Gepost door: Voestermans and Verheggen | 24 oktober, 2019

Placebo op de korrel: er bestaan geen lichaamloze ervaringen  

 

Onderlangs luisterde ik in de trein naar “Wij zijn onbehaarde apen”, een podcast over wetenschap van de NRC. Dit keer ging het over het placebo-effect. Het placebo-effect is kort gezegd de invloed van nep-medicijnen op de genezing. Het placebo is dus dat (nep)medicijn; het placebo-effect de ‘genezing’ (minimaal symptoomafname) gebaseerd op de positive verwachtingen die door het geneesmiddel worden gewekt.

 

Maar het gaat om meer dan geneesmiddelen. In de podcast wordt het voorbeeld gegeven van proefpersonen die gevraagd worden hun hand in koud water van 0 graden te steken. Dat houd je niet lang vol; water van 0° voelt al snel heel pijnlijk aan. In de proef-opstelling staan twee bakken: één met gewoon blauwig water van 0 graden en een met geel gekleurd water, ook 0 graden. De proefleider deelt de studenten mee dat in het water met de gele kleur een pijnstiller zit. Die zit er niet in maar zo wordt de verwachting gewekt. Wat blijkt? De studenten die de hand in het gele water hebben gestoken houden het langer vol. Dat kan alleen maar verklaard worden door de positieve verwachting die het toegevoegde medicijn – wat er niet inzit – heeft gewekt.

 

In Leiden is onder leiding van Andrea Evers een grootscheeps onderzoeksprogramma opgezet naar placebo en het placebo-effect. In dit programma wordt onderzocht wat de effecten zijn van nep-medicijnen op het genezingsproces. Maar tegelijkertijd wordt dit onderzoek verbreed naar naar het belang van de arts-patiënt relatie. Die blijkt ook van grote invloed op het genezingsproces. Er is immers ook een nocebo-effect. Dat is het effect op genezing van negatieve informatie over de behandeling. Een voorbeeld van direct aan een medicijn gekoppeld nocebo is de bijsluiter met informatie over vervelende bijwerkingen. Maar er is meer: ook de negatieve bejegening van de patiënt door de behandelende arts valt eronder. Bij nocebo-effecten gaat het dus niet over verkeerde medicijnen die niet echt verkeerd zijn maar nep, maar over woorden van ontmoediging door de behandelaar, negatieve informatie over bijwerkingen en genezingskansen, onheuse bejegening en meer van dat soort negatieve interacties.

 

De interactie tussen arts en patiënt laat nogal eens te wensen over, blijkt uit Leids onderzoek. Als mensen juist positief worden bejegend helpt dat bij de genezing. Placebo-onderzoek omvat dus meer dan het toedienen van nep-geneesmiddelen. Dat sommige geneesmiddelen net zo goed vervangen kunnen worden door nep-geneesmiddelen met het zelfde effect als echte is natuurlijk het onderzoeken waard. Ik herinner mij dat Andrea Evers die dit onderzoekprogramma leidt in ScienceCafé Nijemegen erop wees dat zo misschien wel geld bespaard kan worden. Dat de Universiteit Leiden een heel programma rond placebo heeft opgezet is uiterst belangrijk.

 

Maar er is wel iets interessants aan de hand. Onder de vlag van placebo verplaatst zich belangrijk psychologisch onderzoek naar bètafaculteiten. Immers, wat wordt in deze medische context tot op de werking in het brein onderzocht aan zowel geneesmiddelen die hun werking halen uit de verwachting van de patiënt als aan de algemene interactie tussen arts en patiënt? Is dat niet gewoon gedrag dat altijd gebaseerd is op wat we geloven, verwachten, ervaren en meemaken? Is daar niet altijd het lichaam bij betrokken en de hersenen? Er bestaan toch geen lichaamloze ervaringen? En waarom die speciale aandacht voor hersenprocessen? Die spelen toch altijd een rol? Hoe kan anders interactie ontstaan? Zonder een fuctionerend brein gaat het niet. En alles wat tussen de oren zit, zit in het hoofd, maar er speelt ook van alles tussen mensen. Maar ook daarbij speelt de electrochemie van het lichaam – lichaam en brein in meervoud, dat wel – een cruciale rol.

 

Placebo suggereert iets vreemds, iets mysterieus, iets wat eigenlijk niet kan: de werking van iets zonder werkzame stof. Maar is het niet zo dat onder mensen vrijwel alles gebeurt op basis van iets dat werkt zonder dat we de werkzame stof ook maar bij benadering in het vizier hebben? Gebeurt het niet ontzettend vaak dat bij menselijke interactie nocebo en placebo effecten optreden? Ik geef een voorbeeld van het eerste. Op een feestje vindt een geanimeerd gesprek plaats tussen onder anderen een socioloog die heel zijn werkzame leven heeft moeten horen dat hij met zijn vak studenten leert “beter de krant te lezen” en een medicus die hoogst gerespecteerd onderzoek doet aan bepaalde vormen van kanker en bekend staat om de vele successen. Ineens haalt de socioloog uit na een opmerking die de medicus maakt bij een van de beweringen van de socioloog: “kom, niet dat belerende toontje”. Het valt zo uit zijn mond. Blijkbaar hoort hij in een bepaalde opmerking die eeuwige kleinering die hij al zo vaak heeft moeten ondergaan en waarvan de medicus nauwelijks last heeft. De interactie is verstoord, de sfeer is weg.

Het type sensitiviteit van de socioloog uit het voorbeeld is overigens tot in groot detail uitgezocht door Mick Matthys in zijn proefschift uit 2010 Doorzetters. Een onderzoek naar de betekenis van arbeidersafkomst voor de levensloop en loopbaan van universitair afgestudeerden. Het blijkt een moeilijk beheersbare gevoeligheid te zijn. Deze is habitueel ingesleten door afkomst en verdere ervaringen en levert een lichaam op dat verschilt van wie die ervaring niet op deze wijze kent. De Franse socioloog Pierre Bourdieu heeft de habitus, de hexis of ‘vasthechting’ van klasse aan het lichaam tot de reproduceerder van klasseverhoudingen gemaakt. In Culture as Embodiment besteden we een heel hoofdstuk aan wat we daar het ‘klasselichaam’ noemen (hoofdstuk 5).

Wat hier aan te onderzoeken valt hoort thuis in de psychologie, de wetenschap van de menselijke interactie, of het gedrag, kort gezegd. Kern van dat soort onderzoek is het samenspel van het electrochemische en het expressieve lichaam. De electrochemie veroorzaakt  – zoals Candace Pert het ooit formuleerde – een “symphony in the head” op basis van een hele reeks stoffen. Ze deed haar onderzoek in dezelfde tijd toen in het Schotse Aberdeen endorfine werden geisoleerd. Dat onderzoek is prachtig beschreven door Jeff Goldberg in zijn boek Anatomy of a scientific discovery. Het was het begin van een hele reeks onderzoekingen aan de hersenen in o. a. medische laboratoria, maar niet meer zozeer aan de psychologische afdelingen van de universiteiten. Het was het begin van een onzalige verschuiving van gedragsonderzoek naar hersenonderzoek. Dat betekende dat de andere kant, de hexis, de expressief-lichamelijke vormgeving vrijwel uit het zicht verdween, want daar zijn de medische laboratoria niet op ingericht. Vandaar dat onder placebo een hele reeks gedragseffecten geschaard werd zonder daarbij dieper op de vormgeving aan gedrag en de sociale afstemming ervan in te gaan. Culture as Embodiment is onder meer een poging het tij te keren.

Nog even terug naar het voorbeeld: wat hier gebeurt is de vliegensvlugge, geheel geautomatiseerde vertaling langs electrochemische weg in het lichaam van de socioloog van de door hem waargenomen stilering van het gedrag van de medicus. De medicus heeft immers ook een ‘klasselichaam’. De voortdurende ervaring zich te moeten verdedigen is geautomatiseerd geraakt in een extreme sensitiviteit rond status. De medicus is zich van geen kwaad bewust want zijn stijl is ook geautomatiseerd geraakt door een tamelijk probleemloze ervaring van het tegendeel: hij heeft zijn statuur zelden hoeven verdedigen.

Hebben hier een nocebo en het nocebo-effect hun werk gedaan? Wat is hier de werkzame stof? Zoveel is zeker: alles wat hier ervaren werd, werd ervaren door concrete lichamen. Er hangen hier geen tekstbalonnetjes boven deze mensen uit het voorbeeld die hen instrueren. Er is hier duidelijk een nocebo-effect.

 

Placebo-effecten zijn er ook legio in de gewone menselijke interactie: alles wat we geloven dat een ander voor ons doet om ons prettig te laten vinden heeft dat effect op basis van stofjes waarvan we de werking net zo min kennen als bij nep-medicijnen.

 

Het is opvallend dat het onderzoek naar welke lichaamsgebonden processen verantwoordelijk zijn voor nocebo-effecten van (1) de interactiestijl, (2) de in de persoonlijke leergeschiedenis aangebrachte verwachtingen en (3) het feitelijk gespreksverloop is verplaatst van de psychologische laboratoria aan de universiteiten naar medische faculteiten. Daar is niks mis mee, want zo kan er meer geld gaan naar gedragsonderzoek.

 

Placebo’s en placebo-effecten, zeker als die effecten worden verbreed naar de arts-patiënt interactie horen per traditie thuis bij de algemene bestudering van menselijke interactie in de gedragswetenschap. Maar daar is kennelijk geen ruimte voor aan de studierichtingen psychologie aan de universiteiten.

Het risico van de onderbrenging van het onderzoek naar interactie bij placebo en nocebo is – zoals gezegd – dat de inzichten opgedaan door bijv. Matthys en Bourdieu veel te weinig aandacht krijgen. Geautomatiseerde skill en stijlverschillen vormen de bron van veel conflicten, of het nu gaat over de “deplorables” die Hillary Clinton zo achteloos wegzette of de discussie over witte bevoorrechting, racisme, of plattelanders versus stedelingen.

De muziek van Bach zit niet alleen in hoeveel Hertz en de grondtonen, het hout en het koper, de snaren en de klankkast. Dat ook, zo leert ons de uitvoering met prachtige oude instrumenten. De schoonheid zit vooral in de lichaamsgebonden skill en stijl van de uitvoerders. Zonder lichaam geen ervaring.

De vraag is evenwel of de verbreding van het placebo/nocebo-onderzoek naar de algehele interactie op die manier toch niet verengd raakt tot hersenonderzoek. Zoveel is zeker: nep-pillen en slecht gevoerde gesprekken, echte pillen en goede medische begeleiding demonstreren dat er geen lichaamloze ervaringen bestaan.

(onder constructie)

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 21 oktober, 2019

Waar komt gedragsverandering vandaan?

In Culture as Embodiment (CaE) schreven we over het vierspan dat zorgt voor de wervende invloed van wat we nog maar even ‘Het Westen’ zullen blijven noemen: wetenschap, techniek, handel en de daarmee gepaard gaande verandering in de levensstijl van mensen.

Niet om het Westen daarmee superieur te verklaren, maar omdat het al vanaf de tijd van Spinoza een proeftuin is geweest voor een levensstijl die de hele wereld over is gegaan en in toenemende mate zelfs in de moslimlanden van het Midden-Oosten en Noord-Afrika voor een seculiere levensstijl zorgt. Dit is het effect van wat wij in CaE ‘de globalisering van gedrag’ hebben genoemd en op veel plaatsen in dit weblog ter sprake komt (zoekwoord globalisering van gedrag).

Proeftuin Europa – daar heb ik het regelmatig over op deze pagina’s – kun je zien als een wereldwijde oproep tot gedragsverandering.

Wat is daarmee gemoeid?

De algemene educatie die onder invloed van wetenschap, techniek en handel binnen bereik van miljoenen kwam leverde op den duur een streven op naar burgerschap, meer zeggenschap over de inrichting van het eigen bestaan en de vraag naar inclusieve in plaats van extractieve instituties (zie hiervoor op dit weblog: We need strong insitutions). Als in die context gedragsverandering wordt nagestreefd, kunnen veel problemen opgelost worden. Het is zoals Louise Fresco zegt: “Het is niet zo dat de problemen onoplosbaar zijn. Met een combinatie van techniek, gedragsverandering en regelgeving zijn vele dat wel“.

Maar hoe gaat dit in zijn werk?

Als gedragsverandering ergens op gestoeld is dan is het niet zozeer op de bereidheid van de enkeling, maar op de kracht van de groep; van wat bijv. op school in peergroups wordt aangeleerd, of in het gezin, of op het werk. Het gaat om groepen waarvan de leden elkaar proberen te overtuigen hoe de werkelijke stand van zaken bij een gegeven probleem of issue in elkaar steekt. Maar er schuilt meteen ook een addertje onder het gras, want ook onjuiste beoordelingen van de stand van zaken worden opgedaan in de groep waartoe iemand behoort. Dat is het lastige en daar is alleen goed onderwijs tegen opgewassen. Vast staat dat het indivudu in zijn uppie zonder de groep geen hechte overtuigingen heeft.

Het is een misvatting om te denken zoals onlangs in NU.nl (zelf even zoeken onder de rubriek wetenschap; NU heeft niet gezorgd voor een link, helaas) werd betoogd, dat het aan ons brein ligt dat we niet door feiten worden overtuigd. Het ligt aan de groep waarin we ons gelijk steeds bevestigd zien en waartegen maar een wapen mogelijk is: deelname aan een andere groep die weet te overtuigen met argumenten. Onderwijs zorgt voor de openheid daarvoor

Gedragsverandering is een kwestie van wat we in CaE de sociale ijking van gedrag in de groep hebben genoemd. Dat is gemakkelijk in te zien als we het voorbeeld van de ontmoediging van het roken erbij halen: de rokersmaffia werd niet bestreden door de individuele roker aan het ontwennen te krijgen – natuurlijk kan dat ook maar dat is erg omslachtig. Het gaat evenwel veel sneller als er in de gemeenschap van de eigen groep weerzin tegen rookgedrag georganiseerd raakt. Wat helpt is goede voorlichting over de schadelijke gevolgen die gedragen wordt door de groep. De groep van het gezin, maar ook de vriendengroep en collega’s op het werk. En wat ook helpt zijn de institutionele voorzieningen: de waslijst aan instellingen die het roken in een kwaad daglicht stellen. Hetzelfde gebeurt als de inname van alcohol in de groep negatief gelabeld raakt en wordt ontmoedigd doordat er alternatieven worden aangeboden.

Punt is dat verandering niet aan het geïsoleerde individu wordt overgelaten maar bezien wordt in de context van te vestigen groepspraktijken. Psychologen die het sociale aan sociologen overlaten, voornamelijk experimenten verzinnen waarin fenomenen slechts worden gedemonstreerd in plaats van ze te verklaren en blijven schermen met het brein dat van alles ‘doet’ verdienen geen plaats in de media.

Maar er is meer: ook dat waar het RIVM en de pogingen vaccinatie aanvaarbaar te krijgen mee te maken krijgen, het science bashen en het idee dat wetenschap ook maar een mening is krijgt vorm in de groep. Dat zorgt voor extreme weerbaarheid van de samenstellende individuen: die gaan niet zomaar om. Dat zien we bij de reacties van boeren op de stikstofmeting en van moeders die tegen vaccinatie zijn.

Wetenschap kan alleen hiervan gevrijwaard worden door stelselmatige presentatie in de kwaliteitspers dat kennis een groot goed is. Dat twijfel het kenmerk van wetenschap is maar zekerheid evenzeer. Maar ook in de sociale media kan winst behaald worden door ook hier het beeld te versterken van hoe wetenschap werkt.

Wetenschappers zouden zichtbaarder moeten zijn, ook in de kleinere steden.

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 3 september, 2019

Patriarchaat

Danielle Hooghiemstra pakt fink uit tegen Abram de Swaan in de VK van 3 september 2019.

In deze aflevering die elementen bevat waarover ik al eerder schreef, beargumenteer ik dat ‘het’ patriarchaat niet bestaat. Er bestaan alleen typen mannen die baat hebben bij zo’n regime.

Er zijn in de Westerse wereld belangrijke ontwikkelingen geweest rond de rechten van vrouwen en het belang van hun ervaring en leefwereld. Daarover straks. Die zijn nog niet voldoende opgenomen in de publieke opinie maar zeker ook niet in de handelwijze van mannen waar ze ook vandaan komen.

Maar gebrekkige receptie heeft niets met cultuur te maken. Terecht werd door sommige vrouwen van Nederlands-Marokkaanse afkomst opgemerkt – zie de Volkskrant van zaterdag 9 januari 2016, waarin de nieuwjaarsnacht – weet u nog wel – in Keulen werd beschreven – dat het bijv. bij het macho-gedrag van Marocs duidelijk gaat om mannen die niet representatief zijn voor een hele cultuur.

Dat is in lijn met ons betoog in de twee boeken die hier steeds aan de orde zijn: Culture as Embodiment en Cultuur en Lichaam (dat al weer uit 2007 stamt), met als hoofdboodschap: exit cultuur als verklarende term.

Het heeft geen zin om van ‘cultuur van….” en vul nu maar in….. te spreken als het laakbare gedrag van een identificeerbare en duidelijk aanwijsbare groep mannen komt. We roepen ook niet de Nederlandse cultuur ter verantwoording als in een stadion mannen scheldend op tilt gaan, of wanneer in een willekeurige stad een groep dronken Nederlanders zich aan vrouwen vergrijpt. Wat hier staat geldt ook voor ‘het’ patriarchaat. Je moet ook dat altijd kwalificeren. Je hebt partiarchen in soorten en zonder steun van vrouwen gaat het niet. Ooit zijn ook deze mannen door vrouwen opgevoed.

In onze boeken gaat het om strakke argumenten op vijf terreinen waar ‘cultuur’ doorgaans wordt opgevoerd als gedragssturende factor – wat cultuur nu eenmaal nooit kan zijn, zo betogen we uitgebreid. Het gebied van de man-vrouw verschillen is er een. Seks en gender komen uitvoerig aan bod. De tekst en uitleg in de boeken verschaffen het instrumentarium om beter te kijken naar wat er allemaal tussen mannen en vrouwen kan voorvallen. Ook hier gaat het om de ‘social tuning’, het ijken van gedrag in groepen.

Ik laat hieronder staan wat ik op 31 december 2015 publiceerde. Het is een boodschap die van belang is voor zowel Oost als West. Maar ook voor de discussie over het patriarchaat en de macht van mannen.

De boodschap van destijds speelt in op de actualiteit. Twee arabisten mengden zich in de discussie over wat er die nieuwjaarsnacht gebeurde.

De blinde vlek geldt niet alleen deze twee arabisten. Dat ik hen noem heeft te maken met hun invloed als wetenschappers die de taal beheersen en daardoor juist een door de gedragswetenschappen geïnformeerde invloed zouden moeten laten gelden vind ik. Zoals velen zich met name in deze tijd in hun vakgebied verdiepen – Arabistiek en religiewetenschap – horen zij dat te doen in het vakgebied van de gedragswetenschapper. De blinde vlek geldt ook voor de vele journalisten en commentatoren die deze gruwelijke feiten van een interpretatie voorzien. Daarin ontbreekt vaak de gedragswetenschappelijke dimensie. Met name in de gedragswetenschappen zijn de ontwikkelingen die ik hieronder schets opgenomen en verwerkt in een visie op gedragssturing die genuanceerder zijn dan het blamen van deze of gene cultuur.

Dit schreef ik dus eerder: Herhaaldelijk komen arabisten van diverse snit in het nieuws. Ze leggen bijvoorbeeld uit hoe de wereld in elkaar zit van Salafisten, IS, of van vrouwen die protesteren tegen het verbod op het dragen van de gezichtsbedekkende sluier. Ze treden regelmatig voor het voetlicht want ze beheersen het Arabisch en hebben dus toegang tot de primaire bronnen. Vaak combineren ze hun beheersing van het Arabisch met religiewetenschap, filosofie, culturele antropologie of politicologie. Helaas ontbreekt de gedragswetenschappelijke competentie.

Dat is te merken. Ik geef twee voorbeelden die recent in het nieuws kwamen. Bij Joas Wagemakers en Martijn de Koning, die beiden nogal eens van zich laten horen – de een met een analyse van de ideologie van IS, de ander door een persoonlijke actie ten gunste van vrouwen die het dragen van de Niqaab verdedigen – spelen sekse- en genderverschillen geen enkele rol van betekenis. In de analyse van de ideologie van IS is niets terug te vinden van hoe vrouwen er tegenaan kijken. Toen ik Wagemakers daar bij het actualiteitencollege over IS voor Radboud Reflects in een mail op aansprak, nadat ik zijn voordracht op YouTube had gevolgd, kreeg ik te horen dat hij op dat terrein niet competent was. Hem ging het om IS als ideologie. Ik nam daar geen genoegen mee en attendeerde hem erop dat in welke beschouwing over welk ideologisch systeem ook, je het niet kun maken om geen aandacht te besteden aan de seksespecifieke gedragseffecten. Ik kreeg te horen dat vrouwen wel degelijk meetelden, zij het niet op de wijze die wij in het Westen gewend zijn. In onze seculiere, emancipatoire samenleving kunnen wij ons niet voorstellen dat vrouwen kiezen voor moederschap maar vooral ook voor partnerschap in een dienstbare rol aan de man. Ze laten zich een door mannen opgelegde orde eenvoudigweg welgevallen. De leider van IS, Abu Bakr al-Baghdadi, houdt veel van zijn moeder, zo verzekerde Wagemakers mij. Bij Martijn de Koning verliep de communicatie stroef, toen ik hem vroeg of hij zomaar achter deze vrouwen kon gaan staan zonder kennis te nemen van de bezwaren tegen het vrouwonvriendelijke arrangement achter deze kledingvoorschriften ook al kiezen veel vrouwen er vrij voor en wordt deze kleding ook bij ons door modewinkels aangeprezen.

In een eerdere blog die op 18 augustus 2014 in de NRC als artikel verscheen legde ik uit wat in heel de Arabische en Turkse wereld, maar ook bij ons hier in een aantal circuits, het grootste probleem is: een ernstige verstoring van de balans in de machtsverhouding tussen mannen en vrouwen. Let wel, we betogen uitvoerig in onze boeken dat dit niet aan ‘de’ Arabische, Turkse of welke cultuur ook kan worden toegeschreven, in die zin, dat die cultuur het gedrag zou aansturen. Het gaat om een disbalans in macht die heel lokaal over tal van landen en streken verbreid kan zijn. Ook in het Westen. Die onbalans wreekt zich vooral in de wijze waarop de zorgtaken niet alleen binnen het gezin maar ook daarbuiten zijn verdeeld. In bijv. de Arabische wereld zien we daarvan vele voorbeelden. Terwijl vrouwen doorgaans de bewakers zijn van harmonische gezinsverhoudingen, de belangen van kinderen behartigen, en zorgen voor optimale sociale verhoudingen in zowel familieverband als in het bredere verband van sociale relaties op alle niveaus, zijn mannen hoofdzakelijk in competitie, zeggenschap, macht en invloed geïnteresseerd. Is er in het vluchtelingendrama dat dezer dagen de politieke discussie zo overduidelijk beheerst, ooit de vraag gesteld waarom die mannen moeders, vrouwen en kinderen verlaten in plaats van ter plekke orde op zaken te stellen? Blijkbaar zijn tal van niches in de samenlevingen van Afrika, maar ook van het Midden Oosten nog zo patriarchaal georganiseerd, dat die vraag niet eens opkomt. De met een idee van mannelijkheid gepaard gaande praktijken die daaruit voortvloeien worden meegenomen naar de landen van aankomst, waar tal van zaken rond seks en gender ook nog lang niet goed zijn geregeld.

De lokaal ondersteunde patriarchale kijk vernauwt de blik op het soort zorg dat voor de sociale en fysieke omgeving van beide seksen werkelijk van belang is. Hij staat ook het scheppen van vrouwvriendelijke en verantwoordelijke omgangsvormen in de weg. Daarmee is niet gezegd dat mannen onzorgvuldig zijn en geen enkele verantwoordelijkheid op zich nemen. ‘Het’ patriarchaat bestaat natuurlijk niet. Alle mannen met patriachale agenda’s zijn kind geweest en mede door vrouwen opgevoed. Patriarchale praktijken leer je in de groep en kenmerkt niet alleen mannen. De ‘social tuning of behavior’ moet je letterlijk nemen: pas in de groep waar beide seksen opereren leren mannen hun patriarchale praktijken.

Staan blijft dat het belang van mannen niet ligt bij zorgtaken die gericht zijn op het scheppen van leefomstandigheden die voor beide seksen even dragelijk, stimulerend en aangenaam zijn. Nog minder houdt het in dat vrouwen exclusief met deze taken samenvallen. Zo eenvoudig ligt het probleem niet. Het gaat echt om een disbalans in de machtsverhouding en het delen van invloed, allereerst op de primaire leefomgeving maar ook daarbuiten in het publieke domein. Natuurlijk, in de beslotenheid van het gezin zijn de vrouwen zeer zeker invloedrijk. Dat is welhaast een universeel verschijnsel. Daarbuiten ook, maar dan vaak  wel op terreinen waar de mannen het laten afweten. Het affectieve domein is daar een voorbeeld van.

Ik stel dit op basis van wat we beschreven hebben in de beide boeken over cultuur en lichaam, waar we dit probleem in het kader plaatsen van een unieke cultuurpsychologisch ontwikkeling. Het gaat om het gegeven dat uitsluitend in de Westerse wereld al vanaf de dertiende eeuw de patriarchale gezagsstructuren doorbroken werden ten gunste van de zeggenschap van het paar zelf over hoe ze samen door het leven willen gaan. Fukuyama maakt deze ontwikkeling niet voor niets tot een kantelpunt in het eerste deel van zijn geschiedenis van poltieke systemen. Het had op een unieke wijze zowel economische als sociale gevolgen. Het paar werd een belangrijke economische eenheid, wat een enorme stimulans betekende voor de huisnijverheid. Daarvan zeggen de historici – onder hen Christopher Bayly, maar ook Jan de Vries en Ad van der Woude – dat in het begin van de moderne tijd de revolutie die door de huisnijverheid in gang werd gezet, die van de industrie in economische zin op zijn minst evenaarde. De sociale gevolgen waren minder eenduidig, omdat de oude patriarchale structuren zich op dat vlak maar moeizaam gewonnen gaven. Maar de kiem voor verandering werd gelegd. Vooral ook in juridische zin. Het begon met de kerkrechtelijke bepaling door paus Alexander III (1159-1181) en paus Gregorius IX (1145-1241) dat alleen op basis van wederzijdse instemming van het paar zelf een huwelijk kon worden gesloten. Dat zorgde voor een belangrijke inbreuk op het patriarchale gezag, die zich nergens anders op die manier heeft voltrokken. Het typisch mannelijke gezag gaf zich natuurlijk niet zomaar gewonnen. Daarvoor was veel meer nodig, maar het begin was gemaakt en dat schiep uiteindelijk bijzondere voorwaarden voor de toenemende vrijheid van met name de vrouw (Tine de Moor & Jan Luiten van Zanden, Vrouwen en de geboorte van het kapitalisme in West-Europa. Boom, 2006). Wat het Europese Huwelijkspatroon is komen te heten heeft verregaande gevolgen gehad voor de ontwikkeling van vrije partnerkeuze en de afbraak van de ouderlijke bemoeienis ermee. Ik zeg niet dat daardoor de leefwereld meteen overal en voor iedereen in het Westen veranderde, maar deze voor beide seksen belangrijke persoonlijk vrijheid maakte wel veel creativiteit los en dat is te merken tot op de dag van vandaag, als je kijkt naar hoe in het Westen mannen en vrouwen hun leven inrichten en een plek creëren waar hun kinderen voorspoedig kunnen opgroeien.

We moeten ook niet vergeten dat drie op deze Middeleeuwse en Vroegmoderne ontwikkeling volgende emancipatiebewegingen de positie van de vrouw in het Noord-Atlantisch gebied op unieke wijze hebben versterkt. In de nasleep van de Franse Revolutie werd het mannelijke romantische verlangen scherp door vrouwen gekritiseerd in de eerste emancipatorische golf. Romantische dichters bezongen de vrouw maar voor de kinderen die ervan kwamen namen ze onvoldoende verantwoordelijkheid. Dat werd scherp op de korrel genomen door vrouwen die niet op dit soort romantische sentimenten van mannen zaten te wachten. Een en ander staat mooi beschreven in William Leach True Love and Perfect Union, een boek uit 1989 maar ook in Richard Holmes, De Feministe en de Filosoof, uit 1988.

In de tweede golf ging het vooral over vrouwenkiesrecht. Dit recht luidde het begin in van een groot aantal juridische veranderingen in de verhouding tussen de seksen. Maar het heeft vooral gelijkberechtiging in meer dan juridisch opzicht in gang gezet. In de derde golf uit de jaren zestig van de vorige eeuw stond de seksuele bevrijding centraal. De resultaten van deze golf waren dubbelzinnig. De seksuele bevrijding werkte lang niet altijd in het voordeel van vrouwen omdat de pil als technische innovatie vooral de mannelijke vormgeving aan seks een boost gaf. Maar het kan niet ontkend worden dat in de tegenreactie die tot op de dag van vandaag duurt het vrouwelijk verlangen en de vrouwelijke vormgeving aan seks nog nooit zo prominent op de agenda is gezet.

 

Deze emancipatoire bewegingen hebben een proeftuin in de Westerse wereld geschapen waarin gevoelens, opvattingen en gedragingen worden uitgeprobeerd die zorg en welzijn voor iedereen beogen. Deze proeftuin zou er zonder de inspanning van gedragswetenschappers niet zijn geweest. Het klinkt misschien aanmatigend maar juist doordat de mensen, mannen en vrouwen, maar ook jongeren en de gekleurde medemens in moderne samenlevingen door en door ‘gepsychologiseerd’ zijn, heeft deze proeftuin zijn wervende invloed gekregen. Met psychologiseren bedoel ik niet ‘protoprofessionalisering’, dat is de taal van de deskundige gebruiken om het probleem alvast vóór te formuleren om zo de eigen verantwoordelijkheid te ontlopen of een mist van ‘deskundologica’ op te trekken. Ik bedoel ermee de wijze waarop bijvoorbeeld de moderne cognitieve en affectieve psychologie de gedragsproductie goed in het vizier heeft en daarvan het publiek doordringt. Maar dan moeten we ons wel laten informeren door kwalitatief goed onderzoek. En dat is er, ondanks alle schadalen.

De effecten zijn heel concreet. Mannen krijgen voor het eerst ook de opdracht hun steentje bij te dragen aan de zorg en niet langer alleen maar te gaan voor typisch mannelijke strevingen en privileges. Mannelijkheid en vrouwelijkheid krijgen voor het eerst wat je een ‘psychologische binnenland’ zou kunnen noemen. Duidelijk wordt hoe de sekse-specifieke gedragingen geproduceerd worden. Het is nog lang geen gelopen race, maar wel een onstuitbare, omdat vrouwen hun rechten hebben leren formuleren en mannen op plichten worden gewezen die ze voorheen hoofdzakelijk aan vrouwen oplegden. Wederom: dit alles vond plaats in de ‘West’ en niet in de ‘Rest’.

Dit zijn cultuurhistorische en cultuurpsychologische ontwikkelingen die inderdaad hoofdzakelijk gedragswetenschappelijk worden gearticuleerd. In dat opzicht heeft de psychologie ook het nodige te zeggen over hoe niet alleen subjectieve factoren maar ook factoren afkomstig uit  zgn. ‘emergente’  eigenschappen van groepen mensen opereren. Gedrag is geen aangelegenheid van louter innerlijk eigenschappen. Ik kan hier niet herhalen hoe en wat precies. Daarover gaan de boeken waar deze blog aan is gewijd. Die staan uiteraard niet op zichzelf. Het gaat om relevante gedragswetenschappelijke kennis.

Precies die kan niet langer meer worden veronachtzaamd in de beoordeling van de verhoudingen tussen de seksen waar ook ter wereld. Ook niet in beschouwingen over IS en radicalisme in het algemeen. Wie in deze ontwikkelingen geen mondiale trend ziet en ze alleen maar opvat als typisch westers, miskent een belangrijk universeel verloop van de beschavingsgeschiedenis, waarin het goede leven beschikbaar komt voor iedereen ongeacht sekse, etniciteit, leeftijd, klasse of aangehangen levensleer. Ook de Rest zal zich moeten laten inspireren door de West en kan de belangrijke rol van vijftig procent van de mensheid niet langer laten afhangen van alleen de mannen. Vrouwen horen zelf het heft in eigen hand te nemen.

Natuurlijk heeft het Westen geen patent op de emancipatie van de vrouw, maar er is wel degelijk gezorgd voor vrouwvriendelijkere arrangementen, conventies en regels. Om met de laatste te beginnen: nergens bestaan er zo’n duidelijke juridische regels die de rechten van vrouwen waarborgen in met name het publieke domein. Het gaat om de juridische bescherming van hun eigen keuzen. Conventies zijn moeilijk expliciet te reguleren, zo maken we duidelijk in Culture as Embodiment. Ze ontwikkelen zich uiterst langzaam en zijn onderhevig aan trage wijzigingen in de machtsverhoudingen. Niettemin worden er nieuwe conventies bedacht zoals androgyne mode en stijlen, of het toelaten van vrouwen in bepaalde beroepen die voorheen exclusief het domein van de man waren. Op seksueel gebied is het conventionele mannelijke initiatief doorbroken, ook in de zin dat vrouwen veel stelliger weigeren het mannelijk initiatief te volgen. Dat is voor veel mannen nog behoorlijk wennen, blijkt telkens weer. Ook worden moderne instituties zoals die bij de overheid en het bedrijfsleven opnieuw geconventionaliseerd met het oog op participatie door vrouwen waarin de wet- en regelgeving niet voorziet. Directiekamers blijken nog steeds moeilijk met vrouwen te bemensen maar het gaat gestaag de goede kant op. Voorheen hoofdzakelijk mannelijke privileges worden ook voor vrouwen toegankelijk gemaakt. Dat zijn evenzovele belangrijke veranderingen in de sekseverhoudingen.

Nog moeilijker te beoordelen zijn de arrangementen die vrouwen in staat stellen hun stempel te drukken op de leefwereld. Het dagelijkse politiek nieuws, zeker uit oorlogsgebieden draait nog steeds vrijwel alleen om mannen. Geweld en seks zijn hoofdzakelijk een aangelegenheid van mannen. Als er al vrouwen bij betrokken zijn dan verandert de praktijk direct. Het is opvallend hoe weinig dat doordringt in met name de patriarchaal vergrendelde leefwereld van vrouwen in een absoluut ondergeschikte rol. In ons boek geven we veel voorbeelden van hoe ook in het Westen de emancipatoire race nog lang niet gelopen is, maar deze verbleken bij de praktijken die we tegenkomen in de confrontatie met het Oosten die sinds de Eerste Golfoorlog is begonnen.

De rol van religie wordt zelden bekeken onder het opzicht van de disbalans in de sekseverhouding. Religies zijn vooral het product van mannen. Daarmee bedoel ik geen theologisch maar een psychologisch feit. Het mens-gemaakte karakter ervan omvat slechts een enkele sekse. Ik bedoel niet dat vrouwen geen belangrijke ondersteuning geven. Dat doen ze zeker. Het zijn gelovigen die zich wel degelijk actief met religie bemoeien. Maar zoals Chris Bayly in The Birth of the Modern World al opmerkte is de stichting, organisatie en beheer een mannenzaak. Daardoor zijn religies the world over op elkaar gaan lijken.

Tegen de achtergrond van de eerder geschetste ontwikkelingen in de verzwakking van het patriarchaat, is dat een gegeven om langer bij stil te staan. De religiewetenschap die door sommige arabisten wordt beoefend vertoont in dit opzicht een lacune. Dit geldt overigens breder. Hier en daar zijn ook terrorismedeskundigen zo overtuigd van het belang van religie – de eigen religie wel te verstaan – dat ze de bronnen van vertekening in het gebruik dat van godsdienst gemaakt wordt bij het rechtvaardigen van geweld onvoldoende zien. Ook wordt er zelden een genderperspectief ingenomen.

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 22 augustus, 2019

sociale media-gebruikers, ontwaak!

Vanwaar al die alarmbellen in de sociale media zodra de boerka ter sprake komt?

Vreemd, die warboel aan reacties op het boerkaverbod. Het gaat om de verzekering in de wet dat als iemand verborgen en onkenbaar over straat gaat, en het is geen carnaval, er indien nodig en wenselijk, ingegrepen kan en mag worden. Meer is het niet.

Maar nee, de beer is los: verwijten van racisme, islamfobie, en dan daar weer tegenin, een twitterstorm aan vuilspuiterij richting Islam – facebook heb ik afgesloten dus daarover weet ik niks – en verder juridische onzin door geleerde mensen tot twee maal toe in de NRC.

Dat allemaal zijn symptomen van een geladen discussieklimaat, waaraan het gebruik van sociale media debet is. Dat is niet meer af te remmen. Je moet het gewoon negeren.

Punt is: er wordt te weinig nagedacht over wat hier echt speelt.

Al sinds de jaren zeventig deed de sectie cultuurpsychologie aan de Radboud Universiteit waarvan ik deel uitmaakte, onderzoek naar wat er toch gebeuren moet met mensen van wie de gedragspatronen zijn aangeleerd in omstandigheden die in het nieuwe land van aankomst niet meer bestaan.

Hier heb je geen vrouwen die het gezag van mannen voetstoots aanvaarden, want die tijd is voorbij. Hij heeft ook hier bestaan, de man die de baas was over de vrouw, ook hier was dat religieus gesanktioneerd. Maar dat is nu niet meer zo en dat moet zo blijven. De helft van de bevolking is niet gediend van dat soort betutteling.

En nog steeds zijn bijv. op seksueel gebied de mannen ook in de Westerse wereld hardleers en een plaag voor vrouwen, maar de wet is zo dat die de rechten van vrouwen op bijvoorbeeld een eigen vormgeving aan seksueel gedrag beschermt en het mannen onmogelijk maakt hun vormgeving zomaar af te dwingen. Dat heet seksuele emancipatie. Wie wil nou dat dit wordt teruggedraaid?

Geloven doen de mensen nog steeds, in God maar ook in de liefde en in De Nederlandse Bank (DNB), maar religieus geloof schrijft niemand meer de wet voor. Je kiest je eigen god in een godvrij wettelijk klimaat en je ritualiseert dat zo dat iemand die jouw god niet aanbidt er geen last van heeft. Dat blijft aanmodderen met luide kerkklokken, bijzonder onderwijs, religieuze feestdagen voor elke bloedgroep, processies en minaretten, maar de boodschap is duidelijk: overdrijf niet.

Het wettelijk boerkaverbod ademt deze geest.

Waarom wordt de geest van de wet niet tot uitgangspunt genomen? Ik denk omdat de mensen die zo snel in de pen klimmen daar geen verstand van hebben en niet goed zijn ingelicht.

Ik luisterde onlangs naar een podcast van De Correspondent over de vraag of onderwijs zorgt voor economische groei. Het bleek eerder een rem en dat komt omdat het zo is ingericht dat veel kennis er helemaal niet toe doet. Wie daar meer over wil weten luistere naar de eerste Rudi en Freddie show van na de vakantie. Maar je kunt ook het nieuwe boek van Jan Bransen lezen.

Volgens mij worden mensen in het huidige onderwijs veel te weinig echt in aanraking gebracht met de samenleving zoals die is: negatief: overbevolkt, in de onderste regionen van de samenleving lager opgeleid, gefrustreerder, en vol boze witte mannen, maar positief, innovatiever, gekleurder, en vooral vol vrouwen die hun gerechte plaats opeisen. Voormalige inwoners van gekoloniseerde gebieden doen hetzelfde. Dat is even wennen en het onderwijs is nog niet over de hele linie daaraan aangepast. Ook de omroepwereld niet, de journalistiek ook niet, want ook daar zitten mensen met een opleiding achter de rug die hen onvoldoende heeft bijgebracht over wat er echt aan de hand is in de leefwereld van gewone mensen en hun gediversificeerde achtergrond.

Dus brengt niemand het boekaverbod in verband met seks en de vrouw, seks en de man, met onze seks(e)geschiedenis, met wat religie allemaal doet met mensen als het om moraal en leefgewoonten gaat. Een geleerde schreef mij zelfs dat de boerka als religieus symbool “een antropologische realiteit is”. Dat zal misschien wel als je binnen de antropologie blijft, maar kijk naar kledingvoorschriften als gedragsvorm, dan zie je heel andere zaken. Maar daar is de antropologische blik, vermoedelijk door ontoereikende opleiding, te nauw voor.

Voor je het weet zie je met die blik vrouwen in de keding lopen die niet door mannen van ze vereist wordt maar zeggen de vrouwen dat ze vrij zijn en zelf kiezen. Maar de gedragswetenschapper weet wel beter. Vraag even door en ineens is daar de seksuele moraal. Aangeleerd in een door mannen beheerst religieus klimaat. En aanvaard omdat het vrouwen met een religieus gehouden argumentatie zogenaamd vrijwaardt van de mannelijke seks(e). Maar waar hebben we het dan over? Over iets religieus?

Is het ‘de islam’ die hier in de beklaagdenbank staat? Onzin natuurlijk. Een religieus recht, is dat het? Hoezo? Draai het om zoals Bertold Brecht ons zo vaak voorgehouden heeft, en je ziet wat het echt is: schrijf mannen eens wat voor, daar in die milieus van dat boetkagedoe – op kledinggebied of aangaande hun seksuele praktijk – en je hebt de poppen aan het dansen.

Het boekaverbod zuiver beoordelen is een kunst die je leren moet in praktijklessen over burgerschap, gewoon al doende, maar wel met leraren die je iets bijbrengen, met journalisten die geïnteresseerd zijn in waar en waarom goepsbepaalde gedragsvormen worden aangeleerd.

Hier in dit weblog, maar ook in Culture as Embodiment hebben we geargumenteerd dat de ‘social tuning of behavior’ vaak plaats vindt in omstandigheden die, eenmaal verhuisd naar een moderner land, obsoleet worden en zorgen voor culturele arresten. Voorbeelden zijn eerwraak, besnijdenis, of patriarchale machtsverhoudingen en opgedrongen religiositeit. Soms worden die praktijken gehandhaafd door religieuze leiders of anderen die de dienst uitmaken, omdat ze handig kunnen worden gebruikt bij de handhaving van hun gezag. Ook kunnen bekeerlingen van Nederlands bodem er zich mee profileren. Waarom is zelden duidelijk. Ik denk dat gelovigen so wie so ertoe neigen om materiele religie (die altijd ruim voor handen is en door antropologen zelfs wordt gebruikt in hun vaak qua inzicht in gedrag naieve theorieën; de sluier en boerka zouden dan voorbeelden daarvan zijn) te gebruiken voor de versteviging van hun houvast in religie.

Dat allemaal speelt zich af rond het boerkagebeuren. Sociale media-gebruikers, ontwaak!

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 26 juli, 2019

Hebzucht revisited

 

Jaren geleden schreef ik deze aflevering hieronder over de sociale afstemming van gedrag naar aanleiding van de credietcrisis en de bekentenis van een bankier dat zijn beroepsgroep het spoor bijster was.

 

Vandaag 26 juli 2019 worden twee boeken over hebzucht besproken in de NRC. Het een gaat over het boek Hebzucht van de filosoof Jeroen Linssen het andere over het boek Licence to be bad: how economy corrupted us van de econoom Jonathan Aldred. Het zijn filosofische, economische en historische speculaties over hebzucht als een kenmerk van deze tijd dat nauwelijks nog morele verontwaardiging ontlokt. Helaas gaan beide boeken naar de bespreking te oordelen voorbij aan wat ik in onderstaand artikel al aanvoerde tegen een al te individualistische benadering van de hebzucht. Ik waardeer de historische dimensie en het is goed om te lezen hoe in de loop van de geschiedenis via Aristoteles, Thomas van Aquino, Kant, Adam Smith e. a. hebzucht stelselmatig als economische noodzaak werd gezien. Dat mag dan zo zijn voor wie de sociale dimensie van individueel gedrag ontgaat, maar vandaag de dag moeten we het ook hebben over het groeiend inzicht in wat wij in Culture as Embodiment de ‘social tuning of behavior’ hebben genoemd.

 

Kijk eens naar het roken? Er is een nieuw soort ijking van ons detectieapparaat aan de gang: we verdragen de lucht van rookmiddelen steeds slechter. Dat detectieapparaat of ‘sensorium’ zoals we dat in onze boeken genoemd hebben kan in de gemeenschap opnieuw worden gecalibreerd zodat roken steeds meer weerstand ontmoet. Het is maar een voorbeeld, maar het laat zien dat verslaving geen louter individuele aangelegenheid is. De geldt ook voor de verslaving aan geld en goed zoals die in hebzucht gestalte krijgt.

 

Maar hier nu wat ik eerder op deze blog schreef.

 

De financiële crisis is een crisis van de moraal, zei Wouter Bos. Heeft hij daar gelijk in? Je zou het wel zeggen als een bankier het boetekleed aantrekt en ons vertelt dat hij “genoeg aanleiding heeft gehad om nadrukkelijk te wijzen op symptomen waar ik me ongemakkelijk bij voelde”. Een bankier voelt wanneer het scheef zit. Er moeten er natuurlijk veel meer zijn die het

gevoel hebben gehad dat het scheef zit. Zo werkt het gevoel wanneer het afgesteld is geraakt in de praktijk van het bankieren. Dat onderscheidt een deskundig bankier van een willekeurige financieel econoom, wetenschapper of politicus: hij voelt wanneer het scheef zit.

 

Dat een dergelijk gevoel toch onder de mat geveegd kan worden en de kans niet krijgt om tot tot daden aan te zetten, heeft weinig met moraal te maken en alles met gebrek aan regels. Maar die regels moeten wel ergens bij aansluiten.

 

Het heeft ongeveer een eeuw geduurd – van zo ongeveer vanaf de verschijning van Het Communistisch Manifest in 1848 tot na de Tweede Wereldoorlog – vooraleer er voldoende sociale regelgeving werd bedacht en geïmplementeerd ter bestrijding van schrijnende sociale ongelijkheid. Nog zijn we er niet, maar armoede is in de Eerste Wereld van het Westen het vraagstuk van een minderheid. Het is bijna onvoorstelbaar dat een goede eeuw geleden in Engeland 10% van de bevolking ongeveer 90% van Engeland bezat en één imperium in ongeveer de een kwart van wereld de dienst uit maakte. Het ging om bijna 500 miljoen mensen en bijna 34 miljoen vierkante kilometer. Er moet nog veel gebeuren maar er is een onmiskenbaar gevoel ontstaan dat zoiets wat in Engeland gebeurde geen oplossing is. We maken nu een verandering door die aansluit bij wat intussen sociaal gevoel is geworden. Onomkeerbaar zal ook de rest van de wereld bij betere sociale regelgeving betrokken worden. Dat is het resultaat van de hoofdzakelijk Westerse proeftuin van een eeuw sociale kwestie.

 

De veranderingen van de jaren zestig en zeventig brachten het besef met zich mee dat de aarde niet onuitputtelijk was en het milieu kwetsbaar. De Club van Rome luidde de noodklok. Dat leidde tot ecologische regelgeving. We zitten nu midden in de vormgeving daaraan. De noodzaak ervan wordt steeds duidelijker, wat je verder ook van de opwarming van de aarde vindt. Dat er nog steeds mensen zijn die het zo’n vaart niet vinden lopen, doet niets af aan de noodzaak de aarde door ecologische regelgeving zo veel en zo goed mogelijk voor het nageslacht te bewaren. We zijn er nog lang niet, maar het gevoel van urgentie is er. Dat gevoel wordt intussen gekoesterd en uitvergroot, hoe dan ook. Ook dat gebeurt intussen wereldwijd.

 

De creditcrisis en de economische teruggang maken duidelijk dat we een begin moeten maken met een derde vorm van regelgeving, de moeilijkste wellicht, maar wel even noodzakelijk als de vorige twee: de financiële. Ook hier moet bij gevoelens worden aangesloten. Het probleem hier is dat de geschiedenis van het geld (zie bijv Niall Fergusons The ascent of money) wel aantoont dat dat heel moeilijk zal zijn. Geld is niet zomaar een onderdeel van onze maatschappij, het is vermoedelijk het meest beslissende. Maar ook het meest obscure, zozeer dat we nu pas beseffen om welke gevoelens het gaat. Geld kapitaliseert blijkbaar op menselijke gevoelens die heel gemakkelijk ontregeld kunnen raken. Of beter gezegd, die het moeilijks te reguleren zijn. Wie kent niet de verzuchtingen dezer dagen over hebzucht? Zouden we echt allemaal afgesteld zijn geraakt op hebzucht? We zijn getuigen van het eerste begin van ook hier een verandering van gevoelens

 

De bekentenis van Floris Deckers is op dit punt interessant en hoopgevend. Er bestaat een tuning van het gevoel dat in elk geval nog steeds voor alarmering zorgt. Dat gebeurt in de groep van experts. hebzucht is geen eigenschap van het individu. Het is vooral een kwestie van de fijnregeling van het gevoel, van de feeling voor wat er in de beroepsgroep werkelijk toe doet en dat is een zaak van de gemeenschap van experts. Dat is de hoofdboodschap van Culture as Embodiment. The social tuning of behavior.

Deckers is daar een mooi voorbeeld van. Hij is een voorbeeld van de tuning van gedrag in de groep, van de fijnregeling van het gevoel voor wat hoort in de gemeenschap van experts (je kunt ook van feeling spreken die je krijgt als je lang genoeg verkeert in de beroepsgroep van bankiers. De feeling moet wel geruggensteund worden door regelgeving. Dat is andere koek dan moraal.

 

De bekentenis van Deckers laat zien dat er bij bankiers nog steeds iets plaatsvindt dat een weermiddel kan zijn tegen hebzucht: feeling voor het vak. Weliswaar onder druk van de omstandigheden, maar bij experts blijkt  zich nog steeds iets te roeren dat niet zomaar buiten spel komt te staan. Dat is belangrijker dan moraal. Vanuit die feeling geeft Deckers goede raad: ondersteun de feeling van de expert met expliciete regels. Hij geeft er een zestal: (1) banken moeten weer werken aan de beantwoording van de echte vraag van klanten; (2) risico’s moeten zeker worden genomen, anders beweegt er niets, maar zeker niet tot elke prijs; (3) zorg voor transparantie en een juiste balans tussen de zo begeerde beweeglijkheid van de koersen en tegelijkertijd de onvermijdelijke zucht naar zekerheid bij de klanten; (4) zorg voor echte, gewaarborgde service, waarvoor dan ook een redelijke prijs gevraagd mag worden en richt je gescheiden daarvan het nemen van risico; met andere woorden, geen onduidelijke vermenging van beide; (5) banken moeten weer gewoon banken worden, geen beleggingsobjecten; (6) zeker geen bonussen die meer zijn dan het salaris, als die prikkel dan toch echt nodig blijkt (wat nog steeds niet duidelijk is; aan het werk onderzoekers!). Ze worden pas uitgekeerd als de lange termijn doelen worden gehaald.

 

Een prachtig begin. Deze punten laten duidelijk zien dat het niet om moraal gaat. Het gaat om regels die aansluiten bij waar bankiers feeling voor blijken te hebben. Zo goed zit de beroepsgroep nog wel in elkaar, leert ons deze ene bekentenis. Meer hebben we er niet nodig, tenzij er nog een aanvulling kan worden gegeven op dit mooie begin van Deckers. Die regels moeten juridisch worden verankerd, zoals dat ook het geval was bij sociale en ecologische regelgeving. Dat het lang zal duren, zal niemand verbazen, maar dat het nodig is,

 

Maar nu dat gevoel dat het mis zat. In C&L wordt veel aandacht besteed aan het affectieve systeem en de tuning van de gevoelens in de gemeenschap. Ons lichaam is een soort gewaarwordingsinstrument dat afgesteld raakt in de groep van experts waartoe men zichzelf rekent. Deckers kreeg zo dat typische bankiergevoel dat het niet goed zat. Hij beschikt net als iedereen over het sensorium zoals beschreven in  C&L: onze samenhangende zintuigen. Het gaat om dat geheel van gewaarwordingsmogelijkheden dat grenzen stelt aan wat verdragen kan worden. Wij mensen beschikken over zoiets. Deckers als bankier beschikt over zijn eigen variant.

Het sensorium stelt grenzen. Is de wijn echt zuur dan spugen we hem uit, maar is het druivensap draaglijk geconserveerd dan accepteren we deze techniek om druivensap te behouden. Gaat de dictator te ver met zijn dwingelandij dan verzet zich alles in mensen ertegen, ook al is de onderdrukking wreed en uiterst beangstigend. Men weet waar men de grens zou willen trekken. Valt de dictatuur weg, dan roert zich meteen het sensorium en we weten weer wat echt graag willen. Wat dat is leren we in de gemeenschap waartoe we behoren. Daar raakt het sensorium getuned. Zo ontstaat het sensorium van de bankier, de sporter, de wijnproever, de wetenschapper. Want wat voor de bankiers geldt, geldt ook voor de ceo’s van grote bedrijven met hun miljoenensalarissen. Ook daar is hebzucht een kwestie van miscalibratie.

 

In het bijzonder de verplichting een omgeving te scheppen waarin dat leren en deze tuning optimaal kan plaatsvinden. Dat is cruciaal voor de graad van wellevendheid in een samenleving. Ook de voor de wellevendheid rond geld. Dat mag moraal genoemd worden maar niet zonder het inzicht dat er werk aan de winkel is. Bankiers verfijn uw sensorium en bindt het aan regels die ervoor zorgen dat het net als bij Floris Deckers blijft opspelen! Hebzucht mag dan een soort tegengevoel zijn, dat wil zeggen, een gevoel dat ingaat tegen de tuning die je als bankier kreeg en die je alert heeft gemaakt voor misstanden, maar daarmee is hebzucht niet uitputtend beschreven. Je hebt hebzucht (als je het woord dan nog kunt gebruiken) in soorten en bijgevolg is het over een kam scheren van alle mensen op dat punt als bestond er een soort algemene eigenschap die iedereen zou kenmerken, niet echt handig voor een beter begrip van wat mensen drijft.

 

Het is toch verbazingwekkend hoe simplistisch er over gevoelens – in dit geval hebzucht – wordt gedacht. Er bestaat geen absolute hebzucht die ons allemaal in de greep heeft en ons in het verderf zal storten. Dat zijn atavistische verklaringen, die in een tijdperk van gentherapie, klonen en knippen in DNA op zijn zachts gezegd wat ouderwets aandoen. De bankier met het gevoel van Deckers bewijst het tegendeel. Het mag dan getuned zijn door bijvoorbeeld ook de ervaring dat hij geen topman bij de ABNAMRO werd (zie J. Smit, De Prooi), maar zijn hebzucht is in elk geval genuanceerd geraakt. En wat hij kan voelen, voelen er meer of kunnen meer bankiers voelen, als hun beroepsgroep zich daar eens wat meer mee zou bezig houden. Regels kunnen dat bevorderen, maar er is vanzelfsprekend meer nodig.

Misschien is daarom het gescherm met moraal niet meer van deze wereld. We weten intussen beter hoe het zit: het gevoel dat er iets mis is kan weliswaar een tijdje zwijgen, maar zodra het de spuigaten uitloopt, roept het in elk geval één bankier of één ceo tot de orde. Dat is genoeg, want eenmaal erkend, kan het ook al die andere bankiers en ceo’s tot de orde roepen om zich weer eens op die tuning in de expert group te richten en tot herijking over te gaan.

Paul Voestermans

 

 

 

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 22 mei, 2019

Parallel aan het oude

We worden opgeschrikt door essays waarin de waarden of idealen van de Verlichting gerelativeerd worden. Baudet verschuilt zich achter Houellebecq en Bas Heijne verdedigt het idee van Europa nog maar eens tegen aanslagen erop. Tamelijk abstract allemaal. Niets om je zorgen over te maken, want we worden niet gestuurd door waarden. Wie het recht op abortus, een zelfgekozen dood, en een leven voor vrouwen dat evenwaardig is aan dat van de mannen betwist en pleit voor minder individualisme en meer verbondenheid heeft niet in de gaten dat de criteria waaraan zinvol leven wordt afgemeten niet door conservatisme of progressiviteit worden gedicteerd, en ook niet door het idee van een historische waardengemeenschap. Dat zijn inderdaad versleten clichés. Ik weet het: waarden zijn heilig en kunnen geduldig worden verwoord in theologie, filosofie en literatuur. Het is goed dat het gebeurt, maar of dat helpt? De mensen zijn meer gebaat bij het benoemen en oplossen van problemen. Dat geldt ook voor gefilosofeer. Wees concreet op de wijze die bijvoorbeeld in onze boeken geagendeerd staat. En ook op vele plaatsen in deze weblog.

De ideeën van vrijheid, gelijkheid, broederschap zijn aan erosie onderhevig, want verbroederen is niet iets dat ooit op grote schaal zal plaatsvinden. Dat merken we nu de wereld steeds groter wordt. Dat was ten tijd van de Franse Revolutie wel anders. Broederschap op Europese laat staan wereldschaal kan eenvoudigweg niet. Moeilijk op te brengen gevoelens zoals solidariteit met vluchtelingen moeten kunstmatig worden aangebracht en ondersteund door billijke instituties. Gemakkelijk op te brengen gevoelens worden alleen van kracht op lokaal niveau.

Vrij zijn is niet lekker doen wat je wilt, maar is altijd met het oog op een werkelijk bestaande ander vrij proberen te zijn van foute inzichten en je zo goed informeren dat je op het juiste moment de juiste beslissing neemt. Wie daarop let stemt nooit op een dictator. Scholing is ervoor om mensen daartoe op te leiden. Wie beentje licht met deze opdracht is geen goed mens, zo eenvoudig is het. En gelijkheid? Zonder paal en perk te stellen aan de enorme geldstromen die ongezien naar zeer weinigen gaan, is er geen gelijkheid. We lossen dat niet op met slap geleuter over gelijkwaardigheid. Goed bedoeld maar niet echt wervend.

Het is even eenvoudig als verlichtend: in de wereld die we met zijn allen tot stand hebben gebracht en waarin iedere vormgeving telt, bepalen we zelf – lokaal en in de groep waarin we verkiezen te leven en die ons niet wordt opgedrongen – wat voor leven we willen leiden. Punt uit.

Het wil maar niet doordringen, maar de huidige conservatieve krachten in identitaire en populistische bewegingen zijn een kramp, nabranders, achterhoedegevechten. Daarin wordt een wereld verheerlijkt die alleen nog bestaat voor wie even de aansluiting heeft gemist. Dat kan door van alles zijn maar in hoofdzaak is het doordat niet wordt doorgepakt op punten die alle politieke leiders, van Baudet tot Wilders, van Timmermans tot Rutte (om het maar even tot Nederland te beperken) hoog op de agenda zouden moeten zetten: industrieën die verloren gaan en echt vervangen moeten worden door geavanceerd industriebeleid, landbouw die om moet en van kleinschaliger productiewijzen moet uitgaan, ongelijkheid door belastingontduiking en opslag van geld in wat zo mooi beschreven staat in Moneyland, het bekende boek van Oliver Bullough. Er is niet één élite die klappen verdient, er heerst een verdeelde élite waartoe de Baudets, de Wildersen, de Orbans, de Erdoğans evenzeer behoren als de voormannen die nu op de Europese verkiezingsposters staan.

Waarom roepen we hen niet tot de orde en gaan we echte politiek bedrijven? De politiek zal moeten bijdragen aan de benoeming en oplossing van problemen en voorzetten daartoe vanuit wetenschap en techniek moeten faciliteren, wil ze de harten en geesten van de mensen veroveren, ook in Europa. Wie denkt dat dit soort vraagstukken – voeg daar gerust het streven naar duurzaamheid, het opruimen van de plastic soep, vluchtelingen en de klimaatproblematiek aan toe  – opgelost kunnen worden door restauratie van de soevereiniteit van de natiestaat, is niet meer van deze wereld. Zo iemand omarmt de oude wereld van religieus voorbehoud rond thema’s als abortus en euthanasie, om zich in te likken bij gelijkgezinden op Europees niveau. Wat een afgang!

Ik bevind me in goed gezelschap.

Over het oplossen van problemen zegt Feike Sijbesma in de Volkskrant van zaterdag 25 mei, 2019: ‘Daar zijn bedrijven voor nodig, in samenwerking met overheden.’ Maar in plaats van samenwerking ziet hij juist dat steeds meer landen zich terugtrekken en nationale belangen proberen te beschermen. ‘Ook in Nederland is er een roep om uit de EU te stappen. Daar hebben we niets aan. Je terugtrekken achter je grenzen is niet de oplossing voor mondiale problemen. Samenwerken en verbinden wel.’

 

 

 

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 16 april, 2019

Experimental garden Europe: Chinese and Western civilization

In his beautifully written and very informative book about Xi Jinping The New Emperor Ties Dams refers to Xi’s prediction that in 2049 – hundred years after the revolution – China can count on being born again. In the preceeding years, humiliation by the West has come to an end. The rise to economic victory ensures that China re-establishes its first place in the world order, as it had been before Europe from the early nineteenhundreds onward established its hegemony at gun point.

So tells us the speech Xi gave at his visit to a museum. This event illustrates Xi’s aspirations. What Dams further shows is that Xi’s power is based on domestic political chicanes that have always been there, certainly since the rule of Mao and his successors, but also very often during the long imperial period. Dams goes deeply into these chicanes which results in a depressing picture of the new emperor. One of the new chicanes Dam doesn’t mention is a digital personality cult, which is based on an smatphone app Xi presents to his people. Everybody should endorse it otherwise the social credit system will add negative points to your status.

I realize this is tough power play, and it will last for a while. Yet, it will become obsolete because we do have the instruments to counteract it, if we are willing to broadly apply them.

To give an example: Should we now fear that China’s geopolitical aspirations will reduce the West to a second-rate power? Isn’t that sheer nonsense about its civilizing power? Isn’t it about time for an analysis of the political playing field that does justice to what really motivates people around the world and in China as well? Doesn’t Europe have a history in which it developed a life style that appeals to people all over the world? Let’s promote that history!

After all – yes, it sounds too good to be true – the crucial event of geopolitical magnitude is that China will also have to participate in what the West is only now discovering for the first time: that it is possible to shape the good life in ways that are open to everybody whatever his or her gender, status, age, ethnicity, and faith. It can be done, technically. And it is also possible because of the broad endorsement: if you look at what people around the world are willing to stand up for, it becomes increasingly evident that they all want their share in this good life. And in the long run they will make their governments accountable in one way or the other for organizing the proper preconditions. If we all believe in this, it will inevitably happen, that’s for sure. No power play can prevent this. In the long run people want their share all over the globe.

This assessment of peoples’ aspirations is based on what we called in our book Culture as Embodiment the “globalization of behavior”: At the individual level behaviors that serve the public good and give rise to proper public services tend to resemble each other planetary-wide. This type globalisation is the effect of science, technology and trade. Those three create space for the free choice of lifestyle and a free choice of belonging. And this community- or group-based style goes all over the world, especially in the cities in which much more than the half of humanity will soon live.

Please do not interprete this as if I would like to defend something like “Western” or “white” superiority. In our books we have dissected that idea to the bone and criticized it thoroughly. Western superiority can best be seen as a secularized doctrine of redemption that gradually replaced the waning Christian conversion zeal of the previous centuries. It promotes the core idea that Western ‘Culture’ with a large C promises salvation. The idea behind culture concept is that Western culture holds the promise that it will redeem all the peoples of the world from backwardness and cultural poverty. Backed-up by this sense of superiority, vorageous imperialism of the dominant nation states was defended. In its vain the Western colonizers partitioned the world and gave each European nation state its colonial share.

Fortunately, this partitioning of the world by the West (and imposed on the Rest by military force) has come to an end. Room has been given to other civilizing offensives, at least in the awareness of most Westerners, and we all should get used to this new fact one way or the other. Xi is quite informed about this major shift, by the way. Unfortunately, he tends to follow a bad example. After all, he is now trying something similar to what the West did with military means. He is now trying to impose his view of world order on other countries – not the strong ones but the weak – using economic means. It looks a lot friendlier than using gun-point like the West did, but eventually it will burden the poor counties with unpayable debts.

When I talk about the European experimental garden, I mean the attempt after World War II to avoid clashes and armed conflicts and implement a lifestyle instead that has a fierce recruiting power and is sweeping across the planet. This implemetation is not about abstract values that are handed on to us from a typically moderately ‘enlightened’ Western past. China can easily sett off successfully its own autocratic variant against that. Let alone that it is about “the liberal world order.” China does not have to comply with that at all. Nothing of that sort. After all, historically this order is the result of what Chris Bayly has called “archaic globalization,” which emphasizes the fruitful confrontations and exchanges with civilization offensives other than the Western one. That is new in present-day historiography in which a global perspective is used, as, for example, in Frankopan’s books about the multiple old and new silk routes.

China will have to participate in a world where power is no longer with privileged groups of men. The rest in the margin also wants to determine how life is shaped. In particular, material pleasures and facilitating services are put up-front, which no one wants to lose anymore.

Of course we cannot make free choices on our own. Unlike the people in China, we have learned that the development of feelings of connectedness and security are sufficiently guaranteed when the group is at the service of the individual. The recruiting form of individualism in the West is about self-determination in a liveable context. The West is still at the forefront on this point. “The Rest” (opposite of “The West”) is still stuck with forms of belongingness that are an hindrance for almost everyone who is not of the male sex and put in charge.

But self-determination and freedom, etc., are values that remain fairly abstract if no conditions are created for their materialization. And those conditions are just the things that nobody wants to lose anymore. We list them in our books, in which we present an agenda for the future as well. They are also frequently mentioned in the articles of this weblog.

In Cuture as Embodiment it is written in black and white that something is coming that will make obsolete policies such as the ones Xi is deploying in China. I have written passim in this blog that contemporary geopolitics is something that is still lagging behind. Because politics in general does not keep pace with globalizing developments in the life world of people, it is still insufficiently focused on facilitating new choices. The emphasis is still predominantly on the exercise of power. Not entirely wrongly, of course, but there must also be attention for something better. (Just as important as it was: the majority of the states of Europe have the advantage of having embraced consensus instead of conflict in the so-called ‘Rhineland model’, but in the transition to globalization, nation states will still have to use their monopoly on violence, which use they of course should coordinate among each other, in order to cope with the tedious and risky globalization proces.)

China will also have to go along with this trend in politics especially with thehoice of a free lifestyle under sustainable ecological conditions.

If not, it will in no way become a player on the world stage and certainly not a world power (if this empire, which in its long history always operated defensively and almost never offensively, feels the need for it). If it does not go along with this world-wide move depicted above, the question will be whether Xi or hissuccessor will still reighn in 2049. If China will get along we all would greatly benefit from a Chinese contribution to what no one wants to loose.

And that is: liveable cities in which a free lifestyle can be chosen, clean water, clean air, reliable food, cheap energy, biodiversity, a carefully maintained natural environment that may contain all traces of culture (= cultivation) that promote this sustainability, health care for everyone, space act outyour own sexual preference, free communication, and a sustainable economy.

In short, no abstract Enlightenment ideals but concrete material pleasures and facilitating services aimed at promoting the good life. Not purely hedonic, but on the contrary, responsible for those who come after us.

The civilization nonsense from and about China, claiming that “the empire of heaven” resumes the position it had before the industrious and industrial revolution in the West made Europe hegemonic, has a suspicious source. It is still based on superiority thinking. A thinking that had long been commonplace in Europe and had a racial basis. As I said above, we have strongly denounced this in our books. Moreover, we have clearly demonstrated that the West’s lead was the result of the aforementioned ‘archaic globalization’, as a result to which the East – and therefore China – has always contributed. Without the influence of the other civilizations encountered in the trade process, the West would have remained insignificant. past. science and technology.

Unfortunately, the Chinese leadership still speaks of ‘subordinates’ instead of citizens. An that at moment in history that almost nobody feels that way anymore.

The crucial question is, will the Chinese leadership also create room for the free choice of lifestyle, which in our books is the most important driver of change in the four-in-hand that pulls us into the future? (The other three are indeed copyable and scalable: science, technology and commerce. And China will succeed. In scaling up Western R&D.) Why the most important? Because one of the historically unique developments in the West is the development that takes away rights, duties and privileges from the self-proclaimed male elite. This started in an exceptional way in the 13th century and only in the West. That continues inexorably. Women, non-white citizens, believers and unbelievers, even the young – also as long as they are still dependent on adults – are given a place on equal foot with the privileged males. With trial and error, sure, but irreversible. That is by no means the case in China.

Should it? Is that not typically Western reasoning? No, that is not typically Western. This is a universal principle: no more privileged male groups. In the West we can certainly add a little extra, but we can be proud of having designed the experimental garden in which these choices have already been tried out. Exactly that is against the sore leg of autocratic China. There, an attempt is made to enforce the desired lifestyle using the algorithms of a super intelligent social credit system. And with sheer economically driven enticements, empty and purely hedonic and nationalistic. Are citizens waiting for that? There probably are people who appreciate that decent manners are enforced. We can also add some CCTV to prevent riots and robberies. But the choice of a free lifestyle has become an inalienable good for everyone. At this point, the type of free behavior that has been tried in the West has great recruiting power. It goes all over the world, unstoppable.

In sum: You can counter abstract enlightenment ideals with a civilizing offensive that is based on autocratic practices. That will probably work for a quite some time. But you cannot continue to resist the recruiting power of concrete examples of material pleasures and effective public services, which help to promote the good life for everyone, whatever his or her gender, status, age, ethnicity, and faith. The parallel world that thus emerges alongside the existing one and which is based on the globalization of behavior will China also have to accept. That is the core position in our book Culture as Embodiment

Why do political scientists and historians never talk about that?

(Under construction)

Blog: https://cultpsy.wordpress.com

Twitter: @PaulVoest

Boek: http://www.amazon.com/Culture-Embodiment-Social-Tuning-Behavior/dp/1119961882/ref=sr_1_1?s=books&ie=UTF8&qid=1377174230&sr=1-1&keywords=voestermans-Behavior/dp/1119961882/ref=sr_1_1?s=books&ie=UTF8&qid=1377174230&sr=1-1&keywords=voestermans

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 20 maart, 2019

Proeftuin Europa

In de Volkskrant van 21 juni, 2019 schreef Arnout Brouwers  dit stuk over Europa.

Het sluit aan bij deze blog die ik eerder plaatste.

in het prachtig geschreven en zeer informatieve boek over Xi Jinping van Ties Dams De Nieuwe Keizer staat dat China in 2049 – 100 jaar na de revolutie – kan rekenen op een wedergeboorte. Aan de vernedering door het Westen is intussen een einde gekomen. De economische zegetocht heeft ervoor gezorgd dat China zijn eerste plaats in de wereldorde herneemt. Aldus de toespraak van Xi bij een museumbezoek. Dams haalt deze aan om Xi’s aspiraties te illustreren. Wat Dams verder laat zien is dat Xi’s macht gebaseerd is op binnenlandse politieke chicanes die er altijd zijn geweest, zeker vanaf Mao en zijn opvolgers, maar ook heel vaak in de lange keizertijd. Bekend is het sociale credietsysteem, blijkbaar al een expoertartikel. Een van de laatste staat niet in Dams boek. Ik las het in De Volkskrant: digitale persoonsverheerlijking via een app die bijhoudt hoeveel aandacht je aan Xi’s besognes besteedt. Er dan is er nog bedrijfsspionage bij diverse R&D speerpunten, ook in Nederland. Ik weet het, dit is lastige machtspolitiek, maar volgens mij loopt die op zijn achterste benen. Niet dat er geen kwaad meer geschiedt, maar we beschikken over weermiddelen, mits we die ook breed uitventen.

Dat doen we door een heldere boodschap. Bijvoorbeeld: moeten we nu vrezen voor een Chinese geopolitiek die het Westen tot een tweederangs macht zal reduceren? Is dat geen beschavingsonzin? Wordt het intussen niet tijd voor een analyse die recht doet aan wat mensen vandaag de dag overal ter wereld en ook in China ten diepste motiveert?

Immers – ja het klinkt te mooi om waar te zijn – de echte gebeurtenis van geopolitieke omvang is het succes van Europa als het continent waarop zich een keur aan aanstekelijke gedragsvormen heeft ontwikkeld. Daaraan zal ook China mee moeten doen op zijn manier. Meedoen met waar de mensen in het Westen nu ook pas voor het eerst achter komen: dat het mogelijk is het goede leven zo vorm te geven dat iedereen zonder aanzien des persoons er deel aan kan hebben. Los van verplichtende groepen en toch verbonden. Het kan technisch, het kan ook als je kijkt naar waar mensen wereldwijd bereid zijn om voor op te komen, omdat ze niet meer kwijt willen wat het leven goed maakt. Dat zijn materiële genoegens en op civiel samenleven gerichte diensten. In die genoegens en diensten willen alle mensen waar ook op de planeet delen. Dit geopolitieke feit van jewelste vond en vindt plaats in Proeftuin Europa.

 

 

Maar de proeftuin kan niet zonder een politiek die dat mogelijk maakt. Een politiek, waarin de mensen niet langer dwars gezeten worden door geprivilegieerde machthebbers die hun rechten niet willen delen. Dat is de porté van emancipatoire bewegingen overal ter wereld in de kring van vrouwen, donker gekleurde medemensen en andere groepen die voorheen van allerlei rechten waren uitgesloten. Dat is de leefstijlverandering die in het Westen al zo verregaand is uitgeprobeerd dat vrijwel iedereen altijd en overal in deze pogingen wil delen.

 

We hebben dat in onze boeken de ‘globalisering van gedrag’ genoemd. Die is het effect van wetenschap, techniek en handel. Daardoor kwam er ruimte voor de vrije keuze van leefstijl. En deze stijl gaat heel de wereld over, met name in de steden waarin straks veel meer dan de helf van de mensheid komt te wonen.

Leg dit alsjeblieft niet uit als zou ik hiermee zoiets als de ‘Westerse’ of ‘blanke’ superioriteit willen verdedigen (denk ook aan de onzin van Thierry Baudet over de “boreale wereld”). In onze twee boeken hebben we die gedachte tot op het bot gefileerd en afgeserveerd. Westers superioriteitsdenken kan het beste opgevat worden als een geseculariseerde verlossingsleer die de tanende christelijke bekeringsijver van eeuwen vervangt. Onze Westerse ‘Cultuur’ met een grote C zou mensen overal ter wereld verlossen uit achterlijkheid en culturel armoede. Met dit gevoel van superioriteit werd het Europese imperialisme van de dominante natiestaten verdedigd. Gelukkig is aan de met militair geweld opgelegde verdeling van de wereld onder de koloniale machten een einde gekomen. Er is ruimte ontstaan voor andere beschavingsoffensieven. Dat realiseert Xi zich tussen haakjes heel goed. Helaas, slecht voorbeeld lijkt hier toch te doen volgen. Hij probeert nu immers iets dat vergelijkbaar is met wat het Westen met militaire middelen deed. Mensen jouw wereldbeeld in rommelen. Dat probeert hij nu met louter economische middelen.

Er is ook geen sprake van morele superioriteit of van een afwijzende houding tegenover bijvoorbeeld China’s morele gehalte. Mahbubani is bevreesd dat het Westen de ‘andere moraal’ te gemakkelijk afmeet aan haar eigen zogenaamde ‘superiore’ variant vanwaaruit anderen de les gelezen wordt. Moraliseren moet je vermijden. Want moraal hangt altijd samen met een houding van verhevenheid tegenover ‘they down there. Wat ik daarentegen bepleit is normtiviteit waaraan iedereen, ook machthebbers, zich onderwerpen. Pas dan ontstaat innovatieve ruimte ook op sociaal gebied. Dat heeft pas werkelijk werfkracht.

Als ik het hier over de proeftuin Europa heb bedoel ik dus het gestaag en proberenderwijs implementeren van een levensstijl die wervend is over de hele planeet. Het gaat dus niet om abstracte waarden die ons vanuit een beperkt en typisch Westers verleden worden aangereikt. Daar kan door China gemakkelijk wel even een eigen autocratische variant tegenover worden geplaatst. Laat staan dat het gaat om ‘de liberale wereldorde’ Daar hoeft China zich niet naar te schikken. Niks daarvan. Historisch is deze orde immers het gevolg van wat Chris Bayly de ‘archaïsche globalisering’ heeft genoemd, waardoor de confrontatie met andere beschavingsoffensieven dan het Westerse zijn stempel heeft kunnen drukken op deze orde. Dat is nieuw aan geschiedschrijving vanuit een mondiaal perspectief zoals geprobeerd in bijv. Frankopans boeken over de meervoudige oude en nieuwe zijderoutes.

China zal mee moeten draaien in een wereld waarin de macht niet langer meer ligt bij geprivilegieerde groepen mannen. Ook de rest, nu in de marge wil mede bepalen hoe er aan het leven vorm gegeven wordt. Daarbij worden met name materiële genoegens en faciliterende diensten ingezet die niemand meer kwijt wil.

Natuurlijk kunnen we niet in ons uppie vrije keuzes maken. In tegenstelling tot de mensen in China hebben wij geleerd dat de ontwikkeling van gevoelens van verbondenheid en geborgenheid voldoende gewaarborgd zijn wanneer de groep in dienst staat van het individu. Bij de wervende vorm van individualisme in het Westen gaat het om zelfbepaling in een leefbaar verband. Op dit punt is het Westen nog steeds koploper. “The Rest” (tegenover “The West”) zit nog opgescheept met groepstoebehoren dat belemmerend werkt voor vrijwel iedereen die niet hoger geplaatst is en man.

Maar zelfbepaling en vrijheid enz. zijn waarden die tamelijk abstract blijven als er geen voorwaarden voor worden geschapen. En die voorwaarden zijn ook zaken die niemand meer kwijt wil raken. We sommen ze op in onze boeken, waarin we een agenda presenteren voor de toekomst. Ze komen ook vaak ter sprake in de artikelen van deze weblog.

In Cultuur & Lichaam en in Culture as Embodiment staat zwart op wit dat er iets zit aan te komen dat politiek zoals Xi die in China bedrijft obsoleet zal maken. Ik heb al eerder geschreven in dit weblog dat de hedendaagse geopolitiek iets is dat nog na-ijlt uit vorige eeuwen. Doordat politiek in het algemeen geen gelijke tred houdt met de globaliserende ontwikkelingen in de leefwereld – we noemen dat de globalisering van gedrag, een van de kernideeën van Culture as Embodiment en Cultuur & Lichaam – is ze nog onvoldoende gefocust op facilitering daarvan. Het accent ligt nog overwegend op machtsuitoefening. Niet helemaal ten onrechte, natuurlijk, maar er moet ook aandacht zijn voor iets beters. (Even een toch wel belangrijke zijsprong: de staten van Europa zijn in meerderheid wel in het voordeel doordat ze het polderen in het zogeheten Rijnlandse model hebben omarmd, maar in de overgang naar het op wereldschaal gangbaar worden daarvan, zullen ze hun monopolie op geweld moeten coördineren, om eventuele naijlende dreiging het hoofd bieden.)

Ook China zal meemoeten gaan met deze trend de politiek vooral te focussen op de mogelijkheden voor een vrije levensstijl in duurzame ecologische omstandigheden . Zo niet dan wordt het geen speler op het wereldtoneel en wordt het zeker geen wereldmacht, als dit rijk dat in haar lange geschiedenis altijd defensief en vrijwel nooit offensief opereerde, daar al de behoefte toe zou gevoelen. Als het niet meegaat in de faciliterende golf is het de vraag of dit China waarin Xi zich zo slinks tot keizer heeft uitgeroepen 2049 haalt. We zouden zeer gebaat zijn bij een Chinese bijdrage aan wat we niet meer kwijt willen.

En dat is: leefbare steden voor een vrije leefstijl, schoon water, schone lucht, betrouwbaar voedsel, goedkope energie, biodiversiteit, een zorgvuldig onderhouden natuurlijke omgeving die alle sporen van cultuur (= cultivering) mag bevatten die dit bevorderen, gezondheidszorg voor iedereen, ruimte om je eigen seksuele voorkeur smaakvol uit te leven, vrije communicatie, en een op duurzaamheid gerichte economie.

Kortom, geen abstracte Verlichtingsidealen maar concrete materiële genoegens en faciliterende diensten die gericht zijn op het bevorderen van het goede leven. Niet louter hedonisch bedoeld, maar integendeel, verantwoordelijk voor wie na ons komen.

De beschavingsonzin van en over China waarin wordt beweerd dat ‘het hemelrijk’ de positie herneemt die het had voordat in het Westen de nijverheids- en industriële revolutie Europa hegemonisch maakten, heeft een verdachte bron. Er ligt nog steeds superioriteitsdenken aan ten grondslag. Een denken dat lang gemeengoed was in Europa en een raciale grondslag had. Zoals ik hierboven al zei, we hebben dit in onze boeken scherp aan de kaak gesteld. We hebben bovendien duidelijk laten zien dat de voorsprong van het westen het gevolg is geweest van de al eerder genoemde ‘archaïsche globalisering’, waardoor het Oosten en dus ook China altijd heeft bijgedragen aan wat we niet meer kwijt willen. Zonder beschavingsinvloed vanuit werelden waarmee handel werd gedreven was het Westen onbeduidend gebleven.

Het verhaal gaat dat China haar superieure positie zal hernemen nu het de beledigingen die haar in het verleden zijn aangedaan heeft overwonnen. Het land is maar voor een intermezzo van enkele eeuwen op zijn nummer gezet. Het zal heel snel haar eigen koers gaan bepalen in de wereld van handel, wetenschap en techniek. Helaas wordt door de Chinese leiding nog van onderdanen gesproken en dat in een tijd waarin niemand zich nog zo voelt.

Met andere woorden zal de Chinese leiding ook ruimte scheppen voor de vrije keuze van levensstijl, in onze boeken de belangrijkste gangmaker van verandering in het vierspan dat ons de toekomst in trekt? (De overige drie zijn inderdaad copieerbaar en opschaalbaar: wetenschap, techniek en handel.) Waarom de belangrijkste? Omdat een van de historisch meest unieke ontwikkelingen van het Westen de ontwikkeling is die rechten, plichten en privileges uit handen neemt van de zelfbenoemde mannelijke elite. Dat is op een uitzonderlijke wijze in de 13e eeuw begonnen en alleen in het Westen. Dat zet zich onverbiddelijk door. Vrouwen, niet-witte (of als dat stuitend politiek correct wordt gevonden, niet blanke) burgers, gelovigen en ongelovigen, ja zelfs de jongeren – ook als ze nog van volwassenen afhankelijk zijn – krijgen een gelijkwaardige plaats. Met vallen en opstaan, zeker, maar onomkeerbaar. Dat is in China nog lang niet het geval.

Moet dat dan? Is dat niet typisch Westers geredeneerd? Nee, dat is niet typisch Westers. Hier gaat het om een universeel beginsel: geen geprivilegieerde mannengroepen meer. In het Westen kan er zeker ook nog een tandje bij, maar we kunnen prat gaan de oefentuin te hebben ingericht waarin deze keuzes al zijn uitgeprobeerd. Precies dat is tegen het zere been van het autocratische China. Daar wordt geprobeerd de gewenste levensstijl af te dwingen met gebruikmaking van de algoritmen van een superintelligent sociaal creditsysteem. En met economisch gedreven verlokkingen, leeg en louter hedonisch en nationalistisch. Zit de burger daarop te wachten? Er zullen vast mensen zijn die het op prijs stellen dat fatsoenlijke omgangsvormen worden afgedwongen. Bij ons mag ook nog wel wat CCTV erbij om onlusten en roverijen te voorkomen. Maar de vrije levensstijlkeuze is een onvervreemdbaar goed geworden van iedereen. Op dit punt heeft het type vrije gedrag dat in het Westen is uitgeprobeerd grote werfkracht. Het gaat de hele wereld over, onstuitbaar.

samenvattend: je kunt abstracte verlichtingsidealen pareren met een beschavingsoffensief dat is gebaseerd op autocratische praktijken. Dat lukt vast een hele tijd. Maar je kunt je niet blijvend verzetten tegen de werfkracht van concrete voorbeelden van materiële genoegens en algemene diensten die het goede leven helpen bevorderen. De parallelle wereld die zo naast de bestaande opkomt op basis van de globalisering van gedrag zal ook China moeten aanvaarden. Dat is de kernpositie in Culture as Embodiment.

Waarom hebben politicologen en historici het daar nooit over? Waarom maken we daar samen niet iets groots van, een Europa dat werfkracht heeft?

(Onder constructie)

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 22 februari, 2019

Wat gebeurt er met een groepje zelflerende robots zodra ze bijeen zijn?

Het zal nog een tijd duren maar er komen robots die zichzelf kunnen leren naar andere robots te kijken en er mee te interacteren. Ze zullen gevoed worden met beelden van allerlei soorten robots zoals ze nu al gevoed worden met foto’s van honden en katten zodat ze die feilloos kunnen herkennen. Robots zullen leren andere robots te identificeren en naar bevind van zaken te handelen. Sommige apparaten zijn nu al bedreven in het detecteren van röntgenfoto’s waarop alarmerende afwijkingen te zien zijn. Het zal snel gaan. Voor je het weet vormen robots een groep. Weliswaar geen intrinsiek sociale groep die weet heeft van groepstoebehoren, maar wel een aggregaatgroep, gewoon omdat ze door mensen bij elkaar zijn gezet. En wat dan?

 

Wat zullen de robots doen met elkaar? Laten we de zaak een beetje satirisch overdrijven. Ze zullen al heel gauw onderscheid gaan maken tussen de verfijnde robots met de echt menselijke kenmerken van hun ontwerpers en de grofstoffelijke apparaten die deze kenmerken ontberen omdat ze bijvoorbeeld het zware werk doen in een autofabriek. De vermenselijkte varianten zullen vast vaker benaderd worden vanwege de opmerkelijke voorkeursbehandeling door hun makers. Ze worden immers gebruikt in de ouderenzorg bijvoorbeeld en krijgen daar de status van metgezel. Dat levert op zijn beurt status op in de groep van robots. Ach, zo drukken wij dat uit maar computers begrijpen zichzelf niet, weten we, dus hoe zo’n ‘inzicht’ algoritmisch  doorbreekt?…..voer voor filosofen!

De voorkeursbehandeling van vrouwelijk uitziende robots bij taken die verzorgend van aard zijn zal ook gevolgen hebben voor wat er geleerd wordt en meegnomen wordt in de uitvoering van allerlei andere werkzaamheden. Vergelijkbare vooroordelen als bij ons zullen het gevolg zijn.

Let wel, het zijn zelflerende machines, dus zullen de grofstoffelijk uitziende exemplaren al gauw laten zien dat ze die behandelingsverschillen hebben geïntegreerd in hun systeem. Wie weet zullen ze vermijdingsgedrag vertonen of juist proberen in de gunst te komen van de menselijk uitziende robots. Het is niet onwaarschijnlijk dat een bijzonder vaak opgemerkt extra fraai exemplaar een speciale plaats krijgt toebedeeld in de groep van robots. Niets menselijks is ze immers vreemd. Misschien wordt er wel eentje tot god gemaakt. Ook dat kan zomaar gebeuren als er maar lang genoeg deep learning plaatsvindt. Ook zal er naar de zin van dit alles worden gezocht en ook dat gebeurt op basis van hoe de zelflerende apparaten hun algoritme aanpassen. Op den duur zal het algoritme zich bevrijden van de indruk dat alles vastligt en zal met de vrije wil op de proppen komen. Die ontstaat immers wanneer de groep zich bevrijdt van dwang en individuen op zoek gaan naar de optimalisering van de uitvoering van hun taak.

 

Ik wil hiermee zeggen dat in de discussies over Artificiële Intelligentie en over slimme algoritmen die van alles uit de omgeving in hun systeem integreren, veel te weinig rekening wordt gehouden met dat robots in meervoud zullen bestaan. De analogie met ons, mensen mag wel wat verder worden doorgevoerd. Wij mensen komen tenslotte tot waarnemingen en gedragsveranderingen op basis van ons functioneren in groepen. Mag je bij ons spreken van zelflerende systemen die zonder erg hun eigen weg gaan op basis van waarmee ze ongemerkt gevoed zijn simpelweg door naar  anderen te kijken? Ik denk van wel. Wij hebben immers zelden precies in de gaten op basis waarvan wij ons gedrag hebben aangepast. En dat is bij de zelf-lerende machines precies zo. Er is niemand die zijn eigen programma met al die instructies door en door kent. Zelfs niet bij benadering. En al helemaal niet dat van anderen. Wij doen de dingen die we in de groep van experts hebben opgedaan vrijwel automatisch en leggen met een zeker gemak precies dat gedrag ten uitvoer wat in overeenstemming is met wat te doen gebruikelijk is.

 

Zo zal het ook met de robots gaan. De wet-ware van onze electrochemie is weliswaar vervangen door hard-ware van silicium etc., maar de zelfinstruering die op den duur zo sophisticated wordt dat de robots met elkaar kunnen gaan interacteren, zal grote gelijkenis vertonen met wat wij zelf doen. Dezelfde statusbelustheid, vergelijkbare hiërarchie, overeenkomstig sekseonderscheid, zingevingsproblemen van vergelijkbare orde. De vrije wil die bij ons ook bestaat bij de gratie van je goed mogelijk informeren en dan op het juiste moment de juiste beslissing nemen, zal ook onder robots gaan figureren als het kenmerk bij uitstek van adequaat functioneren op basis van het best denkbare algoritme. Robots zijn inderdaad net mensen.

 

Een brein is geen brein, twee brein is een half brein, drie brein is pas een echt brein schreef Hendrik Spiering hier al in 1999 in zijn bespreking van Wolf Singers bijdrage aan een boek over sociale cognitie. Ik denk niet dat toen beseft werd hoe waar dit is. Wolf Singer schreef: “Analyse van de inhoud van één hersenpan kan de fundamentele bewustzijnservaring niet verklaren, Maar de dialoog tussen twee breinen kan die verklaring wel leveren”. Dat zal straks ook gelden voor kunstmatige breinen.

 

Maar breinen in meervoud is niet genoeg. We zagen al dat de robots uiterlijke kenmerken hebben die aanleiding gaven tot statusverschillen. Je kunt dus zeggen dat ze een ‘lichaam’ hebben. Ook in de zin van datgene waarmee de voortbewegen en handelingen verrichten, natuurlijk, net zoals wij. Maar ook in de zin van dat wat er voor anderen te zien is en waarop gereageerd wordt. Dat leer je van de ‘embodied cognition’ beweging in de psychologie en neurowetenschap. We besteden er veel aandacht aan in Cultuur & Lichaam, en in Culture as Embodiment. Lichamen en breinen in meervoud  – of die nu van mensen zijn of van robots – vormen het sociale netwerk waarbinnen de algoritmen van zelflerende machines getuned en geijkt worden voor de noodzakelijke taken. Ze zullen de wereld van mensen verdubbelen en met dezelfde problemen opgescheept.

Een paar dagen nadat ik dit schreef maakte Bennie Mols voor een conferentie van SMC050 een videoboodschap waarin hij uitlegt dat we nog een grote verscheidenheid aan robotvormen kunnen verwachten, vergelijkbaar met de soorten-explosie in het Cambrium toen het oog ontwikkeld raakte. Deze boodschap vindt u hier. Helaas ook in deze boodschap weinig aandacht voor de sociale dimensie, maar met de twee ontwikkelingen die hij schets moeten we terdege rekening houden.

 

Het is niet anders; wij, maar ook de robots kunnen niet ontsnappen aan de sociale dimensie van alles wat de mens en zijn kunstmatige evenknie is.

“When I compare the living organism with such a machine, I do not for a moment mean that the specific physical, chemical, and spiritual processes of life as we ordinarily know it are the same as those of life-imitating machines. I mean simply that they both can exemplify locally anti-entropic processes, which perhaps may also be exemplified in many other ways which we should naturally term neither biological nor mechanical”.

Norbert Wiener, The human use of human beings (1950).

 

 

 

 

 

 

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 30 januari, 2019

Onderwijs op de schop

Het onderwijs ligt onder vuur. In een recent boek verklaart Jan Bransen heel het Nederlandse onderwijssysteem failliet. De homo educandus die we eigenlijk allemaal zijn krijgt geen kans. De Radboud universiteit waar hij werkt liet het intern weten: “Helaas is het slecht gesteld met deze homo educandus. Volgens Bransen levert het onderwijs geen mensen op die zichzelf onderwijzen. ‘We hebben de wil uit het onderwijs gehaald, onderwijs is iets geworden wat een mens moet ondergaan. Zo creëren we met ons onderwijs hele passieve mensen”.

 

Welke institutionele voorzieningen kunnen er worden getroffen die de suggesties voor verbetering in zich dragen? Dat probleem hebben Ad van der Ven en ik jaren geleden al eens uitgebreid besproken. Ad was universitair hoofddocent mathematische psychologie aan de RU met als speciale opdracht onderwijs en onderzoek op het gebied van cognitief vermogen en het testen van intelligentie. Hij heeft heel zijn werkzame leven gewijd aan het maken van een intelligentietest in de psychologie die cognitief vermogen zou kunnen meten zonder dat er een beroep gedaan wordt op reeds opgedane kennis. Zulke tests zijn er niet. Er was in de psychologie geen theorie over intelligentie die het meten van het cognitief vermogen sec mogelijk maakt. Daar heeft Ad wat aan gedaan. Het staat uitgebreid op zijn homepage en in artikelen die hij schreef voor o. a. het Journal of Mathematical Psychology. Hij kwam tot het basisinzicht dat mensen die de lagere school normaal doorlopen eigenlijk alles kunnen worden. Dat dat niet lukt ligt aan de motivatie en niet aan het vermogen, afgezien natuurlijk van mensen die op een of andere wijze beschadigd zijn geraakt. De test die hij heeft ontwikkeld haalt deze mensen er vrijwel altijd uit. Het motivatieprobleem, daar zou onderwijs zich op moeten richt.

 

Wat mensen door genetische aanleg en door opvoeding en onderwijs (geworden) zijn kan het best begrepen worden door nature en nurture voor te stellen als de schering, de reeds gespannen draden, de genen, en de inslag, de heen en weer schietende spoel, de omgeving en de opvoeding/scholing. Zo ontstaat het weefsel mens. Een mooi beeld waaraan nog kan worden toegevoegd dat het wel nogal wat uitmaakt of dat weefgetouw staat in het hypermoderne Textielmuseum van Tilburg of op een dorpje op het platteland van Afghanistan. Het is maar bij wijze van spreken. Duidelijk daarmee is dat de wijde omgeving van cultuur en geschiedenis wel degelijk wat uitmaakt.

Ad vindt dit laatste typisch iets voor een cultuurpsycholoog. De patronen en principes in die tak van sport maken de wereld nog onbegrijpelijker dan hij al is. Voor hem is het cognitief functioneren van de mens polygenetisch en polyconditioneel, waarbij de omgeving gaat van materiële omstandigheden tot sociale relaties. Veel te ingewikkeld allemaal. Ad houdt het gaag eenvoudig: een vijftal parameters die tevoorschijn komen in zijn mathematisch model van reactietijden. Ze spelen alle vijf een rol in de dynamiek van aandacht, concentratie en distractie bij de testtaak. Hij modelleert reactietijden om op die manier toegang te krijgen tot iemands cognitief functioneren, zoals de doorbloeding van de hersens en de berekeningen aan de magnetische resonantie de voxels opleveren die toegang geven tot de activiteit van het brein. Hij is blij met zijn theorie en met het meten dat daardoor mogelijk wordt, om zo de mensen eruit te kunnen pikken bij wie het cognitieve systeem niet adequaat functioneert en waarvoor dus gecompenseerd moet worden wil hun leven draaglijk blijven. Punt. (Voor wie met de test aan de slag wil en meer erover wil weten, dat kan hier. Hoe veelbelovend Ads intelligentietheorie is moeten we afwachten. De laatste versie ligt bij een aantal wiskundigen en andere deskundigen ter beoordeling.)

Zo werk wetenschap volgens Ad: latente patronen en principes proberen te ontdekken achter manifeste verschijnselen. Verschijnselen die weliswaar raadselachtig zijn, en vaak een serieus probleem vormen, maar toch duidelijk geformuleerd kunnen worden. Zonder goed-geformuleerd vraagstuk geen wetenschap. En dan voortvarend over die latente structuur achter manifeste verschijnselen een gewaagde maar preciese theorie formuleren, die je onderuit kunt halen. Hoe wetenschap in zijn werk gaat staat hier.

Hij heeft een spuughekel aan de uitdrukking ‘meten is weten’, omdat zonder begin van weten geen meten mogelijk is. Dat heb ik godzijdank al vroeg van hem geleerd, toen ik nog student was, zo lang is dat geleden. (Meten is slechts op één terrein weten en dat is vaststellen hoeveel er van iets is, of nodig is; van geradicaliseerde moslims of werkelozen in een wijk, tot hoeveel pakken voor de diktemaat (vanwege toegenomen obesitas) er nodig zijn bij C&A etc.) Hoe wetenschap echt werkt wordt naar zijn smaak nauwelijks nog onderwezen aan de universiteit, waardoor het slecht gaat met de gammavakken met name.

Met deze kernideeën gewapend ging onze discussie dus over de meest vruchtbare institutionele voorzieningen voor goed onderwijs. Ad kwam toen op het lumineuze idee om het Nederlandse onderwijs te organiseren op de wijze van de Vrije Academies die elke stad in een of andere vorm rijk is. Dat zijn instellingen waar je allerlei kunsten kunt beoefenen en aanleren onder deskundige begeleiding van een docent die weet hoe je moet beeldhouwen, schilderen, edelsmeden, fotograferen en wat al niet meer. Dat kan heel de dag en avond door. De basisschool maar ook de middelbare school – op de universiteit komt ik straks terug – zouden op deze wijze georganiseerd moeten worden, inclusief die avondlijke toegankelijkheid. Het roostertechnische probleem is niet anders dan bij de al bestaande vrije academies. Elk vak, elke taal van enige wijdere betekenis, elke vaardigheid die wordt gevraagd, elke kundigheid die nodig is in onze moderne maatschappij, is in de stad vertegenwoordigd. En je kunt vroeg met het verwerven daarvan beginnen. Daar zijn leerplekken en docenten voor. Leerlingen kunnen naar wens en behoefte kiezen, net zoals ze nu in de Vrije Academies kunnen kiezen tussen macrameeën en brandschilderen, zilversmeden en beeldhouwen, schilderen en fotograferen.

Zijn er restricties? Die zijn er altijd, omdat zich vanzelf uitkristalliseert waar de belangstelling heen gaat en waar docenten en materialen dus het meest gewenst zijn. De mogelijkheden en beperkingen moeten uiteraard gemonitord worden. Bestaande onderwijsvoorzenigen en controlemechanismen kunnen daarvoor mutatis mutandis ingezet worden. Maar dat probleem hoeven we hier niet op te lossen.

 

De enige restrictie die voor alle leerlingen geldt is dat ze allemaal vijf verplichte vakken moeten volgen.

Op de eerste plaats Nederlands omdat ze zich adequaat moeten kunnen uitdrukken in de landstaal. Dan Engels, omdat dat de meest gesproken tweede taal is en internationaal van groot belang. Vervolgens wiskunde omdat daartoe niemand van nature is gemotiveerd en ‘gecijferdheid’ en de daarbij behorende denkstijl onmisbaar is in een moderne maatschappij. Geschiedenis, omdat mensen die later verantwoordelijkheid zullen dragen anders gedoemd zijn fouten te herhalen. En tenslotte Lichamelijke Opvoeding en Expressie door Woord en Gebaar omdat een gezonde lichaamstraining onontbeerlijk is en omgangsvormen breed gedragen en gecultiveerd dienen te worden.

Meer is niet verplicht. Voor de rest is alles vrij, van Chinees en andere talen, tot auto’s en brommers, e-bikes of fietsen monteren; van alles in de bouw en timmerwerken, tot weten waar leven vandaan komt en dat tot op de meest recente ontwikkeling rond bijv. archaea, bacteriën en eukaryoten. Teveel om overzichtelijk op te noemen, maar overzicht is ook moeilijk op die bestaande vrije academies.

Ons punt is dat er een voorbeeldinstitutie bestaat die model kan staan voor hoe een en ander te organiseren. Wat je meteen kwijt raakt is de indeling in middelbare scholen zoals we die nu kennen. Die is onzinnig en beperkend, schept aan de bovenkant een misplaats gevoel van superioriteit en aan de onderkant een even misplaatst gevoel van minderwaardigheid en markeert aldus status op een wijze die mensen van elkaar vervreemt en de sociale cohesie bedreigt. Handwerksmensen en wat we maar even kortweg ‘hoofdarbeiders’ zullen noemen staan van meet af aan on equal footing als het om onderwijs gaat. Ze komen elkaar allemaal tegen bij de verplichte vakken.

En zijn er dan jongens en meisjes die hopeloos in de knoei raken omdat ze het niet kunnen? Ad heeft ruime ervaring bij het begeleiden van leerlingen die van zichzelf dachten dat ze het eindexamen wiskunde niet zouden halen. Hij kreeg ze allemaal zo ver dat ze dat wel haalden omdat wiskunde, mits geduldig uitgelegd, op den duur het plezier van inzicht oplevert; iets dat vaak aan leerlingen wordt onthouden door docenten die het voorstellen als een vak waarvoor je bijzonder begaafd moet zijn. Dat dit niet zo is blijkt ook uit tal van recente boeken over wiskunde die het als een plezierig vak voorstellen. Wat voor wiskunde geldt, geldt mutatis mutandis ook voor de andere vakken.

Natuurlijk vraagt men zich nu meteen af of er door die vrije keuze niet grote lacunes ontstaan in de kennis die iedereen per traditie onmisbaar vindt: bijv. aardrijkskunde, biologie, natuurkunde, literatuur of godsdienst. Het idee is evenwel dat die kennis vanzelf aangebracht wordt als daaraan gedurende het leertraject behoefte wordt gevoeld. Vaak is het goed om zich pas op latere leeftijd als men al een specialistisch vak onder de knie heeft, te wagen aan wat dan verder nog nodig is. Dat gaat vanzelf. En er zijn tal van gelegenheden in de wereld van Internet en MOOC’s (Massive Online Open Online Courses) om je naar behoefte bij te spijkeren.

 

Op deze manier kunnen de leerlingen trainingen krijgen op gebieden die hen echt interesseren, in verbanden die er toe doen, die adequaat motiveren en ieder de kans geven uit het leven gegrepen kennis en ervaring op te doen. Dat gebeurt dus nu al, maar dan alleen op het gebied van de kunsten; op die vrije academies als het goed is. Weliswaar voor volwassenen, maar we denken niet dat echt wat uitmaakt. Maar wie denkt van wel, laat het weten. Wij denken dat je jongens en meisjes goed kunt motiveren als ze iets leren dat ze ook echt willen leren. Wil iemand niet, of kan iemand echt niet vanwege noodlottige gebreken dan is daarmee een helder probleem geformuleerd dat om een oplossing vraagt. Dat is winst ten opzichte van de onheldere algemene malaise op motivationeel gebied, waarvan nogal wat leraren zeggen dat die echt bestaat maar ongrijpbaar blijft.

 

Er zullen tal van praktische bezwaren moeten worden weggenomen en we zullen vooroordelen over wat jongeren allemaal niet kunnen en niet willen moeten overwinnen. Maar een ding staat vast: op de bestaande vrije academies zit niemand tegen zijn of haar zin en je leert er werkelijk edelsmeden, timmeren, fotograferen etc. Elk naar eigen vermogen en vaak ook op basis van onvoorziene uitdagingen die het aanvankelijke idee niks te kunnen in rap tempo ontzenuwen.

 

Er zijn genoeg bestaande schoolgebouwen in elk stad die de distributie van gewenste leerwegen mogelijk maken en onderdak kunnen bieden aan de nodige personeel en de middelen, dachten wij zo. We hielden ons in onze fantasie daar uiteraard niet mee bezig, maar we zagen wel overal in onze eigen stad Nijmegen oplossingen. We verzonnen tal van bezwaren maar steeds kwamen we tot de slotsom dat het probleem van motivatie en vermogen bij de lerende jonge mensen het beste gediend is met een minimum aan verplichting en een maximum aan vrijheid.

 

We kregen het ook over de universiteit. Een lastig probleem, maar daar kozen we voor een systeem dat zorgt voor optimale persoonlijke begeleiding in kleine groepen onder leiding van onderzoekers die zogezegd met hun poten in klei staan en aan het voorfront van de wetenschap opereren. Uiteraard zijn de eisen aan de opleiding streng. En werkelijk belangrijk is echte interdisciplinariteit. Niet dat een pedagoog psychologisch of sociologisch onderzoek leert kennen, want laten we eerlijk zijn, waarin verschillen de vaardigheden die zijn vereist voor de verschillende gammavakken? Nee, ze moeten onderlegd raken in minstens een gebied dat niet hun specialisme is. De eindtoets die we verzonnen in plaats van alle, ja werkelijk alle tentamens, was de productie van een publicabel artikel op het vakgebied van specialisatie. Zo’n artikel bewijst dat je tot de geleding van de geleerden bent doorgedrongen.

 

Ook dit vereist een totale institutionele reorganisatie maar die is gemakkelijker door te voeren en levert meer gemotiveerde docenten en studenten op dan het gebrekkig aanmodderen op de huidige universiteiten. Gebroken kan worden met het systeem van ongedifferentieerd onderwijs op gelijkvormige uni’s. Uni’s mogen, ja moeten in ons systeem zich specialiseren en differentiëren. Het is volstrekte onzin dat we in Nederland 14 universiteiten hebben die op de technische uni’s na en Wageningen allemaal ongeveer hetzelfde zijn.

(Onder constructie)

Paul Voestermans

Older Posts »

Categorieën