Gepost door: Paul Voestermans | 5 juni, 2021

De intrinsiek sociale groep: individualisme en autonomie revisited

Carlo Rovelli: “We are not entities, we are relations”

Er is me al vaker gevraagd waarom ik zoveel nadruk leg op het belang van de groep voor het verwerven van autonomie en individualiteit. Groepen zijn toch juist een bedreiging van iemands individualiteit doordat groepstoebehoren conformisme in de hand werkt.

Intrinsiek sociale groepen staan lijnrecht tegenover aggregaatgroepen: groepen die door buitenstaanders worden geconstrueerd voor bijvoorbeeld beleidsdoelen: de groep van tieners of vijftig-plussers, de groep van CDA stemmers, de groep van lage inkomens enz. Daar is doorgaans geen sprake van bewust lidmaatschap, al kunnen groepen daarbinnen wel een gemeenschappelijke identiteit ontwikkelen, zoals klasse- of generatiebewustzijn.

Het is welhaast paradoxaal: een echt autonoom individu word je alleen door het streven ernaar op te doen in een intrinsiek sociale groep. Dat is niet een kunstmatig geconstrueerde groep, maar een groep waarin je – in het volle besef van lidmaatschap – heel je hebben en houden investeert. Je kunt lid zijn van meerdere groepen. Het gaat bijvoorbeeld om het gezin of de vriendengroep. Maar ook om wie je bij uitgaan zeer regelmatig treft, waar je elkaar op drank tracteert, of waarmee je samen actie voert of radicale standpunten ontwikkelt. Punt is bewust lidmaatschap en investering. Groepsdenken waar velen een natuurlijk afkeer van hebben, is een duidelijk teken dat de groep over het indivudu heerst in plaats van er een bedding aan te verlenen. Gek genoeg gaat de afkeer van groepsdenken vaak geruisloos over in een algemene weerzin tegen groepen. Dat is niet handig: zo komen individu en groep tegenover elkaar te staan. We kennen het team als de groep die elk individu tot zijn recht laat komen. Dus zomaar afgeven op groepen is een miskenning van zijn essentiele functie.

Waarom zijn intrinsiek sociale groepen van groot belang om individualisme te begrijpen? Omdat niemand ooit ‘ik’ heeft leren zeggen zonder eerst als jij te zijn aangesproken. Voor er een ik bestaat, is al een jij. Een jij dat door deze ouders benoemd is geworden – een naam heeft gekregen. Een jij kortom, dat hoort bij dit gezin, dat weer op zijn beurt huist in deze buurt, met ouders die in deze groep vrienden zijn ingebed en van wie de smaak is gevormd in zeer specifieke kerngroepen van sociale klasse, collega’s op het werk, vrienden enz.

Dit wijst op het primaat van het sociale bij werkelijk alles en dus ook: individu worden, autonoom zijn, en…ja, ook dat is een sociale aangelegenheid: persoon worden.

Monica Meijsing zegt het in Waar was ik toen ik er niet was zo: “personen zijn dus organismen die door andere personen opgenomen worden in de menselijke gemeenschap. Betekent dat dat we het niet verkeerd kunnen doen? Als personen precies diegenen zijn die door andere personen als zodanig benoemd en bejegend worden, gaat dat dan per definitie goed?”

Een belangrijke vraag. Het antwoord: nee! dat gaat niet altijd goed. De sociale inbedding is geen garantie op een vorm van autonomie, persoon zijn of individualiteit waaraan geen rafelranden zitten. Er is bijvoorbeeld altijd gevaar van uitsluiting wat een geschonden ik of zelf kan opleveren. Of de wrok om geleden leed kan zo woekeren in de groep dat elk lid erdoor beschadigd is. Dus kan het wel degelijk goed verkeerd gaan. De groep is geen garantie want daarin worden zowel deugdelijke als ondeugdelijke gedragspatronen afgewogen en op elkaar afgestemd. Dat is een van de centrale ideeën in Culture as Embodiment: geen zelf, ik of persoon zonder een groep. Afstemming, fijnregeling en ijking in de groep zijn onontbeerlijk bij worden wie je bent, altijd en overal. Met geen garantie op succes.

Je zegt niks teveel als je beweert dat het sociale in de filosofie, menswetenschap en zeker in de wetenschap van het brein een mager bestaan leidt. Het obligate “de mens is een sociaal dier” wijst daar al op. De sociaalpsycholoog Joop Goudsblom maakte al bezwaar tegen dat enkelvoud, dus tegen ‘de mens’ in deze slagzin; het gaat altijd om meervoud. Mensen, meervoud dus, zijn sociale wezens. En vaak komen de wetenschappers en filosofen niet verder dan hier daar wat afgeven op kuddegeest of op group think waardoor het sociale in de kwade reuk van conformisme en gebrek aan eigenheid komt te staan.

Hoe onontbeerlijk gedragsafstemming ook is, regelmatig vindt er totaal verkeerde gedragsafstemming plaats. Dan versterkt de groep ondeugdelijk – laten we het maar bij zijn naam noemen: onmaatschappelijk gedrag. Right or wrong zijn beide door en door sociaal.

Wordt vervolgd

Al weer een acht jaar geleden, in 2014, stonden zowel in de Volkskrant als in de NRC overzichten van wat er met de wereld aan de hand is. Is er veel veranderd? Destijd somde Paul Brill in zijn column de brandhaarden op en stelde somber vast dat er geen hek om het Midden Oosten kan worden geplaatst want het probleem is al teveel met de Westerse wereld vervlochten geraakt. De NRC gaf Niall Ferguson de ruimte in te gaan op de parallellen met augustus 1914. Hij wijdde een uitgebreide analyse aan het onverwachte karakter van het gebulder van de kanonnen destijds. Juist dat onverwachte is zo verrassend. Zelfs de financiële markten hadden niets in de gaten, toen niet en nu niet. Geblunder was in feite de oorzaak van de oorlog. Dat is ook nu weer het gevaar, aldus Ferguson.

In diverse artikelen in dezelfde krant stond “de zomer van de brandhaarden” beschreven: Gaza, Oekraïne, Syrië. Maar voeg er gerust Afghanistan, Libië, Jemen en Egypte aan toe. In het boek Zwarte Golf van Kim Ghattas staat uitvoerig wat nog steeds de effecten zijn van het jaar 1979: de Revolutie van Khomeini in Iran, en de religieus-fundamentalistische opstand in de stad Mekka in Saoedi Arabië.

Politicologen die de geopolitieke situatie proberen te analyseren weten altijd wel een verklaring te vinden. Ze zoeken het in de complexe relaties in dat gebied. De elite van Saoedi-Arabië, bijvoorbeeld, steunde destijds heimelijk de stichting van de zogenaamde “Islamitische Staat” (IS) en nog steeds is IS niet uitgespeeld. Iran is nog steeds gevaarlijk en wil een hegemonische positie in de regio wat SA niet zint. Met alle gevaren van dien. Het Israelisch-Palestijns conflict blijft een heet hangijzer. Israel riep en roept kritiek op met zijn nederzettingenpolitiek. Al weer lang geleden kregen de Palestijnen in zoverre steun dat hun uitzichtloze situatie veel vergoelijkt van wat van de zijde van Hamas uit wanhoop wordt ondernomen. Maar het liefst heeft men nog steeds graag een kordate Palestijnse Autoriteit die de revolutieneigingen weet in te tomen. Zo’n bewind zat er aan te komen, maar op een onverdeelde Palestijnse autoriteit zit het bazige Israel niet te wachten en dus traineert Netanyahu de zaak. Geweld zou überhaupt geen optie mogen zijn als gewone burgers dicht op elkaar zitten in door en door gemilitariseerd gebied, maar het wordt wel gebruikt en fors. Zelfs dat geweld is geen doeltreffende breekijzer gebleken om de vredesbesprekingen weer vlot te krijgen.

Alles goed en wel: dit is politiek. Maar waar blijven de analyses in termen van mensen, mannen vooral, van vlees en bloed die met geweld hun wil opleggen, gemotiveerd door een sektarisch religieus bewustzijn? Is wel sprake van religieus bewustzijn, of is het iets anders? Wat dan wel? Antwoorden op dit soort vragen is geen zaak van politieke analyse maar van psychologie maar dat wel van het type dat in onze boeken staat met veel aandacht voor gevoelens, praktijken, automatismen, groepstoebehoren, sensorium en arresten.

Of het door de “verStapeling” van de psychologie komt, mensen willen niet nadenken over gedrag en motieven. De journalist niet, de politicoloog niet, en de gewone burger al helemaal niet. Die is zo door science bashing van de wijs gebracht dat hij zich liever suf leest aan analyses van het type dat elke krant in overvloed biedt. Maar wat gebeurt er nu echt in het Midden Oosten? Wat motiveert deze mensen – mannen hoofdzakelijk?

Motivatie lijkt een zaak van overtuigingen en opvattingen, die bijvoorbeeld op het Internet worden gevonden en worden gekoesterd vanwege de uitzichtloze situatie waarin de mensen daar verkeren. Maar zo abstract is het helemaal niet. Waar halen de jongens die daar met IS vlaggen zwaaien of in Aftika onder de vlag van Boko Haram de boel terroriseren die onstilbare honger naar geweld en vernietiging vandaan?

Wij pleiten in ons boek Culture as Embodiment ervoor ook te letten op waar het sensorium, waarmee elk mens zich richt op zijn omgeving, afgesteld raakt. Dat gebeurt in concrete sociale omstandigheden maar ook in een concrete fysieke omgeving. Architecten en stedenplanners zijn niet voor niets met de omgeving bezig. Is die fraai dan roept hij op tot zorgzaamheid en aandacht. Gaat het om slordig bij elkaar gezette onderkomens langs ongeplaveide stoffige wegen dan stimuleert dat de zorgzaamheid niet. De jongens die met de zwarte vlag zwaaien leven in steden waarvan het centrum misschien een beetje lijkt op de moderne metropolen die we kennen, maar in de buitenwijken en de dorpen zijn de huizen opgetrokken van spul dat nauwelijks uitnodigt er zorgvuldig mee om te gaan. Er is niets om zorg voor te dragen. Moeders en grootmoeders begieten dan wel de plantjes in blikken bussen buitenshuis, ook in de gebieden die IS nog steeds bevolkt, maar eigenlijk overheerst wat je de ‘nomadisering’ van het bestaan zou kunnen noemen: een leven zonder binding aan een plek.

Al eeuwen hebben de mannen hier nooit geleerd ook maar enige zorg te besteden aan waar ze verblijven. Het Westen kun je verwijten dat ze op dat punt vrijwel niets in de regio hebben geïnvesteerd, maar dat verwijt helpt nu niet. Nog steeds zijn hun leefgebied ondanks de olie de wegen door de woestijn langs dorpen en hele stadswijken met lemen huizen. Dat mag dan pittoresk zijn en van heel andere standaarden getuigen dan de onze maar aanzetten tot zorgzaamheid voor de omgeving doet het niet. Natuurlijk zijn er centra die er uitnodigend uitzien, maar beeldbepalend is de eeuwige trek van plek naar plek. De jongens zijn altijd onderweg. Zijn ze eenmaal de baas in een gebied waar ze hun zinnen op gezet hebben dan mag alles weg, kapot, want het stelt toch al niet veel voor en zeker niet als het van mensen is met andere overtuigingen en manier van leven. Ze hebben er geen binding mee. Een leven van zorgen en koesteren motiveert hun niet. Frustratie is hun deel.

Hun leermeesters en leiders zagen de decadentie van het westen al in Parijs, in het midden van de vorige eeuw in de hoogtijdagen van de koude oorlog waarin wereld verdeeld was tussen kapitalisme en communisme, maar ook eerder al. Daar kregen ze hun politieke vorming. Maar wat zagen deze voormannen echt? Was het niet telkens weer opnieuw iets wat hen totaal vreemd was: vrouwen en mannen die elkaars wereld herkennen en erkennen, die elkaar beïnvloeden en uitnodigden tot aandacht en zorg voor elkaar? Natuurlijk was er ook botheid en losgeslagenheid. Die mogen dan beeldbepalend zijn geweest, daarmee wordt geen recht gedaan aan de solidariteit tussen de seksen.

Die decadentie is er in de ogen van hun volgelingen nog steeds. Waar hun moeders en grootmoeders van houden en waar elke vrouw duidelijk meer op is afgestemd, wordt verre van hen gehouden doordat vrouwen een totaal andere wereld vertegenwoordigen. Die andere wereld dringt op geen enkele wijze de hunne binnen. Deze afscherming gaat onder het mom van seksuele moraal, maar wat er werkelijk speelt is niet de mannelijk lust. Het is het onvermogen te delen in zorg en aandacht voor de dingen om ons heen. Ik overdrijf niet: de hordes vechtlustige mannen op tanks en met de modernste wapens, uitgerust met navigatie- en oriëntatieapparatuur waardoor ze sneller kunnen oprukken dan verwacht, gaan niet voor opbouw en zorg maar voor een vernietigend machismo. Als overgeschoten zonen van vaders die ook niet veel te makken hebben zijn ze perspectiefloos en smachten naar avontuur. Ze willen met hun kameraden te hoop lopen tegen alles wat hun wereld mooi en goed zou kunnen maken: niets dat ook maar riekt naar het westen, niets dat ook maar een zweem van de wereld van de vrouw vertegenwoordigt. Wie helpt hen daar beter bij dan de leiders en leermeesters die op Internet in naam van Allah en religie hun eigen agenda hebben: een wereld in die weer opnieuw naar Allahs model ingericht moet worden. Dat zeggen ze tenminste maar bedoelen ze niet een wereld waarin zij het voor het zeggen hebben en die alleen maar hun kijk op de dingen vertegenwoordigt? Maar dan moet wel eerst alles kapot wat ook maar enigszins van dat model afwijkt.

Wie zijn het slachtoffer? Op de eerste plaatst de vrouwen. En natuurlijk probeert men de westerse wereld de stuipen op het lijf te jagen met middeleeuwse praktijken. Kerels die het liefst met hun tenten van plaats naar plaats trekken hebben niets met vrouwen die plantjes begieten en een stukje land en een gebouw tot een verblijfplaats maken om daar met de kinderen vorm te geven aan een leefbaarder wereld. Ze zwaaien liever met een zwarte vlag waarmee ze laten zien dat ze opkomen voor de Islam, tegen het westen waarvan ze wel de smartphone, Internet, wapens en tanks overnemen maar niet de zorg om onszelf en de ander. Ze geven geen zier om een beter leven voor allen. Ze gooien liever alles kapot om zo de eigen club te vestigen op een plek waaraan ze met niets verbonden zijn. Het zijn ontwortelde jongens met vaak grote psychische problemen.

Het Westen gaat overigens niet vrijuit. Het heeft in de periode van meer dan een eeuw dat het daar zit alleen de olie onder het zand vandaan gehaald, maar verder geen cent in deze regio geïnvesteerd. Daar was de koloniale politiek en het protectoraatschap van destijds niet op gericht. Ook in Azië is niet zo geïnvesteerd dat het op den duur op eigen benen kon staan. China werd vernederd met de opiumhandel om de voor Engeland nadelige handelsbalans te corrigeren. De oorlogen die daarmee gepaard gingen zijn nog steeds een bron van wrok. Xi kan dat nog steeds uitbaten ten gunste van zijn autocratische politiek. In India werd de bureaucratie grotendeels bemand met eigen avonturiers. Afrika werd onderling verdeeld met alle nare gevolgen van dien. Als ‘woke’ iets te betekenen heeft dan is het dat het besef van dit soort grove nalatigheden en vernederingen wel mag groeien. Verder is de sentimentele wrok die met dat woke-gedoe meekomt irritant en disfunctioneel. De wrok van China, en die over slavernij of Indonesië zal het probleem niet oplossen van dat mensen met zo’n verleden in die regio’s en daarbuiten, onvoldoende erkenning krijgen. Die erkenning komt van meer kennis en inzicht, d.w.z. door scholing alleen.

Kort en goed, het Westen heeft weinig gedaan aan het bestuurklaar maken van hun wingewesten. Van scholing en educatie is nauwelijks iets terecht gekomen. Dat leverde je reinste roverskapitalisme op. De lokale elite had die houding al en zag die versterkt. Van oudsher is er geen bekommernis om de verheffing van het volk. Dat bleef keurig zijn matje uitrollen. Dat alleen al is opmerkelijk. Terwijl overal ter wereld de clerus er van langs kreeg, eigenlijk al sinds Spinoza in de zeventiende eeuw er mee begon, bleef in het Midden Oosten deze mannenwereld intact. Op wat machteloos marxistisch geëmmer na over nieuwe sociale verhoudingen bleef het opvallend stil. Aan die kritiek lag een ideologie ten grondslag afkomstig van de Parijse elite die na de tweede wereldoorlog de politiek op een dood spoor zette. Lees daar Politicide van Luuk van Middelaar nog maar eens op na. Dat heeft deze regio van de regen in de drup gebracht want de nationalistische en seculiere regimes die daaruit voorkwamen draaiden allemaal uit op het met geweld opleggen van een utopie zonder zich werkelijk ook maar van enige concrete zorgtaak te kwijten.

Steeds hetzelfde soort mannen is erbij betrokken. Mannen die nergens zorg voor hoeven te dragen. Dat wordt overgelaten aan de wereld van de vrouwen waar ze niets mee te maken willen hebben. Ooit waren in dit gebied mooie steden, wordt er gezegd. Maar zelfs dat is een overschat aspect van deze regio. Immers, buiten de bouw van paleizen en moskeeën voor de mannelijke wereldlijke en religieuze elite is er verder nooit iets geweest. Als ze daar nu profiteren van wat het westen te bieden heeft is dat profiteren van iets waar ze nul komma nul aan hebben bijgedragen. Nu niet en vroeger niet. Beschavingshistorici roemen het verleden van wiskunde, medicijnen en filosofie uit die streek maar daarvoor moet je heel ver teruggaan. Waar het om gaat is dat de helft van de mensheid compleet wordt genegeerd. Op wat schermutselingen van een paar verlichte vrouwen na zit de rest thuis en kan geen kant uit. Ze zijn goed voor een half uur televisie op Westerse zenders en misschien worden ze onderschat, maar kijk je naar het optreden van de gewapende milities dan zie een horde die voor heel andere zaken interesse heeft opgevat dan voor het goede leven. Wat hiertegen helpt is scholing in de groep van gematigde experts die op zijn minst moet worden uitgebreid met vrouwen van wie de ervaringwereld nu zo drastisch buiten de deur wordt gehouden.

(Onder constructie)

Paul Voestermans

Gepost door: Paul Voestermans | 2 april, 2021

Lale Gül: ik ga leven…tegen culturele arresten in!

In onze boeken Cultuur & Lichaam en Culture as Embodiment hebben we een nieuwe term geïntroduceerd: culturele arresten. We hebben met culturele arresten te maken zodra mensen vasthouden aan gedragspatronen die zijn opgedaan in omstandigheden die niet meer van toepassing zijn in de nieuwe leefomgeving. Ze zitten ook een liberale vorm van religieus geloven in de weg.

Arresten zijn het resultaat van menselijk doen en laten in het land van herkomst of, veel algemener, in de situatie waarin men vroeger was en die niet nu niet meer geldt. In het herkomstland leerde de nieuwkomer zich te gedragen conform de gebruikelijke, aanvaardbare en soms afgedwongen manier van doen. Maar in het land van aankomst zijn de aangeleerde patronen in veel gevallen niet langer afgestemd op wat in een moderne samenleving te doen gebruikelijk is. Daar komt bij dat als je de reacties van bijvoorbeeld van Tommy Wieringa in de Volkskrant van 30 december 2018 mag geloven, veel mensen het niet eens zijn met wat de nieuwkomers aan gedragsvormen importeren. Hij heroverweegt in het interview dat hij met Laura de Jong heeft het openstellen van grenzen: er komen teveel mensen binnen met opvattingen, gevoelens en praktijken die duidelijk een stap terug zijn. De ontvangende gemeenschap heeft zich immers in veel gevallen eraan ontworsteld.

De nieuwkomer zoekt veiligheid in de ingeslepen patronen om de boze buitenwereld op afstand te houden. Verwar daarom kritiek op deze arresten niet met islamofobie. Er is geen enkel bezwaar kritiekmte hebben op islamistische uitwassen. Daarmee verwerp je de Islam in het geheel niet.

Het niet maken van een onderscheid komt sommige militante – in het geval van Lale Güls boek Turkse – groeperingen goed uit. En ook Erdoğan doet zijn voordeel met het gemakkelijke verwijt van islamofobie terwijl het in feite om kritiek op culturele arresten gaat, op gedragsvormen die sommige islamistische bewegingen kritiekloos laten voortbestaan. Zij en Erdoğan zouden graag zien dat de Turkse diaspora blijft vasthouden aan de patronen die ook worden geeist van Erdoğans partijgenoten en aanhangers in Turkije. Maar het boek van Gül laat zien dat dat geen haalbare kaart is. immers, de kinderen van de nieuwkomers blijven niet graag hangen in deze patronen en zoeken hun eigen weg. Dan leveren deze arresten allerlei problemen op.

Doorvragen
In haar boek Ik ga leven beschrijft Lale Gül uitvoerig waar ze allemaal tegenaan loopt als ze wil gaan leven zoals ze zelf wil, als ze zich teweer wil stellen tegen de omstandigheden van het gezin waarin ze opgroeit. Ze kan er ook helder over vertellen. Ze deed dat bijvoorbeeld in het tv-programma Buitenhof van zondag 28 maart 2021.

Mij viel op hoe weinig interviewer Twan Huys doorvroeg over wat er speelt in het gezin en de gemeenschap waarover Gül ons zoveel te vertellen heeft. Je wilt immers wel eens weten waarom het daar zo aan toe gaat als Gül schetst. Stuiten we hier op de vervaarlijke Islam, de religie die Gül als zodanig niet afkat maar waarvan ze de vormgeving in haar gezin en gemeenschap behoorlijk over de hekel haalt. Of stuiten we op de achterlijke kanten van ‘de Turkse cultuur’, die ook behoorlijk te kijk wordt gezet met alle te verwachten krampachtige reacties tot gevolg? Lale wordt overspoeld met uitingen van haat die – natuurlijk anoniem – worden geuit op sociale media. Met open vizier en vooral: met argumenten de confrontatie aangaan is er niet bij.

Dat soort reacties krijg je ook als de spijtoptanten van bevindelijk-gereformeerden of Jehova-getuigen een boekje open doen. Opvallend: in deze laatste twee gevallen wordt niet de hele Nederlandse cultuur in de beklaagdenbank gezet maar in het geval van Gül gaat het wel meteen over de Turkse en blijkens de vele reacties ook over de Marokkaanse cultuur. Daaraan zie je meteen waar de pijn zit: oei, moeten we ons wel branden aan een oordeel over culturen? Of over religie, helemaal een heet hangijzer? Misschien dat Huys daarom niet verder doorvroeg. Toch gaat het om iets betrekkelijk simpels. Simpel in de wetenschappelijke eenvoud van wat er speelt, maar allerminst simpel in hoe je er maatschappelijk en persoonlijk mee omgaat.

Nut en nadelen van arresten
Zodra mensen van het Turkse platteland of kleine stedelijke gebieden hier hun heil zoeken om hogerop te komen, nemen ze de aangeleerde gedragspatronen uit het land van herkomst mee naar het land van aankomst. Dat gebeurt vaak bij mensen die gemigreerd zijn. Mensen houden dan vast aan ingesleten gedragspatronen, en dat stuit op allerlei problemen als zijzelf en vooral hun kinderen mee willen doen in de Nederlandse samenleving.

De term arrest is hier ontleend aan de biologie: een biologische ontwikkeling is gearresteerd, afgestopt, vastgelegd, gaat niet meer verder. De technische term daarvoor is ‘biologisch arrest’. Arresten in de rechtspraak zijn ook vastleggingen, in dit geval van gerechtelijke vonnissen waar de rechtspraak zich voortaan op beroepen kan. De term komt ook terug in iemand arresteren.

Culturele arresten bieden allerlei voordelen. Ze maken het leven overzichtelijk; je weet wat je te doen staat. En je kunt ook controle uitoefenen op het leven van anderen door respect voor bepaalde gebruiken af te dwingen. Je kunt er identiteitspolitiek mee bedrijven. Bijvoorbeeld wat mannen op het Anatolische platteland leerden over zelfrespect, status, houding tegenover vrouwen, eigen privileges en het afdwingen van gezag, raakt geautomatiseerd en ingeslepen. Wanneer zij, aldus gevormd, aan de nieuwe Nederlandse situatie deelnemen, dan gaan die gedragspatronen in de weg zitten, ze gaan als arresten functioneren. Dat schaadt de machthebbers – mannen veelal, en vrouwen doen daar, zo blijkt uit Güls boek, aan mee – niet of nauwelijks, maar als tamelijk machteloze vrouw in het gezin werd Gül er hardhandig mee geconfronteerd. Ze beschrijft in feite een hele reeks van gedragingen die zij zelf niet meer vindt passen bij het leven dat zij wil in het land van aankomst .

Op welke wijze en hoe intens de arresten ingeslepen raken, is lang niet in elk gezin of in elke gemeenschap hetzelfde. Nuance is geboden en vooral ook preciezer onderzoek en daaruit afleidbaar inzicht in wat de gewraakte patronen in stand houdt. Wat vooral de mannen in die gezinnen of groepen die wel aan de verworven gedragingen vasthouden gemeen hebben is de inzet: houden wat je hebt, je verworvenheden uitbaten, je veilig weten en geen macht prijsgeven. Dit is niet alleen bij migranten het geval, maar ook bij sommige traditionele Nederlandse gemeenschappen. Kijk naar de Veluwe of Zeeland, waar bijvoorbeeld Franca Treur over schrijft. Arresten zijn overal. En misschien wel bij mannen in het algemeen, want ook in de moderne Nederlandse samenleving vind je arresten op allerlei terrein: vasthouden aan de opgedane gewoonte vrouwen veel vaker te onderbreken; vanzelfsprekend ervan uitgaan dat je overal aanspraak kunt maken op wat je aan privilege onderging in je eigen gegoede milieu, en dat je dat allemaal restloos kunt overhevelen naar waar je verder ook komt of wat voor taak je ook krijgt. Dat levert bazig gedrag op terwijl de omstandigheden daar niet om vragen. Een analyse van dit soort fenomenen wordt scherper en preciezer als je je rekenschap geeft van de grote verscheidenheid aan groepen waarin gedrag wordt vertoond dat niet past bij de nieuwe omstandigheden.

Hoe jongeren navigeren
Arresten zijn lokale praktijken. Je kunt ze dus nooit van toepassing verklaren op hele ‘culturen’, ook niet op de Turkse. Overduidelijk schermen de vader en moeder van Gül zich af van de Nederlandse samenleving door zich terug te trekken in een omgeving die ze zelf scheppen uit eigen veiligheidsbehoefte of om zich te verzekeren van medestanders uit de eigen gemeenschap. Wat de meisjes en jongens in deze gezinnen dan kunnen doen is al heel vaak in romans en films geïllustreerd: navigeren tussen twee werelden: thuis de hoofddoek, daarbuiten niet (stiekem).

De arresten doen ook hun werk bij het integratieproces. Ze zorgen voor een merkwaardige mix van aanpassing en vasthouden aan de eigen aangeleerde gedragspatronen. In Culture as Embodiment worden meerdere facetten aan integratie onderscheiden. In het kort: nieuwkomers weten over het algemeen razendsnel de wegen tot geld en goed te vinden. Daar komen ze doorgaans voor. Dan komt het tot assimileren of te wel totale aanpassing. Ook raakt een deel tamelijk snel wegwijs in de doolhof van instellingen die de moderne verzorgingsstaat nu eenmaal is. Je kunt dat institutionele integratie noemen. Een ander deel separeert en blijft afzijdig.

Meer uitgewerkt: assimilatie betreft zoals te verwachten valt vooral jongeren. Maar ook daar doen arresten hun werk. Want met name jongens maken gebruik van typisch mannelijke patronen die ze hebben aangeleerd in het traditionele ouderlijk huis. Traditionele vaders vragen van hun zonen dat ze hun eigen weg zoeken, buiten, op straat, weg uit het vrouwelijke domein van het eigen gezin waar moeder zo’n beetje de baas is en af en toe door de zoon getart mag worden, want dat hoort per traditie bij het man-zijn. Ze scheppen dan een eigen wereld op straat waar ze respect eisen, hun mannetje staan maar ook gewoon weer in de verder intacte huiselijke kring kunnen terugkeren (niet zo intact voor dochter en zus, overigens; voor haar zijn deze vrijheden niet weggelegd, laat Gül duidelijk zien). Dat zorgt ervoor dat ze niet het odium op zich laden – wat vaak wel bij jonge Nederlandse jongens die voortdurend op straat rond lopen het geval is – dat ze uit een gebroken of onvolledig gezin komen.

Veel jongens uit Turkse of Marokkaanse traditionele gezinnen laten zich de traditie mooi aanleunen en nemen zo bezit van de straat waar ze het mannelijkheidspatroon uitventen dat zogenaamd bij hun ‘cultuur’ past. Je ziet dat patroon overal: donkere Audi’s of BMW’s op de Waalkade van Nijmegen bijvoorbeeld; lawaaierig en soms intimiderend.

Dat ze daar aan vasthouden maar er ook beentje mee lichten wordt mooi geïllustreerd in het verslag dat Gül doet van een schoolreis naar Rome. De branie van een keur aan streepjes-Nederlandse jongeren – Turks-Nederlands, Surinaams-Nederlands etc.- wordt en detail neergezet maar erdoorheen kiert het ouderlijk milieu met zijn bekrompenheden en beperkingen. Assimilatie – vooral waar het gaat om mode, muziek, accessoires en grof-puberale overname van alles van de grootstedelijke straat – én tevens arresten in actie. De aanpassing laat zien dat jongeren, waaronder ook meisjes of jonge vrouwen, het gejongleer tussen twee leefwerelden beu zijn. Jongens uit bijvoorbeeld Marokkaanse kring – Gül wijst daar ook op – ontdekken vrij spoedig het snelle geld, wat een geheel eigen problematiek met zich meebrengt. Een klein aantal assimileert zelfs snel in het Nederlandse en/of het eigen Marokkaanse criminele of semi-criminele milieu.

Bij de gang door de instituties manifesteren arresten zich regelmatig in de vorm van resten cliëntistische corruptie of in een klein aantal gevallen van regelrechte misdaad. Dat is in de Nederlandse gemeenschap van Urk tot Heerlen ook bij ons het geval. In de Turks-Nederlandse en Marokkaans-Nederlandse gemeenschap vind je het ook: gedragspatronen die je aantreft in clan- en familierelaties zijn ooit in de dorpse of kleinstedelijke structuren gevormd en blijven doorspelen. Ze verdragen zich slecht met de maatschappelijke veranderingen, de gelijkberechtiging en transparantie die de moderne samenleving kenmerken.

Wees precies!
Maar nu de meest moeizame kant. Zodra het op huwelijk en gezin aankomt en het gaat om seksegebonden machtsverschillen, status of godsdienst, blijven tal van in vroegere perioden lokaal verworven en ingesleten gedragspatronen hardnekkig opspelen. Vooral op deze terreinen ontstaan de meest moeilijke integratieproblemen en – meer specifiek – de conflicten uit de roman van Gül. Maar het blijven lokale conflicten. Ze spelen zeker niet over de hele linie van de migrantengemeenschap, wat een duiding in termen van bijvoorbeeld de hele Turkse cultuur onzinnig maakt. Waar wel precies is pas na onderzoek vast te stellen. En even onzinnig is een duiding in termen van dé Islam alsof daar niet van een enorme verscheidenheid sprake is.

Voor een goed begrip van wat Gül in haar boek thematiseert is het nodig stelselmatig de specifieke problemen te preciseren van specifieke groepen of gezinnen. Door gemakzuchtig te verwijzen naar een massieve cultuur of religie die heel het leven van mensen zou beheersen help je niemand – de nieuwkomers niet, maar ook de ontvangende bevolkingsgroep niet. Specifieke gedragspatronen en manieren van spreken moeten op de ontleedtafel. Pas nadat je weet wat er precies schort aan communicatie en wat voor druk er wordt uitgeoefend kun je nieuw gedrag inoefenen met behulp van wat er op die manier wordt ontdekt. Dat gebeurt overal al, maar dat zou in politiek en onderwijs moeten worden versterkt in plaats van door van beide kanten steeds de culturele kaart te spelen.

Met andere woorden, het is raadzaam onze modernisering niet slechts van één kant uit te venten in termen van verlichting of secularisatie. Beter is het van beide kanten te beseffen waar we gezamenlijk staan in het proces van samenlevingsopbouw. Paul Scheffer speekt in dat verband tamelijk plechtig van een “gedeelde toekomst”. Onze eigen modernisering is immers nog in volle gang. Ook dat blijkt uit Güls boek. Haar vriend staat niet heel erg ver af van wat de hoofdpersoon in het boek met name haar moeder verwijt. Het is de grote verrassing van dit boek en maakt het voor mij tot een bijzondere en zeer lezenswaardige roman. Lees het zelf maar, want het zou een spoiler zijn als ik hier meer op inging.

Dat onze eigen modernisering nog lang niet af is wordt in den brede duidelijk als je kijkt naar de belofte die deze inhield toen het westen een grote wetenschappelijke, technische en economische voorsprong kreeg met een al eeuwenlange ontzagwekkende werfkracht. Er ontwikkelen zich bijvoorbeeld bij jongeren en bij vrouwen afkomstig uit ook etnische kringen nog steeds werelden parallel aan de bestaande. Niet als vluchthaven maar als antwoord op de eenzijdigheid en vastgeroestheid van de leefwereld die ze willen ontvluchten. Door die ontwikkeling zal het bestaande pas werkelijk veranderen. Daar kan de gevormde en gevestigde elite veel van leren. In dat leerproces moet plaats zijn voor overleg van alle elitegroepen afkomstig uit alle kringen.

Daarbij moeten we wel goed in de gaten houden dat delen van deze elite ronduit kwaadaardig zijn. Dat zien we bij de politieke partijen en bewegingen die na de recente verkiezingen weer aan invloed hebben gewonnen en voor wie integratie niet als opgave telt maar als last. Daarnaast zitten in de landen van herkomst regiems met ook elitegroeperingen die steun verlenen aan organisaties die weinig gemeen hebben met wat de ‘migranten’ hier werkelijk willen. Wat dat is hebben we breed uitgemeten in onze boeken, maar ook hier op dit weblog bijvoorbeeld onder het zoekwoord Proeftuin Europa.

We moeten de ogen niet sluiten voor arresten en aangeblazen identiteitsproblemen. In verband met dat laatste: aanpassingsproblemen in migratiegemeenschappen worden door hun eigen elite politiek gebruikt onder het mom van religie of van: ‘dit is onze cultuur’, drogredenen waar we in Cultuur & Lichaam en Culture as Embodiment drastisch mee afrekenen.

Zo is Güls roman een oproep haar verzet aan te scherpen en op te pakken van twee kanten, niet alleen van de kant van de zogenaamde ‘minderheden’. En dat met een vergelijkbare luchtigheid die de ernst van de problemen niet bagatelliseert. Dat kan alleen als ook gedragswetenschappers leren van deze roman en zich niet verliezen in de abstracte ‘botsing van culturen’ maar zich verdiepen in concrete, gearresteerde gedragspatronen.

Gepost door: Paul Voestermans | 1 januari, 2021

Weg met volksaard etc.

Volksaard, cultuur, tijdgeest- zodra die erbij gehaald worden verlies je zicht op wat er echt speelt, zeker als het over gevoelige thema’s gaat zoals gehoorzaamheid aan gedragsregels tijdens een pandemie, of identitaire politiek, of seksueel gedrag. Beroep op ‘dit is onze volksaard, cultuur, of het was/is de tijdgeest’ is altijd misleidend.

In het artikel van Haro Kraak in de Volkskrant van 28 december 2020 over of ‘volksaard’ wel of niet de reacties op de coronamaatregelen bepaalt, worden geleerden aangehaald die allen zo hun ideeën hebben over de Nederlandse variant. Maar meer dan wat roeren in de volksaardsoep die, zo schetst Kraak helder en raak, al geruime tijd wordt opgediend, doen ze niet.

Natuurlijk bestaat er wereldwijd een keur aan volkeren die door landschap, geschiedenis, materiële cultuur, hun eigen vondsten en god weet wat allemaal er anders uitzien dan wij en zich ook herkenbaar anders gedragen: met soms een rariteitenkabinet der uitheemse gedragingen. De vraag is evenwel of dit soort verschillen specifieke gedragingen zoals reacties op de pandemie en de genomen maatregelen afdoende verklaren. Dat is niet zo.

Je ziet het al meteen aan de wisseling in de reacties van ons volkje op corona. Eerst algemeen tamelijk volgzaam en dan ineens komt specifiek hier en daar de klad erin doordat zich lokaal en groepsgewijs allerlei manier van reageren hebben voorgedaan. En dat ook nog eens onder invloed van spokesmen, want dat zijn het voornamelijk. En die zijn ook nog eens opgeschreven in de krant, vertoont op TV en becommentarieerd in allerlei Op1-verhalen en -betogen.

Als je dus deze staalkaart van reacties goed bekijkt blijft er van de volksaard niks over. Het zijn dan misschien inderdaad allemaal ‘Nederlanders’ die grofweg en op het niveau van toeristische waarneming verschillen van Chinezen, maar wat ze groepsgewijs precies doen wordt door die grove kenmerken niet verhelderd. Daarvoor heb je lokale informatie nodig en een standaard gedragswetenschappelijke gereedschapskist, met de verzameling concepten die dat lokale gedoe begrijpelijk maken: o.a. opleidingsniveau, wel of niet aanjagers in de buurt (en of die op TV zijn geweest) en of die steun kregen van bijv. de voorman van FvD. En verder: of het gaat om affectieve reacties die wel of niet verfijnd zijn geraakt door verantwoordelijkheidsgevoel, of om expliciete denkbeelden van zelfbenoemde deskundigen die zijn gaan rondzingen of om automatismen die al bestonden, of om dit alles tezamen. 

Je komt er niet met volksaard of cultuur of tijdgeest. En ook niet met de vijf dimensies van Hofstede die grofweg aangeven of er in de geschiedenis van een land rond macht, masculiniteit, zekerheid, individu versus gemeenschap en planning een aantal kenmerkende ontwikkelingen hebben voorgedaan die bijv. Nederland en zijn volkje beschrijven. Leuk voor managers die over een paar kenmerken van hun nieuwe standplaats willen nadenken. Maar om te snappen welke mensen fed up zijn geraakt met de coronamaatregelen en wie niet, heb je een verfijnder instrumentarium nodig.

Een paar van de opgevoerde historici hebben het over de nare naoorlogse bijwerkingen die de discussie over volksaard heeft gehad. Onze geschiedenis raakte besmet met ideeën van de Nazi’s, zegt Stiene Jensen in het artikel. En Herman Pleij beaamt deze ontwikkeling rond het idee volksaard. Natuurlijk weten ze allen dat het een slecht idee is hoewel het ooit met pseudowetenschappelijke pretenties is gelanceerd. Daarop wijst ook van den Brink: “het begrip veronderstelt een statische, onveranderlijke essentie, en dat is bewezen onzin”. Hij voelt meer voor het idee van veranderlijke normen: “De sociale normen die tezamen een nationale cultuur vormen zijn altijd in beweging”. In de plaats van volksaard komt dus de notie ‘nationale cultuur’. We zullen nog zien dat dat geen verbetering oplevert.

Wat alle opgevoerde historici en filosofen vergeten is dat het idee volksaard een veel langere en tamelijk onfrisse geschiedenis heeft. Het witte superioriteitsdenken nam ermee al heel vroeg een aanvang. In het kielzog van het vroeg- en midden 19e eeuwse idee Volksgeist ontwikkelde zich namelijk het idee cultuur met een kleine c, het antropologische, naast dat van Cultuur met een grote C, dat de hogere menselijke verrichtingen als kunst en wetenschap omvat. Dit antropologische cultuuridee werd uitgevent om de verlossings- en beschavingsmissie van de Christelijke religie te vervangen in intussen door de Verlichting geseculariseerde tijden. Het Duitse cultuurgeïnspireerde Volksgeist leek geschikt om het wat gevaarlijke biologische idee ras te vervangen. Daarop wijze ook de historici die worden geciteerd maar zij zien alleen de naoorlogse gevaren. De missie dat je ‘Volksgeister’ in soorten hebt (net als bij het vroegere ras) met een hogere en lagere graad van beschaving is van veel vroegere datum. Zo ontstond gelijk oplopend met de tijd dat er fors gekoloniseerd werd het idee dat de Westerse Christelijke cultuur een vergelijkbare verlossing uit de benarde toestand van onbeschaafdheid en zondigheid zou kunnen bieden als de Christelijke godsdienst zelf. Een seculiere ‘soterologie’ ontstond waarin een mix bleef bestaan van christelijk verlossingsdenken en een beschavingsoffensief met weinig oog voor de waarde van de volkeren die er mee werden bestookt. Volksaard-denken is dus niet van smetten vrij. Maar het denken in termen van cultuur met een kleine c ook niet. Volksaard door flexibele normen en cultuur vervangen helpt dus niet veel. Maar daarover is al uitvoerig gerapporteerd in de diverse posts op op dit weblog.

Maar waarom zou je dat doen als allang duidelijk is dat je bij een pandemie qua nationaal georganiseerde gezondheidszorg niet te zuinig moet zijn, niet scherp maar ruim moet calculeren, spullen ook lokaal moet maken en op voorraad houden en geen versnipperd aanstuurbeleid moet voeren, zaken duidelijk moet uitleggen en oog moet hebben voor wie van de maatregeken echt heel veel last hebben, want die krijgen met enig recht snel genoeg van het gezwabber en de onduidelijkheid. Allemaal zaken die niks met cultuur of volksaard van doen hebben en al ruim zijn uitgezocht in dit jaar.

Terug naar wat er wel aan de hand is en deze tijden van ongehoorzame burgers die naar hun zogenaamde ‘volksaard’ zouden handelen zoals nogal eens is beweerd. Dan zie je dat de mensen zich verdelen over scheidslijnen die niks met volkaard of cultuur of tijdgeest te maken hebben maar met tamelijk lokale groepsgebonden en soms individuele ontwikkelingen. Hoe dat zit? More research needed.

Zoals de toeslagenaffaire slechte politiek is en geen slecht Nederlanderschap, zo is de reactie op de pandemie geen kwestie van volksaard maar van een verdeelde kijk op hoe het beleid uitwerkt en hoe bereid we zijn om een grote graad van improvisatie de dulden om van te leren.

Waar leren mensen verstandig omgaan met elkaar en tolerant op elkaar reageren; op een manier dat de politieke coronamaatregelen goed gevolg krijgen? Antwoord: in goed op elkaar afgestemde groepen die ontstaan bij de gratie van goed onderwijs. Niks volksaard dus!

Gepost door: Paul Voestermans | 31 oktober, 2020

Wat moeten we aan met Yuval Harari?

 (Long read over Homo Deus.)

Nu er voor Sinterklaas en Kerstmis een stripboekversie van Yuval Harari’s boek Sapiens in de winkels ligt en hij onlangs Buitenhof als verkooppodium kreeg, rijst de vraag: wat moeten we aan met Harari? Het stripboek voor onze tieners – en misschien wel nog jonger – kopen? De schrijver stelt het zelf voor als een gouden greep waar het gaat om de popularisering van wetenschap. Nu kan ook de lezer die niet zo heel graag dikke boeken doorworstelt genieten van wat de schrijver allemaal voor ons bijeen heeft gezet.

Het boek Sapiens heeft onmiskenbaar positieve kanten die vermoedelijk in de stripversie behouden blijven. Ik merk onder mijn vrienden dat ze het met plezier gelezen hebben en er veel van hebben opgestoken. Geen twijfel mogelijk. Je harkt al die kennis niet zomaar even bij elkaar, zelfs al ben je helemaal thuis op Wikipedia en kun je de zoekmachine bedienen als geen ander. Ook Homo Deus gaat erin als koek.

Dit laatste bevat de optimistische pagina’s over hoe we honger onder de knie hebben gekregen. Zozeer, voegt de schrijver ons fijntjes toe dat we nu zelfs met het probleem van teveel voedselinname opgescheept zitten; en hij is heel precies; 1 miljoen doden door honger en 3 miljoen door obesitas. Wat de infectieziekten betreft geldt hetzelfde verhaal: ze zijn grotendeels bedwongen. Covid-19 was er nog niet toen Homo Deus geschreven werd. De lezer weet intussen veel meer over infectieziekten dan in Harari’s boeken staat. Voor de schrijver biedt de nieuwe epidemie alle gelegenheid om in interviews aanvullingen te geven.

En dan oorlog. Hier is Harari ook optimistisch. De in militaire parades getoonde wapens gingen niet af. Terrorisme wordt afgedaan als theater; de slachtoffers worden overdreven.

Je gaat je afvragen waarover de schrijver zich echt zorgen maakt; en nu komt het: “als het voorkomen van honger, infectieziekten en oorlog niet meer onze zorg zijn dan moet wel iets anders hun plaats op de agenda innemen”. En ja hoor, er komen nieuwe problemen op ons af.  

De wetenschap stelt ons steeds meer in staat om wat “de menselijk conditie”, het menselijk tekort wordt genoemd, naar onze hand te zetten en de dood te bestrijden. Wie genoeg geld heeft kiest voor “het optuigen van het biochemische systeem” de upgrading van mensen naar goden. Weg met de dood en in plaats daarvan eeuwige jeugd (is dat niet het ultieme fantasma van de man en de vrouw die zoekt naar een partner wiens of wier jeugd op hem afstraalt?). Het nieuwe probleem is dat zo een fundamentele tweedeling ontstaat tussen mensen die zich deze ‘upgrading’ kunnen veroorloven en mensen die dat niet kunnen.

Dan: de vooruitgang van de wetenschap zal geluk op afroep binnen bereik brengen. Maar ook dat geeft nieuwe problemen. Door het streven naar onsterfelijkheid en geluk door biologische upgrading komt de 300 jaar oude religie van het humanisme en liberalisme – een korte geschiedenis vindt Harari als je het vergelijkt met Egyptische farao’s die 3000 jaar over leven en dood gingen – onder druk te staan. Immers, was homo sapiens niet de soort die in de eeuwen van de Verlichting god door de mens verving en het humanisme tot nieuwe religie verhief? Het gaf ons de vrije wil, de moraal dat de mens de maat is van alle dingen, het subjectivisme van dat schoonheid ligt ‘in the eye of the beholder’ en het individualisme van dat als iets goed voelt het verder prima is. Harari vraagt zich af of dit zingevingssysteem wel bestand is tegen een aanval vanuit de wetenschap. Ontwikkelingen in de wetenschap stellen de mens een upgrade in het vooruitzicht en daarmee een fris, nieuw “techno-humanisme”. Op den duur zal de mens zichzelf overstijgen met datagestuurde of voortgedreven supermachines die veel van wat mensen zijn en kunnen overbodig maken. Zie hier de nieuwe agenda van Harari in zijn boek Homo Deus.

Maar helaas. Met zo’n agenda ontspoort het werk van Harari. Het is ondoenlijk zowel Sapiens als Homo Deus helemaal uit te kammen op waar en hoe precies. Ik beperk me tot drie thema’s: (1) De behandeling van emotie en gevoel: beide zijn in zijn ogen algoritmische processen. Maar zijn ze dat? 2) Het algoritmische affectsysteem van mensen wordt door Artificiële Intelligentie biochemisch-bionisch vervolmaakt, zegt Harari. Kan dat? Tenslotte (3) Zijn aanval op het verlichtingshumanisme. Is die terecht? Deze drie thema’s leiden tot een regelrechte dystopie. Harari bedoelt dit alles als waarschuwing, maar daarbij baseert hij zich op een verkeerde voorstelling van zaken

Emoties en gevoelens zijn algoritme-gestuurde lichamelijke processen. Is dat zo?

Het blijft moeilijk om in het menselijk affect-systeem een bruikbaar onderscheid te maken tussen emotie en gevoel. De geschiedenis van filosofie en psychologie zit vol misvattingen, die levensgroot opduiken in Homo Deus.

Je kunt het probleem laten beginnen bij Descartes en Spinoza. Descarte rekende de passies tot de machinerie van het menselijk lichaam. Daartegenover staat Spinoza die vooral de nadruk legt op hoezeer de passies vormgeving vereisen en pas door verstandige training in de gemeenschap gepolijst raken. Tegenwoordig omvatten de passies zowel emotie als gevoel. Maar helaas, Descartes won het in de filosofie toch een beetje van de in zijn geschriften nogal hermetische Spinoza. Daardoor is het menselijk affectsysteem en vooral de emoties erin hoofdzakelijk een aangelegenheid geworden de bio-fysiologie, van wat ik in onze boeken ‘Lichaam 1’ heb genoemd, het microfunctionele lichaam; het lichaam van “de zachte machine propvol tengere draadjes en slangetjes” zoals Vroman dichtte. Voor zover emoties belangenbehartigers zijn en deel uitmaken van het geautomatiseerde detectiesysteem dat o. a. de vier V’s activeert: vechten, vluchten, vrijen en (vr)eten, kun je zeggen dat ze algoritmisch worden aangestuurd. Dat geldt min of meer ook voor afgeleide begeerten en angsten. Ze zijn niet gemakkelijk ‘cognitief doordringbaar’ – een technische term voor de mogelijkheid tot controle bijvoorbeeld – omdat ze in belangrijke mate ‘wired-in’ – ingebakken – zijn. Onderdrukken van de reactie is er vaak niet bij. Wegrennen bij accuut gevaar, vechten bij dreiging, het vermijden of afgaan op dingen die van vitaal belang zijn – hierbij gaat het om automatische emotieregulatie.

Maar er is meer. Naast emoties zijn er gevoelens. Lichaam 2 is het expressieve lichaam dat bij elke interactie onmisbaar is en daarbij spelen juist gevoelens een belangrijke rol. Wanneer we zeggen” nu wordt ik emotioneel” bedoelen we dat ons gemoed volschiet en wat we denken en doen kleuren zal. Mensen verschillen in de mate van het uiten van hun gevoelens maar er zal altijd sprake zijn van vormgeving, expressie en getraind zijn in de groepen waartoe iemand behoort. Zo zorgen mensen uiteindelijk voor een hanteerbare gevoelshuishouding. In hun gepolijste vorm bepalen gevoelens mede de kwaliteit van het denken. Gevoelens zijn interactief van aard, meer en duidelijker dan emoties. Van algoritmisering is geen sprake. Gevoelens zijn daarvoor te zeer cognitief doordringbaar al zitten er ook moeilijk beheersbare kanten aan omdat ze toch ook met emoties samenhangen. Uiteindelijk betekent cognitieve doordringbaarheid precies dat: dat er vorm gegeven kan worden aan wat we voelen. Maar die toch ook onbeheersbare kant maakt het onderscheid tussen emotie en gevoel juist zo ingewikkeld en controversieel.

Maar hoe dan ook: emotie en gevoel verschillen op tal van punten hoe groot de overlap ook is, vooral als het gevoelns gaat die mede afhankelijk zijn van wired-in reacties zoals bijv. walging, angst, en andere basis-emoties.

Het broodnodige onderscheid tussen emotie en gevoel is helaas niet algemeen geworden in de gedragswetenschappen. Het heeft geleid tot veel verwarring over emotie en gevoel. Langzaamaan breekt evenwel het inzicht door dat beide uit elkaar gehaald moeten worden. Emoties zijn ingebakken reactiewijzen op gebeurtenissen van belang. Ze maken deel uit van de wereld van interne fysische mechanismen. Het zijn actietendenties en belangenbehartigers (Frijda).

Gevoelens kennen een leergeschiedenis, sturen en kleuren het menselijk doen en laten, in het bijzonder hoe we over dingen denken en wat we vervolgens min of meer overwogen gaan doen. Ze maken deel uit van de wereld van menselijke interactie.

Welnu, in de boeken van Harari over wat emoties en wat gevoelens zijn en wat hun respectieve rol is in de aansturing van gedrag, geen spoor. Het hele onderwerp ontbreekt. In Sapiens komen emoties en gevoelens nauwelijks aan bod en in Homo Deus zijn gevoelens eenvoudigweg subjectieve gewaarwordingen die niet goed van emoties worden onderscheiden en voortdurend gemanipuleerd kunnen worden.

Hij gooit emoties en gevoelens op één hoop en neemt van beide aan dat ze aangestuurd worden door algoritmen. Die maken – zo gaat het verder – dat emoties en gevoelens, ik citeer: “aangescherpt (zijn) door de evolutie om dieren (waaronder de mens P.V.) te helpen de juist beslissing te nemen. Onze liefde, onze angsten, onze passies zijn geen mistige spirituele verschijnselen goed voor poëzie. Integendeel, ze bevatten eeuwen aan praktische wijsheid”. Dat klinkt verstandig en je denkt meteen: dat klopt want de activering van emoties volgt een algoritme, zoals zoveel in een organisme. Maar gevoelens niet. Die worden gevormd in de gemeenschap waartoe je behoort en voor hun rol in het menselijk verkeer is er geen algoritmisch script.

Waarom zegt Harari dan toch dat heel het menselijk gevoelsleven algoritmisch is? Ik denk omdat hij dan meteen over kan gaan op zijn stokpaardje: de wetenschap is al zover dat binnen afzienbare tijd deze eeuwenoude menselijke gevoelsalgoritmen overgenomen worden door “superieure algoritmen die nooit vertoonde rekenkracht en gigantische databases gebruiken”. Maar dat is dus een misvatting, zoals ik hierboven heb laten zien.

Verbeterde biotechnische algoritmen

Het verdienmodel van Facebook en Google heeft algoritmen in een kwaad daglicht gesteld. Maar er zijn natuurlijk onmisbare algoritmen. Type 1 diabetes patiënten beschikken al over slimme insulinepompjes waarvan het algoritme allerlei gegevens laat uitmonden in de juiste hoeveelheid insuline. Ze zijn onmisbaar op de intersive care waar een grote hoeveelheid gegevens gemonitord moeten worden. Er zullen ledematen geconstrueerd worden en andere lichamelijke hulpstukken, waarbij algoritmen zorg dragen voor optimaal functioneren, maar het ‘hacken’ van het menselijk gevoelsleven is een brug te ver. En dat wordt ons als een dreiging voorgehouden op basis van de onjuiste aanname dat gevoelens algoritmisch worden aangestuurd

Hij zegt het niet alleen in Homo Deus maar ook in bijna elk interview: de algoritmen van Google en Facebook weten precies hoe je je voelt; ze weten alles van je. Je gevoelsleven kan grotendeels voorspeld worden door Google’s algoritmen en ‘data mining’ en beter dan je dat zelf kunt. Waarom zou je nog naar je eigen gevoelens luisteren? Het bekende verhaal van Harari dat alle kranten haalde, zijn boeken een plek op menig nachtkastje bezorgt (tot in de Amerikaanse presidentiële slaapkamer aan toe) en zijn beeltenis regelmatig op TV brengt is dat van de knappe jongen versus de wat lelijkere. Ze strijden met elkaar om de aandacht van hetzelfde meisje. De vraag is: met wie is ze beter af? Google weet dan te vertellen – op basis van wat het algoritme over het meisje aan gegevens verzameld heeft – dat het de lelijke is, terwijl het meisje voor de knappe gaat. Ze zal er te laat achter komen dat het advies van Google beter was.

Het is nog niet in real life uitgeprobeerd, maar ik denk dat dit hele verhaal helemaal niet laat zien wat data mining vermag, maar verraadt hoe beperkt te kijk van Harari op gevoelens is. Hofmakerij blijkt moeilijker te voorspellen vanuit big data omdat het om gevoelens gaat die mede vorm krijgen in gemeenschap met anderen. Juist deze interactieve afstemmingrelaties krijgen ten onrechte geen enkele aandacht in Harari’s betoog over algoritmen. Omdat de gevoelens bij hem opgesloten zitten in de subjectieve ervaring en in geen relationeel verband staan, kunnen ze gemakkelijk op één lijn worden gezet met algoritmen die door het ‘diepe leren’ van de computer worden voortgebracht. Bij emoties is dat tot op zekere hoogte denkbaar, maar zodra het over gevoelens gaat is dat onzin. Het hele verhaal is bedoeld om het zogenaamde evolutionaire humanisme van maakbare superieure bionische mensen met een zweem van wetenschappelijkheid te omgeven.

Humanisme op de korrel

Het is niet duidelijk waarom Harari zo uithaalt naar het humanisme en denkt dat het zal worden vervangen door techno-humanisme en ‘dataïsme’. Dat is de 21steeeuwse religie die het bestaande humanisme op den duur obsoleet zal maken. In deze nieuwe religie gaat het idee dat het menselijke gevoelsleven gebaseerd is op biochemisch algoritmen, samen met het idee van zelflerende machines die aan data miningdoen. Dataïsme en moderne genetische engineering zullen op den duur de standaard menselijke regulering van het gevoelsleven vervangen, aldus de dystopie van Harari.

Het biochemisch algoritme komt in de plaats van het zelf en de vrije wil als de peilers van het ‘humanisme’. Die twee bestaan niet langer omdat ze in strijd zijn met wat de wetenschap leert. Dat beweert Harari met klem. Hij lijkt er geen been in te zien om zich te profileren als kennen van alle wetenschappen, ook al is hij van huis uit historicus. De biochemie is nu al zo geavanceerd dat we er ons zelf mee kunnen ‘upgraden’ (nog slimmer, nog mooier, nog volmaakter) en dat ad libitum, gewoon omdat mensen het willen. Dat schept een ongekende ongelijkheid en verdwenen is de gelijkheid tussen mensen als het humanistisch ideaal bij uitstek. Er bestaat nog wel een ‘verhalen vertellend zelf’ dat voor zover mogelijk nog voor enige compensatie zorgt voor wie achterblijft, maar er komt een fundamentele tweedeling.

Harari negeert hier hoe heel de mensengeschiedenis door allerlei politieke systemen – in de sociaal-democratie en liberale richtingen – geprobeerd hebben om op den duur iedereen te laten meeprofiteren van innovaties, simpelweg uit welbegrepen eigenbelang. Niks hierover bij Harari.

Volgens Harari vernietigt wetenschap het humanisme, dat met zijn liberale kijk op het menselijk bestaan al meer dan 300 jaar de dienst uitmaakt. Maar dat vindt hij niet erg want er zijn wel meer wereldbeelden gesneuveld. Wetenschap ondermijnt gaandeweg de voorwaarden waaronder het humanisme kon uitgroeien tot een dominante religie. Hariri vindt het op wetenschappelijke gronden niet langer vol te houden is dat alle mensen gelijk zijn en dat er individuele ‘zelven’ zijn met een vrije wil.

Het eerste is niet zo, zegt hij, want straks kunnen er door de moderne wetenschap bionische supermensen gemaakt worden. Het tweede is volgens hem nog grotere onzin want mensen maken keuzes op basis van de genetische en elektrochemische samenstelling van hun organisme. Van een instantie die als een zelf vrij beslist is geen sprake.

Dat is me nogal een grote klap voor ons ego! – veel groter dan die van Copernicus, Darwin en Freud bij elkaar! Maar is het waar? Harari noemt in voetnoot 2 van hoofdstuk 8 van Homo Deus, waarin het controleverlies van de homo sapienns wordt behandelt, de Libet-experimenten. Deze experimenten zouden aantonen dat voordat er een bewuste beslissing wordt genomen, het brein al volledig automatisch heeft uitgemaakt wat er gebeuren zal. Op die experimenten is veel kritiek. Daar doet Harari niets mee. Die kritiek is er en de vrije wil bestaat. Niet als louter individuele eigenschap maar als resultaat van afstemmingsrelaties tussen mensen. Dat de wil vrij is, is een emergente eigenschap van gemeenschappen waarin mensen geacht worden aan elkaar verantwoording over hun daden af te leggen.

Als je de vrije wil, het zelf of de persoon en de gelijkwaardigheid van alle mensen om zeep hebt geholpen is het enige dat nog rest de AI-machines die met de data van mensen aan de haal gaan. Als je het menselijk gevoelsleven terugbrengt tot een algoritme doen slimme deep learning machines het vanzelfsprekend beter.

Wat we kunnen leren van de missers in Harari’s boeken? Dat algoritmen verre moet houden van de controle op interactie tussen mensen. Dringen ze in deze sfeer door dan zit er een wederrechtelijke toe-eigening bij van controle van mensen over mensen. Dat is het probleem van Facebook, Google en hun verdienmodel.

Elders op dit weblog heb in de post “Weer wordt misbruik van persoonsgegevens aan de kaak gesteld” dit zogenaamde hacken van mensen geconfronteerd met een scherpe kritiek vanuit de gedragswetenschap. Dat ga ik niet herhalen.

(Nog onder constructie)

Gepost door: Paul Voestermans | 14 oktober, 2020

Waarom vormen klasse en status zo’n hardnekkig probleem?

In de NRC van vrijdag 9 oktober werden twee boeken besproken die tot onderwerp hebben de te grote nadruk op hoofdarbeid en een kosmopolitische intelligente levensstijl met verwaarlozing van hand- en hartarbeid; van het werk van boeren, technici en bouwers en van de zorgmedewerkers in ziekenhuizen en verpleeginstellingen. Klasse- en statusverschillen dus en die vormen nog steeds een groot probleem. Maar wat is de kern ervan?

Beide boeken over het probleem status en klasse werden in de besprekingen als onbevredigend afgeserveerd. Michael Sandel die het boek De tirannie van verdienste schreef krijgt het verwijt dat hij het vraagstuk van de te lage status van veel hard werkende mensen terugbrengt tot gebrek aan erkenning voor de lagere sociale klasse, waarbij hij dan ook nog eens de waarderingsproblematiek nauwelijks van de economische kant benadert. Is het wel gebrek aan erkenning of moet bijv. de erfbelasting drastisch worden verhoogd om een meer gelijk speelveld te krijgen of moet de belasting op werk niet drastisch omlaag? En is er wel echt sprake van sociale marginalisering van deze groepen of zijn er andere dingen aan de hand als ze bijvoorbeeld op Trump stemmen of voor de Brexit? Hoe zit het met outsourcing naar lagelonenlanden als voornaamste oorzaak van economische marginalisering van arbeiders? Volgens deze boekbespreker mocht er wel wat meer economie in Sandels boek.

David Goodhart, die het boek Head, hand, and heart schreef krijgt het verwijt dat hij veel te weinig differentieert en alle hand- en hart-werk op een hoop gooit waardoor we niet goed meer kunnen zien welke beroepen nodig blijven en welke echt aan creatieve destructie ten offer zullen (moeten) vallen. Daardoor verwatert het erkenningsprobleem tot het naar Goodharts eigen zeggen verwaarloosde “psychologische vraagstuk” van dat status verplaatst is van hand/hart naar hoofd. Maar Goodhart levert bij deze psychologische constatering geen bruikbare psychologie die deze verschuiving verklaart en zo tot een oplossing kan leiden. Het is een hardnekkig gegeven dat je status niet zomaar kunt uitdelen, die verkrijg je op basis van wat je zichtbaar of merkbaar levert. Hoe krijg je het voor elkaar om status zo te distribueren dat deze niet alleen naar hoofd maar ook naar hand en hart gaat?

Nauwelijks had ik deze kritiek van de recencenten opgepikt of ik kreeg in de Volkskrant van 10 oktober een reeks gegevens voor de kiezen die het probleem nog ingewikkelder maken. Uitgebreid onderzoek door een stel jonge onderzoekers van de Erasmus School of Economics, geleid door de econoom Bastian Ravesteijn, zochten uit welke factoren inkomenskansen en dus vooral de economische klasse- en statusverschillen vergroten of verkleinen.

Het bleek dat wanneer je van twee willekeurige mensen uit twee plaatsen in Nederland alleen weet wat het inkomen van hun ouders is, hun geslacht kent en weet waar ze hun kindertijd doorbrachten, je al kunt zeggen hoeveel de een zal verdienen en hoeveel de ander. Talent is minder bepalend dan waar je wieg staat was de kortste conclusie in het krantenartikel dat Joris Tieleman en Jonathan Witteman naar aanleiding van dit onderzoek schreven.

Ongelijkheid als economisch vraagstuk is hot maar de vraag hoe economische ongelijkheid mede iemands positie op de statusladder bepaalt en je tot een bepaalde klasse veroordeelt is veel minder voorwerp van belangstelling en onderzoek. Hoe zit die klasse- en statusongelijkheid in elkaar? Wat zijn daarvan de bepalende factoren?

Eerst nog even wat meer van het economische verhaal. Uit het onderzoek van Ravesteijn en zijn team blijken wat je ouders verdienen, de plaats van opgroeien en of je man of vrouw bent bepalend te zijn voor je kansen in termen van inkomen.

Wat zijn hiervan de mogelijke verklaringen? De onderzoekers geven er drie.

(1) Steden bevatten de meeste kinderen met migranten-ouders en die scoren nu eenmaal laag in kansen. Daarnaast zijn er ook veel Amsterdamse kinderen van niet-migrantenouders die laag scoren. Dus de migratieachtergrond is een deelverklaring.

(2) In de steden wonen steeds meer mensen van dezelfde soort. Door gentrificatie en doordat de scholen tamelijk homogeen zijn, kunnen mensen zich daar minder makkelijk optrekken aan voorbeelden uit allerlei millieus. Op het platteland bestaat er vaak wel een gelukkige mix. Dat verklaart waarom de inkomenskansen op het platteland vaak groter zijn dan in de stad.

(3) Het onderzoek gaat over jonge dertigers. Toen die jonge waren woonden zij in steden waarin nogal wat probleemwijken lagen. Dat zou verklaring kunnen bieden voor in vergelijking met landelijk Nederland lagere kansen van de dertigers in de steden.

Nog een paar krenten uit de pap: het noorden van Nederland komt er slecht vanaf omdat daar minder mensen wonen en er veel minder aan kansen scheppende industriepolitiek is gedaan en de Haagse politici opgehouden zijn er de ambtenarenbanen beter te spreiden. In het begin bij de mijnsluiting deed Den Haag dat nog wel maar dat beleid werd niet volgehouden waardoor de regio noord verpieterde.

En dan de migranten: de dertigers uit die groep -Turken, Marokkanen, Antillianen en Surinamers – doen het slechter dan kinderen zonder deze achtergrond. Maar dat geldt niet voor de meisjes. Alleen zij maken de sprong voorwaarts; jongens die altijd in Nederland hebben gewoond met ouders die het duidelijk slecht hadden in het begin van hun verblijf hier, blijven achter. Hier geboren zijn maakt niet veel uit. Dat is opmerkelijk en ook daar kom ik op terug.

Goed, dat zijn een paar mogelijkheden om inkomensverschillen en verschillen in kansen te verklaren.

Wat we in Cultuur & Lichaam en in Culture as Embodiment gedaan hebben in de hoofdstukken die we aan status en klasse hebben gewijd, is eerst de inkomens- en kansenverschillen relateren aan verschillen in sociale rangorde. Vervolgens zoeken we de verklaring voor deze verschillen in habituele praktijken die zich lichamelijk hebben ingesleten onder invloed van het leven in intrinsiek sociale groepen. (Dat zijn groepen waar men zichzelf echt lid van vindt. Ze verschillen van groepen die voor het beantwoorden van onderzoeksvragen kunstmatig gemaakt zijn op basis van een aantal indicatoren zoals sekse, inkomensverschillen e.d.)

Op die manier komt klasse als leefomgeving weer terug in het hart van de problematiek van de verdeling van cultureel kapitaal en kansen en wordt dat kapitaal de crux. Het etiket ‘waar je wieg staat’ kan aldus specifieker worden gemaakt. En ook het opkijken tegen mensen die het beter getroffen hebben of het neerkijken op mensen die lager staan op de statusladder kan op die manier gerelateerd worden aan gedragspatronen die in die intrinsiek sociale groepen zijn opgedaan.

De roep om scholing ja dan wel nee is onderdeel van dat gedrag. Hoog vindt het vanzelfsprekend om voor kwalitatief degelijk onderwijs te kiezen; laag is daar niet zo zeker van. En als daar geen uitdagend onderwijs tegenover staat maar hooguit meegaand maatwerk, dan levert onderwijs dus geen weermiddel meer tegen deze ingesleten praktijken. De keuze ervoor of ertegen is zelf onderdeel van het opgedane patroon.

Om het betrokken leerproces beter te kunnen doorgronden sluiten we aan bij het onderzoek van Pierre Bourdieu die met het begrip habitus een brug probeert te slaan tussen het sociologisch gecijfer met aggregaatkenmerken als basis: inkomen, woonplaats, geslacht e.d. en psychologisch inzicht in hoe groepsgebonden praktijken ervoor zorgen dat de bestaande sociale verhoudingen gereproduceerd worden. Die praktijken leveren duidelijk aan het lichaam af te lezen houdingen op die de actoren o.a. op een andere manier laten bewegen in kringen waar ze niet aan gewend zijn. Het lichaam van de chirurg is echt anders dan dat van de bouwvakker. De gemeenteambtenaar beweegt anders dan de vrachtwagenchauffeur. Het zit in taal en spraak, in de smaak voor muziek, huisinrichting, eetgewoonten en wat er thuis op de buis komt.

Neem het lichaam voor wat het is, maar let ook op iets anders: waarop zijn de gevoelens die in dat lichaam huizen en ermee tot expressie worden gebracht – het geleefde lichaam is eerst en vooral een expressief lichaam – afgestemd? Wat iemand denkt, voelt en verwoordt wordt mede voortgebracht door de voorafgaande en voortdurende fijnregeling en ijking in de groepen waarin iemand dagelijks in gezin, op het werk, in de klas en bij het uitgaan verkeert. Daar wordt de smaak gevormd voor de keuze voor een bepaalde opleiding, voor het soort werk dat je wilt, voor het type hofmakerij dat bij je past, het soort woonomgeving waarin je je prettig voelt enz. En dus ook de gerichtheid op sociale stijging ja dan nee, en hoe je omgaat met de statusverschillen.

Eerst even terug naar de man-vrouwverschillen in inkomen waar het onderzoek op wijst en het opvallend verschijnsel dat in migrantengroepen de meisjes meer kansen zien dan jongens. Zou het kunnen dat de meisjes in die kringen eerder kijken naar wat het mogelijk maakt om te ontsnappen aan mannelijke dominantie? Die is in migrantengroepen veel duidelijker aanwezig dan bij de niet-migranten. Ook bij deze laatsten is natuurlijk nog veel te winnen als het gaat om een gelijk speelveld voor mannen en vrouwen, maar er zijn wel duidelijke stappen gezet. In de migrantengemeenschappen is hier nog een inhaalslag te maken die de vrouwen aldaar – met hun seksegenoten uit niet-migrantengezinnen als mogelijk voorbeeld – voortvarender lijken te maken dan de mannen.

Denk nu niet meteen dat het met deze nadruk op het lichaam om een dwangbuis gaat. Maar hoe iemand ‘uit de bakkerij’ komt – mooi, lelijk, soepel, houterig, schonkig of elegant -en met welke vormgevingsmogelijkheden iemand in aanraking is gekomen, zegt veel over welke kansen er zijn.

Dat is de manier waarop wij in onze boeken naar statusverschillen kijken. Geen psychologie van opvattingen en denkbeelden, redeneringen en overtuigingen maar van praktijken, gevoelens, automatismen die alleen door training en blootstelling aan alternatieven verder kunnen worden bijgestuurd en verfijnd.

En bij dat laatste schiet ons onderwijs tekort. We hebben lichamelijke opvoeding en expressie door woord en gebaar tot een minimum teruggebracht en laten verdampen tot educatieve vorming en lespakketten met een cognitief waterhoofd. We hebben scholen gehomogeniseerd tot witte en zwarte scholen, tot scholen met een door levensovertuiging gedicteerd karakter, maar ze hebben ook een eenvormigheid gekregen door een veel te vroege voorsortering op taken die in hoofdzaak aan taal en rekenen gekoppeld zijn. Het leren van een ambacht wordt uit de buurt van andere leertaken gehouden. En zelfs de vaardigheidstraining is eenzijdig gefocust op cognitieve taken.

Er is inmiddels zoveel kritiek op het onderwijs dat daarvan geen impuls tot betere kansen meer uitgaat. Lees Jan Bransens boek over het onderwijs in Nederland: Gevormd of vervormd. Hier een bespreking.

We hebben ook hele wijken gehomogeniseerd door gentrificatie en het opbergen van minderheden in wijken die toch al niet zo’n hoge waardering genoten. Dat beperkt de mogelijkheden om te gaan met diversiteit.

Status en klasse zijn verschijnselen die niet gemakkelijk verdwijnen in een samenleving die egalitair wil zijn en ongelijkheid wil bestrijden. Het is zaak beide te ontleden met behulp van meer dan aggregaatindicatoren zoals afkomst, inkomen, geslacht etc. We moeten vooral ook kijken naar de intrinsiek sociale groep waarin het lichaam getraind wordt. We moeten in onze analyse kansen koppelen aan concreet aan te leren stilering en grotere beweeglijkheid door de nog steeds gestratificeerde samenleving waarin dubbeltjes maar moeilijk kwartjes worden.

De macroscopische aanpak van de economische ongelijkheid in het onderzoek van Ravesteijn levert een informatieve kaart op van de kansenspreiding in de regio’s in Nederland. Wie slaat er niet aan het spelen met de site waar de Volkskrant je in staat stelt je eigen stad of dorp op te zoeken? Voor die kaart zijn sociologische indicatoren zoals de SES, de sociaaleconomische status, regionale afkomst en sekse gebruikt. Om de pijn van de ongelijkheid in sociale status echt te begrijpen zullen die evenwel moeten worden aangevuld met microanalyses van het gedrag in de groepen waar de kansen op een beter inkomen laag zijn. Daarvoor is een apart instrumentarium nodig. Dat wordt geleverd in Cultuur & Lichaam en Culture as Embodiment. Het is een instrumentarium dat inzoomt op habituele praktijken, affecten die van sturende invloed zijn op keuzes voor onderwijs, woonomgeving, groepstoebehoren en op hoe hoog de lat wordt gelegd in een poging de eigen situatie te verbeteren.

Maar wordt dat instrumentarium gebruikt in onderzoek? Nauwelijks, helaas. En dat ligt vooral aan de gangbare onderzoekspraktijk. Hier wreekt zich dat het type onderzoek dat nu de krant haalt in al zijn complexiteit de zaken toch sterk versimpelt. Echt uitzoeken hoe in kansarme regio’s gedrag wordt geproduceerd en in stand gehouden is meer werk en ingewikkelder, maar ook meer werkelijkheidsnabij. Het verheldert meer.

Ik geef een voorbeeld. We weten uit de cognitiewetenschap dat het menselijk brein tot zeker halverwege de twintig aan herordening en gereedmaking voor optimaal functioneren onderworpen is. Thomas Piketty had gelijk dat hij de som gelds die de ongelijkheid kan bestrijden, wilde geven aan 25-jarigen. Waarom dan de grens bij 18 leggen zoals in de plannen van Groen Links wordt voorgesteld?

De grens van 18 is een regel, de regel die bepaalt wanneer iemand als volwassen wordt beschouwd. Groen Links heeft blijkbaar alleen oog voor deze regel. Dat is kortzichtig. In onze boeken leggen we uit dat er naast regels conventies zijn die per klasse bijv. bepalen waaraan geld wordt besteed. Hier geldt niet de leeftijd maar wat in een bepaalde groep gebruikelijk is: vroeg uit werken voor geld, of investeren in een opleiding, bijvoorbeeld. Hoe jonger, hoe minder aandacht in de overgrote meerderheid voor het doorbreken van bepaalde conventies. Dat is toch een inzicht om rekening mee te houden.

Nog krachtiger in de productie van gedrag zijn wat wij in onze boeken ‘arrangementen’ hebben genoemd. Daarmee doelen we op praktijken die aansluiten bij de klassegebonden stilering van de leefomgeving en de wijze waarop de afstemming in de groep vorm krijgt. Arrangementen zijn hardnekkiger dan regels of conventies; bepalender voor het alledaagse gedrag in de groepen waar men toe behoort. Het zijn lichaamspraktijken, of preciezer nog: lichaamstechnieken, waarmee getoond wordt waar je bij wilt horen. Hierdoor vindt bijvoorbeeld beïnvloeding door mode plaats. Hierdoor wordt uitdrukking gegeven aan identiteit, aan hoe men wil zijn en met wie.

Vooral hier ligt dus de oorzaak waarom status zo’n hardnekkig probleem is. Het is niet “the economy, stupid” maar klasse zoals die geleefd wordt in alledaagse gearrangeerde omstandigheden. Niet klasse als sociologische entiteit maar als leefwereld, als ervaringswereld. Immers in het leven van alledag worden gevoelens en strevingen, maar ook denkbeelden, tot een in het lichaam verankerd gedragspatroon geweven dat kansen beperkt, of ingeval van het bereiken van een hogere sport op de ladder, verruimt. Want denken dat de voorspoed die je geniet of de prestatie die je levert je eigen verdienste is, is een even hardnekkig patroon als ervan uitgaan dat je nooit een kwartje wordt. Beseffen dat het velen zijn die jouw verdiensten mogelijk maken is ook een ervaring die je niet helemaal uit de eigen koker haalt, maar mede het gevolg van de ijking van je gevoelen in de groep(en) waartoe je behoort. Ontkennen dat er een algemeen belang is dat voorrang dient te krijgen boven eigenbelang leer je evenzeer in de intrinsiek sociale groep, de klasse waarin je vanzelfsprekend tot de bevinding komt dat wat je bereikt hebt je eigen verdienste is. Meritocratisch denken is een groepsfenomeen met ook weer de stevige verankering in lichaamsgebonden praktijken: je beweegt je voort met de vanzelfsprekende tret: kijk mij eens! Juist daarin word je bevestigt. Zoals omgekeerd, je ook niet voor vol wordt aangezien – een zaak die je primair lijfelijk ervaart – als je het niet zo goed getroffen hebt.

Tegen mensen opkijken of erop neerkijken is een van de hardnekkigste patronen in gedrag; alleen te bestrijden door training met heel je hebben en houden, lichaam en geest in settingen waar mensen van diverse statuur samenkomen, weg van de eigen bubbel.

Gepost door: Paul Voestermans | 26 september, 2020

Het ongelijk van Mahbubani genuanceerd

Nu China en het Verre oosten weer in de belangstelling staan, is een wat oudere post veel actueler dan hij was op het moment van schrijven.

Opvallend dat al jaren het gesprek gaat over Oost en West. Er zijn China notities, er is China politiek, er is veel te doen over TikTok en over de rol die China op zich gaat nemen op het wereldtoneel. Hier nog maar eens een aspect van de discussie dat veel verder gaat dan de rivaliteit tussen China en de VS.

In de NRC van vrijdag 3 juni 2016 staat een interessante aanvulling op het ongelijk van Mahbubani zoals ik dat destijds zag: Deze week sprak hij (Mahbubani) in tien Skype-minuten met architect Rem Koolhaas op het forum Re: Creating Europe in Amsterdam. Mahbubani’s uitgangspunt: er vindt geen ‘clash’ tussen beschavingen plaats, maar een ‘fusie’. Neem China. Het zal nooit een replica van Amerika of Europa worden, maar neemt in zijn moderniseringsbeweging wel stukken westerse cultuur over. In 2008 hadden 36 miljoen Chinese kinderen pianoles en 50 miljoen viool. Ze krijgen seksuele voorlichting op basis van beproefde westerse methoden. Polio is uitgeroeid. Het westerse universitaire stelsel verspreidt zich over de wereld, inclusief de Golfstaten. Terwijl we ons terecht zorgen maken over 30.000 IS-strijders vergeten we de 200 miljoen niet-radicale moslims die alleen al in Indonesië samenleven. Mahbubani spreekt van „overlappende gebieden van gemeenschappelijkheid” ( Foreign Affairs , mei-juni 2016).

Dit hieronder was de blog van toen. Lees die met het bovenstaande in het achterhoofd.

De Kernvraag: is Mahbubani te aardig voor de geschiedenis van het Oosten? Hij gaat wel iets te losjes om met de beschavingsgeschiedenis van het Westen.

Kishore Mahbubani kan wat mij betreft niet vaak genoeg komen uitleggen wat zijn boek The New Asian Hemissphere The irresistable shift of global power to the East aan goede raad bevat voor de westerse intelligentia. Zijn optimistische kijk op Azië is een verademing vergeleken bij de navelstaarderige doemdenkerij van bijvoorbeeld John Gray die onlangs nog in de NRC van 1 Okt. 2008 het einde van de Amerikaanse hegemonie aanzegde. Dat gebeurde in erg negatieve termen waarbij de Aziatische wereld de rol kreeg van kaper op de kust of lachende derde. Mahbubani doet dat duidelijk anders.

Zijn centrale stelling is dat de mensen in het Oosten wel willen moderniseren maar niet verwestersen: “(The Asian countries) found that there were at least seven pillars of Western wisdom that could have an almost miraculous effect on their societies” (p.52).(…) “The world can no longer be Westernized. Naipul was wrong; the West does not represent “universal civilization”. There are many other successful civilizations, many of which are about to blossom again in the twenty-first century”(p. 272).

Dat Azië – heel algemeen: het Oosten, ook wel “de Rest” genoemd – waarden vertegenwoordigt die het Westen vrijwel negeert, is de hoofdboodschap van Mahbubani. Het Oosten heeft het Westen meer te zeggen dan wat exotica.

Mahbubani vat de modernisering samen in de 7 pilaren van westerse wijsheid: (1) vrije markt economie, (2) wetenschap en technologie (3) meritocratie, (4) pragmatisme, (5) cultuur van de vrede, (6) de rechtsstaat en (7) onderwijs. Het Westen ziet onvoldoende hoezeer de Aziatische landen al hun voordeel doen met deze wijsheid. Ze moderniseren snel.

De vrije markteconomie wint overal in Azië terrein. In het China van Deng Xiaoping bijvoorbeeld komen de verandering van onderop in de plaats van de door Mao van bovenaf opgelegde revolutie. De zo begeerde Grote Sprong Voorwaarts komt pas in zicht nu de centrale planning terzijde is geschoven. Het Westen doet er volgens Mahbubani goed aan ook af en toe te luisteren naar Hu Jintao, wanneer hij uitlegt dat het aantal mensen in grote armoede in China intussen met 400 miljoen is afgenomen.

Op het gebied van wetenschap en technologie is Azië aan een inhaalslag bezig. Het is Mahbubani niet ontgaan dat er in het Westen een beslissende stap werd gezet, nadat vanaf het midden van de 17e eeuw de wetenschappelijke precisie werd omarmd en kennis los kwam te staan van het hogere weten van de godsdienstigheid. Tot in de 16e en 17e eeuw was Azië de grootste innovatieve economie. Dat stagneerde. Mahbubani erkent dat ook. Maar er verandert veel in Azië. Ter illustratie voert hij de coverstory op van Time met daarin de voorspelling van Richard Smalley dat rond 2010 90% van alle wetenschappers en ingenieurs met een Ph-D in Azië zullen verblijven. Dat is al gauw.

Ook met de meritocratische beginselen gaat het in Azië goed. Het doorzoeken van alle klassen en lagen van de bevolking in India en China op talent is een moeizame aangelegenheid vanwege het kastensysteem, resten feodalisme en eindeloos veel platteland, maar Mahbubani geeft genoeg voorbeelden van hoe ook in China en India steeds meer capabele mensen uit alle lagen van de bevolking op cruciale posten worden benoemd. Singapore gaf daarbij het voorbeeld. Dat dit in het Westen niet wordt opgemerkt is het zoveelste bewijs van Westerse arrogantie.

Over de overige pijlers zal ik kort zijn. Japan is al vanaf de tweede helft van de 19e eeuw een toonbeeld van pragmatisme. Dat heeft aanstekelijk gewerkt voor China en India. De Associatie van Zuidoost Aziatische Staten (ASEAN) is als vredesorganisatie overtuigender in de Aziatische regio dan de EU in Europa op de Balkan, zozeer is de cultuur van de vrede als westerse wijsheid doorgedrongen. Met de rechtsstaat hebben de Aziatische landen het nog het moeilijks, maar de meeste tenderen toch naar een type wet- en regelgeving dat nepotisme, dwang en machtsmisbruik zal doen verminderen. Het onderwijs wordt steeds toegankelijker, ook voor de lagere regionen in de samenleving. De gegoede klasse in Aziatische landen studeert steeds meer aan westerse universiteiten en door de economische groei in de thuislanden komt er een omgekeerde brain drain op gang: de knappe koppen blijven niet in het Westen, maar keren terug.

In plaats van de adoptie van de zeven wijsheden te benutten om een brug te slaan zit het Westen volgens Mahbubani vast in een kramp waarin bijvoorbeeld de volle participatie van Azië in belangrijke instituties zoals IMF en de Veiligheidsraad geen optie is. Regeringen van landen met samen nog geen half miljard mensen sluiten meer dan 5,5 miljard mensen effectief uit bij het nemen van belangrijke beslissingen en verhinderen deelname aan cruciale politieke en monetaire instellingen. Dat is heel kort Mahbubani’s belangrijkste grief.

Deze harde boodschap verdient het wereldwijd te worden verstaan. Ik heb wel een paar vragen.

In de eerste plaats bij zijn historisch perspectief. De laatste tijd hebben een aantal historici geprobeerd– ook voor het brede publiek – om de geschiedenis te schrijven vanuit mondiaal perspectief om daarmee provincialisme of meer in het algemeen een westerse bias te voorkomen. Geschiedenis is meer dan de verschaffer van nationale identiteit of het middel tot volksopvoeding. In dat brede perspectief wordt duidelijk dat de beschaving van het Christelijke Westen hoofdzakelijk zijn articulatie kreeg door confrontatie met beschavingen die zich rond de Islam, het Confucianisme, het Taoïsme, het Hindoeïsme en het Boeddhisme ontwikkelden. Die confrontatie duurt tot op heden. Maar vond die plaats op de wijze die Mahbubani beschrijft?

Chris Bayly’s boek The Birth of the Modern World: 1780-1914 laat een heel ander beeld zien. Bayly is zo’n historicus die gerichte vragen probeer te beantwoorden en daarbij geen typisch westers perspectief aanhangt. Hij wijst erop dat in de loop van de confrontatie tussen de diverse beschavingen de imperia erg op elkaar zijn gaan lijken. Overal manifesteerden zich heersers die in kleding, leefstijl, hofhouding, wensen en verlangens, vormgeving aan macht, gevoeligheid voor eer etc. erg op elkaar gingen lijken.

Ook religies gingen op elkaar lijken. Opvallend zijn de mannelijke priesterkaste, de bedevaartsoorden, pelgrimroutes en andere ideologische instrumenten voor de vestiging van wat in alle beschavingsoffensieven aanwijsbaar is: een overwegend mannelijke heersersstructuur met altijd ergens in het imperium groeperingen die van de welvaart zijn uitgesloten maar toch gedwongen worden om hun bijdrage eraan te leveren. Wat dat betreft wijst Bayly niet zozeer op Westerse dominantie als wel op de ontwikkeling van onder andere door handel bevorderde machtsverhoudingen waarin lokale, reeds bestaande centra van groot belang waren. Misschien niet zo invloedrijk in vergelijking met wat de overheersers inbrachten, maar de lokale machthebbers en rijke bovenlaag raakten op den duur wel degelijk bij de macht betrokken. Zozeer, dat er grote betrokkenheid bij westerse politieke en maatschappelijke ontwikkeling en ideeën ontstond. Dat leidde op vrijwel elk continent ook tot verzet van de gestudeerde elite die naar hun eigen land terugkeerden, gewapend met westerse politieke idealen van bevrijding en machtsdeling.

Bij dit hele proces moeten we bedenken dat het zo’n 500 jaar terug in de geschiedenis bepaald niet duidelijk was welk imperium de hegemonie zou vestigen: het rijk van Karel V, de Ming dynastie, de Mogul, of de Osmanen. Dat zorgde gedurende lange tijd voor wederzijdse beïnvloeding. De Europeanen haalden vrijwel heel de verfijning van hun levensstijl uit dat contact, want Azië maar ook de Osmanen waren toen rivalen waarvan veel te leren viel. Wat er aan burgerlijke stijl ontstond voedde altijd direct terug naar de landen waarmee deze uitwisseling bestond. Bayly spreekt hier van een ‘archaïsche globalisering’ om aan te geven dat er van meet af aan van frequente, wereldwijde kennisname sprake was.

Vanaf 1800 kreeg het Westen evenwel overtuigend de wind mee, nadat daar de voorkeur was gegeven aan wetenschappelijk en industrieel onderzoek, technische innovatie en de daarop gebaseerde handel. Dat driespan had lange tijd tezamen met militair en juridisch overwicht (hoofdzakelijk in de vorm van allerlei maatregelen die de eigen handel bevorderden) een vervaarlijke uitwerking en leidde tot de botte dominantie en uitbuiting die zo kenmerkend is voor het kolonialisme en het imperialisme: een beschavingsmissie at gun point. Mahbubani verwijst vaak naar de vernederingen tengevolge daarvan.

Bayly laat evenwel zien hoe dat in zijn werk ging en sluit geen enkel imperium uit van brute chicanes rond macht en overheersing, niet in het Westen en niet in het Oosten. Zonder Maharadja’s, Javaanse Raden, Mandarijnen, Sultans, Kaliefen, en andere aan de hoven geconcentreerde machthebbers – geen enkel continent uitgezonderd – geen overheersing; geen Engelse Raj, of concessies voor handelscentra aan Aziatische kusten om maar een paar voorbeelden te noemen.

Maar wat is nu het meest beslissend geweest in deze fase? Wat kwam er ondanks alles al heel vroeg in deze periode allemaal mee? Dat was uiteraard diezelfde modernisering, waar Mahbubani zo hoog van opgeeft. Maar die term is misleidend en dekt niet wat er gebeurde. Modernisering ging overal gepaard met veel achterblijvers en gefrustreerde en verwaarloosde subgroepen. Maar wat doorzette was de zichtbaarheid van een levensstijl die iedereen wel wilde. Overal brachten wetenschap, de techniek en de daarop gebaseerde handel in goederen en diensten materiele genoegens voort die op den duur niemand meer kwijt wilde. Denk bij die materiele genoegens niet meteen aan hedonisme of consumentisme. Het gaat van gecontroleerd voedsel tot vrije leefstijlkeuzes, van zuivere lucht tot medische zorg, van betrouwbare incusieve instituties rond gezonheid en scholing tot communicatie, transport en mode. Daar zorgde dat driespan voor en dat wordt niet gedekt door ‘modernisering’.

Hierbij aansluitend kan een tweede vraag worden opgeworpen. Is Mahbubani wel voldoende duidelijk over waar de werfkacht van deze materiele genoegens ophoudt en de verwestersing begint? Op veel plaatsen in zijn boek komt verwestersing neer op – om het lapidair te zeggen – de grote bek van het zogenaamde vrije westen bij monde van zijn politici. Die arrogantie werd deel van het pakket aan zeven wijsheden. Opvallend aan Mahbubani’s voorbeelden van deze arrogantie is dat ze vaak van recente datum zijn en eigenlijk gaan over de bekende uitwassen van de neoliberale ideologie.

Maar zoals gedetailleerd staat uitgewerkt in Cultuur & lichaam en in Culture as Embodiment is de ervaring van mensen hartgrondig door de het driespan dat onze leefstijl zo wervend maakt veranderd. We pleiten voor een psychologische kijk op de globalisering waarin een belangrijke rol is weggelegd voor de tuning, de afstemming van het instrumentarium waarmee mensen het leven ervaren en vormgeven. Zodoende wordt aan het driespan van wetenschap, techniek en handel een vierde factor is toegevoegd: de ervaring van miljoenen mensen raakt voor eens en voor altijd getekend door de zegeningen van de onmisbaarheden en dat levert wereldwijd een wervend leefpatroon op. Er is sprake van gedragsglobalisering. Die heeft voora de jeugd in zijn greep waar die niet wordt gehersenspoeld door een elite die haar macht niet diensbaar wil maken aan inclusieve welvaart.

In het rijke Westen, dat wil zeggen hoofdzakelijk in het Noord-Atlantisch gebied, veranderde de ervaring van de mensen drastisch. In de laatste helft van de 20ste eeuw werd het “nooit meer oorlog” in het welvarende deel van de wereld een belangrijke bron van de wil tot van samenwerking. Daarmee ontstond niet meteen een vredelievende houding tegenover de rest van de wereld, maar aan het brute kolonialisme kwam een einde.

Helaas, zo kunnen we achteraf zeggen, moesten we eerst nog door de fase heen van een vervaarlijke bipolaire wereld, de wereld opgedeeld in het Vrije Westen en de landen van het Oostblok. Welk land kwam niet onder invloed, ja soms betovering daarvan en koos voor het ene of het andere perspectief (soms voor beide, met alle interne spanning van dien)? Mahbubani abstraheert van die periode en stelt de verwestersing aan de kaak alsof er van dit alles niets is gebeurd.

Toen de bipolaire kramp na de val van de muur in 1989 enigszins versoepelde, betekende dat niet het einde van de geschiedenis, zoals dat destijds pathetisch werd aangekondigd. De globalisering werd versterkt, die al vanaf 1500, aan de gang was en die de gelijkvormigheid van imperia en machtscentra heeft bewerkstelligd. Dat zorgde voor de verdere adoptie van een leefpatroon dat niet kan worden afgedaan als ‘Westers’. Daarvan bij Mahbubani geen spoor.

In dat patroon zit het wereldwijde gebruik van internet (ondanks de uitwassen van ongevraagde politieke beïnvloeding nog steeds overal gewild) communicatie tot in alle uithoeken, de wereldwijde eis van scherpe controle op voedsel en water, oog voor duurzaamheid, duurzaam energiebeleid, gezondheidszorg voor iedereen, kinderen op school in plaats van op het land of in de fabriek. Landen die daar niet aan willen voldoen, kunnen rekenen op verzet, vroeg of laat.

Gedreven door dat patroon roeren zich overal ter wereld de vrouwen. Ze willen niet langer leven onder de heerschappij van mannen. Jongeren eisen in naam van datzelfde patroon de vrije keuze op van met wie ze een groep vormen. Er is verzet tegen de dwang van ouders bij huwelijk en gezinsvorming. Overal ter wereld tref je het pleidooi aan voor de vrijheid van voorkeur voor met wie je intiem wilt zijn. In het Westen gebeurt dat meestal openlijk, elders in het verborgene, maar de roep is onmiskenbaar. Het is het soort vrijheid dat alleen een rechtsstaat kan garanderen, de ruggegraad van vrijheid. Huidskleur als lot in plaats van kans wordt overal afgewezen. Is dat verwestersing?

Rond deze thema’s staat het Westen soms tegenover de rest. Niet als dwingeland, maar als proeftuin. Het gaat om voorkeuren, die de uitkomst zijn van een heel lange, maar onafwendbare ontwikkeling. Het gaat om een algemeen menselijk patroon. Vreemd dat Mahbubani daar geen oog voor heeft. Hij zelf is er een illustratie van evenals Barack Obama. Met hen zijn er duizenden in Oost en West die dat patroon nooit meer zullen opgeven. Wat is dan nog verwestersing in dat perspectief? Inhoudelijk zal het een en ander nog zeker moeten worden uitgezuiverd. Voor die taak is het Westen niet speciaal toegerust, geen sprake van. Het gelukkige feit doet zich voor dat de precisering op inhoudelijk terrein geen aangelegenheid meer zal zijn en ook niet meer kán zijn van één beschaving.

Paul Voestermans

Gepost door: Paul Voestermans | 13 juli, 2020

Racisme, tracing & tracking

Het verzet tegen racisme wordt steeds sterker. Een jaar na George Floyd ontstaat langzaamaan het bewustzijn dat vooral sluipende vormen en discriminerende praktijken die zonder erg worden uitgevoerd, helder en duidelijk moeten worden aangepakt. Het punt is dat nog steeds velen niet inzien dat lang genegeerde etnische groepen door het toenemend gevoel van eigenwaarde op basis van zelfverworven status eindelijk hun rechtmatige plaats in onze samenleving opeisen. Dat wordt hen nog veel te weinig gegund. En dan de vraag die vaak wordt weggemoffeld: zou het niet zo kunnen zijn dat pas wanneer een einde komt aan de wrok van slachtoffers er zicht komt op de opheffing van deze vernedering? (Ik ga binnenkort een post wijden aan het idee dat me steeds meer in beslag begint te nemen: dat we pas een samenleving kunnnen opbouwen waarin we naar een gezamenlijke toekomst op weg zijn, als we ons bevrijden van de wrok om slavernij, Chinese vernedering, Indonesische politionele acties, genocide op inheemse of politiek vijandige bevolkingsgroepen, vernederen van de Innuit etc. Dat in de wetenschap dat geen enkel land vrijuit gaat. Een reden om het achter ons te laten.)

Om James Baldwin te parafraseren: de zwarte medemens is er gewoon zoals de witte, niet meer maar zeker niet minder en daar heb je maar aan te wennen; of beter, geloof daar maar in. Meer aandacht voor de kleuren zwart en bruin ook in de kunsten is geen “Black Life Matters gewauwel”, zoals Elma Drayer onlangs een pleidooi voor meer kleur in de presentaties in het Stedelijk kwalificeerde.

De actualiteit rond de gewelddadige dood van George Floyd en de vele protesten wereldwijd vraagt evenwel ook om een scherper beeld van racisme dan nu naar voren komt in de antiracismebeweging. In de artikelen van dit weblog is het al vaker luid en duidelijk gezegd: racisme maakt deel uit van het groepsgedrag van mensen. Onderzoek naar in- en outgroup voorkeuren en aan stereotypen laat zien dat mensen aan de eigen groep verknocht raken en vandaaruit negatief kunnen gaan oordelen over andere groepen en mensen. Juist dat betekent dat niet iedereen zomaar racist is: er zit altijd gedrag achter dat in de groep wordt aangeleerd en daar dus ook kan worden afgeleerd.

De kern: racisme hangt niet als een wolk boven de natie maar houdt zich op in identificeerbare niches. Die kun je opsporen, volgen en bijsturen. Hele ‘culturen’ – zoals die van de Westerse witte burgers – in de beklaagdenbank zetten is dus weinig effectief. Landen van institutioneel racisme betichten is onzinnig. De term ‘systemisch’ is net als de term ‘cultuur van…’ verhullend en maskeert wat er echt aan de hand is. Daar komt bij dat het verwijt van racisme ook gebruikt wordt als excuus om de negatieve kenmerken van de gediscrimineerde groep niet onder ogen te hoeven zien. Maar dat is een thematiek die een aparte post verdient.

Wat hebben ‘white privilege’ (dat is niet zomaar sociaal-economische geprivilegieerdheid maar het achteloos veronderstellen dat je superieur bent aan andere ethnische groepen, zonder reserve, dank zij een hogere positie in de beschavingshierarchie, die mede door witte wetenschappers is opgesteld. Je kunt laag op de sociaal-economische ladder staan en toch dit privilege genieten)… Dus, wat hebben wit privilege, de ‘helper whitey’, weerstand tegen ‘cultural appropriation’, de zwartepietendiscussie, etnisch profileren, “black life matters”, superioriteitsdenken en racisme gemeen? Het zijn allemaal termen die de afkerige reactie van witte mensen op donkere mensen aan de kaak stellen. Of preciezer, het zijn termen die verwijzen naar het aan de kaak stellen van weerzin tegen mensen naar mate hun kleur donkerder wordt. Die kleur verwijst naar ras. Maar we weten dat dit ‘biologische’ begrip stamt uit een tijd dat er nog vrijelijk maar zonder echte biologische basis van rassen gesproken werd. Die tijd is voorbij, maar de term racisme is blijven hangen. Terecht? Ik denk van wel. Of het klopt dat je racisme beter kunt vervangen door discriminatie? Niet doen. Zwartheid is echt een categorie apart. Dat sommigen af willen van het begrip ras vanwege de in onbruik geraakte biologische betekenis, prima. Maar let wel op: daarmee verbloem je de afkeer van zwart en donker, die er overduidelijk blijkt te zijn.

Van die afkerigheid hebben niet alleen de witte mensen last. Ook donker gekleurde mensen onderling, zo blijkt uit de geschiedenis van diep-zwart versus bruin. Het is nog steeds een onbegrepen fenomeen: hoe donkerder of beter gezegd, hoe zwarter, hoe meer discriminatie, althans vooral als het over zwarte Afrikaanse volkeren gaat. (De uitbreiding van racisme naar geloofsovertuiging zoals bij de negatieve reacties op moslims, is een onterechte vertaling van het begrip ras naar cultuur en religie, waar ik al eerder bezwaar tegen aantekende: zie deze link. Dit neemt niet weg dat bijv. een afwijkende religie evengoed een reden tot vernederende slavernij kon zijn. Dat was in het verleden bij alle godsdiensten het geval.)

Veel zwarte levens overleven de witte agressieve handen niet, maar ze sneuvelen ook door zwarte handen. Dat gegeven rechtvaardigt overigens racisme helemaal niet. De getallen zijn voor wit bezwarender, maar het gaat erom te erkennen dat racisme niet alleen een zaak is van witte mensen. Heel de geschiedenis door verhandelde mensen met een donkere huid mensen die veel zwarter waren en lichtgetinte mensen verhandelden wit (denk aan de slaven in het Ottomaanse rijk). En omgekeerd: zie de slavernijgeschiedenis van Nederland. Pas als je dat erkent kun je proberen vandaaruit deze tamelijk algemene houding te veranderen.

De etnische discriminatie- en white supremacydiscussie, daarin begrepen de discussie over racisme, is erg oud. In de wetenschap zeker. Over die lange geschiedenis heb ik in onze twee boeken Cultuur & Lichaam en Culture as Embodiment uitgebreid gerapporteerd (in beide is dat in hoofdstuk 2). In die geschiedenis speelde Nederland als handelsland een van de hoofdrollen. De sporen die de Nederlandse handelsgeest heeft getrokken in Zuid Afrika zijn er nog steeds. De manier waarop de stichters van een bunkerplaats voor de schepen op weg naar Batavia op Kaap de Goede Hoop hebben huisgehouden moet nog steeds goed worden onderzocht. Dat gebeurt nu pas onder invloed van bewegingen die het witte superioriteitsdenken aan de kaak stellen. Wat al veel langer aan de gang is, is de kritiek op vooral Duitse, Franse en Engelse geleerden die de rassenhierarchie opstelden. Over dat laatste vooral gaan die hoofdstukken.

De inlandse mensen mochten ongehinderd door wit als goedkope arbeidskrachten worden verhandeld en geëxploiteerd. Eeuwenlang waren ze een post op de begroting die hoofdzakelijk in het voordeel werkte van de werkgevers alleen. Die paar gevallen waarin slavernij ook bijdroeg aan de emancipatie van het zwarte werkvolk mogen dan soms worden uitvergroot, maar die wegen niet op tegen het overduidelijke leed dat deze mensen is aangedaan. Zeggenschap over hun lot werd hen onthouden en ze moesten luisteren naar de witte man, ja, vooral naar de witte man. Dat liet eeuwenlang nauwelijks ruimte voor een ander verhaal, hoezeer ook toen al beseft werd – en nu deste meer – dat dit allemaal eigenlijk helemaal niet kan.

Immers, bij dit witte verhaal dat deze denigrerende behandeling van donkere volkeren rechtvaardigde en aanzette tot bekering- en beschavingspogingen, valt op dat in het superioriteitsdenken achter deze ijver volkomen veronachtzaamd wordt dat ‘beschaving brengen’ geen Joods-Christelijk voorrecht is geweest. Minder Europa-gecentreerde geschiedschrijving toont aan dat ook Moslims, Boeddhisten, Hindoeïsten, Confucianen, Thaoïsten en de aanhangers van animistische levensleren allen hun steentje hebben bijgedragen aan het beschaven van de mensheid. De witte zelfingenomenheid op basis van een exclusieve beschavingsmissie was en is een hardnekkig verzinsel en de witte superioriteit waarvoor pas in de tweede helf van de 19e eeuw de kiem werd gelegd, is een product van grove historische vertekening. De bijdrage van andere beschavingsoffensieven werd straal genegeerd. Mede doordat de Christelijke verlossingsleer die het vroege imperialisme rechtvaardigde, in de voortschrijdende secularisatie vervangen werd door een ‘cultuurtheorie’ die verlossing uit onbeschaafdheid beloofde. Die quasi-wetenschappelijke pretentie hadden de niet-westerse offensieven niet. Juist dat overwicht van het Westers offensief is mede een bron van racisme. Uit de koker van dat offensief kwam bovendien een economisch systeem dat stelselmatig een klein groep winnaars en een grote groep verliezers creërde. Bij de laatste hoorden wereldwijd de donker gekleurde mensen.

Door de documentaires van Sunny Bergman over aanvankelijk de zwartepietendiscussie (“Zwart als roet”) en later het witte vooroordeel (“Wit is ook een kleur”), maar ook door de boeken van Gloria Wekker en Anousha Nzume, beseffen we ineens dat er mensen zijn die zonder dat ze er zelf erg in hebben en ook zonder dat ze meteen kwaadwillend zijn, discrimineren en over de donkere medemens allerlei negatieve denkbeelden en gevoelens koesteren. Tot peuters aan toe. Daarbij zijn ze zich niet bewust van hun eigen bevoorrechte positie. Ze merken de voordelen en de vooroordelen die samenhangen met hun witte kleur niet op.

Hoe komen we aan deze houding en nog beter: komen we ervan af? Hoe staat het met het onderzoek hiernaar?

In sociaal-psychologisch onderzoek is het vooral gegaan om de demonstratie van met name onbewust racisme. Zoals zo vaak zijn sociaal-psychologische experimenten demonstraties van verschijnselen zonder dieper in te gaan op de condities waaronder deze optreden. Veel meer dan aantonen dat een ruim percentage van witte proefpersonen onbewust afstand houdt van zwarte ‘avatars’ in de proefopstelling leverde dat soort onderzoek niet op.

Sociologisch ondervragingsonderzoek is eigenlijk alleen geïnteresseerd in de mate van voorkomen; niet eens in waar en hoe precies. In dat vakgebied bestaat nogal wat verwarring over institutioneel racisme wat de nuancering van dat begrip niet ten goede komt. In de instellingen die we in Nederland hebben – of het nu het onderwijs is of de politie of de gezondheidszorg etc. – bestaan er voor zover ik weet geen in beleid verankerde regels of afspraken die de afkeer van de donker gekleurde medemens institutionaliseren. In de instellingen werken dus wel mensen in wat ik in onze boeken intrinsiek sociale groepen heb genoemd die wel degelijk racistisch opereren. In de VS bijv. maar oon in Nederland zijn wel historische voorbeelden te vinden van institutioneel racisme: bijv. het op systematisch wijze ontnemen van kiesrecht aan Afrikaans-Amerikanen na de burgeroorlog (en de sluipende wijze waarop dat nu nog gebeurt) en racistische segregatie als gevolg van het feit dat hypotheekverschaffers besloten in de jaren vijftig als groep in zwarte binnensteden de zwarten daar geen hypotheek te geven, en witte buitenwijken wit te houden met zogeheten ‘covenanten’, dat zijn verboden op bewoning door zwarten. Of het weigeren van sollicitatiegesprekken aan mensen met niet-nederlandse namen. Het is hetzelfde als bij verkrachting; wanneer vrouwen die zijn belaagd door de instelling en haar ambtenaren niet serieus worden genomen. Zaak blijft het ook in die instellingen met hun regels en gebruiken op zoek te gaan naar wie ze toepassen of eraan vasthouden.

Intrinsiek sociale groepen zijn groepen op basis van werkelijk bestaande betekenisvolle interactie. Ze zijn niet voor de gelegenheid geconstrueerd op basis van voor een of andere onderzoeksvraag belangrijke kenmerken. (In de uitspraak ‘Nederlanders zijn racistisch’ gaat het over een aggregaatgroep, wat niet erg betekenisvol is.)

Als je zegt dat racisme ingebakken zit in de instelling dan zie je dus de samenstelling van het personeel over het hoofd. Racisme komt natuurlijk voor in instellingen zoals scholen, of de belastingdienst. Daarvan zagen we boven een historisch voorbeeld, maar dan worden daar mensen die racistische gevoelens en denkbeelden koesteren en vandaaruit donkere mensen of – als we de negatieve houding los van de connotatie met ras uitbreiden naar religie bijvoorbeeld – mosmlims of mensen met een andere seksuele orientatie negatief bejegenen, niet precies genoeg geïdentificeerd en onvoldoende van tegenwicht voorzien. Want dat tegenwicht is er in elke instelling, maar lang niet altijd duidelijk aan de oppervlakte. Ook dat maakt institutioneel en structureel tot onzinnige termen in dit debat. Dat is de crux. Het gaat om de fijnregeling van gevoelens in de gemeenschap of groep. Daarover gaat Culture as Embodiment en Cultuur & Lichaam. Daarmee is niet gezegd dat er geen impliciet, verborgen of ‘alledaags’ racisme bestaat. Dat is er wel degelijk en daaraan maak je je over het algemeen nogal makkelijk schuldig. Dat bestrijd je alleen met het moeilijkste dat er is: cognitieve empathie, een oximoron dat verwijst naar een vaardigheid die alleen door goed onderwijs in groep van experts verworven kan worden. Maar daarover ooit een aparte post.

In de intrinsiek sociale groep vindt de fijnregeling van gevoelens plaats, ook die tegenover mensen van kleur. Op die manier kan de afkeer worden versterkt. Die afstemming of fijnregeling moet je opsporen en monitoren, maar dan hebben we het niet meer over stucturen en instituties maar over groepsgedrag. Tussen individueel en institutioneel staat de reëel bestaande groep. Hoe een instelling los van de mensen die zelf geen bewuste racisten zijn toch structureel minderheden kan discrimineren, is mij dus een raadsel. Je zult toch echt de kopstukken en wat daar verder onder zit moeten aanpakken en de zaak niet verdoezelen met zo’n term. Ook gaat het te ver om te zeggen dat die instellingen zonder meer racistisch gedrag versterken. Gebeurt dat bij de politie, in het onderwijs, de gezondheidszorg? Niet dat ik weet. Wat wel gebeurt is binnen specifiek groepen afgeven op donker gekleurde mensen. Hoeveel van deze discriminatie echt racistisch gemotiveerd is, is een empirische vraag. Daaraan zou de theorie (die dus getoets moet worden) ten grondslag kunnen liggen dat achterstand in werkervaring, de achterstallige scholingsgraad en andere hindernissen voor adequate deelname aan de arbeidsmarkt toch ook samenhangt met etniciteit, dus met de afkeer van mensen met een donkere huidskleur. (Maar het kan evengoed ook zo zijn dat mannen en jongens vooral uit etnische groeperingen duidelijk anders gesocialiseerd zijn, waardoor ze gedrag vertonen dat niet past bij de huidige arbeidsmarkt. Dat gedrag is vanzelsprekend ook aangeleerd in de groep. Onderzoek dat al in de jaren negentig onder Nederlanders met een migratieachtergrond werd uitgevoerd op de sectie Cultuurpsychologie van de RU wees in de richting van aangeleerde gedragsparonen die opgedaan waren in de herkomstsituatie en die moeilijk vertaalbaar bleken naar de nieuwe verblijfssituatie. Nog steeds is dit een belangrijk inzicht. Racisme heeft hiermee weinig van doen.)

Kort gezegd: racisme in zijn vele varianten is niet een houding van geïsoleerde individuen. Of zoals wel eens gezegd wordt, van een paar rotte appels in de mand. Het gaat niet om slechterikken die kwaad willen zijn tegenover mensen van donkere kleur. De gevoeligheid ervoor is ook niet het kenmerk van het enkelvoudige individu. Beide zijn een zaak van affectieve automatismen die zijn aangebracht in de groep waarin zo iemand dagelijks verkeert. Bij racisme zou het het niet moeten gaan over de vraag dat het bestaat in deze of gene, maar hoe het vorm krijgt onder mensen en hoe het zich manifesteert.

De #MeToo-beweging legde vergelijkbare automatismen bloot bij mannen. Vrouwen worden niet op hun werkelijke waarde geschat en zijn zomaar zonder dat er veel woorden aan vuil worden gemaakt voor sommige mannen met macht en invloed en vaak zonder natuurlijke lichamelijke aantrekkelijkheid – want die speelt mee, omdat je die onaantrekkelijkheid vaak gecompenseerd ziet door macht en rijkdom – koopwaar en een speeltje. We kunnen hier veel van leren. Immers, in dat verband spreken we niet van institutionele of structurele vrouwenhaat, wel van – in de terminologie van Culture as Embodiment – tuning (afstemming) en kalibratie van gevoelens in de mannengroep. Hetzelfde geldt voor racisme.

Oprecht positieve waardering van mensen met een andere kleur dan wit vereist een resocialisatie in een andere groep dan die waarin iemand gebruikelijk verkeert. Niemand heeft deze afkerige smaak zomaar uit zichzelf. Deze wordt opgedaan in de vertrouwde groep. Om dat ‘structureel’ te noemen, is dus geen goede afslag. De kunst is de sociale achtergrond van deze voorkeur nauwkeurig te achterhalen. Die is door en door wit en zoals in bovenstaande link te lezen valt, met een lange geschiedenis waarin altijd al het verhaal ging dat de donkere mensen ‘beschaafd’ moesten worden, eerst door godsdienst en later door de Westerse cultuur over te nemen.

De blinde vlek voor de ongelijkwaardige positie van de donker gekleurde medemens is in veel groeperingen op zijn retour. Dat merk je aan de betogingen tegen racisme. Maar dit teruglopen is wel een tamelijk recent verschijnsel. Er zijn nog steeds hardnekkige kernen van racisme.

Dat moet je goed uitzoeken en bestrijden. Gewoon zoals dat met roken ook gegaan is. Roken is in de meeste kringen genant geworden door de vele acties. Gedrag kan zomaar ineens veranderen als het zijn basis verliest in groepen die verkrampt aan bepaalde patronen vasthouden.

Verder is de beste remedie ontmoetingen, ontmoetingen, ontmoetingen en nog eens ontmoetingen. Maak concreet in welke situaties wit en donkerder samen iets ondernemen. En richt de focus op geslaagde vormen van verbinding en aandacht voor elkaar. De media mogen best mislukkingen onder de aandacht brengen mits die dan ook voldoende gekwalificeerd worden door meteen uit te zoeken onder welke precieze omstandigheden dit soort ingesleten racistische praktijken voorkomen. In Cultuur & Lichaam, en in Culture as Embodiment staat handzaam opgeschreven dat racisme en superioriteitsdenken voortkomen uit groepsgebonden afstemmingspraktijken. Het zijn geen eigenschappen van losse individuen van wie je incidenten kunt rapporteren in de veronderstelling dat daarmee de kous af is. Dat is luie journalistiek. Zoek de automatismen op, identificeer de intrinsiek sociale groepen, ga na hoe de affectieve sturing in zijn werk gaat en vertel daarover. Dat neemt in elk geval de indruk weg dat je van racisme afkomt door opvoeding en onderwijs waarbinnen op louter verbale wijze de juiste cognities of opvattingen worden aangebracht. Zo identificeer je niet de echte bron van witte privileges. Die ligt in de groepsvorming met de daarmee samengaande onbewuste affectieve tuning.

Je zag dit duidelijk geïllustreerd in de documentaire ‘Wit Is Ook Een Kleur’: op een dag voor mariniers wilde niemand van de daar aanwezige groep mannen dat hun boegbeeld Michiel de Ruyter slavenhandelaar werd genoemd. En onderling werd er veel gelachen over het witte vooroordeel. Zo werkt het.

Racisme hangt niet als een donkere wolk boven de natie. In een stuk over racisme van Kiza Magendane in de NRC van zaterdag 6 juni 2020 stelde hij de vraag waarom we wel het covid19 virus willen verslaan en geen geneesmiddel kunnen bedenken tegen het “het anti-zwart racisme”. Ongemerkt legt hij hiermee de weg open naar de bestrijding van racisme. Ook bij racisme komt het aan op tracing & tracking, op opsporen en monitoren.

We kennen de plaatsen waar racisme zich ophoudt: op school bij het adviseren van een vervolgopleiding, op plaatsen waar gevraagd wordt om stageplekken, op uitzendbureaus, in het uitgaansleven bij de toegangscontrole, bij de belasting, zo weten we uit het toeslagenschandaal, bij de politie, maar dan lang niet overal, zoveel is zeker en bij het bekijken van sollicitatiebrieven. De lijst van niches kan veel langer worden gemaakt, maar het punt is dat we dit al heel lang weten uit onderzoek. En we weten ook hoe je de situatie kunt verbeteren. Niet door heel in het algemeen over ‘de cultuur van racisme’ te spreken, maar door de gevoelens en overwegingen te identificeren en te monitoren van de sleutelfiguren in de interactie. Dat kost inderdaad veel inspanning. Bovendien kan dan pas blijken dat het vaak helemaal niet om racistische denkbeelden of gevoelens gaat, maar om machteloosheid van bestuurders maar ook de burgers tegenover zoveel achterstelling, armoede en verwaarlozing.

Dus niks institutioneel of structureel racisme, maar misschien wel onvoldoende weerwerk tegen ongelijkheid, wat wel structureel kan zijn, omdat het met extractieve instituties samenhangt ( zie hier ).

Daarom heeft het geen zin de zaak af te kopen met het opruimen van een paar rotte appels…maar pak de leiders aan door tracing & tracking, (1) ontmoedig de concrete praktijken die onder hun aanvoering gevoelens van afkeer en witte superioriteit blijven voortbrengen, (2) leer kleur herkennen, (3) leer de eigen witheid als toevallig voorrecht te zien (4) kijk ook verder dan de lokale negatieve sentimenten om te zien of het probleem niet elders ligt en (5) erken en hamer erop dat het automatismen zijn die door niet racistische reacties moeten worden vervangen wat voorlopig een moeizaam leerproces blijft.

Precies kijken, kortom. Laat de protesten daartoe een oproep zijn.

(Onder constructie)

Paul Voestermans

Er worden veel lessen uit de coronacrisis getrokken. Ook worden er veel vergezichten gedebiteerd. Ze raken aan een duurzame economie en aan een evenwichtiger politiek rond de gezondheidszorg. Een die oog heeft voor haar medewerkers en het door hen benodigde materieel. En er is natuurlijk samenhang tussen deze twee. Dat maakt de huidige politiek zo interessant. Bovendien, de tijd voor de crisis wordt in het licht van Covid-19 niet zo positief beoordeeld, wat burgemeester Bruls van het CDA er ook van zegt. Dat vraagt om herijking. Is het werkelijk zo gloomy als Houellebecq denkt?

Mij treft hoe in deze tijd ook ongemerkt geëxperimenteerd wordt met een nieuwe vorm van bestuur. Dat opent een nog ongekend vergezicht, volgens mij. Dat zou wel eens een verandering kunnen zijn waar we als de bliksem mee aan de slag moeten.

Juridisch is er nog heel wat te sleutelen aan de wijze waarop het land nu wordt geleid. Er is nog steeds geen noodwet die de noodverordeningen inzake de anderhalve-meter-samenleving (die nu per gemeente of veiligheidsregio worden uitgevaardigd) een stevig landelijk juridisch fundament geeft en aangeeft waar je verhaal kunt halen als je de maatregelen te ver vindt gaan. (Zonder toetsing aan de grondwet, want dat doen we hier niet, een hele klus overigens en uitkijken dat zaken niet gemakzuchtig per ministerieel decreet geregeld worden. Dat draai je namelijk moeilijk terug.)

Maar wat echt nieuw is en ook nog helemaal niet verankerd is in wat voor democratisch georganiseerde voorziening ook, is de wijze waarop de politiek die over beleid gaat én de wetenschap die gaat over een hecht kennisfundament onder de maatregelen, elkaar het beste kunnen vinden. En dan gaat het natuurlijk niet alleen over de medische en de natuurwetenschappen maar ook over de geestes- en gedragswetenschappen.

Wat er ook wetenschapstheoretisch over wetenschap te zeggen is – en dat is helaas niet genoeg om scepsis buiten de deur te houden, blijkt uit de velen die denken dat wetenschap ook maar een mening is – vast staat dat de praktijk van de wetenschapsbeoefening, dat wil dus zeggen hoe wetenschap werkt, wel degelijk een meerwaarde vertegenwoordigt. Zeker als je het vergelijkt met beleid zonder wetenschap.

Ook al staan beleid en wetenschap met elkaar op gespannen voet toch werd onlangs in de Volkskrant van 6 mei, 2020, terecht erop gewezen dat “een samenleving die in de volle breedte op haar wetenschap wil vertrouwen de beste kans heeft de weg omhoog weer terug te vinden”.

Dat ze op gespannen voet staan komt omdat wetenschap autocratisch is ondanks de voortdurende twijfel en de noodzakelijke aanpassing aan de nieuwste bevindingen. Er zijn altijd checks & balances. Door voortdurend onder kritiek te staan en steeds maar weer verder te zoeken en nooit stil te staan en altijd open te staan voor nieuwe inzichten, ontstaat er toch ook een mate van zekerheid waaraan for the time being niet getornd kan worden, hoe onzeker de situatie ook blijft. Dat geeft wetenschap onmiskenbaar autocratische trekjes. Want eenmaal iets vastgesteld, ontstaat er ook een moment van bruikbare zekerheid waar je je maar het beste op verlaten kunt, want iets beters hebben we niet. Het heet: wetenschappelijke autocratie met checks & balance. Dat die checks & ballance soms beentje gelicht worden, is ook waar, maar er blijkt altijd correctie niet alleen mogelijk; deze blijft nooit lang uit, zoals ook nu in coronatijd steeds maar weer blijkt. De beoordeling van de wetenschappelijke kwaliteit van onderzoek blijft mensenwerk maar de waarborgen zijn nergens zo scherp.

Welnu, dit lijkt mij een inzicht dat wat mij betreft voor een blijvertje in politiek en bestuur mag zorgen.

Want in deze coronatijd raken we gewend aan een regeringsvorm die je gerust een gelukkige mix kunt noemen van autocratisch richtgeven vanuit de wetenschap en maatregelen op basis daarvan in de politiek. Er is van alles op aan te merken en dat gebeurt ook zo zagen we de aflopen tijd, maar het was ook mooi om te zien hoe dat samenspel van wetenschap en maatregelen verliep.

We oefenen nu al meer dan twee maanden met deze vorm van democratie op autocratische grondslag. We hebben kunnen zien hoe steeds opnieuw een balans gezocht wordt en er steeds gecheckt wordt wat moet en kan.

Een mooi voorbeeld van deze mix van de autocratie van de wetenschap en politieke maatregelen leveren Bart Slagter en Peter Slagter. Zij richtten het journalistiek kennisplatform ‘LekkerCryptisch’op. Dat moet zorgen voor getoetste kennis op basis waarvan dan geïnformeerde maatregen kunnen worden getroffen. Zo’n platform is een voorbeeld van met wat voor soort kennis precies kamercommissies in deze nieuwe mix zouden kunnen opereren. Natuurlijk is dat ook wennen voor wetenschappers: ze moeten leren leven met deze mix, met democratisch genomen maatregelen die botsen met de redelijkheid. Dat zie je aan de discussie over mondkapjes. It is all in one package.

We oefenen dit nieuwe pakket nu op het terrein de gezondheidszorg, een vitaal sociaal domein. Wat we hiervan leren kan ook toegepast worden op andere domeinen. Ook elders is een mix nodig en mogelijk van autocratie met checks & balances en democratisch genomen maatregen.

Het is nu experimenteren omdat het moet, straks komt het aan op experimenteren omdat het kan.

Gepost door: Paul Voestermans | 6 maart, 2020

Hebzucht is niet zomaar een eigenschap van het individu

Ten tijde van de credietcrisis in 2009 schreef ik deze aflevering hieronder over de sociale afstemming van gedrag naar aanleiding van de vele opmerkingen over hebzucht bij de bankiers en meer specifiek naar aanleiding van de bekentenis van de bankier Floris Deckers toendertijd dat zijn beroepsgroep het spoor bijster was.

We zijn intussen op onze schreden teruggekeerd en hebben ingezien dat privatisering één grote mislukking is die de weg heeft vrij gemaakt voor lastig te bestrijden zelfverrijking. Wat helpt is die zelfverrijking niet langer te zien als een persoonlijke aangelegenheid.

 

Op 26 juli 2019 werden twee boeken over hebzucht besproken in de NRC. Een reden om een eerdere post te herhalen. Het een gaat over het boek Hebzucht van de filosoof Jeroen Linssen het andere over het boek Licence to be bad: how economy corrupted us van de econoom Jonathan Aldred. Jeroen Linssen zal op 7 maart 2020 zijn ideeën over hebzucht presenteren als onderdeel van het boekenfeest in Nijmegen.

Het zijn filosofische, economische en historische speculaties over hebzucht als een kenmerk van deze tijd dat nauwelijks nog morele verontwaardiging ontlokt. Helaas gaan beide boeken naar de bespreking te oordelen voorbij aan wat ik in onderstaand artikel al aanvoerde tegen een al te individualistische benadering van de hebzucht. Ik waardeer de historische dimensie en het is nooit weg om te lezen hoe in de loop van de geschiedenis via Aristoteles, Thomas van Aquino, Kant, Adam Smith e. a. hebzucht stelselmatig als economische noodzaak werd gezien. Dat mag dan zo zijn voor wie de sociale dimensie van individueel gedrag ontgaat, maar vandaag de dag moeten we het ook hebben over wat wij in Culture as Embodiment de ‘social tuning of behavior’ hebben genoemd.

 

Kijk eens naar het roken? Er is een nieuw soort ijking van ons detectieapparaat aan de gang: we verdragen de lucht van rookmiddelen steeds slechter. Dat detectieapparaat of ‘sensorium’ zoals we dat in onze boeken genoemd hebben, kan in de gemeenschap opnieuw worden gekalibreerd, zodat roken steeds meer weerstand ontmoet. Het is maar een voorbeeld, maar het laat zien dat verslaving geen louter individuele aangelegenheid is. De geldt ook voor de verslaving aan geld en goed zoals die in hebzucht gestalte krijgt.

 

Maar hier nu wat ik eerder op deze blog schreef.

De financiële crisis is een crisis van de moraal, zei Wouter Bos. Heeft hij daar gelijk in? Je zou het wel zeggen als een bankier het boetekleed aantrekt en ons vertelt dat hij “genoeg aanleiding heeft gehad om nadrukkelijk te wijzen op symptomen waar ik me ongemakkelijk bij voelde”. Een bankier voelt wanneer het scheef zit. Er moeten er natuurlijk veel meer zijn die gevoeld hebben dat het scheef zit. Zo werkt het gevoel wanneer het gekalibreerd is in de praktijk van het bankieren. Dat onderscheidt een bankier met ‘feeling’ voor haar zaakvan een willekeurige financieel econoom, wetenschapper of politicus: zij voelt wanneer het scheef zit.

 

Dat een dergelijk gevoel toch onder de mat geveegd kan worden en de kans niet krijgt om tot daden aan te zetten, heeft weinig met moraal te maken en alles met gebrek aan regels. Of met een gebrek aan scherpe regelgeving waardoor bestaande wetten te gemakkelijk kunnen worden aangewend door de beroepsgroep voor allerlei legale maar niettemin slinkse zaakjes. De expert-groep is dan onvoldoende toegerust om het individuele gedrag van een richtsnoer te voorzien.

 

Het heeft ongeveer een eeuw geduurd – van zo ongeveer vanaf de verschijning van Het Communistisch Manifest in 1848 tot na de Tweede Wereldoorlog – vooraleer er voldoende sociale regelgeving werd bedacht en geïmplementeerd ter bestrijding van schrijnende sociale ongelijkheid. En opnieuw staat dit thema hoog op de maatschappelijke agenda. We zijn er dus nog lang niet, maar armoede is in de Eerste Wereld van het Westen het vraagstuk van een minderheid. Het is bijna onvoorstelbaar dat een goede eeuw geleden in Engeland 10% van de bevolking ongeveer 90% van heel Engeland bezat en één imperium in ongeveer een kwart van wereld de dienst uit maakte. Het ging om bijna 500 miljoen mensen en bijna 34 miljoen vierkante kilometer. Er moet nog veel gebeuren, want nu bezit een kleine bovenlaag de helft van heel het mondiaal vermogen, maar zo erg als het ooit in het VK was is het zelfs met de huidige vermogensongelijkheid niet. We maken nu veranderingen mee die aansluiten bij wat intussen sociaal gevoel is geworden: absurde ongelijkheid. Onomkeerbaar zal de wereld bij nog betere sociale regelgeving betrokken worden. Dat is het resultaat van de hoofdzakelijk Westerse proeftuin van meer dan een eeuw sociale kwestie.

 

De veranderingen van de jaren zestig en zeventig brachten het besef met zich mee dat de aarde niet onuitputtelijk was en het milieu kwetsbaar. De Club van Rome luidde de noodklok. Dat leidde tot ecologische regelgeving. We zitten nu midden in de vormgeving daaraan. De noodzaak ervan wordt steeds duidelijker, wat je verder ook van de opwarming van de aarde vindt. Dat er nog steeds mensen zijn die het zo’n vaart niet vinden lopen, doet niets af aan de de grote hoeveelheid mensen die aarde door ecologische regelgeving zo veel en zo goed mogelijk voor het nageslacht willen bewaren. We zijn er nog lang niet, maar het gevoel van urgentie is er. Dat gevoel wordt intussen gekoesterd en uitvergroot, hoe dan ook. Ook dat gebeurt intussen wereldwijd.

 

De creditcrisis en de economische teruggang maken duidelijk dat we een begin moeten maken met een derde vorm van regelgeving, de moeilijkste wellicht, maar wel even noodzakelijk als de de sociale ongelijkheid en klimaat: de financiële. Ook hier moet bij gevoelens worden aangesloten. Het probleem is dat de geschiedenis van het geld (zie bijv Niall Fergusons The ascent of money) wel aantoont dat dat heel moeilijk zal zijn. Geld is niet zomaar een onderdeel van onze maatschappij, het is vermoedelijk het meest beslissende. Maar in zijn algemeen aanvaarde rol ook het meest onbegrepen, omdat er gevoelens van o.a. vertrouwen en zekerheid mee gemoeid zijn. We beginnen langzaamaan te beseffen hoe belangrijk dit soort gevoelens zijn. Het begint door te dringen dat geld op menselijke gevoelens kapitaliseert die heel gemakkelijk ontregeld kunnen raken. Of beter gezegd, die het moeilijks te reguleren zijn. En hier komt hebzucht in beeld als de grootste bedreiging voor de gevoelshuishouding rond geld. Wie kent niet de verzuchtingen dezer dagen over hebzucht? Niet alleen die van de bankiesrs maar van ons allemaal. Maar zouden we echt allemaal afgesteld zijn op hebzucht? We zijn zoals ik boven al opmerkte getuigen van het eerste begin van ook hier een verandering van gevoelens.

 

De bekentenis en het excuus van Floris Deckers zijn op dit punt interessant en hoopgevend. Want waar is een tuning, een fijnregeling van het gevoel mogelijk die in elk geval nog steeds voor alarmering zorgt. Dat gebeurt in de groep van experts. Hebzucht is geen eigenschap van het individu. Deze fijnregeling is vooral een kwestie van ‘feeling’ voor wat er in de beroepsgroep werkelijk toe doet. Dat blijkt bij uitstek een zaak van de gemeenschap van experts. Dit is ook de hoofdboodschap van Culture as Embodiment. The social tuning of behavior.

Deckers is daar een mooi voorbeeld van. Hij is een voorbeeld van de tuning van gedrag in de groep, van de fijnregeling van het gevoel voor wat hoort onder bankiers met nog een duidelijke beroepseer. Het gaat om feeling die je krijgt. Maar dat moet wel geruggensteund worden door regelgeving. Dat is andere koek dan moraal, wat ook maar een woord is dat, evenals de term ‘cultuur’, weinig verklaart. Spreken van crisis in de moraal staat, evenals spreken van crisis in de cultuur, ver af van wat gedaan kan worden tegen een ontregeld – in dit geval financieel systeem.

De bekentenis van Deckers laat zien dat er bij bankiers nog steeds iets plaatsvindt dat een weermiddel kan zijn tegen hebzucht: feeling voor het vak. Weliswaar onder druk van de omstandigheden, maar bij experts blijkt  zich nog steeds iets te roeren dat niet zomaar buiten spel komt te staan. Dat is belangrijker dan moraal. Vanuit die feeling geeft Deckers goede raad: ondersteun de feeling van de expert met expliciete regels. Hij geeft er een zestal: (1) banken moeten weer werken aan de beantwoording van de echte vraag van klanten; (2) risico’s moeten zeker worden genomen, anders beweegt er niets, maar zeker niet tot elke prijs; (3) zorg voor transparantie en een juiste balans tussen de zo begeerde beweeglijkheid van de koersen en tegelijkertijd de onvermijdelijke zucht naar zekerheid bij de klanten; (4) zorg voor echte, gewaarborgde service, waarvoor dan ook een redelijke prijs gevraagd mag worden en richt je gescheiden daarvan op het nemen van risico; met andere woorden, geen onduidelijke vermenging van beide; (5) banken moeten weer gewoon banken worden, geen beleggingsobjecten; (6) zeker geen bonussen die meer zijn dan het salaris, als die prikkel dan toch echt nodig blijkt (wat nog steeds niet duidelijk is; aan het werk onderzoekers!). Ze worden pas uitgekeerd als de lange termijn doelen worden gehaald.

 

Een prachtig begin. Deze punten laten duidelijk zien dat het niet om moraal gaat. Het gaat om regels die aansluiten bij waar bankiers nog gevoel voor blijken te hebben. Zo goed zit de beroepsgroep nog wel in elkaar, leert ons deze ene bekentenis. Meer hebben we er niet nodig. Wellicht kan er nog een aanvulling worden gegeven op dit mooie begin van Deckers? De regels die hij voorstelt moeten juridisch worden verankerd, zoals dat ook het geval was bij sociale en ecologische regelgeving. Dat het lang zal duren, zal niemand verbazen, maar dat het nodig is, staat buiten kijf.

 

Maar nu dat gevoel dat het mis zat. In C&L en CaE wordt veel aandacht besteed aan het affectieve systeem en de tuning van de gevoelens in de gemeenschap. Ons lichaam is een soort gewaarwordingsinstrument dat afgesteld raakt in de groep van experts waartoe men zichzelf rekent. Deckers kreeg zo dat typische bankiergevoel dat het niet goed zat. Hij beschikt net als iedereen over het sensorium zoals beschreven in  C&L en CaE: onze samenhangende zintuigen. Het gaat om dat geheel van gewaarwordingsmogelijkheden dat op basis van universele lichaamskenmerken grenzen stelt aan wat verdragen kan worden. Wij mensen beschikken over zoiets. Deckers als bankier beschikt over zijn eigen variant. We zijn dus zeker niet allemaal zo maar hebzuchtig maar altijd in een gemeenschap waarin onze gevoelens geijkt worden. Gevoelens kenmerken zich doordat ze vorm krijgen in de groep. Natuurlijk zijn er dan nog steeds hebzuchtige mensen maar dan dan is het zaak deze groep te identificeren naast die welke een weermiddel ontwikkelen. In die zin is niet iedereen zomaar hebzuchtig. Van bankier tot burger is het zaak de tuning, ijking of vormgeving te onderzoeken. Daar hebben we affective science voor, onderdeel van cognitiewetenschap waarin filosofische speculatie over het gevoelsleven vervangen wordt door inzicht in hoe ons affectsysteem werkt zodra het gaat over geld en goed. Van algemene hebzucht en van een algemeen klimaat waarin meer, meer, meer over de hele linie het ondernemen en geldverdienen kenmerkt is geen sprake. Er zijn wel specifiek niches waarin het gevoel voor proportie te wensen overlaat. Die bevinden zich in wat Oliver Bullough zo inzichtelijk heeft beschreven als een apart land, Moneyland.

Het sensorium stelt grenzen. Is de wijn echt zuur dan spugen we hem uit, maar is het druivensap draaglijk geconserveerd dan accepteren we deze techniek om druivensap te behouden. Gaat de dictator te ver met zijn dwingelandij dan verzet zich alles in mensen ertegen, ook al is de onderdrukking wreed en uiterst beangstigend. Men weet waar men de grens zou willen trekken. Valt de dictatuur weg, dan roert zich meteen het sensorium en we weten weer wat echt graag willen. Wat dat is leren we in de gemeenschap waartoe we behoren. Daar raakt het sensorium getuned. Zo ontstaat het sensorium van de bankier, de sporter, de wijnproever, de wetenschapper. Want wat voor de bankiers geldt, geldt ook voor de ceo’s van grote bedrijven met hun miljoenensalarissen. Ook daar is hebzucht een kwestie van miscalibratie. Ook daar geldt de verplichting een omgeving te scheppen waarin dat leren en deze tuning optimaal kan plaatsvinden. Dat is cruciaal voor de graad van wellevendheid in een samenleving. Ook voor de wellevendheid rond geld. Dat mag moraal genoemd worden maar niet zonder het inzicht dat er werk aan de winkel is. Bankiers verfijn uw sensorium en bindt het aan regels die ervoor zorgen dat het net als bij Floris Deckers blijft opspelen!

 

Kortom, er bestaat geen hebzucht die ons allemaal in de greep heeft en ons in het verderf zal storten. Dat zijn atavistische verklaringen, die in een tijdperk van gentherapie, klonen en knippen in DNA op zijn zachts gezegd wat ouderwets aandoen. De bankier met het gevoel van Deckers bewijst het tegendeel. Het mag dan getuned zijn door bijvoorbeeld ook de ervaring dat hij geen topman bij de ABNAMRO werd (zie J. Smit, De Prooi), maar zijn hebzucht is in elk geval genuanceerd geraakt. En wat hij kan voelen, voelen er meer of kunnen meer bankiers voelen, als hun beroepsgroep zich daar eens wat meer mee zou bezig houden. Regels kunnen dat bevorderen, maar er is vanzelfsprekend meer nodig.

Misschien is daarom het gescherm met moraal niet meer van deze wereld. Ik roep in herinnering dat het hoofdwerk van Spinoza Ethica heet en dat daarin geprobeerd wordt een algemene gedragsleer te ontwerpen (in die zin dat daarin een werkwijze in het onderzoek naar de menselijke natuur wordt voorgesteld die we nu gedragswetenschappelijk zouden noemeen. Zie hiervoor de post ‘waarom toch steeds Spinoza?). We weten intussen nog beter hoe het zit: het gevoel dat er iets mis is kan weliswaar een tijdje zwijgen, maar zodra het de spuigaten uitloopt, roept het in elk geval één bankier of één ceo tot de orde. Dat is genoeg, want eenmaal erkend, kan het ook al die andere bankiers en ceo’s tot de orde roepen om zich weer eens op die tuning in de expert group te richten en tot herijking over te gaan.

Paul Voestermans

 

 

 

Older Posts »

Categorieën