeds gaat het dan om persoonsgebonden attitudes die de bron zijn van vertekening. Het is een probleem van het individu. De remedie wordt gezocht in een goede opvoeding en meer op deze houding gerichte persoonlijke educatie. Maar ligt het wel zo individueel? Is het wel een kwestie van dat je als wit persoon helemaal niet inziet dat je van bruin of donker zonder echte reden een negatief iemand maakt? Zozeer dat je die bijvoorbeeld niet in je bedrijf wilt hebben.
Ingrid, mijn partner, dramadocent en altijd gespitst op wat werkelijk speelt als mensen zich op elkaar afstemmen (iets dat op een veel abstracter niveau en conceptueel in ons boek Culture as Embodiment tot een centraal thema is gemaakt), weet de discussie altijd een minder abstracte richting op te sturen. Daar heb ik erg veel aan voor deze blogs. Ze stuurt de discussie dan ook meteen de kant op van veel hardnekkiger vormen van discriminatie die werkelijk overal in elke familie, bedrijf of organisatie spelen: de discriminatie van vrouwen. Mannen doen dat zelden vanuit een persoonlijke attitude, waarvoor een beetje educatie de oplossing is. Het ligt veel gecompliceerder. Wereldwijd heerst er ‘male privilege’. En dat is zeer hardnekkig. Dit probleem behoort tot de top vijf van de wereldproblemen (de overige vier zijn: (1) klimaat, (2) ontregelde voortplanting (overbevolking), (3) sekseongelijkheid (de helf van de wereldbevoking wordt op veel plaatsen fundamentele rechten onthouden), en (4) zwakke extractieve dus niet inclusieve instituties (op veel plaatsen werkt ‘law & order’ slechts voor een heel dunne bovenlaag; zie mijn bespreking van Why Nations Fail).
Zij herinnerde zich het voorbeeld van een collega die altijd thuis kookte terwijl zijn vrouw de leuke dingen deed vanuit het besef dat vrouwen ook rechten hebben behalve het aanrecht (wat de man goed uitkomt). Hij kwam op een keer met het verhaal van een kringgesprek van zijn zoon over mannen, vrouwen, koken en werken. Zijn zoon had in de kring gezegd dat zijn moeder altijd kookte. “Ja maar, zei de collega verbouwereerd, je weet toch dat ik altijd kook”. “Ja zeg, natuurlijk, dat weet ik ook wel, maar daar kan ik in de groep niet mee aankomen. Dat vinden ze raar”.
Snel was door hem met het oog op de groep tegen beter weten geopperd in dat vrouwen in de keuken staan en mannen doen de serieuze dingen. Dat is de orde die meteen, vrijwel automatisch en het gemakkelijkst wordt aangebracht als ernaar gevraagd wordt. Het genuanceerde verhaal is veel te moeilijk. Dit illustreert hoe vooroordelen werken. Vrouwen worden al eeuwen gestereotypeerd, genegeerd, gediscrimineerd en niet voor vol aangezien. Ze staan in de keuken en that’s it. Papa kan nog zo zijn best doen elke dag in de keuken; dat verhaal krijg je niet vertelt zonder je zelf belachelijk te maken. Iedereen denkt echt anders en je past je aan.
Zo ongeveer is ook het verhaal in de wereld gekomen over dat donkere mensen niet deugen. Het keert telkens terug, tegen beter weten in. Het genuanceerde verhaal is te ingewikkeld. Er zijn veel te weinig voorbeelden van het tegendeel, die zijn niet gangbaar en bovendien staan veel donkere mensen of je dat nu wilt of niet met een vaak afwijkende stilering in het leven. De waardering daarvoor vereist een praktische en concrete aan andere groepen gebonden resocialisatie omdat we de afkerige smaak hebben opgedaan in alleen de vertrouwde groep waar we oorspronkelijk toe behoren. Die is wit met een geschiedenis waarvan altijd is verteld dat de donkere mensen ‘beschaafd’ moesten worden, eerst door godsdienst en later door onze cultuur over te nemen. Daarover hebben we in onze twee boeken Cultuur & Lichaam en Culture as Embodiment uitgebreid gerapporteed (hoofdstuk 2). Ze mochten ongehinderd als goedkope arbeidskrachten worden geëxploiteerd. Zeggenschap over hun lot werd hen onthouden en moesten luisteren naar de witte man, ja, vooral naar de witte man. Dat laat geen ruimte voor een ander verhaal, hoezeer we ook weten dat dit allemaal eigenlijk niet kan.
We doen onze gevoelens en denkbeelden over de donkere medemensen op in de groep waartoe we behoren, de groep van witte mensen die zich nooit echt heeft laten confronteren met de mensen van een andere kleur. Ook dat is niet zo vreemd. Immers, wie op Grachtengordel woont kent nauwelijks iemand in Osdorp; woon je op de Kwakkenberg in Nijmegen of in Sonsbeek in Arnhem dan ken je vrijwel niemand uit het Waterkwartier of het Spijkerkwartier. De witte mensen segregeren onderling misschien nog wel meer dan wanneer het om de donkere medemens gaat. En hoe erg is dat? Als het niet leidt tot denigrerende reacties is er weinig aan de hand. Overal kom je de beperkte ervaring tegen met mensen waarmee we liever niet in aanraking komen. Er is niks mis met die mensen en we willen ze niet onheus bejegenen, maar omgang ermee vereist tuning in een groep die ons daar ook echt toe aanzet. De zoon van de vader die kookte wist wel degelijk dat hij geen goed beeld gaf van zijn eigen papa. Maar voor dat die kennis de ruimte kreeg was er al dat gevoel, de feeling voor de meerderheid. Die meerderheid was nog niet rijp voor de echte nuance. Zo zijn ook veel mensen niet voldoende geoutilleerd om om te gaan met mensen buiten hun directe groep. Dat vereist durf om tegen de eigen groep in te gaan.
Reageert de werkgever die zonder erg een sollicitant met de naam Ayça niet aanneemt vanwege juist die naam, maar ook vanwege de hoofddoek en haar donkere huid niet op vergelijkbare wijze? Hij weet wel degelijk dat hij eigenlijk anders moet reageren, maar dat durft hij niet vanwege het team of wat hem verder ook hindert om zijn eigen idee dat het niet uitmaakt, te volgen?
Punt is dat die remmingen precies moeten worden uitgezocht. Mensen voor racist uitmaken helpt daarbij niet. Wat zorgt ervoor dat mensen vergeten dat ze een aantal voordelen – “white privilege” – gewoon in de schoot geworpen kregen omdat de witte mensen vanaf 1500 het gevecht om de hegemonie gewonnen hebben? Pas nu herneemt China, dat voordien toonbeeld van beschaving was, zijn plaats. Pas sinds een paar decennia zijn we ons ervan bewust dat er naast het Christendom religies bestaan met vrijwel een even grote massa volgelingen. Door de immense problematiek in het Midden Oosten worden we geconfronteerd met grote groepen vluchtelingen die terecht een veilige plaats opeisen omdat dit hun afgesproken recht is. Armoede in Afrika betekent dat ze bij ons proberen te halen wat hen al eeuwen onthouden is. Dat levert confrontaties op die de witte mensen bewust maken van hun positie. Die is niet langer meer boven maar naast die van de donkere medemens.
De enige remedie is ontmoetingen waarin wit en donkerder samen iets ondernemen. En focussen op geslaagde vormen van verbinding en aandacht. De media mogen best mislukkingen onder de aandacht brengen mits die dan ook voldoende gekwalificeerd worden door meteen uit te zoeken onder welke precieze omstandigheden dit soort ingesleten racistische praktijken voorkomen. In Cultuur & Lichaam, en in Culture as Embodiment staat handzaam opgeschreven dat racisme en superioriteitsdenken voortkomen uit groepgebonden afstemmingspraktijken. Het zijn geen eigenschappen van losse individuen van wie je incidenten kunt rapporteren in de veronderstelling dat daarmee de kous af is. Dat is luie journalistiek. Zoek de automatismen op, identificeer de intrinsiek sociale groepen, ga na hoe de affectieve sturing in zijn werk gaat en vertel daarover. Dat neemt in elk geval de indruk weg dat je van racisme afkomt door opvoeding en onderwijs waarbinnen op louter verbale wijze de juiste cognities of opvattingen worden aangebracht. Zo identificeer je niet de echte bron van witte privileges. Die ligt in de groepsvorming met de daarmee samengaande onbewuste affectieve tuning. Je zag het goed in de documentaire ‘Wit Is Ook Een Kleur’: op een dag voor mariniers wilde niemand van de daar aanwezige groep mannen dat hun boegbeeld Michiel de Ruyter slavenhandelaar werd genoemd. En onderling werd er veel gelachen over het witte vooroordeel. Zo werkt het.
En verder, strenge regelgeving voor wat wettelijk niet geoorloofd is in de confrontatie. En instellingen van handhaving die echt werken. Geen overdaad aan regels maar een paar die helder en duidelijk zijn. Je moet weten waar je terecht kunt wanneer je bij sollicitaties een afwijzing krijgt op basis van opzichtige kenmerken die geen relatie hebben met de uit te voeren taken. Dat geldt ook voor aanhoudingen met een vergelijkbaar motief.

Daarmee is het raadsel nog niet opgelost waarom van Europa tot Amerika maar ook van Azië en Australië tot Afrika de afkeer en dus de discriminatie toeneemt naarmate de huidskeur donkerder wordt. Wie doe een voorzet?
Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans & Verheggen | 5 maart, 2017

Het antropoceen waar we wat aan hebben.

Is het niet een veel te negatieve term, antropoceen? Ik bedoel: is deze naam niet bedoeld voor het tijdperk van de zorgelijke invloed van de mens zelf? Is het wel zo’n neutrale term voor de invloed van de mens? Antropoceen heeft inmiddels toch een tamelijk negatieve bijklank? Niet iets om vrolijk van te worden, wel?

Misschien is er inderdaad veel om je zorgen over te maken, maar om ons wakker te schudden heb je geen notie van een seculiere apocalyps nodig. Wat moeten we aan met filosofen zoals René ten Bos, de nieuwverkozen denker des vaderlands, die ons in zijn laatste boek: Dwalen in het antropoceen, het bos instuurt? Hij weet het allemaal niet meer. Zelf zegt hij het in een interview in de Volkskrant zo:  “Het boek begint tamelijk normaal, maar het wordt gaandeweg steeds maffer. Ik stuur mijn publiek met vaste hand het bos in. Omdat ik het zelf ook niet weet! Ik kan wel heel netjes uitleggen wat ‘antropoceen’ is en waar de discussie over gaat, en dat een beetje systematisch opschrijven – dat doe ik ook, de eerste hoofdstukken zijn voor iedereen te volgen – maar op het einde kom je steeds meer kronkels en paradoxen tegen. En nergens een oplossing, nee. Er ís geen oplossing. Daar moet je mee leren omgaan, met die gedachte”.
Ik besef natuurlijk heel wel dat antropoceen een term is naar analogie van termen uit de geologische tijdschaal. Een term voor tijdvakken met een heel lange duur. Ook snap ik dat het vooral een term is voor de zogeheten ecologische footprint. Maar laat me hem toch gebruiken voor iets dat in dit boek wordt vergeten. Ach, wie van onze publieksfilosofen vergeet dat niet? Dat is de bijdrage van de gedragswetenschappen aan hoe de mensen zichtzelf zien en begrijpen en hoe deze wetenschap ook de middelen verschaft voor de inrichting van de wereld. Gedragswetenschappen spelen in dezen een cruciale rol. Door de gedragswetenschappen krijgt het antropoceen ook de vorm die het nu heeft. Daarin schuilt ook een deel van de oplossing voor de paradoxen waar ten Bos op stuit.

Immers, zolang de psychologie bestaat, bestaat wat je de psychologisering van de samenleving kunt noemen. De wortels van dat proces gaan diep. Eerst in de filosofie, maar later, na het eerst leerboek van de psychologie van de hand van Johann Friedrich Herbart, in de  de gedragswetenschap. Die wetenschap is nu al meer dan twee eeuwen bij ons, maar dat dringt nog niet echt serieus door bij het grote publek. Dat komt een negatief imago, dat wordt versterkt door de grote schandalen bij de sociale psychologie en het psychology bashing dat daarop volgde. We weten intussen dat veel sociale psychologie sloppy science is, met inventieve experimentatoren op een vierkante millimeter aan zogenaamde belangrijke issues. 
Maar er bestaan in de psychologie respectabeler takken van sport. Ooit werden die ‘psychonomie’ genoemd, een term die het niet heeft gehaald, ondanks een goed voorbeeld bij het bestuderen van de sterren. Terwijl het samenleven van mensen door goed psychonomisch onderzoek fundamenteel is veranderd, wordt in politiek en maatschappij net gedaan alsof deze wetenschap niet bestaat.

Ooit werd psychologisering afgeschilderd als “de markt van welzijn en geluk” , de hulpverleningsindustie die zijn eigen lucratieve vraag schiep, en werd er de opmars van de “protoprofessionalisering” in gezien. Dat is, pregnant geformuleerd, het door leken handig gebruik maken van diagnostische labels om de eigen verantwoordelijkheid te ontlopen: “beste meneer de rechter, ik ben onveilig gehecht geraakt en daarom deed ik dit”. Beide vormen van kritiek – hoe terecht ook als je let op het onkritisch gebruik dat er van de psychologie wordt gemaakt – gingen geheel voorbij aan de wetenschappelijke inhoud van het vak.

Wat is de kern van de psychologisering? Dat is de beschrijvinging en verklaring van gedrag door gebruik te maken van beproefde inzichten uit de gedragswetenschap. Daarbij gaat het om de inzicht in denken, voelen en handelen aan de hand van toetsbare theorieën over de productie en organisatie van gedrag en samenleven. De psychologie kan die beschrijving en verklaring inmiddels beter geven dan de sociologie of antropologie, wetenschappen die hun ontstaan danken aan staatkundige veranderingen in de 19e begin 20ste eeuw en de politiek van staatsvorming en imperialisme begeleidden.

Het reilen en zeilen van de maatschappij wordt niet langer bepaald door macht, structuren  of processen zoals grofweg beschreven in de sociale wetenschappen. De machtgerelateerde privileges van de weinigen die de touwtjes in handen hebben komen voort uit de micro-gebeurtenissen die de gedragswetenschappen beschrijven. Door psychologisch te begrijpen van wat mannen, vrouwen en kinderen drijft, inclusief deze potentaten, komen we verder. De psychologie beschikt immers ook over hanteerbare kennis van hoe de macht werkt en hoezeer narcisme en “psychopathology light” fnuikend zijn voor menselijk samenleven. De gedragswetenschappers hebben een tamelijk concreet beeld van hoe het sociale wordt gegenereerd. Hoe de ‘social tuning’ van gedrag het samenleven bepaalt.

Ook geeft deze wetenschap handvatten om de ontwikkeling te begeleiden van de technologie op het gebied van nano, AI, superintelligentie, de bionische mens, mens-(reken)machiene interactie enz. Zij stelt ons immers in staat preciezer te bepalen wat ons tot mensen maakt. Intelligentie is maar één deel, (zelf)bewustzijn een ander. De bijdrage van emoties en gevoelens aan kennen en handelen is nog zo’n onderwerp waaraan deze tweede verlichting kan bijdragen. Cognitive & affective science zijn goede kandidaten om de filosofische speculaties over menselijke en dierlijke kenvormen en affecttoestanden van nieuwe en betere brandstof te voorzien. Ook het anti- of non-humanisme dat schuil gaat achter de algoritmen die door middel van Big Data onze voorkeuren beter inschatten dan wij zelf (met dank aan Homo Deus van Yuval Harari; lees dat boek!) kan alleen gedragswetenschappelijk ontmaskerd worden en niet door filosofie of literatuur. Het is de wetenschap die de kracht van analogieën en metaforen onderzoekt. Misschien moeten fysici die zich vertwijfeld afvragen waar de super-quantumcomputer staat waarop ons heelal als illusie draait – de film de Matrix is nooit ver weg in dit soort discussies – zich eens tot de cognitiewetenschap wenden.
Psychologie helpt ook bij het vestigen van een seculiere moraal die een einde kan maken aan de goddelijke bevelsethiek van de religie. In de seculiere moraal is een gidsende rol weggelegd voor wat het goede leven uitmaakt. Mede onder invloed van psychologisering weten we verduiveld goed wat machthebbers corrumpeert en wat angst allemaal kan uitrichten. We beseffen beter hoezeer sentimenten – gevoelens en emoties – naast explicite en goed geformuleerde opvattingen – gedrag organiseren. Er staan veel meer voorbeelden in onze twee boeken.

Ik zou dit de Tweede Verlichting willen noemen. Deze is een vervolg op de eerste die geinspireerd was op Spinoza’s denkbeelden en opvattingen; op wat hij ons leerde over de lichaamsgebonden en van de gevoelsorganisatie afhankelijke kennis en hoezeer wijsheid in deze eerste kenvormen orde behoort te stichten. Daar hoort ook een speciale organisatie van de maatschappij bij. Uiteindelijk legde Spinoza’s politieke theorie de gronslag voor de hedendaagse civic society.

Spinoza is de gedragswetenschapper avant la lettre die met recht de inspirator van deze tweede, gedragswetenschappelijke verlichting kan worden genoemd. Hoe zouden wij zonder psychologische inzichten in – laat ik maar wat opsommen – mannelijkheid en vrouwelijkheid, in seksuele orientatie, in motivatie voor gedrag, intelligentie, cognitieve vermogens en de mogelijkheid tot scholing etc. onze levenstijl vorm hebben kunnen geven?  Dat is het antropoceen waar we wat aan hebben.

Nawoord. 
Ger Groot vraagt zich in zijn boek ‘De geest uit de fles. Hoe de moderne mens werd wie hij is’ af wat de filosofie nog kan betekenen in het antropoceen. Ik zou zeggen: probeer een verstandige alliantie met de gedragswetenschappen en begeleid hun bevindingen kritisch door er vooral goed kennis van te nemen. De wetenschap van de psychologie is meer dan honderdvijftig jaar bezig met gedegen onderzoek naar waarnemen, denken, voelen, oordelen en handelen. Zij die hulpverlening en deskundig gedragsadvies tot een markt van welzijn en geluk verklaren en de deskundologica van psychologen aan de kaak stellen, vergeten deze achtenswaardige historie. Psychologie bestaat echt als wetenschap. Dit in weerwil van een slechte pers over zijtakken als de experimentele sociale psychologie die inderdaad sloppy science afleverde. Dat moet ons niet afleiden van de kernfocus van het psychologisch onderzoek: de tot standkoming van betekenisvol handelen met inachtneming van waarmee mensen fysiek, cognitief en affectief zijn toegerust. Vooral de filosofie moet zich vergewissen van zijn historisch bepaalde lichaamloosheid en geringe aandacht voor het sociale, dat wil zeggen  voor lichamen en breinen in meervoud. Pas dan kan ze meedoen in het antropoceen.

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans & Verheggen | 15 februari, 2017

Poging tot herstel van de oude wereld met moderne middelen: de Big Five in actie

Weet je nog, lezer, dat het in de oude wereld van het begin van de vorige eeuw de afspraak was tussen kapitaal en kerk dat deze laatste het volk dom zou houden en de eerste, de werkgevers, de arbeiders arm? Dat pact hield stand door steeds maar weer leugens te verkopen, alternatieve feiten te presenteren en bij voortduring angstgevoelens te bespelen, zodanig dat de mensen zich schikten. De rijken behielden hun rijkdom en de gewone mensen hun plaats aan de onderkant. Politiek leidde dat tot systemen die ons op den duur wakker schudden maar daar waren wel twee verschrikkelijke oorlogen voor nodig. We weten uit de analyse van Thomas Piketty dat de herverdeling die plaats vond in de eerste helft van de twintigste eeuw – de periode waarin de ongelijkheid tijdelijk werd beteugeld – het gevolg was van beleid om de schokken te boven te komen. In naoorlogse bloeitijd van toenemende welvaart aan de onderkant werden de autoriteit van de kerk en van de gevestigde orde voor even aan de kaak gesteld. Het volk ‘ontkuddelijkte’ een term die we in Cultuur & Lichaam en in Culture as Embodiment overnamen van Jan Roes, omdat die beter beschrijft wat er gebeurde. Mensen werden niet ongevoeliger voor religie of ‘ietsismen’, maar ze geloofden niet meer als schapen geleid door een herder. Voor even werd dwars door de heersende orde en het establishment heengekeken. Maar dat duurde niet lang.

Vanaf het begin van deze eeuw zien we een herstel van de oude wereld met moderne middelen. De ongelijkheid is terug als nooit tevoren, maar ook de misleiding en het scheppen van een droomwereld waarin grote groepen het zicht ontnomen wordt op wat er werkelijk is verbeterd. Ik bedoel het massale inmasseren van waandenkbeelden over hoe de wereld er voor staat. Dat gebeurt met behulp van Big Data die zoals algemeen bekend gebruikt worden om de consument gericht te benaderen. Maar wat minder bekend is, is dat we dit keer worden geconfronteerd met een heel andere techniek die mede door grootschalig psychologisch onderzoek is geïnspireerd. Het gaat dus niet om het opsporen van profielen van potentiële kopers maar om heel precies uitgezochte individuen met een welbepaald persoonlijkheidsprofiel te bestoken met informatie waar ze zich ongemerkt naar schikken. Zoals vroeger de arbeiders bestookt werd met hel en verdoemenis waardoor ze geloofden voor hun zielenheil te moeten vrezen zodat ze zich dus schikten naar de erbarmelijke omstandigheden, zo gaan de geselecteerde individuen geloven in de informatie die specifiek voor hen bij elkaar is gezocht. Alexander Nix, de zegsman van de firma die dit uitzoekt, ‘Cambridge Analytica’ legt het zo uit:

“five different faces, each face corresponding to a personality profile. It is the Big Five or OCEAN Model (het bekende instrument waarmee de Big Five van het persoonlijkheidsonderzoek worden opgespoord: openness, conscientiousness, extroversion, agreeableness, neuroticism). “At Cambridge,” he said, “we were able to form a model to predict the personality of every single adult in the United States of America.” The hall is captivated. According to Nix, the success of Cambridge Analytica’s marketing is based on a combination of three elements: behavioral science using the OCEAN Model, Big Data analysis, and ad targeting. Ad targeting is personalized advertising, aligned as accurately as possible to the personality of an individual consumer.

De volledige tekst vind je hier. Maar dit staat er tegenover. Zo duidelijk is het dus allemaal nog niet. Oppassen geblazen!

Het is een fluitje van een cent om mensen die bijvoorbeeld niet zo open zijn, een beetje neurotisch, wat opgesloten in zichzelf en gauw op hun teentjes getrapt te confronteren met alternatieve feiten die hun woede aanwakkeren en hun angst vergroten, waardoor een politicus in beeld komt die aan de ellende waarin deze mensen verkeren een einde zal maken. Die geloof je zoals je vroeger de pastoor en de bisschop geloofde.

Er zijn de nodige kanttekeningen te plaatsen bij het gepoch van Cambridge Analytica over de Big Five. Het gaat altijd nog om een selectieve groep mensen die de vragenlijst op het internet hebben ingevuld. En het is maar de vraag of de vijf persoonlijkheidskenmerken waarop de keuze voor de te beïnvloeden groepen is gebaseerd ecologisch valide zijn, dat wil zeggen echt met werkelijk bestaande groepen mensen te maken hebben. Maar dat op die manier politieke zaken kunnen worden beïnvloed is al wel gebleken

In Culture as Embodiment waren we optimistisch over de wereld waarin moderne communicatiemiddelen ervoor zorgen dat bijvoorbeeld machthebbers snel met hun laakbare daden worden geconfronteerd. Ik kijk er nu heel anders tegen aan. Niet dat ik niet geloof in deze nieuwe vormen van communicatie. Maar ik zie de keerzijde. Het betekent dat we ons alleen maar met goed onderwijs tegen het misbruik kunnen wapenen. Maar dan wel onderwijs met verbeelding!

Maar dat zal niet eenvoudig zijn. Het weerwerk tegen de kerkelijke overheden die mensen dom en de bazen die ze arm hielden werd in het verleden geleverd doordat in het kielzog van de politieke maatregelen die de ongelijkheid beteugelden een emancipatie op gang kwam die onderweg ook hele groepen mensen verloor. We weten allemaal dat de jaren zestig zijn uitgewerkt omdat ze een andere vorm van misleiding bracht. In plaats van goed uit te zoeken waar de lotsverbetering werkelijk vandaan kwam, werd het voorgesteld alsof de ideologie van de sociaaldemocratie de motor achter de veranderingen was. Wij hebben in onze boeken al gewezen op die andere motor: namelijk  wetenschap, techniek, handel en het veranderde leefgevoel waar een grote werfkracht van uitging. Natuurlijk moeten we het belang niet onderschatten van dat er wetten ingevoerd die de werktijden regelden, kinderarbeid verboden, beloning eerlijker maakten etc. Er kwamen robuuste instituties die inclusief waren en niet langer meer extractief (zie Why Nations Fail elders in dit blog). De opkomst van de verzorgingsstaat bood mensen uitzicht op materiële genoegens en riep op hun behoeften toegesneden diensten in het leven.

Er zat evenwel een grote maar aan. Waren ze aan de onderkant van de samenleving wel opgewassen tegen de emancipatoire vloed aan leefstijlveranderingen? Nee dus. Er ontstond een klasse die zich afsneed van van deze voorlopers en haar eigen stijl claimde. Daarover gaat het hoofdstuk Status in Culture as Embodiment. Daar komt nog bij dat het scheppen van betere omstandigheden voor de arbeidende klasse en de middengroepen gelijk opging met de toestroom van mensen die voor een habbekrats het vuile werk verrichtten. We ronselden actief arbeiders in het Mediterrane moslimgebied. De nieuwe instroom was dus afkomstig van gebieden waarin de Christelijke beschaving niet dominant was. Daar gold een heel ander regime met niet meteen zichtbare kenmerken. Pas toen deze mensen gezinnen mochten vormen bleek dat zij niet bereid waren tot eenzelfde type emancipatie als bijvoorbeeld de Limburgse arbeider. Religie kwam niet terecht in de privésfeer zoals dat wel werd aangemoedigd toen de ontkerkelijking als het middel werd gepropageerd om dat dom-houden te pareren. Integendeel, de moslimreligie heeft altijd een emanciperende werking gehad omdat deze van meet af aan ook een politieke missie had. Dat blijkt bijvoorbeeld uit dat de moskee een plaats is van armenzorg, een plek waar geen alcohol in de buurt mag komen, de verzamelplaats voor instructies rond opvoeding en de inrichting van het dagelijkse leven. Deze vorm van emancipatie hield tevens in dat er nauwelijks getornd werd aan de macht en privileges  van mannen. Religie behield haar prominente plaats in het publieke leven. Om de immigrant niet tegen het hoofd te stoten werd een soort ‘crypto-verzuiling’ toegestaan waarin geen rekenschap werd afgelegd van deze in de Islam verborgen, politieke en maatschappelijke missie. Dat is de kern van het integratievraagstuk. Extremistisch geweld in deze kring is een apart probleem dat hier min of meer los van staat. Verwar dit niet met radicalisme. Radicalen vind je binnen elk geloof. In plaats van ruiterlijk toe te geven dat met deze herzuiling geen dienst werd bewezen aan een gedeelde toekomst, werden de problemen gebagatelliseerd, ook door de belangrijkste politieke partijen die ofwel het probleem ontkenden of de tegenstellingen uitvergrootten.

Zie hier de voedingsbodem voor de alternatieve feiten, de misleiding en de leugens. Boosheid tegenover deze nalatigheid blijkt immers gemakkelijk te manipuleren zeker nu een en ander nog versterkt wordt door de stroom vluchtelingen. Het lijkt erop alsof de oude wereld zich herstelt en de emancipatie van de onderkant te wensen overlaat. Ze roepen weer om een sterke man en het lijkt of de verlossingsleer die vroeger de vorm kreeg van hel en verdoemenis en de hemel als de plaats waar alles vereffend werd, terug is van weggeweest, maar nu in een seculier jasje. Maar daarover in een volgend blog meer.

Maar ook de hoogopgeleiden stinken erin. Het blijkt uit onderzoek van Koen Damhuis dat er een groep ideologisch gemotiveerde PVV- en Front National-stemmers is die de gevestigde politiek van verzoening en tolerantie scherp afwijst en meegaat met al diegenen die al boos waren, omdat ze zich al veel langer verwaarloosd voelen. De wrokkige sentimenten van ook deze groep zijn gemakkelijk te manipuleren met de moderne middelen van Cambridge Analytica. Achter het vuile spel om de macht waar ook ter wereld steken hordes supporters die op zulke wijze gevaarlijk misleid zijn.
Volgens Anton Sjechovtsov in de NRC van donderdag 16 februari moeten we niet vreemd opkijken als er door Rusland wordt toegewerkt naar een gevaarlijke beinvloeding  van de komende verkiezingen in diverse Europese landen.  Voorwaarde daarvoor is een gemakkelijk beinvloedbaar electoraat. Hoe gemakkelijk, daarover gingen de vorige pagina’s.

PS En dan hebben we het nog niet over “emotion targeting” gehad, het uitbaten van de gemoedstoestand van met name kinderen en jongeren.Hen bestoken met advertenties op het moment dat ze kwetsbaar zijn.

(Onder constructie)

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans & Verheggen | 3 januari, 2017

De onzinnige terugkeer naar geopolitiek

In ons boek Culture as Embodiment kritiseren wij de politieke analyses die zich baseren op geopolitiek en niet op de globalisering van gedrag, niet op wat mensen verwachten van de verbreiding van het wereldwijde succes van de leefstijl die zijn eerste vorm kreeg in de westerse wereld. Globalisering van gedrag is de verspreiding van gedragsvormen die samenhangen met het beschikbaar komen van onmisbare materiele genoegens, gemakken en diensten. Deze zijn het gevolg van veranderingen in levensstijl die in gang zijn gezet door wetenschap, techniek en wereldwijde vrijhandel. Ze raken iedereen en daardoor veranderen de eisen aan het leven van alledag. Dat ervaren mensen heel concreet aan den lijve. Daarmee raakt de bestaande orde op achterstand. Vanzelfsprekend wil ook dat deel  van de bevolking vooruit dat tot dan toe van allerlei privileges werd uitgesloten: vrouwen, jongeren, minderheden etc. Er worden nieuwe rechten en plichten geformuleerd tot en met de manier van omgaan met de aarde zelf aan toe, die overal de wereld op zijn kop zetten. Dat raakt ook aan de politieke orde. Daarvan worden parallelle modelen uitgeprobeerd die ruimte scheppen voor nieuwe gedragsvormen, ondergronds, bovengronds, maar onverbiddelijk. Dat is de globalisering van gedrag met een werfkracht over de gehele planeet. Details en uitwerking staan in Culture as Embodiment. 

Wat Lilia Shevtsova schreef in de NRC van 3 januari 2017 vat het desastreuze van de geopolitiek goed samen: “Nu breken andere tijden aan. In plaats van de globalisering met haar vrijhandel, open grenzen en compromissen breekt een tijd aan van de door het Kremlin zo beminde geopolitiek met zijn verdediging van soevereiniteit, machtsevenwicht en steun op militair vertoon. Wat de Russische machthebbers hebben nagestreefd, wordt nu werkelijkheid. Maar snappen de Russische leiders wel wat dat voor tijdperk is? Het is een tijdperk voor roofdieren en hyena’s: sterke staten, die hun spierballen kunnen laten rollen, zullen de regels bepalen en tevens hun recht verdedigen die regels te doorbreken; voor zwakkere broeders blijft slechts de rol van hyena’s over.”

We benadrukken in ons boek de globalisering van gedrag als weermiddel tegen juist deze vraatzuchtige geopolitiek. Het is een vorm van globalisering die geen verliezers kent want ze is gebaseerd op wat iedereen gewoon voelt en onmisbaar acht. Immers, wie wil geen gezond voedsel, geen veilig water, geen tegengaan van overbodig lawaai, geen onderwijs voor allen, geen beschermde natuur, geen veilige omgeving, geen goed millieu, geen vrije keuze om te gaan met wie je wilt en geen zeggenschap over de vormgeving aan zijn/haar eigen leven die onverbiddelijk samengaat met deze genoegens?  Iedereen wil toch de materiele genoegens en de vrijheid die het gevolg zijn van wetenschap, techniek, handel en het aldus veranderd leefgevoel? Dit is geen hedonisme maar de realisatie van beloften die meekomen met inzichten in hoe de wereld in elkaar zit. Dat ging en gaat heel de wereld over. Het is de afwezigheid van angst omdat er inzicht is verworven in de natuur van zowel de materiele als de sociale wereld.  Die globalisering kent geen vijanden behalve in wie macht en privileges louter en alleen voor zichzelf willen houden. We gaan dat soort oude politiek toch geen nieuw leven inblazen?

Dat wetenschap in deze globalisering een hoofdrol heeft gespeeld en dat nog steeds doet, kun je diskwalificeren met de slogan ‘kennis is macht’ en vervolgens aan het ‘science bashen’ slaan onder de leus dat wetenschap ook maar een mening is die ons met van alles en nog wat opscheept waar we niet om gevraagd hebben en ons laat zitten met collateral damage aan millieu en levensvormen van mens en dier. Maar wie dat denkt vergeet wat hij nooit meer kwijt wil en wat zonder wetenschap nooit zou zijn ontstaan: een wereld waarin het goed is om te leven en waarvan de landen bovenaan de geluksladder, waaronder Nederland, de verwerkelijking zijn. Mannen, vrouwen, kinderen en dieren zijn daar veiliger en verzorgder dan waar ook.
De globalisering van gedrag is verre van abstract. Het gaat over gedragsvormen die overal een parallelle wereld scheppen die de oude zal vervangen. Jongeren, vrouwen, minderheden willen allen leven in zo’n wereld. Zeker onder hen zijn er nog velen die het bij het oude willen houden omdat ze bang zijn macht en controle te verliezen. We hebben dat in onze boeken geidentificeerd als een voornamelijk mannen-probleem, het meest serieuze vraagstuk van dit moment. Op veel plekken op deze aarde slaan mannen wild om zich heen, maar op den duur te vergeefs want deze globalisering zet onverminderd door. Waarom, omdat ze mede wordt gedragen door 50% van de wereldbevolking, vrouwen. 
Deze globalisering mag wat mij betreft in de plaats komen van de abstracte verlichtingsidealen die veel te ver van de mensen afstaan en blijkbaar veel te weinig ijver genereren om ze te realiseren. Ze zijn zo abstract dat ze gemakkelijk kunnen worden afgedaan als elitair. Kosmopolitisme, vrijheid van meningsuiting, democratie, het zijn onvervangbare ‘waarden’ maar waarden bepalen geen gedrag. Ze worden uit wenselijk gedrag afgeleid. Als dat gebeurt door een conservatieve bovenlaag heb je een probleem. Conserveren gaat veranderen immers tegen en bewaart vaak de status quo ten gunste van een geprivilegieerde groep. Bovendien  worden deze abstracte verlichtingswaarden (zoals ik elders uitleg zijn ze voortgekomen uit de gematigde en niet de radicale verlichting) vaak geschonden. Waar heerst echte democratie, echte vrijheid, echt recht doen aan de rechten en plichten van iedereen? Vandaag de dag hebben we de middelen om heel concreet wenselijke zaken af te leiden uit de menselijke ervaring zelf en dat op een manier die iedereen voor de volle honderd procent erbij betrekt. Dat is de democratie van de toekomst. Hoe? Daarvoor hebben we de avant garde van de gedragswetenschap. Ook dat maken we concreet in Culture as Embodiment.

Maar is dit allemaal niet zoete praat? Zijn de gedragsveranderingen die bijvoorbeeld een Rutger Bregman bepleit of die vaak worden geconcretiseerd in De Correspondent, of die welke de Finse regering van zijn burgers verlangt, nu daar met het basisloon wordt geexperimenteerd – allemaal voorbeelden van gedrag met planetaire werfkracht – opgewassen tegen het vuile geopolitieke spel waarvan de beste politici slachtoffer worden? Ik denk van wel. Die gedragingen worden immers door miljarden aangeleerd en die beschikken vrijwel allemaal, ook in Afrika, ook in Rusland en ook in het Midden Oosten, over moderne vormen van communicatie. Geef ik wetenschap een te prominente rol? Misschien. We zullen zien. Maar de globalisering van gedrag gaat onverminderd door. Meestal verborgen wat het deste belangrijker maakt om de idealen van de verlichting te herschrijven in termen van deze globalisering. Dat ga ik meer doen in 2017.
Paul Voestermans

(Under construction)

Gepost door: Voestermans & Verheggen | 19 december, 2016

Racisme etc. revisited

Wat hebben ‘white privilege’, aanmerkingen op de ‘helper whitey’, weerstand tegen ‘cultural appropriation’, de zwartepietendiscussie, etnisch profileren, “black life matters”, superioriteitsdenken en racisme gemeen? Het zijn allemaal termen die de afkerige reactie van witte mensen op gekleurde donkere mensen aan de kaak stellen.

De discriminatie- en white supremacydiscussie is erg oud. In de wetenschap althans. Hij duikt nu op in de publieke opinie. Dat gebeurt onder invloed van tal van recente ontwikkelingen, niet in de laatste plaats doordat de donkere mensen mondiger zijn geworden en hun onderschikking leerden zien als een probleem van de overheersende groep. Mede door de documentaires van Sunny Bergman over eerst de zwartepietendiscussie (“Zwart als roet”) en later het witte vooroordeel (“Wit is ook een kleur”), maar ook door de boeken van Gloria Wekker en Anousha Nzume, beseffen we ineens dat er mensen zijn die zonder dat ze er zelf erg en hebben en ook zonder dat ze meteen kwaadwillend zijn, discrimineren en over de donkere medemens allerlei negatieve denkbeelden hebben. Tot peuters aan toe. Daarbij zijn ze zich niet bewust van hun eigen bevoorrechte positie. Ze merken de voordelen van hun witte kleur niet op.

Hoe komen we aan deze houding en nog beter: hoe komen we ervan af?

Het meeste sociaalpsychologische onderzoek laat deze vragen eigenlijk ongemoeid. Ook het onderzoek naar impliciet of onbewust racisme gaat niet echt in op de vraag hoe we aan die houding komen. Vanwaar dat belang van kleur? Met nadruk erop, ook op de witte schaf je racisme niet af maar versterk je het eerder. In sociaal-psychologisch onderzoek gaat het vooral om de demonstratie van het verschijnsel en de specificatie van de condities waaronder het optreedt. Sociologisch ondervragingsonderzoek is eigenlijk alleen geinteresseerd in de mate van voorkomen. Steeds gaat het dan om persoonsgebonden attitudes die de bron zijn van vertekening. Het is een probleem van het individu. De remedie wordt gezocht in een goede opvoeding en meer op deze houding gerichte persoonlijke educatie. Maar ligt het wel zo individueel? Is het wel een kwestie van dat je als wit persoon helemaal niet inziet dat je van bruin of donker zonder echte reden een negatief iemand maakt? Zozeer dat je die bijvoorbeeld niet in je bedrijf wilt hebben.

Ingrid, mijn partner, dramadocent en altijd gespitst op wat werkelijk speelt als mensen zich op elkaar afstemmen (iets dat op een veel abstracter niveau en conceptueel in ons boek Culture as Embodiment tot een centraal thema is gemaakt), weet de discussie altijd een minder abstracte richting op te sturen. Daar heb ik erg veel aan voor deze blogs. Ze stuurt de discussie dan ook meteen de kant op van veel hardnekkiger vormen van discriminatie die werkelijk overal in elke familie, bedrijf of organisatie spelen: de discriminatie van vrouwen. Mannen doen dat zelden vanuit een persoonlijke attitude, waarvoor een beetje educatie de oplossing is. Het ligt veel gecompliceerder. Wereldwijd heerst er ‘male privilege’. En dat is zeer hardnekkig. Dit probleem behoort tot de top vijf van de wereldproblemen (de overige vier zijn: (1) klimaat, (2) ontregelde voortplanting (overbevolking), (3) sekseongelijkheid (de helf van de wereldbevoking wordt op veel plaatsen fundamentele rechten onthouden), en (4) zwakke extractieve dus niet inclusieve instituties (op veel plaatsen werkt ‘law & order’ slechts voor een heel dunne bovenlaag; zie mijn bespreking van Why Nations Fail).

Zij herinnerde zich het voorbeeld van een collega die altijd thuis kookte terwijl zijn vrouw de leuke dingen deed vanuit het besef dat vrouwen ook rechten hebben behalve het aanrecht (wat de man goed uitkomt). Hij kwam op een keer met het verhaal van een kringgesprek van zijn zoon over mannen, vrouwen, koken en werken. Zijn zoon had in de kring gezegd dat zijn moeder altijd kookte. “Ja maar, zei de collega verbouwereerd, je weet toch dat ik altijd kook”. “Ja zeg, natuurlijk, dat weet ik ook wel, maar daar kan ik in de groep niet mee aankomen. Dat vinden ze raar”.

Snel was door hem met het oog op de groep tegen beter weten geopperd in dat vrouwen in de keuken staan en mannen doen de serieuze dingen. Dat is de orde die meteen, vrijwel automatisch en het gemakkelijkst wordt aangebracht als ernaar gevraagd wordt. Het genuanceerde verhaal is veel te moeilijk. Dit illustreert hoe vooroordelen werken. Vrouwen worden al eeuwen gestereotypeerd, genegeerd, gediscrimineerd en niet voor vol aangezien. Ze staan in de keuken en that’s it. Papa kan nog zo zijn best doen elke dag in de keuken; dat verhaal krijg je niet vertelt zonder je zelf belachelijk te maken. Iedereen denkt echt anders en je past je aan.

Zo ongeveer is ook het verhaal in de wereld gekomen over dat donkere mensen niet deugen. Het keert telkens terug, tegen beter weten in. Het genuanceerde verhaal is te ingewikkeld. Er zijn veel te weinig voorbeelden van het tegendeel, die zijn niet gangbaar en bovendien staan veel donkere mensen of je dat nu wilt of niet met een vaak afwijkende stilering in het leven. De waardering daarvoor vereist een praktische en concrete aan andere groepen gebonden resocialisatie omdat we de afkerige smaak hebben opgedaan in alleen de vertrouwde groep waar we oorspronkelijk toe behoren. Die is wit met een geschiedenis waarvan altijd is verteld dat de donkere mensen ‘beschaafd’ moesten worden, eerst door godsdienst en later door onze cultuur over te nemen. Daarover hebben we in onze twee boeken Cultuur & Lichaam en Culture as Embodiment uitgebreid gerapporteed (hoofdstuk 2). Ze mochten ongehinderd als goedkope arbeidskrachten worden geëxploiteerd. Zeggenschap over hun lot werd hen onthouden en moesten luisteren naar de witte man, ja, vooral naar de witte man. Dat laat geen ruimte voor een ander verhaal, hoezeer we ook weten dat dit allemaal eigenlijk niet kan.

We doen onze gevoelens en denkbeelden over de donkere medemensen op in de groep waartoe we behoren, de groep van witte mensen die zich nooit echt heeft laten confronteren met de mensen van een andere kleur. Ook dat is niet zo vreemd. Immers, wie op Grachtengordel woont kent nauwelijks iemand in Osdorp; woon je op de Kwakkenberg in Nijmegen of in Sonsbeek in Arnhem dan ken je vrijwel niemand uit het Waterkwartier of het Spijkerkwartier. De witte mensen segregeren onderling misschien nog wel meer dan wanneer het om de donkere medemens gaat. En hoe erg is dat? Als het niet leidt tot denigrerende reacties is er weinig aan de hand. Overal kom je de beperkte ervaring tegen met mensen waarmee we liever niet in aanraking komen. Er is niks mis met die mensen en we willen ze niet onheus bejegenen, maar omgang ermee vereist tuning in een groep die ons daar ook echt toe aanzet. De zoon van de vader die kookte wist wel degelijk dat hij geen goed beeld gaf van zijn eigen papa. Maar voor dat die kennis de ruimte kreeg was er al dat gevoel, de feeling voor de meerderheid. Die meerderheid was nog niet rijp voor de echte nuance. Zo zijn ook veel mensen niet voldoende geoutilleerd om om te gaan met mensen buiten hun directe groep. Dat vereist durf om tegen de eigen groep in te gaan.

Reageert de werkgever die zonder erg een sollicitant met de naam Ayça niet aanneemt vanwege juist die naam, maar ook vanwege de hoofddoek en haar donkere huid niet op vergelijkbare wijze? Hij weet wel degelijk dat hij eigenlijk anders moet reageren, maar dat durft hij niet vanwege het team of wat hem verder ook hindert om zijn eigen idee dat het niet uitmaakt, te volgen?

Punt is dat die remmingen precies moeten worden uitgezocht. Mensen voor racist uitmaken helpt daarbij niet. Wat zorgt ervoor dat mensen vergeten dat ze een aantal voordelen – “white privilege” – gewoon in de schoot geworpen kregen omdat de witte mensen vanaf 1500 het gevecht om de hegemonie gewonnen hebben? Pas nu herneemt China, dat voordien toonbeeld van beschaving was, zijn plaats. Pas sinds een paar decennia zijn we ons ervan bewust dat er naast het Christendom religies bestaan met vrijwel een even grote massa volgelingen. Door de immense problematiek in het Midden Oosten worden we geconfronteerd met grote groepen vluchtelingen die terecht een veilige plaats opeisen omdat dit hun afgesproken recht is. Armoede in Afrika betekent dat ze bij ons proberen te halen wat hen al eeuwen onthouden is. Dat levert confrontaties op die de witte mensen bewust maken van hun positie. Die is niet langer meer boven maar naast die van de donkere medemens.

De enige remedie is ontmoetingen waarin wit en donkerder samen iets ondernemen. En focussen op geslaagde vormen van verbinding en aandacht. De media mogen best mislukkingen onder de aandacht brengen mits die dan ook voldoende gekwalificeerd worden door meteen uit te zoeken onder welke precieze omstandigheden dit soort ingesleten racistische praktijken voorkomen. In Cultuur & Lichaam, en in Culture as Embodiment staat handzaam opgeschreven dat racisme en superioriteitsdenken voortkomen uit groepgebonden afstemmingspraktijken. Het zijn geen eigenschappen van losse individuen van wie je incidenten kunt rapporteren in de veronderstelling dat daarmee de kous af is. Dat is luie journalistiek. Zoek de automatismen op, identificeer de intrinsiek sociale groepen, ga na hoe de affectieve sturing in zijn werk gaat en vertel daarover. Dat neemt in elk geval de indruk weg dat je van racisme afkomt door opvoeding en onderwijs waarbinnen op louter verbale wijze de juiste cognities of opvattingen worden aangebracht. Zo identificeer je niet de echte bron van witte privileges. Die ligt in de groepsvorming met de daarmee samengaande onbewuste affectieve tuning. Je zag het goed in de documentaire ‘Wit Is Ook Een Kleur’: op een dag voor mariniers wilde niemand van de daar aanwezige groep mannen dat hun boegbeeld Michiel de Ruyter slavenhandelaar werd genoemd. En onderling werd er veel gelachen over het witte vooroordeel. Zo werkt het.

En verder, strenge regelgeving voor wat wettelijk niet geoorloofd is in de confrontatie. En instellingen van handhaving die echt werken. Geen overdaad aan regels maar een paar die helder en duidelijk zijn. Je moet weten waar je terecht kunt wanneer je bij sollicitaties een afwijzing krijgt op basis van opzichtige kenmerken die geen relatie hebben met de uit te voeren taken. Dat geldt ook voor aanhoudingen met een vergelijkbaar motief.
Daarmee is het raadsel nog niet opgelost waarom van Europa tot Amerika maar ook van Azië en Australië tot Afrika de afkeer en dus de discriminatie toeneemt naarmate de huidskeur donkerder wordt. Wie doe een voorzet?

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans & Verheggen | 28 november, 2016

Identiteit is hot

Identiteit is hot, maar daarmee ook een heet hangijzer. De zwarte pieten beweging, de discussie over ‘white privilege’, en ‘cultural appropriation’ (het zich toe-eigenen van culturele kenmerken of eigenschappen zonder ooit iets van wat die kenmerken of eigenschappen aan last met zich meebrengen ervaren te hebben; dus waar praat je over?) wijzen allemaal erop dat identiteit zeer gevoelig ligt. Zwart realiseert zich pas in deze tijd van heftig verzet tegen alles wat vreemd en gekleurd is, dat er altijd een wit heeft bestaan dat zich nooit hoefde te verantwoorden. Wit kreeg ongevraagd een head start op bijna elk gebied. Zwart kreeg nooit zomaar iets voor niets. Identitaire bewegingen zitten in de lift en zorgen voor nieuwe partijen, of het nu voor ouderen is of voor de gekleurde medelanders. Steeds gaat het om het eigen gezicht, de eigen groep, de eigen stijl, de eigenheid an sich. Met natuurlijk als groot gevaar: verdeeldheid. Als de ene groep zichzelf bevestigt tegenover een andere ontstaat er al gauw onenigheid over de vraag wie de piketpaaltjes mag slaan en grenzen mag stellen. Wie gaat zich aan wie aanpassen? 

Maar er is een nog groter gevaar: identiteit zorgt gemakkelijk voor een verdeel en heers politiek die de uitbuiting als gevolg van de neo-liberale politiek een handje helpt. Het probleem van de elite is niet dat zij het volk tegenover zich vindt dat ontevreden is over haar rol en functioneren, maar dat de elite zelf verdeeld is en voor een deel identitaire politiek bedrijft en daarvoor aanhang verwerft in eigen kring en onder het volk. Immers, door identitaire beginselen zoals de eigen moraal, de eigen religie, de eigen sekse of eigen seksuele variant in extremis te benadrukken en geen gemeenschappelijke taal te ontwikkelen voor deze thema’s (wat wel kan door het bijv. over spiritualiteit te hebben die breed aanspreekt en door het soort moreel esperanto te ontwikkelen, waar Paul Cliteur een voorzet voor heeft gegeven), kan steeds weer opnieuw de politieke aandacht moedwillig verplaatst worden naar de conflicten die ‘identiteit’ met zich meebrengt, in plaats van te werken aan de herverdeling van de welvaart en het verminderen van de ongelijkheid. Links heeft zich de bekommernis om deze zaken volledig uit handen laten slaan door zich excessief met ‘identiteit’ te bemoeien. Zodoende kwam er ruimte voor ‘allochtonenbeleid’ dat meer ging over behoud van cultuur dan over behoud voor iedereen van welzijn en welvaart. En wie gingen daar weer tegenin? Ja juist, de witte verongelijkte man en vrouw uit alle lagen van de bevolking. Niet eens zozeer om het geld, maar om het verlies van, jazeker, de eigen identiteit, onzeker als hij is van hoe lang hij die nog kan botvieren. Maar ook uit angst verworvenheden zoal vrouwenrechten en homohuwelijk etc. te verliezen; dat is ook meteen de ambivalentie.

We zien de gevolgen: brexit, Trump, Frankrijk aan de vooravond van de overname van het presidentschap door een identitaire beweging of in het andere geval van een verharding van het conservatisme waarin het eigen volk so wie so voorgaat (wit voert immers ook identiteitspolitiek), Duitsland in afwachting van het succes van een alternatief dat ook met identiteit aan de haal gaat in plaats van met echte problemen, Nederland idem dito. Sociale rechtvaardigheid en de ongewenste reproductie van machtsverhoudingen waarin gewone mensen kind van de rekening worden staan nauwelijks nog op de politieke agenda. In plaats daarvan zaaien identitaire bewegingen op de politieke flanken overal verdeeldheid die evenwel vooral de middenpartijen vermorzelen tussen bijvoorbeeld verongelijkte ouderen die hun heil zoeken in de bescherming van de verworven rechten, waarvan ze denken dat die op de tocht staan en gekleurde medemensen die overal witte privileges zien ook al hebben ze van iets vergelijkbaars geprofiteerd. Immers, hoe konden ze anders voor hun rechten opkomen dan door gebruik te maken van waarover de witte medemens vanzelfsprekend beschikt: scholing, huisvesting, sociale zekerheid om maar een paar zaken te noemen? De grote partijen hebben het gedaan omdat ze zich hebben mee laten slepen in discussies over cultuur en religie in plaats van op te komen voor de verbetering van de leefomstandigheden van de groepen voor wiens cultuur en religie ze zo gretig ruimte maken. Allemaal afleidingsmanoeuvres.

We moeten de raad van John Greenwood in zijn boek Realism, Identity and Emotion: Reclaiming Social Psychology opvolgen en niet langer meer het zelfstandig naamwoord identiteit gebruiken maar het maak-werkwoord ‘identying’, of te wel ‘identiteren’. Vanuit het werkwoord geredeneerd is iedereen bezig met zichzelf te profileren met behulp van alles wat iemand een eigen gezicht geeft: leeftijd, opleiding, sekse, geaardheid, plaats, tijd, geloof en etniciteit en wat al niet meer. Juist door van identiteit een activiteit te maken in plaats van een gegevenheid ga je beter letten op de voorwaarden waaronder dat zo begeerde eigen gezicht verworven kan worden. In Culture as Embodiment zeggen we het zo:

“Fortunately, people are members of different groups at the same time, certainly today. John Greenwood (1994) advocates the introduction of the term “identying.” The notion of identity no longer refers to some sort of state but to a collection of identity projects: active efforts to become who you want to be. Identying is possible because hardly anyone in modern society needs to remain fixed in their own group against their will. School, street, home, leisure, and work all comprise places and arrangements in which the styling of behaviors and experiences can be practiced, in order to fully profit from life in such a modern society”.

Dan komt ook de politieke agenda in het vizier die opgesteld moet worden voor het bereiken van een plaats voor iedereen. Het heeft geen zin de Marokkaan, Turk, oudere, vrouw of homo uit te spelen tegen de Nederlander, jongere, man of hetero als onduidelijk blijft wat er te winnen valt met de nadruk op identiteit. Voor je het weet krijgen we het over de wenselijkheid van deze of gene levensstijl in plaats van over wat het voor iedereen mogelijk moet maken zijn eigen roep te volgen. Voor je het weet staat het individu in dienst van de groep in plaats van omgekeerd dat de groep zorgt voor een optimalisering van de omstandigheden waaronder iedereen zichzelf kan zijn. Niemand kan zonder verbinding en aandacht. Daarvoor is de groep onontbeerlijk. Het scheppen van voorwaarden voor deze twee behoort op de politieke agenda en niet de ruimte voor deze of gene identiteitsbeweging waarin de enkeling wordt opgeslokt of gelijkgeschakeld. Dat zorgt alleen maar voor mist die het zicht op wat politiek kan worden bereikt vertroebelt. Immers, de macht kan deze bewegingen misbruiken voor louter eigen gewin. De ongelijkheid neemt toe en de machteloze onderkant zinkt nog dieper weg, terwijl de rijke bovenlaag terugschurkt in de zalige politieke lethargie van het goed zaken doen.

Paul Voestermans

 

Gepost door: Voestermans & Verheggen | 9 november, 2016

De oude wereld geeft nog een nabrander

Creatieve destructie geldt niet alleen de industrie; ook politieke systemen zullen eraan moeten geloven. We moeten door Trump, Wilders, Le Pen, AfD en IS heen. De oude wereld geeft nog een forse nabrander. 
Ik blijf trouw aan de concepten die we klaar legden in Culture as Embodiment en Cultuur & Lichaam: parallel aan de oude wereld ontwikkelt zich een nieuwe, waarin het oude hedonisme wordt vervangen door de werfkracht van wat we niet meer kwijt willen. Wat dat is heb ik elders in deze blogs uitvoerig beschreven. Dat zal heel de wereld over gaan, wat op zijn beurt weer zal zorgen voor een globalisering van gedrag op de gebieden die in deel twee van onze boeken uitvoerig worden behandeld: man/vrouw, oud/jong, vreemd/eigen, hoog/laag en gelovig/ongelovig. De kern van waarvoor iedereen zal vallen is niet alleen zoiets abstracts als de rechtsstaat of democratie maar heel concreet een plaats voor iedereen en geen groep met privileges. Wilt u een klein oerhollands signaal? Zwarte Piet wordt tot roetvegen uitgegumd. Daar zijn de meeste mensen voor, want de gekleurde medemens is het zat om achtergesteld te worden. Daarvoor is hij of zij al teveel doordrongen van de kern waar het om gaat. Dat het zo lang geduurd heeft en men zich nu pas roert in bijvoorbeeld de zwartepietendiscussie  of de discussie over etnisch profileren en witte privileges heeft alles te maken met de hardnekkigheid van gedragspatronen waar we in de beide boeken een verklaring voor geven. Maar eerst moeten we door fors verweer van het oude heen, breken met mensen die alleen wit willen en geen kleur.

Afbraak is ook een kans en wie weet zijn er verstandige adviseurs te vinden die de creatieve destructie goed begeleiden. Eerst maar eens kijken wat Trump gaat doen. Maak hem niet te groot in elk geval want dan komt uit wat je daarmee doet. Dat neemt niet weg dat het oude in een kramp ligt met in het kielzog nog wat verongelijkte jongeren op weg naar het rafelige kalifaat. Sommigen die nog hier rotzooi trappen. Witte gezichten ook die met oude symbolen wapperen. We moeten erdoorheen.

Het zal veel leed geven. Ik weet niet hoe dat te voorkomen. Maar over twee, vier, 6, maar vrijwel zeker 8 jaar kiezen de krachten waar VRPO’s Tegenlicht van zondag 6 november over ging en teleurgestelde zwevende kiezers een nieuw congres en een nieuwe president op basis van de ervaring met Donald Trump. Er is blijkbaar geen andere weg. 

Geschiedenis is op een punt echt veranderd: hij gaat in een hogere versnelling.

Geloof niet de analytici die beweren dat het de ontvreden onderklasse is die voor deze uitkomst heeft gezorgd. Zeker die is er en deze mensen roerden zich. Maar daar staat tegenover dat zes van de tien universitair opgeleide kiesgerechtigden zo staat in de Volkskrant van 10 november, aan deze uitkomst heeft bijgedragen. Die willen het systeem kapot  hebben, denk ik dan. Hetzelfde probleem bestaat hier met Wilders. En bedenk: meer dan 40% stemde niet. Onverschilligheid is dus eigenlijk de boosdoener. Sommigen zeggen dat Trump een goed concurrerend verhaal had dat apelleerde aan diep ingesleten gevoelens zoals de behoefte aan troost van een sterke man die het wel even regelen zal of die Amerika van smetten vrij zou houden. Er zullen vast mensen zijn die aan zoiets geloof te hechten, gewend als ze zijn aan een God die hen beschermt en rein houdt. Ik denk dat we nuchter moeten aanvaarden dat er zulke mannen als Trump opstaan en gehoord worden eenvoudigweg omdat veranderen moeilijk is .

Wie van de oude wereld die nabrander precies uitdeelt en waarom is iets om eens goed uit te zoeken. Een erg goede aanzet vond ik hier:  <https://hbr.org/2016/11/what-so-many-people-dont-get-about-the-u-s-working-class>. Populisme is bijvoorbeeld een van die fenomenen waarover nog geen goede theorie is ontwikkeld. Namens wie spreekt het? Welk volk? Lijkt het niet meer op de gevestigde politiek, dan we willen toegeven, zou mijn vragende voorzet zijn? Het komt erop aan de juiste vraag te stellen of het juiste probleem bij de kop pakken. Dat is het euvel met veel sociaal wetenschappelijk onderzoek: geen goede vraag hebben en dan maar wat ondervragingen op mensen loslaten. Als het waar is dat zoveel hoogopgeleiden meedansen in de populistische wals die over ons heen komt, dan wordt het hoog tijd nauwkeurig naar de beweegredenen te kijken. Werk aan de winkel voor cognitive & affective science (= psychologie). De mensen zijn niet gek. Teveel wordt toegedekt: verouderde morele waarden, misdaad bij sommige groeperingen van minderheden (maar geef dan niet ‘de cultuur van….’ de schuld), amoreel gedrag bij bankiers (niet met de ‘bankcultuur’ aan komen zetten), het zoeken van destructief korte-termijn voordeel van sommige hedgefondsbeheerders, heerszucht bij de dominante witte man (niks testosteron!), de amorele vastgoedbeheerder. Zoek het beter uit met de juiste vragen.

En dan nog iets: anticipeer erop dat iets vergelijkbaars in Nederland kan gebeuren. Maar ook hier moeten we nog goed uitzoeken hoe het precies zit. Ik riep het hier al vaker: gedragswetenschappers, waar zijn jullie? Nee, niet sociaal-wetenschappers, ook niet sociologen, want die zijn onvoldoende toegerust om de leefwereld en motieven te onderzoeken.

Paul Voestermans

Older Posts »

Categorieën