Gepost door: Voestermans and Verheggen | 15 november, 2017

Wankelt het Westen en ligt het hopeloos met zichzelf overhoop?

Wankelt het Westen en ligt het hopeloos met zichzelf overhoop, zoals Heleen Mees schrijft in haar column in de Volkskrant van 15 november? Ze zegt dat naar aanleiding van de #MeToo beweging. Daarbij rollen volgens haar de koppen veel te snel. Sommige zaken hadden ook afgehandeld kunnen worden met een excuus en de belofte het nooit meer te doen. Maar dat gebeurt niet. Films worden afgeblazen, beschuldigde mannen zonder vorm van proces van streamingdiensten geweerd. Het zal vrouwen niet echt helpen, vindt Mees. Daarvoor is echte macht van vrouwen nodig. De hetzes zijn een symptoom van de verwarring van het Westen.

Ik denk eerlijk gezegd dat het met die Westerse verwarring meevalt. Het is een hyperbool. En beeldspraak. Maar die verheldert niet veel. Met metaforen hele culturen in een streek van een diagnose voorzien – we zagen dat eerder bij “de clash of civilizations”, als waren het tektonische platen – helpt niet echt. Wat #MeToo laat zien is dat er wel degelijk iets mis is met de vormgeving aan seks. Je hoeft de mannen die het niet zo stijlvol en respectvol aanpakken niet te onthoofden, daar heeft Mees gelijk in. Vraag je eerst eens af hoe mannen aan deze houding komen.

We hebben daar in Culture as Embodiment (CaE) een voorzet voor gegeven. In hoofdstuk 4, The Shaping van Sex and Gender, gaat het niet over het Westen in zijn algemeenheid, maar over de gebrekkige openbare stilering van seks, de geringe training in virtuositeit en een lange geschiedenis van overwegend een hoofdrol voor mannen in de vormgeving aan seks. De openbaarheid in porno, maar ook in films waar zinderende seks verbeeld wordt met de broek op de knieën en bij voorkeur tegen de muur geeft een vertekend beeld. Op school in de lessen biologie bijvoorbeeld blijft het bij technische informatie. Er heerst sexofobie zodra het op vormgeving en stijl in de seksuele omgang aankomt.

We laten in ons boek ook zien dat van andere beschavingsoffensieven geen of nauwelijks enige invloed meer uitgaat. Deels is dat het gevolg van de afbraak van de ritualiseringen van seks in het Oosten die ooit met hoge verwachtingen naar het Westen werden geëxporteerd. Deels ook omdat zich in de moslim wereld, maar ook onder hindoes, boeddhisten en aanhangers van andere oosterse levensleren, nauwelijks van enige afbraak van het patriarchale gezag sprake is geweest. Vrouwen zijn in deze varianten op het westers beschavingsoffensief zeker niet beter af. Niet dat het Westen op dit punt geslaagd is. Maar het Westen is wel een proeftuin gebleken waarin een begin werd gemaakt met aan vrouwen de mogelijkheid te geven zich op te werken tot posities die evenwaardig zijn aan die van de mannen. Hoe dat in zijn werk is gegaan en om welke voor het Westen unieke ontwikkeling het gaat staat uitvoerig in CaE. Dat zou hier te ver voeren. Voor zover deze ontwikkeling ook in gang wordt gezet door mannen en vrouwen in het Oosten gaat ook daar straks de zon op van meer seksegelijkwaardigheid.

Belangrijke ontwikkelingen gaan nooit over de volle breedte en in alle circuits. Vandaar dat het Westen ook niet zo gauw zal wankelen. Revoluties zijn evenmin erg succesvol in het aanbrengen van veranderingen die iedereen aanspreken. Daar waar zich langzaam maar zeker parallel aan de bestaande orde niches ontwikkelen voor mannen en vrouwen met een creatieve en of wetenschappelijke inslag zonder al te veel bekommernis om het eigen ego, ontstaat enige vooruitgang. #MeToo kan ook zorgen voor parallelle ontwikkelingen die de bestaande orde opschudden. inderdaad, hier en daar zullen zeker enkele van die niches overhoop liggen met wat in het Westen of het Oosten gangbaar is. Dat betekent nog niet dat het hele Westen in de beklaagdenbank staat en aan vitaliteit inboet. Integendeel zou ik zeggen. Soms verheffen degenen die lang zijn genegeerd heel heftig hun stem. Zeker als ze het stelselmatig beter krijgen. Dan verliezen mannen die vrouwen op hun plaats houden hun macht. Dan wankelt wat wankelen moet.

#MeToo hoort thuis in dit soort ontwikkelingen. De ontsporing in helaas een hype is voor rekening van de gemakkelijke en risicoloze verspreiding van ressentiment die social media nu eenmaal zal blijven aankleven. Waar niet face to face gesproken wordt heersen al gauw opwinding en wrok.

#MeToo zou aan kracht kunnen winnen wanneer deze beweging wordt ingebed in wat Jos Van Ussel al in 1968 “Het Seksuele Probleem” noemde.

Advertenties
Gepost door: Voestermans and Verheggen | 20 oktober, 2017

Een misplaatste tegenstelling

In de discussie onlangs over of verslaving een hersenziekte is of een aangelegenheid van de wil manifesteert zich een hardnekkig misverstand over het verband tussen hersenen en gedrag. Van de neuropsycholoog Peter Hagoort  is het gevleugeld “woord wat tussen de oren zit, zit in het hoofd”, zoveel te zeggen als: zonder hersenen gaat het niet, wat je verder ook aan invloeden in jezelf ervaart. De tegenstelling tussen ziekte of wilsbesluit is vals. Het is de oude tegenstelling tussen natuur en cultuur, tussen nature en nurture in een versleten jasje. Waarom werkt die niet? Omdat wat mensen doen altijd het resultaat is van mensen, dat is van breinen en lichamen die in de loop van het leven op elkaar afgestemd raken. De wil is nooit het gegeven alleen van de homo clausus, de afgesloten mens. De wil raakt getuned en afgestemd in een gemeenschap van mensen. En het afzonderlijke brein dankt zijn structuur aan evenzeer de afstemming op breinen en lichamen in meervoud. Niets van wat mensen doen, denken, beleven of voelen borrelt op uit een gesloten massa grijze stof losgezongen van de concrete verschijningsvorm van dit lichaam temidden van anderen. Het zou een hoop schelen als we ons dit zouden realiseren in de aanpak van welke soort “stoornis” of “ziekte” ook. Worden de wil of het brein daarmee onttrokken aan persoonlijke verantwoordelijkheid? Krijgt de gemeenschap de volle laag? Juist integendeel. Door te wijzen op breinen en lichamen in meervoud wordt de de stilering van gedrag een zaak van iedere persoon temidden van anderen. Het lijkt utopisch, maar het wordt hoog tijd dat de vormgeving aan gedrag, van drankgebruik tot seks, een aangelegenheid wordt van mannen en vrouwen die zich inspannen voor een beter script voor alcoholgebruik, het volgen van je begeerte, geweldsuitingen en wellevendheid in het algemeen. Wie niet zo vaardig is train je geduldig, zoals dat bij zovele verrichtingen gebruikelijk is. Het wordt tijd voor een “skill paradigm” in plaats van individuen in isolement te plaatsen met een stoornis of ziekte of een wil die niet deugt. Bij wie dan echt onbereikbaar blijkt, zijn letterlijk de draadjes kapot. Dat vergt een heel eigen aanpak die meer omvat dan even een ziekte bestrijden.

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 10 september, 2017

Naar aanleiding van VPRO Tegenlicht van 10 september 2017

Tegenlicht bracht een item over de beïnvloeding van het individu op een op de persoon toegesneden wijze. Daarvoor worden Big Data gebruikt. Het was een tamelijk verontrustende aflevering, waarin door experts op het gebied van big data en psychometrie het beeld werd geschetst dat vooral wij gewone consumenten zijn overgeleverd aan beïnvloeding en nudging – het met zachte hand bijgestuurd worden – door niet alleen goedwillende gedragsveranderaars maar vooral ook kwaadwillige politici. Maar hoe bruikbaar zijn de big data?

Hoe lang is het geleden dat het in de oude wereld van het begin van de vorige eeuw de afspraak was tussen kapitaal en kerk dat deze laatste het volk dom zou houden en de eerste, de werkgevers, de arbeiders arm? Dat pact hield stand door steeds maar weer leugens te verkopen, alternatieve feiten te presenteren en bij voortduring angstgevoelens te bespelen, zodanig dat de mensen zich schikten; nudging avant la lettre.

De rijken behielden hun rijkdom en de gewone mensen hun plaats aan de onderkant. Politiek leidde dat tot kritische geluiden die ons op den duur wakker schudden maar daar waren wel twee verschrikkelijke oorlogen voor nodig. We weten uit de analyse van Thomas Piketty dat de herverdeling die plaats vond in de eerste helft van de twintigste eeuw – de periode waarin de ongelijkheid tijdelijk werd beteugeld – het gevolg was van beleid om de schokken van zoveel oorlogsgeweld te boven te komen. In naoorlogse bloeitijd van toenemende welvaart aan de onderkant werden de autoriteit van de kerk en van de gevestigde orde voor korte tijd aan de kaak gesteld. Het volk ‘ontkuddelijkte’ een term die we in Cultuur & Lichaam en in Culture as Embodiment overnamen van Jan Roes, omdat die beter beschrijft wat er gebeurde. Mensen werden niet ongevoeliger voor religie of ‘ietsismen’, maar ze geloofden niet meer als schapen die zo onmondig waren dat ze door een herder moesten wo rden geleid. Dat verhaal ging er na de kritiek van de jaren zestig niet meer in.

Vanaf het begin van deze eeuw zien we een herstel van de oude wereld met moderne middelen. De ongelijkheid is terug als nooit tevoren, maar ook de misleiding en het scheppen van een droomwereld waarin grote groepen het zicht ontnomen wordt op wat er werkelijk is verbeterd. Ik bedoel het massale inmasseren van waandenkbeelden over hoe de wereld er voor staat. De verkiezing van Trump en ‘Brexit’ hebben laten zien  dit gebeurt met behulp van Big Data zoals die ook gebruikt worden om de consument gericht te benaderen.

Maar wat minder bekend is, is dat we dit keer worden geconfronteerd met een heel andere techniek die mede door grootschalig psychologisch onderzoek is geïnspireerd. Daar ging een deel van de uitzending van Tegenlicht over. Het gaat niet langer om het opsporen van profielen van potentiële kopers maar om het bestoken van heel precies uitgezochte individuen van een welbepaald persoonlijkhedstype met informatie waar ze zich ongemerk naar voegden. Zoals vroeger de arbeiders bestookt werd met hel en verdoemenis en ze zich schikten naar de erbarmelijke omstandigheden, zo gaan de geselecteerde individuen geloven in de informatie die bij elkaar is gezocht om bij hen het wereldbeeld te versterken dat politici voor hen hebben uitgezocht in de hoop gekozen te worden. Alexander Nix, de zegsman van de firma die dit uitzoekt, ‘Cambridge Analytica’ legt het zo uit:

“five different faces, each face corresponding to a personality profile. It is the Big Five or OCEAN Model (het bekende instrument waarmee de Big Five van het persoonlijkheidsonderzoek worden opgespoord: openness, conscientiousness, extroversion, agreeableness, neuroticism). At Cambridge we were able to form a model to predict the personality of every single adult in the United States of America.” The hall is captivated. According to Nix, the success of Cambridge Analytica’s marketing is based on a combination of three elements: behavioral science using the OCEAN Model, Big Data analysis, and ad targeting. Ad targeting is personalized advertising, aligned as accurately as possible to the personality of an individual consumer.

De volledige tekst vind je hier. Het geclaimde succes werd ook betwist: dit staat er tegenover. Zo duidelijk is het dus allemaal nog niet. Oppassen geblazen!

Staan blijft dat het een fluitje van een cent is om mensen die bijvoorbeeld niet zo open zijn, een beetje neurotisch, wat opgesloten in zichzelf en gauw op hun teentjes getrapt te confronteren met alternatieve feiten die hun woede aanwakkeren en hun angst vergroten, waardoor een politicus in beeld komt die aan de ellende waarin deze mensen verkeren een einde zal maken. Die geloof je zoals je vroeger de pastoor en de bisschop geloofde.

Naast de kanttekening bij het geclaimde succes, is er ook vanuit de psychologie het nodige af te dingen op het gepoch van Cambridge Analytica over de Big Five. Het gaat altijd nog om een selectieve groep mensen die de vragenlijst op het internet hebben ingevuld. En het is maar de vraag of de vijf persoonlijkheidskenmerken waarop de keuze voor de te beïnvloeden groepen is gebaseerd ecologisch valide zijn, dat wil zeggen echt met werkelijk bestaande groepen mensen te maken hebben. Maar dat op die manier politieke zaken kunnen worden beïnvloed is al wel gebleken

In Culture as Embodiment waren we optimistisch over de wereld waarin moderne communicatiemiddelen ervoor zorgen dat bijvoorbeeld machthebbers snel met hun laakbare daden worden geconfronteerd. Ik kijk er inmiddels heel anders tegen aan. Niet dat ik niet geloof in de kritische functie van deze nieuwe vormen van communicatie. Maar ik zie de keerzijde. Het betekent dat we ons alleen maar met goed onderwijs tegen het misbruik kunnen wapenen. Maar dan wel onderwijs met verbeelding. Zweden geeft al het goede voorbeeld zo schreef de Volkskrant onlangs (12-09-2017).

Dat zal niet eenvoudig zijn. Het weerwerk tegen de kerkelijke overheden die mensen dom en de bazen die ze arm hielden werd in het verleden geleverd doordat in het kielzog van de politieke maatregelen die de ongelijkheid beteugelden een emancipatie op gang kwam. Maar we kwamen ook van de regen in de drup doordat de kritische voorhoede hele groepen mensen verloor. We realiseren ons dat de jaren zestig zijn uitgewerkt omdat ze een andere vorm van misleiding brachten. In plaats van goed uit te zoeken waar de lotsverbetering werkelijk vandaan kwam, werd het voorgesteld alsof de ideologie van de sociaaldemocratie de motor achter de veranderingen was. In deze ideologische voorstelling figureerde prominent een politieke elite die voor zichzelf een wereld schiep waarin kosmopolitisme, vrijheid-blijheid en een eigenzinnige moraal lang niet voor iedereen bereikbaar bleek. je moest behoorlijk pionieren en dat was niets voor de grote massa. Natuurlijk werden er ook nieuwe wetten ingevoerd die de werktijden regelden, kinderarbeid verboden, beloning eerlijker maakten etc. Er kwamen robuuste instituties die inclusief waren en niet langer meer extractief (zie Why Nations Fail elders in dit blog). De opkomst van de verzorgingsstaat bood mensen uitzicht op materiële genoegens en riep op hun behoeften toegesneden diensten in het leven.

Een deel van de mensen aan de onderkant van de samenleving bleek niet opgewassen tegen de emancipatoire vloed aan leefstijlveranderingen. Maar een deel geloofde er echt niet in en wilde mede bepalen hoe hun wereld eruit kwam te zien. Er ontstond een klasse die zich afsneed van van de pionierende voorlopers. Die klasse claimde tevens haar eigen stijl. Van ressentiment is geen sprake. Ze willen gewoon gehoord worden. Erkenning, daar gaat het hen om. Daarover gaat het hoofdstuk Status in Culture as Embodiment.

Het scheppen van betere omstandigheden voor de arbeidende klasse en de middengroepen ging gelijk op met de toestroom van mensen die voor een habbekrats het vuile werk verrichtten. We ronselden actief arbeiders in het Mediterrane moslimgebied. De nieuwe instroom was dus afkomstig van gebieden waarin de Christelijke beschaving niet dominant was. Daar gold een heel ander regime met niet meteen zichtbare kenmerken. Pas toen deze mensen gezinnen mochten vormen bleek dat zij niet bereid waren tot eenzelfde type emancipatie als bijvoorbeeld de Limburgse arbeider. Religie kwam niet terecht in de privésfeer zoals dat wel werd aangemoedigd toen de ontkerkelijking werd gepropageerd als het antwoord op het dom-houden van de gewone man en vrouw. Integendeel, de moslimreligie heeft altijd een emanciperende werking gehad omdat deze van meet af aan ook een politieke missie had. Dat blijkt bijvoorbeeld uit dat de moskee een plaats is van armenzorg, een plek waar geen alcohol in de buurt mag komen, de verzamelplaats voor instructies rond opvoeding en de inrichting van het dagelijkse leven. Deze vorm van emancipatie hield tevens in dat er nauwelijks getornd werd aan de macht en privileges  van mannen. Religie behield haar prominente plaats in het publieke leven. Om de immigrant niet tegen het hoofd te stoten werd een soort ‘crypto-verzuiling’ toegestaan waarin geen rekenschap werd afgelegd van deze in de Islam verborgen, politieke en maatschappelijke missie. Het extremistisch geweld in moslimkringen is een apart probleem dat hier min of meer los van staat. Verwar dit niet met radicalisme. Radicalen vind je binnen elk geloof. In plaats van ruiterlijk toe te geven dat met deze herzuiling geen dienst werd bewezen aan een gedeelde toekomst, werden de problemen gebagatelliseerd, ook door de belangrijkste politieke partijen die ofwel het probleem ontkenden of de tegenstellingen uitvergrootten.

Dat alles vormt de voedingsbodem voor de alternatieve feiten, de misleiding en de leugens. Boosheid tegenover deze nalatigheid blijkt immers gemakkelijk te manipuleren zeker nu een en ander nog versterkt wordt door de stroom vluchtelingen. Het lijkt erop alsof de oude wereld zich herstelt en de emancipatie van de onderkant te wensen overlaat. Ze roepen weer om een sterke man en het lijkt of de verlossingsleer die vroeger de vorm kreeg van hel en verdoemenis en de hemel als de plaats waar alles vereffend werd, terug is van weggeweest, maar nu in een seculier jasje.

Ook de hoogopgeleiden stinken erin. Het blijkt uit onderzoek van Koen Damhuis dat er een groep ideologisch gemotiveerde PVV- en Front National-stemmers is die de gevestigde politiek van verzoening en tolerantie scherp afwijst en meegaat met al diegenen die al boos waren, omdat ze zich al veel langer verwaarloosd voelen. De wrokkige sentimenten van ook deze groep zijn gemakkelijk te manipuleren met de moderne middelen van Cambridge Analytica. Achter het vuile spel om de macht waar ook ter wereld steken hordes supporters die op zulke wijze gevaarlijk misleid zijn. Maar er zijn ook belangrijke tegengeluiden. Die kwamen niet aan bod in VPRO Tegenlicht. Een staat al hierboven (zie de tweede link aldaar). Maar nog belangrijker zijn de bevindingen van de onderzoeksgroep van Samantha Joel. In dat onderzoek worden vraagtekens gezet bij de effectiviteit van algoritmen en Big Data zodra het gaat om affectief geladen items. Yuval Harari steekt de loftrompet over algoritmen in zijn boek Homo Deus, waar hij het Dataïsme als de nieuwe godsdienst aankondigt. Hij bedoelt de bijna religieuze verering voor de alwetende Data Mining door experts op het terrein van big data. Harari voorspelt dat het ‘Dataïsme het humanisme zal vervangen, als we niet uitkijken. Ook zal de machine de mens overtreffen op tal van relevante gebieden. Maar de groep van Joel heeft zo haar twijfels. Harari vertelt in zijn boek het volgende relaas:

“In a Dataist society I will ask Google to choose. “Listen, Google,” I will say, “both John and Paul are courting me. I like both of them, but in a different way, and it’s so hard to make up my mind. Given everything you know, what do you advise me to do?” And Google will answer: “Well, I know you from the day you were born. I have read all your emails, recorded all your phone calls, and know your favourite films, your DNA and the entire biometric history of your heart. I have exact data about each date you went on, and I can show you second-by- second graphs of your heart rate, blood pressure and sugar levels whenever you went on a date with John or Paul. And, naturally enough, I know them as well as I know you. Based on all this information, on my superb algorithms and on decades’ worth of statistics about millions of relationships — I advise you to go with John, with an 87 per cent probability of being more satisfied with him in the long run. “Indeed, I know you so well that I even know you don’t like this answer. Paul is much more handsome than John and, because you give external appearances too much weight, you secretly wanted me to say ‘Paul’. Looks matter, of course, but not as much as you think. Your biochemical algorithms — which evolved tens of thousands of years ago in the African savannah — give external beauty a weight of 35 per cent in their overall rating of potential mates. My algorithms — which are based on the most up-to- date studies and statistics — say that looks have only a 14 per cent impact on the long-term success of romantic relationships. So, even though I took Paul’s beauty into account, I still tell you that you would be better off with John.”

Uit het onderzoek van Joel cs. blijkt dat al dit soort data de echte match niet voorspellen. Daar is veel meer voor nodig. Misschien dat een fotootje het verschil maakt, maar zeker is dat talige beweringen onvoldoende zijn. Worden die geregistreerd en leveren die de big data op, dan is dat onvoldoende om er conclusies met betrekking tot echt gedrag aan te verbinden.

Het onderzoek van Joel c.s. is een eerste stap op het terrein van de zo verwaarloosde invloed van affectieve voorkeuren op beslissingsprocessen. Robert Zajonc maakte begin jaren tachtig al de slagzin: “preferences need no inferences” (met deze zin en de naam Zajonc zoek je het artikel zo op). In taal vervatte oordelen komen langs een heel andere weg tot stand dan affectief georganiseerde voorkeuren. En die zijn nu juist van groot belang bij beslissingen inzake affectief geladen onderwerpen. Ook Daniel Kahneman wijst daarop in zijn boek Thinking Fast and Slow. Vallen clicks en gewoon wat achteloos lekker surfen onder preferences? Dat staat te bezien. Ik weet het niet. Ik weet niet of die clicks en het surfgedrag voldoende affectief worden aangestuurd om aan de registratie ervan verregaande conclusies te verbinden. Maar zoveel is zeker: wat we over onze smaken vertellen en beweren geeft te weinig houvast.

Affectief georganiseerde voorkeuren vormen evenwel geen zakje dat je altijd al bij je had en waaruit je naar hartelust kunt snoepen. Onze intuities zijn niet aangeboren. Affectieve sturing en intuïtief gedrag zijn evenals cognitief georganiseerd gedrag het gevolg van afstemmingsrelaties, het kernthema in onze twee boeken. Ze ontstaan niet in een vacuüm. Ze vereisen ijking en training door experts en ondersteuning in de groep. Deze experts kunnen zich natuurlijk ook gruwelijk vergissen wat een goed gecontroleerde wetenschap eens te meer noodzakelijk maakt. Onderzoek hieraan staat nog in de kinderschoenen, maar het kan op den duur uitwijzen dat menselijke keuzen en beslissingen niet algoritmisch georganiseerd zijn. Of misschien wel maar dan op een moeilijk te kopiëren wijze. Dat legt het voorspellende gebruik van big data aan banden.

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 24 augustus, 2017

Weg met identiteit?

Nu Steve Bannon ons gewaarschuwd heeft voor het effect van identiteitspolitiek, namelijk dat deze afleidt van het echte gevecht om economische en politieke macht wordt het hoog tijd dat gedragswetenschappers zich gaan mengen in het gekrakeel rond identiteit. Psychologen mogen wel eens uitleggen dat je zo niet met identiteit kunt sollen. Het is verbazingwekkend hoe gemakkelijk dit thema uit handen is gegeven aan de politiek en politieke analisten, aan journalisten en columnisten die er dan alleen voor staan.

Psychologisch gaat identiteit over niets anders dan wie iemand denkt dat hij of zij is en/of wie of wat iemand graag wil worden. Voor jonge mensen een moeizaam traject dat een veelvoud aan mogelijke identificatiepunten omvat. Het kan inderdaad datgene zijn wat er na het slagveld van je leven van je geworden is, zoals Erdal Balci het zo mooi zegt. Een veelvoud ook aan belangrijke anderen die zich met het verwerven van eigenheid en met beschikbare identificatiemogelijkheden gaan bemoeien. Jonge mensen hebben nu eenmaal ankerpunten nodig om een weerbaar zelf te ontwikkelen. Dan zijn er velen die zich opwerpen als houvast. Allemaal zaken waarover in de psychologie behartenswaardige dingen zijn gezegd.
“Geen wonder, schreven we in ons boek Cultuur & Lichaam, dat dan de jongeren zelf, maar ook de samenleving de term ‘cultuur’ gaan gebruiken om het groepstoebehoren te verklaren; of anders het al even mistige woord ‘identiteit’, een term die niet veel meer behelst dan wat iemand denkt te zijn en/of wil zijn. Het verlangen naar, of het aanmeten van een bepaalde identiteit betekent immers dat die wijze van zijn nog steeds bevochten moet worden. Zeggen dat iemand gemotiveerd wordt op basis van identiteit, is het resultaat al vooronderstellen”.

John Greenwood spreekt in zijn boek Realism, Identity and Emotion: Reclaiming Social Psychology uit 1994 van “identying” een door hem zelf bedacht werkwoord dat aangeeft dat er heel wat werk verzet moet worden en dat identiteit geen gegeven is maar een continu bedrijf met vele listen en lagen.
Juist dat verlangen naar eigenheid of denken dat je al weet waartoe je behoort zorgen voor een gunstig klimaat waarin politiek gemotiveerde aandragers van hechte verbanden hun gang kunnen gaan. Ze proberen jongeren voor hun karretje te spannen. In een aantal gevallen wordt het bevechten van eigenheid tot iets gewelddadigs aangewakkerd. Dat wordt gelegitimeerd door wie de leiding heeft, geestelijk of anderszins. Dat is de kern van radicalisering. De jongeren radicaliseren niet op eigen houtje; ze worden in groepjes bijeengebracht door wie verdomd goed weten welk plooibaar materiaal ze in huis halen voor hun abjecte politieke en ideologische doelstellingen en leren onder leiding van imams etc. zich te manifesteren. In dat proces wordt identiteit tot brandpunt van het verlangen naar iemand te zijn.

De ontevredenheid met jezelf die achter veel identiteitsprojecten schuil gaat maakt iemand erg gevoelig voor machiavellistische manipulatie. Dat zien we in alle identitaire bewegingen. De ervaring van discriminatie en de terechte kritiek daarop, kritiek ook op te weinig speelruimte voor het ontwikkelen van eigen seksuele voorkeuren, maar ook het verzet tegen het verdonkeremanen van historische vergissingen zoals slavernij en imperialisme, worden allemaal van hun angel ontdaan. Dat gebeurt niet door de betrokkenen zelf maar door de ideologische scherpslijpers met hun eigen verderfelijke politieke agenda. Zelfs terechte veontwaardiging over oorlogsgeweld en niets-ontziende geopolitiek wordt in dit politieke spel gebruikt. Ik moet de geradicaliserde jongere nog tegenkomen die niet onderhevig is geweest aan dit soort manipulatie.

Het inzetten van identiteitsstreven gaat ver. In plaats van ruimte te maken voor stijl- en vormgevingsverschillen wordt van elke niche waar waarin die eigenheid zijn beslag krijgt, een bubbel of eiland gemaakt, waar anderen geweerd worden: identiteitspolitiek wordt er een van verdeel en heers waar alleen de machthebbers garen bij spinnen. Dat is wat Bannon bedoelt: vecht elkaar de tent uit: wit tegen zwart, het ene soort feminisme tegen het andere, de ene seksuele profilering tegen de andere, kom op voor echte mannen… en voor je het weet heb je een kluwen aan machteloos geklets over identiteit. Daar kunnen hij en zijn medestanders dan mooi mee aan de haal gaan.
Een mooi voorbeeld van het misbruik van identiteit komt uit de column van Luuk van Middelaar in de NRC van vrijdag 25 augustus 2017: “Extremisten weten dat ze het vertrouwen in onze eigen identiteit en cultuur moeten ondermijnen, voor ze het door hun eigen kunnen vervangen, zei een Singaporese minister onlangs. We moeten waken voor deze arglistige praktijk en onze tolerante islamopvatting beschermen.”

Dat is het iritante aan het gescherm met identiteit. Het verhult deze manipulatie. De Bannons en Trumps gaan allemaal vrijuit en in plaats van hen aan te vallen worden verlangens naar een veelkleurige wereld met ruimte voor iedereen gesmoord in onderling wantrouwen.
Bannon en Trump zijn evenals Wilders en Baudet bij ons ‘identitaire politici’, een woord dat ik maar even verzin voor wie politiek garen spint bij het tegen elkaar laten uitspelen van behoeften bij diverse minderheidsgroepen  aan een gerespecteerde identiteit. Ze wakkeren het gevoel aan dat cultuurverschillen altijd conflictgeladen zijn, waardoor ze worden uitvergroot in plaats van erop te wijzen hoezeer mensen met elkaar overeenkomen. En in plaats van echt op te komen voor de verdrukte witte minderheid, staan ze toe dat die zich laat voorstaan op kleur en afkomst. Dat is identiteitspolitiek op zijn gevaarlijkst.

De bezwaren tegen het uitspelen van de cultuurkaart – in onze boeken en op deze blog is dat uitspelen herhaaldelijk gekritiseerd – gelden onverkort voor etnische of anderssoortige  identiteit. Identiteit verklaart niks, is alleen maar ballast als je ertoe gereduceerd wordt. Identiteit is geen politiek speeltje.

NB ons pleidooi: ‘Exit Cultuur’ (als label, rechtvaardiging en verklaring van gedrag) wordt onthutsend geillustreerd door wat Carolien Roelants berichtte in de NRC van 28 augustus 2017. Ik citeer het hieronder. Ze schreef dit naar aanleiding van de afschaffing in een aantal landen van het Midden Oosten van wetsartikelen die een verkrachter ongestraft de gelegenheid biedt te huwen met het verkrachte meisje. Het meisje wordt daartoe veelal door haar familie gedwongen.

Dit gebruik is een voorbeeld van een zogenaamde ‘culturele praktijk’. Hopelijk een afdoende bewijs dat hier cultuur van maken echt onzinnig is. Het is een lokaal gebruik met een identificeerbare voorgeschiedenis in een identificeerbare groep. Het heeft niets maar dan ook niets met cultuur van doen.

Citaat: “Eerst even wat achtergrond. Zulke wetten stammen uit het Romeinse recht. Het Ottomaanse Rijk, dat ze weer had geïmporteerd uit het Franse strafrecht, heeft meegeholpen ze te verspreiden. Frans koloniaal bestuur heeft ze elders ingevoerd. Er zijn niet alleen islamitische landen die dergelijke wetten hadden of nog hebben; zie in de laatste categorie bijvoorbeeld Rusland en de Filippijnen. En ook in België kan een dader nog steeds een verkrachting in der minne schikken met slachtoffer of haar familie! Frankrijk zelf heeft zo’n wet pas in 1994 afgeschaft. Wist u dat? Ik had geen idee. Hoewel ik best weet dat wij hier ook nog niet zo lang zo voorlijk zijn als we nu zijn, of pretenderen te zijn. Van de bevolking had eind jaren zestig 83 procent er bezwaar tegen dat een moeder buitenshuis werkte. Maar goed, dat is wat anders. Geen verkrachters vrijuit hier. Voor zover mij bekend.

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 18 augustus, 2017

Mannen in de Arabische wereld en Afrika

In een recent rapport over de positie van de man in de Arabische wereld en Afrika van Shereen El Feki, Brian Heilman en Gery Barker: Understanding masculinities. Results from the international men and gender equality survey – Middle East and North Africa. (Cairo and Washington D.C UN Women and Promodo-US. Zie hier het hele Rapport) wordt een verhelderend beeld geschetst van de problemen waarmee de mannen in deze regio’s worstelen. De Volkskrant van donderdag 17 augustus wijdde er een artikel aan. Het is een beeld waarin ook de contouren oplichten van een veranderend manbeeld. Weg van het traditionele machismo en hypermannelijkheid, weg ook van de hevige twijfels over zijn rol als kostwinner richting warmere banden met vrouwen en een zorgende functie in het gezin. Vaderschap komt traag maar gestaag in beeld, ook in deze gebieden. Natuurlijk zijn de clichés van geweld tegen vrouwen, hun verbanning uit het openbare leven, hun zwaar ondergeprivilegieerde positie en de blootstelling aan de dreiging van groepsverkrachting meer dan waar, maar het wordt ook duidelijk waar de oorzaak gezocht moet worden. Die ligt in de stuwing van jonge mannen, de zogenaamde ‘youth bulge’, het lastig te hanteren overschot aan gezonde jonge mannen met nauwelijks enig perspectief op een baan en op de zo begeerde rol van kostwinner. Dit citaat maakt het duidelijk: “In Morocco, Palestine, and Egypt, younger men’s views on gender equality do not differ substantially from those of older men. Why are younger men in these countries not showing the same movement toward supporting women’s equality as younger men in many other parts of the world? The reasons are multiple and dependent on the specific country context. Many young men
in these three countries report diffculties finding a job, and as such, they struggle to achieve the socially recognized sense of a man as financial provider. This struggle may be producing a backlash against gender equality. Young men’s inequitable views may also be a result of a general climate of religious conservatism under which the younger generation has come of age. While other research in the region has noted similar trends and posited similar drivers, further study is necessary to explore this phenomenon”.

 

Bij alle gedragswetenschappelijke verklaringen en politicologische analyses blijft de vraag waaraan de westerse wereld zijn relatieve vrouwvriendelijkheid ontleent. Vanzelfsprekend is lang niet alles tussen de seksen koek en ei, maar toch is er in het Westen iets unieks gebeurd.

 

Nergens anders werden patriarchale structuren zo ingrijpend doorbroken als juist in de westerse wereld. Al vanaf de dertiende eeuw werden door twee Middeleeuwse pausen zoals we straks zullen zien de gezagsstructuren rond de vader en hoofd van de familie ter discussie gesteld ten gunste van de zeggenschap van het paar zelf over hoe ze samen door het leven willen gaan. 
Wat moeten we aan met dit stuk geschiedenis? Is het niet weer zo’n oud verhaal dat als je goed kijkt toch wel heel weinig sporen heeft achtergelaten? Is dat doorbreken wel zo geslaagd geweest? Er is immers ook in dit deel van de wereld nog veel mannelijk vertoon en mannelijk geweld.

 

Ongetwijfeld! Toch werd nergens anders zo vroeg al paal en perk gesteld aan het patriarchale gezag. Het heeft geleid tot arrangementen rond huwelijk en gezin die nergens anders op die manier hebben plaatsgevonden en dat heeft toch een spoor getrokken waar ook andere beschavingen zich langs zullen moeten bewegen willen ze recht doen aan vijftig procent van de mensheid: de vrouwen.

 

Fukuyama maakt deze ontwikkeling niet voor niets tot een kantelpunt in het eerste deel van zijn geschiedenis van politieke systemen. Het had op een unieke wijze zowel economische als sociale gevolgen. Het paar werd hier in het Westen al in de Middeleeuwen een belangrijke economische eenheid, los van de familiestructuur die tot dan toe het vaderlijk gezag als kern had. Dat werd nu het paar op zich, los van de vader. Wie zich er een beeld van wil vormen moet even terugdenken aan hoe Romeo en Julia in het geheim trouwden met behulp van een priester die daartoe zonder meer bevoegd was en daarbij beide vaders niet hoefde te raadplegen.

 

De zelfstandigheid van het paar die het gevolg was van dit arrangement betekende een enorme stimulans voor de huisnijverheid. Daarvan zeggen de historici – onder hen Christopher Bayly, maar ook Jan de Vries en Ad van der Woude – dat in het begin van de moderne tijd de revolutie die door de huisnijverheid in gang werd gezet, die van de industrie – de standaard Industriële Revolutie – in economische zin evenaarde.

 

Vergeleken met de economische waren de sociale gevolgen minder eenduidig. De oude patriarchale structuren gaven zich niet zomaar gewonnen. Zeker niet in het Latijnse deel van Europa. Maar de kiem voor verandering was gelegd. Het gaat met name om een heel belangrijke juridische ontwikkeling. Deze begon met de kerkrechtelijke bepaling door paus Alexander III (1159-1181) en paus Gregorius IX (1145-1241) dat alleen op basis van wederzijdse instemming van het paar zelf een huwelijk kon worden gesloten. Vader werd op een zijspoor gezet. Let op, juridisch! Dat zorgde voor een belangrijke inbreuk op het patriarchale gezag, die zich nergens anders op die manier heeft voltrokken. Het mannelijke gezag gaf zich vanzelfsprekend niet zomaar gewonnen. Daarvoor was veel meer nodig, maar het begin was gemaakt en dat schiep uiteindelijk bijzondere voorwaarden voor de toenemende vrijheid van met name de vrouw. De details zijn te vinden in het alleraardigste beknopte boekje dat een heruitgave verdient van Tine de Moor & Jan Luiten van Zanden, Vrouwen en de geboorte van het kapitalisme in West-Europa. (Het boekje is uitgegeven bij Boom in 2006. De link die ik hierboven geef is naar een engelstalige voorstudie)

 

Wat het Europese Huwelijkspatroon is komen te heten heeft verregaande gevolgen gehad voor de ontwikkeling van vrije partnerkeuze en de afbraak van de ouderlijke bemoeienis ermee. Ik zeg niet dat daardoor de leefwereld meteen overal en voor iedereen in het Westen veranderde, maar deze voor beide seksen belangrijke persoonlijk vrijheid maakte wel veel creativiteit los en dat is te merken tot op de dag van vandaag, als je kijkt naar hoe in het Westen mannen en als paar tamelijk vrij en op zichzelf hun leven inrichten en een plek creëren waar hun kinderen voorspoedig kunnen opgroeien.

 

We moeten ook niet vergeten dat drie op deze Middeleeuwse en Vroegmoderne ontwikkeling volgende emancipatiebewegingen de positie van de vrouw in het Noord-Atlantisch gebied op unieke wijze hebben versterkt.

 

(1) In de nasleep van de Franse Revolutie werd het mannelijke romantische verlangen scherp door vrouwen gekritiseerd in de eerste emancipatorische golf. Romantische dichters bezongen de vrouw maar voor de kinderen die ervan kwamen namen ze onvoldoende verantwoordelijkheid. Dat werd scherp op de korrel genomen door vrouwen die niet op dit soort romantisch sentiment van mannen zaten te wachten. Een en ander staat mooi beschreven in William Leach True Love and Perfect Union, een boek uit 1989 maar ook in Richard Holmes, De Feministe en de Filosoof, uit 1988.

(2) In de tweede golf ging het vooral over vrouwenkiesrecht. Dit recht luidde het begin in van een groot aantal juridische veranderingen in de verhouding tussen de seksen. Maar het heeft vooral gelijkberechtiging in meer dan juridisch opzicht in gang gezet.

(3) In de derde golf uit de jaren zestig van de vorige eeuw stond de seksuele bevrijding centraal. De resultaten van deze golf waren dubbelzinnig. De seksuele bevrijding werkte lang niet altijd in het voordeel van vrouwen omdat de pil als technische innovatie vooral de mannelijke vormgeving aan seks een boost gaf. Daarmee werd ook meteen de keerzijde van de bevrijding duidelijk. Maar het kan niet ontkend worden dat in deze tegenreactie het vrouwelijk verlangen en de vrouwelijke vormgeving aan seks nog nooit zo prominent op de agenda is gezet.

 

Dit is in zijn geheel voorbij gegaan aan de andere grote beschavingsoffensieven die bijvoorbeeld door Samuel Huntington als alternatief voor de westerse worden opgevoerd en in aanhang niet onderdoen voor het Westen: de Islamitische, de Confuciaanse, de Boeddhistisch/Hindoeïstische en de Japans-Shintoïstische. Er zijn natuurlijk meer beschavingsvormen, bijvoorbeeld in Afrika en Latijns-Amerika, maar die hebben geen grootschalig wervend offensief opgeleverd. In geen van deze beschavingen is de man zo van zijn voetstuk gestoten als in onze kringen en dat al vanaf de Middeleeuwen.

 

Als op dit historische verhaal wordt afgedongen in termen van een slechte record in ons deel van de wereld voor wat betreft vrouwenrechten, vrouwelijke vormgeving aan het leven in het algemeen en de nog steeds niet afdoende bestreden mannelijke suprematie, is dat iets waaraan nog met succes gewerkt kan worden, en niet iets om alleen maar teleurgesteld over te zijn.

 

Legt dat een verplichting op de schouders van de westerse man? Absoluut. Hier valt iets te verdedigen dat teruggaat op een lange voorgeschiedenis. Die kan benut worden en andere beschavingen worden voorgehouden. Hier past geen cultuurrelativisme omdat het over voordelen voor zeker de helft van de mensheid gaat. Deze vrouwelijke helft is wereldwijd gediend met deze unieke westerse ontwikkeling.

 

 

 

 

 

 

 

 

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 22 juni, 2017

Poging tot herstel van de oude wereld met moderne middelen: de Big Five in actie

Naar aanleiding van het artikel van Casper Thomas, “De gehackte kiezer” in de Groene Amsterdammer van 15 juni nog maar een keer deze blog.

Cultuur & Psychologie blog

Weet je nog, lezer, dat het in de oude wereld van het begin van de vorige eeuw de afspraak was tussen kapitaal en kerk dat deze laatste het volk dom zou houden en de eerste, de werkgevers de arbeiders arm? Dat pact hield stand door steeds maar weer leugens te verkopen, alternatieve feiten te presenteren en bij voortduring angstgevoelens te bespelen, zodanig dat de mensen zich schikten. De rijken behielden hun rijkdom en de gewone mensen hun plaats aan de onderkant. Politiek leidde dat tot systemen die ons op den duur wakker schudden maar daar waren wel twee verschrikkelijke oorlogen voor nodig. We weten uit de analyse van Thomas Piketty dat de herverdeling die plaats vond in de eerste helft van de twintigste eeuw – de periode waarin de ongelijkheid tijdelijk werd beteugeld – het gevolg was van beleid om de schokken te boven te komen. In naoorlogsebloeitijd van toenemende…

View original post 1.410 woorden meer

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 9 juni, 2017

Waarom toch steeds Spinoza?

Ineens zie je het. Waarom toch steeds Spinoza in de twee boeken die ik samen met Theo Verheggen maakte over het belang van psychologie bij het begrijpen van de culturele vormgeving aan gedrag? Ineens begreep ik het naar aanleiding van de bespreking door Menno Lievers van het boek dat Kees Schuyt over Spinoza maakte: Spinoza en de vreugde van het inzicht. Lievers vraagt zich af of Schuyt Spinoza wel goed begrijpt. Hij vindt van niet. 

Dat heb ik ook zo vaak als ik over Spinoza lees in de boeken en artikelen van anderen. Snappen ze hem wel? Wordt hij niet overdreven gemystificeerd met zijn substantieleer en de uitleg ervan in termen van God? Is dat gedoe over of hij atheïst was ja of nee wel zo relevant? En moeten we tot op de millimeter de kring achterhalen waarbinnen zijn ideeën vorm kregen? Ik laat dat graag aan Spinoza-exegeten over.

 

Even over de God van Spinoza. God is altijd ‘bij wijze van spreken’, zou ik zeggen. Immers, machtige partijen hebben god en goden bedacht om uiteenlopende redenen, waarvan de belangrijkste zijn controle, legitimatie van de bestaande orde en invloed. Mensen voegen zich naar die macht (meestal onder invloed van angst voor de machthebbers) en komen daardoor moeizaam ertegen in opstand. Dat was zeker zo in een tijd dat atheïsme vrijwel onmogelijk was zonder jezelf in gevaar te brengen. Zoals dat nu nog steeds het geval is in sommige landen van het Midden-Oosten. Spinoza zal met zijn verbanning in het achterhoofd zich wel twee keer bedacht hebben om God uit zijn vocabulaire te weren. Vandaar God als de enige substantie met daarbij de vaststelling: Deus sive natura, God oftewel de natuur.

 

In feite komt Spinoza met zijn idee van slechts één substantie dicht in de buurt van wat in de natuurkunde doorgaat voor de basis van al wat is: het samenspel van krachten die de deeltjes/golven vormen waaruit alles wat bestaat uiteindelijk is samengesteld. Er is echt niets anders. We weten nog niet precies wat dat is en misschien komen we het nooit te weten, maar ik zou zeker niet iets van ‘geestelijke aard’ of zo inroepen. Met dualisme is door Spinoza voorgoed korte metten gemaakt.

 

Maar hoe zit het dan met de geest, of met het (zelf)bewustzijn en de vrije wil? Volgens mij heeft het zeker geen zin hier neurowetenschappelijk onderzoek bij te halen. Dat wordt heel vaak gedaan in de veronderstelling dat wetenschappers uit deze discipline het laatste woord hebben. Niets is minder waar. Het euvel waaraan de neurowetenschappen lijden is eenvoudig samen te vatten: hun beoefenaren – van Lamme tot Swaab – vergeten dat het brein nooit in isolement bestudeerd mag worden wil je begrijpen hoe het gedrag voortbrengt. Dat gebeurt altijd door breinen en lichamen in meervoud. Natuurlijk, je zult het moeten doen met gewone natuurkunde zoals Spinoza ook voorstond. Preciezer gezegd, je zult het moeten doen met de denkstijl van deze wetenschap, zonder filosofische speculatie en zonder theologie. Daar hebben de neurologen gelijk in. In de geest van Spinoza richt die zich het vruchtbaarst op hoe de rede opereert in de gemeenschap van mensen. Daarbij wordt ruimte gelaten aan werking van het lichaam en het menselijk gevoelsleven. Wetenschap geeft daar toegang toe. Geen aparte menswetenschap maar een wetenschap die een en ongedeeld is. Mensen wordt ermee onderzocht op dezelfde wijze als de natuur omdat mensen deel uitmaken van de natuur. De werkwijze is pluriform zoals bij onderzoek naar de natuur der dingen gebruikelijk.

 

Dat betekent dat je ‘de aangelegenheden van de geest’ – bijv. (zelf)bewustzijn, vrije wil, moraal – terug behoort te brengen tot waar deze volgens de beste inzichten die we tot nu toe hebben, ontstaan. Dat is tussen mensen, als dat wat er gebeurt als mensen hun gedrag onderling op elkaar afstemmen en coördineren. Daarbinnen, in de gemeenschap van mensen, ontstaan (zelf)bewustzijn, vrije wil, en moraal, zaken die verder met gewone wetenschappelijke middelen kunnen worden uitgezocht, zoals ook Spinoza voorstond. Een eenvoudig voorbeeld: voordat je zelfbewust ‘ik’ kunt zeggen is er een jij dat in de gemeenschap waarbinnen je opgroeide langzaam ertoe werd gebracht ik te zeggen. In diezelfde gemeenschap ontstaat de wens je leven in te richten volgens de standaarden van goed gedrag en langzaam vrij komen te staan van wat aanvankelijk met een zekere dwang aan je werd opgelegd: “doe dit zo of zus en niet dit of dat”. Daarbinnen ontstaat de vrije wil om je leven in te richten volgens inmiddels zelfgekozen maatstaven. Deze maatstaven worden mede bepaald door de normatieve orde waaraan alles is onderworpen en die iedereen impliceert, niemand en niets uitgezonderd. Hij kan alleen door goed wetenschappelijk onderzoek worden achterhaald.

 

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 2 juni, 2017

Is de hoofddoek wel een religieus symbool?

De discussie over de hoofddoek is weer opgelaaid naar aanleiding van de suggestie de moslimvrouwen bij de politie te tooien met een hoofddoek om op die manier bij deze beroepsgroep diversiteit naar overtuiging en sekse te bewerkstelligen. De argumenten voor worden doorgaans ontleend aan voorbeelden elders. De praktisch ingestelde Britten blijken er geen been in te zien: Sikhs bij de politie dragen tulbanden en moslimvrouwen een hoofddoek. Wat is daar nou tegen? Je mag toch voor je geloof uitkomen?
Het tegenargument benadrukt dat deze functionarissen neutraliteit moeten uitstralen. Keppeltjes, kruisjes, tulbanden en hoofddoeken verraden vooringenomenheid en die is bij deze beroepen niet wenselijk.
Nu lijkt het mij helemaal niet zo erg om net zoals in Engeland praktisch te zijn en zoveel mogelijk de heftige gevoelens rond dit thema te temperen. Maar ik vind dat je in dat geval wel moeten weten waar je je niet langer druk om maakt. Bij keppel, tulband en kruis laat je toe dat eerbied voor God, haardracht in naam van het geloof (en de tulband als praktische oplossing voor zoveel haar) en openlijk je geloof in de verlossing belijden worden toegestaan bij het uitoefenen van het ambt. Het zijn religieuze symbolen. De eerbied ervoor wordt verordonneerd door een gevestigde religieuze praktijk.
Twee zijn voorbehouden aan mannen. De kippa, omdat gelovige Joodse vrouwen nu eenmaal geen speciale aansporing tot eerbied voor god nodig hebben, de mannen wel en het keppeltje herinnert ze daaraan, de tulband omdat nu eenmaal alleen de mannen hun haren moeten laten groeien. Het kruis wordt door gelovigen van beiderlei kunne geëerd.

Hoe zit dat met de hoofddoek? Is die vergelijkbaar met tulband, keppel en kruis? Gaat het hier ook om een gevestigde religieuze praktijk? Nee. De hoofdoek is geen religieus symbool. Er zit geen religieus geīnspireerde redenering onder maar een seksuele. Sommigen zeggen dat die seksuele steunt op een religieuze maar dan sla je cruciale stappen in de rechtvaardiging over. De hoofddoek is een door mannen afgedwongen voorzorg die de vrouwen moeten nemen om mannen niet in de verleiding te brengen hun begeerte te laten opspelen. Het gaat in dit geval om een tamelijk ouderwetse seksuologie en niet om een religieuze aangelegenheid. Het religieuze argument dat op die manier voorkomen wordt dat mannen hun begeerte laten prevaleren boven hun godsvrucht, wordt er met de haren bij gesleept. Het gaat dus om een mannelijk-seksueel en niet om een godsdienstig project.

Nogmaals, misschien moeten we aanvaarden dat vrouwen zich vrijwillig schikken naar wat mannen kennelijk uit voorzorg nodig denken te hebben. In een wereld waarin mannen wellicht seksueel worden overprikkeld, hebben de moslima’s mogelijk een punt. Zo houden ze de mannen van het lijf, maar de religieuze rechtvaardiging fungeert in dit geval louter als dekmantel. Het is maar dat we dat weten als we de hoofddoek bij de politie toestaan.

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 17 mei, 2017

Het witte privilege verbergt het enige echte

Niet zo lang geleden schreef ik het onderstaande bericht over racisme en de vele uitingsvormen ervan. Verderop in het stuk verbond ik dat met het hardnekkigste privilege, dat van mannen.
Ik erken voluit dat mannen het maar wat moeilijk hebben. Hun vormgeving aan het leven staat onder druk. De basisscholen  geven te weinig ruimte aan de expansiedrift van jongens, de seksuele veroveringsdrang  wordt afgeserveerd als vrouwonvriendelijk, de kracht van hun ondernemingszin en oplossend vermogen wordt gerelativeerd in een tijd waar dienstverlening het dingen maken als belangrijke bron van voorspoed verdringt. Maar staan blijft dat wereldwijd mannen goed voor zichzelf zorgen. Kleur maakt daarbij geen verschil. Lees daarom het onderstaande nog eens met deze bril: mannen hebben het moeilijk maar zeker niet moeilijker dan vrouwen en wit privilege is misschien wel vooral een mannenzaak.

Wat hebben ‘white privilege’, aanmerkingen op de ‘helper whitey’, weerstand tegen ‘cultural appropriation’, de zwartepietendiscussie, etnisch profileren, “black life matters”, superioriteitsdenken en racisme gemeen? Het zijn allemaal termen die de afkerige reactie van witte mensen op gekleurde donkere mensen aan de kaak stellen.
De discriminatie- en white supremacydiscussie is erg oud. (Zie hier de link) In de wetenschap althans. Hij duikt nu op in de publieke opinie. Dat gebeurt onder invloed van tal van recente ontwikkelingen, niet in de laatste plaats doordat de donkere mensen mondiger zijn geworden en hun onderschikking leerden zien als een probleem van de overheersende groep. Ze zijn qua geld en goed, opleiding en status vergelijkbaar geworden met de witte mensen en eisen nu hun plaats op. Zoals vrouwen dat ook doen omdat ook zij een plaats naast de mannen veroverd hebben en terecht protesteren tegen mannelijke overheersing op seksueel en ander terrein.

Door de documentaires van Sunny Bergman over eerst de zwartepietendiscussie (“Zwart als roet”) en later het witte vooroordeel (“Wit is ook een kleur”), maar ook door de boeken van Gloria Wekker en Anousha Nzume, beseffen we ineens dat er mensen zijn die zonder dat ze er zelf erg en hebben en ook zonder dat ze meteen kwaadwillend zijn, discrimineren en over de donkere medemens allerlei negatieve denkbeelden hebben. Tot peuters aan toe. Daarbij zijn ze zich niet bewust van hun eigen bevoorrechte positie. Ze merken de voordelen van hun witte kleur niet op.
Hoe komen we aan deze houding en nog beter: hoe komen we ervan af?
Het meeste sociaalpsychologische onderzoek laat deze vragen eigenlijk ongemoeid. Ook het onderzoek naar impliciet of onbewust racisme gaat niet echt in op de vraag hoe we aan die houding komen. Vanwaar dat belang van kleur? Met nadruk erop, ook op de witte schaf je racisme niet af maar versterk je het eerder. In sociaal-psychologisch onderzoek gaat het vooral om de demonstratie van het verschijnsel en de specificatie van de condities waaronder het optreedt. Sociologisch ondervragingsonderzoek is eigenlijk alleen geinteresseerd in de mate van voorkomen. Steeds gaat het dan om persoonsgebonden attitudes die de bron zijn van vertekening. Het is een probleem van het individu. De remedie wordt gezocht in een goede opvoeding en meer op deze houding gerichte persoonlijke educatie. Maar ligt het wel zo individueel? Is het wel een kwestie van dat je als wit persoon helemaal niet inziet dat je van bruin of donker zonder echte reden een negatief iemand maakt? Zozeer dat je die bijvoorbeeld niet in je bedrijf wilt hebben.
Ingrid, mijn partner, dramadocent en altijd gespitst op wat werkelijk speelt als mensen zich op elkaar afstemmen (iets dat op een veel abstracter niveau en conceptueel in ons boek Culture as Embodiment tot een centraal thema is gemaakt), weet de discussie altijd een minder abstracte richting op te sturen. Daar heb ik erg veel aan voor deze blogs. Ze stuurt de discussie dan ook meteen de kant op van veel hardnekkiger vormen van discriminatie die werkelijk overal in elke familie, bedrijf of organisatie spelen: de discriminatie van vrouwen. Mannen doen dat zelden vanuit een persoonlijke attitude, waarvoor een beetje educatie de oplossing is. Het ligt veel gecompliceerder. Wereldwijd heerst er ‘male privilege’. En dat is zeer hardnekkig. Dit probleem behoort tot de top vijf van de wereldproblemen (de overige vier zijn: (1) klimaat, (2) ontregelde voortplanting (overbevolking), (3) sekseongelijkheid (de helf van de wereldbevoking wordt op veel plaatsen fundamentele rechten onthouden), en (4) zwakke extractieve dus niet inclusieve instituties (op veel plaatsen werkt ‘law & order’ slechts voor een heel dunne bovenlaag; zie mijn bespreking van Why Nations Fail).
Zij herinnerde zich het voorbeeld van een collega die altijd thuis kookte terwijl zijn vrouw de leuke dingen deed vanuit het besef dat vrouwen ook rechten hebben behalve het aanrecht (wat de man goed uitkomt). Hij kwam op een keer met het verhaal van een kringgesprek van zijn zoon over mannen, vrouwen, koken en werken. Zijn zoon had in de kring gezegd dat zijn moeder altijd kookte. “Ja maar, zei de collega verbouwereerd, je weet toch dat ik altijd kook”. “Ja zeg, natuurlijk, dat weet ik ook wel, maar daar kan ik in de groep niet mee aankomen. Dat vinden ze raar”.
Snel was door hem met het oog op de groep tegen beter weten geopperd in dat vrouwen in de keuken staan en mannen doen de serieuze dingen. Dat is de orde die meteen, vrijwel automatisch en het gemakkelijkst wordt aangebracht als ernaar gevraagd wordt. Het genuanceerde verhaal is veel te moeilijk. Dit illustreert hoe vooroordelen werken. Vrouwen worden al eeuwen gestereotypeerd, genegeerd, gediscrimineerd en niet voor vol aangezien. Ze staan in de keuken en that’s it. Papa kan nog zo zijn best doen elke dag in de keuken; dat verhaal krijg je niet vertelt zonder je zelf belachelijk te maken. Iedereen denkt echt anders en je past je aan.
Zo ongeveer is ook het verhaal in de wereld gekomen over dat donkere mensen niet deugen. Het keert telkens terug, tegen beter weten in. Het genuanceerde verhaal is te ingewikkeld. Er zijn veel te weinig voorbeelden van het tegendeel, die zijn niet gangbaar en bovendien staan veel donkere mensen of je dat nu wilt of niet met een vaak afwijkende stilering in het leven. De waardering daarvoor vereist een praktische en concrete aan andere groepen gebonden resocialisatie omdat we de afkerige smaak hebben opgedaan in alleen de vertrouwde groep waar we oorspronkelijk toe behoren. Die is wit met een geschiedenis waarvan altijd is verteld dat de donkere mensen ‘beschaafd’ moesten worden, eerst door godsdienst en later door onze cultuur over te nemen. Daarover hebben we in onze twee boeken Cultuur & Lichaam en Culture as Embodiment uitgebreid gerapporteed (hoofdstuk 2). Ze mochten ongehinderd als goedkope arbeidskrachten worden geëxploiteerd. Zeggenschap over hun lot werd hen onthouden en moesten luisteren naar de witte man, ja, vooral naar de witte man. Dat laat geen ruimte voor een ander verhaal, hoezeer we ook weten dat dit allemaal eigenlijk niet kan.
We doen onze gevoelens en denkbeelden over de donkere medemensen op in de groep waartoe we behoren, de groep van witte mensen die zich nooit echt heeft laten confronteren met de mensen van een andere kleur. Ook dat is niet zo vreemd. Immers, wie op Grachtengordel woont kent nauwelijks iemand in Osdorp; woon je op de Kwakkenberg in Nijmegen of in Sonsbeek in Arnhem dan ken je vrijwel niemand uit het Waterkwartier of het Spijkerkwartier. De witte mensen segregeren onderling misschien nog wel meer dan wanneer het om de donkere medemens gaat. En hoe erg is dat? Als het niet leidt tot denigrerende reacties is er weinig aan de hand. Overal kom je de beperkte ervaring tegen met mensen waarmee we liever niet in aanraking komen. Er is niks mis met die mensen en we willen ze niet onheus bejegenen, maar omgang ermee vereist tuning in een groep die ons daar ook echt toe aanzet. De zoon van de vader die kookte wist wel degelijk dat hij geen goed beeld gaf van zijn eigen papa. Maar voor dat die kennis de ruimte kreeg was er al dat gevoel, de feeling voor de meerderheid. Die meerderheid was nog niet rijp voor de echte nuance. Zo zijn ook veel mensen niet voldoende geoutilleerd om om te gaan met mensen buiten hun directe groep. Dat vereist durf om tegen de eigen groep in te gaan.
Reageert de werkgever die zonder erg een sollicitant met de naam Ayça niet aanneemt vanwege juist die naam, maar ook vanwege de hoofddoek en haar donkere huid niet op vergelijkbare wijze? Hij weet wel degelijk dat hij eigenlijk anders moet reageren, maar dat durft hij niet vanwege het team of wat hem verder ook hindert om zijn eigen idee dat het niet uitmaakt, te volgen?
Punt is dat die remmingen precies moeten worden uitgezocht. Mensen voor racist uitmaken helpt daarbij niet. Wat zorgt ervoor dat mensen vergeten dat ze een aantal voordelen – “white privilege” – gewoon in de schoot geworpen kregen omdat de witte mensen vanaf 1500 het gevecht om de hegemonie gewonnen hebben? Pas nu herneemt China, dat voordien toonbeeld van beschaving was, zijn plaats. Pas sinds een paar decennia zijn we ons ervan bewust dat er naast het Christendom religies bestaan met vrijwel een even grote massa volgelingen. Door de immense problematiek in het Midden Oosten worden we geconfronteerd met grote groepen vluchtelingen die terecht een veilige plaats opeisen omdat dit hun afgesproken recht is. Armoede in Afrika betekent dat ze bij ons proberen te halen wat hen al eeuwen onthouden is. Dat levert confrontaties op die de witte mensen bewust maken van hun positie. Die is niet langer meer boven maar naast die van de donkere medemens.
De enige remedie is ontmoetingen waarin wit en donkerder samen iets ondernemen. En focussen op geslaagde vormen van verbinding en aandacht. De media mogen best mislukkingen onder de aandacht brengen mits die dan ook voldoende gekwalificeerd worden door meteen uit te zoeken onder welke precieze omstandigheden dit soort ingesleten racistische praktijken voorkomen. In Cultuur & Lichaam, en in Culture as Embodiment staat handzaam opgeschreven dat racisme en superioriteitsdenken voortkomen uit groepgebonden afstemmingspraktijken. Het zijn geen eigenschappen van losse individuen van wie je incidenten kunt rapporteren in de veronderstelling dat daarmee de kous af is. Dat is luie journalistiek. Zoek de automatismen op, identificeer de intrinsiek sociale groepen, ga na hoe de affectieve sturing in zijn werk gaat en vertel daarover. Dat neemt in elk geval de indruk weg dat je van racisme afkomt door opvoeding en onderwijs waarbinnen op louter verbale wijze de juiste cognities of opvattingen worden aangebracht. Zo identificeer je niet de echte bron van witte privileges. Die ligt in de groepsvorming met de daarmee samengaande onbewuste affectieve tuning. Je zag het goed in de documentaire ‘Wit Is Ook Een Kleur’: op een dag voor mariniers wilde niemand van de daar aanwezige groep mannen dat hun boegbeeld Michiel de Ruyter slavenhandelaar werd genoemd. En onderling werd er veel gelachen over het witte vooroordeel. Zo werkt het.
En verder, strenge regelgeving voor wat wettelijk niet geoorloofd is in de confrontatie. En instellingen van handhaving die echt werken. Geen overdaad aan regels maar een paar die helder en duidelijk zijn. Je moet weten waar je terecht kunt wanneer je bij sollicitaties een afwijzing krijgt op basis van opzichtige kenmerken die geen relatie hebben met de uit te voeren taken. Dat geldt ook voor aanhoudingen met een vergelijkbaar motief.

Daarmee is het raadsel nog niet opgelost waarom van Europa tot Amerika maar ook van Azië en Australië tot Afrika de afkeer en dus de discriminatie toeneemt naarmate de huidskeur donkerder wordt. Wie doe een voorzet?
Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 5 maart, 2017

Het antropoceen waar we wat aan hebben.

Is het niet een veel te negatieve term, antropoceen? Ik bedoel: is deze naam niet bedoeld voor het tijdperk van de zorgelijke invloed van de mens zelf? Is het wel zo’n neutrale term voor de invloed van de mens? Antropoceen heeft inmiddels toch een tamelijk negatieve bijklank? Niet iets om vrolijk van te worden, wel?

Misschien is er inderdaad veel om je zorgen over te maken, maar om ons wakker te schudden heb je geen notie van een seculiere apocalyps nodig. Wat moeten we aan met filosofen zoals René ten Bos, de nieuwverkozen denker des vaderlands, die ons in zijn laatste boek: Dwalen in het antropoceen, het bos instuurt? Hij weet het allemaal niet meer. Zelf zegt hij het in een interview in de Volkskrant zo:  “Het boek begint tamelijk normaal, maar het wordt gaandeweg steeds maffer. Ik stuur mijn publiek met vaste hand het bos in. Omdat ik het zelf ook niet weet! Ik kan wel heel netjes uitleggen wat ‘antropoceen’ is en waar de discussie over gaat, en dat een beetje systematisch opschrijven – dat doe ik ook, de eerste hoofdstukken zijn voor iedereen te volgen – maar op het einde kom je steeds meer kronkels en paradoxen tegen. En nergens een oplossing, nee. Er ís geen oplossing. Daar moet je mee leren omgaan, met die gedachte”.
Ik besef natuurlijk heel wel dat antropoceen een term is naar analogie van termen uit de geologische tijdschaal. Een term voor tijdvakken met een heel lange duur. Ook snap ik dat het vooral een term is voor de zogeheten ecologische footprint. Maar laat me hem toch gebruiken voor iets dat in dit boek wordt vergeten. Ach, wie van onze publieksfilosofen vergeet dat niet? Dat is de bijdrage van de gedragswetenschappen aan hoe de mensen zichtzelf zien en begrijpen en hoe deze wetenschap ook de middelen verschaft voor de inrichting van de wereld. Gedragswetenschappen spelen in dezen een cruciale rol. Door de gedragswetenschappen krijgt het antropoceen ook de vorm die het nu heeft. Daarin schuilt ook een deel van de oplossing voor de paradoxen waar ten Bos op stuit.

Immers, zolang de psychologie bestaat, bestaat wat je de psychologisering van de samenleving kunt noemen. De wortels van dat proces gaan diep. Eerst in de filosofie, maar later, na het eerst leerboek van de psychologie van de hand van Johann Friedrich Herbart, in de  de gedragswetenschap. Die wetenschap is nu al meer dan twee eeuwen bij ons, maar dat dringt nog niet echt serieus door bij het grote publek. Dat komt door het negatieve imago, dat wordt versterkt door de grote schandalen bij de sociale psychologie en het psychology bashing dat daarop volgde. We weten intussen dat veel sociale psychologie sloppy science is, met inventieve experimentatoren op een vierkante millimeter aan zogenaamde belangrijke issues.
Maar er bestaan in de psychologie respectabeler takken van sport. Ooit werden die ‘psychonomie’ genoemd, een term die het niet heeft gehaald, ondanks een goed voorbeeld bij het bestuderen van de sterren. Terwijl het samenleven van mensen door goed psychonomisch onderzoek fundamenteel is veranderd, wordt in politiek en maatschappij net gedaan alsof deze wetenschap niet bestaat.

Ooit werd psychologisering afgeschilderd als “de markt van welzijn en geluk” , de hulpverleningsindustie die zijn eigen lucratieve vraag schiep, en werd er de opmars van de “protoprofessionalisering” in gezien. Dat is, pregnant geformuleerd, het door leken handig gebruik maken van diagnostische labels om de eigen verantwoordelijkheid te ontlopen: “beste meneer de rechter, ik ben onveilig gehecht geraakt en daarom deed ik dit”. Beide vormen van kritiek – hoe terecht ook als je let op het onkritisch gebruik dat er van de psychologie wordt gemaakt – gingen geheel voorbij aan de wetenschappelijke inhoud van het vak.

Wat is de kern van de psychologisering? Dat is de beschrijving en verklaring van gedrag door gebruik te maken van beproefde inzichten uit de gedragswetenschap en de uitwerking daarvan in het maatschappelijk leven. Daarbij gaat het om de inzicht in denken, voelen en handelen aan de hand van toetsbare theorieën over de productie en organisatie van gedrag en samenleven. De psychologie kan die beschrijving en verklaring inmiddels beter geven dan de sociologie of antropologie, wetenschappen die hun ontstaan danken aan staatkundige veranderingen in de 19e begin 20ste eeuw en de politiek van staatsvorming en imperialisme begeleidden.

Het reilen en zeilen van de maatschappij wordt niet langer bepaald door macht, structuren  of processen zoals grofweg beschreven in de sociale wetenschappen. De machtgerelateerde privileges van de weinigen die de touwtjes in handen hebben komen voort uit de micro-gebeurtenissen die de gedragswetenschappen beschrijven. Door psychologisch te begrijpen van wat mannen, vrouwen en kinderen drijft, inclusief deze potentaten, komen we verder. De psychologie beschikt immers ook over hanteerbare kennis van hoe de macht werkt en hoezeer narcisme en “psychopathology light” fnuikend zijn voor menselijk samenleven. De gedragswetenschappers hebben een tamelijk concreet beeld van hoe het sociale wordt gegenereerd. Hoe de ‘social tuning’ van gedrag het samenleven bepaalt.

Ook geeft deze wetenschap handvatten om de ontwikkeling te begeleiden van de technologie op het gebied van nano, AI, superintelligentie, de bionische mens, mens-(reken)machiene interactie enz. Zij stelt ons immers in staat preciezer te bepalen wat ons tot mensen maakt. Intelligentie is maar één deel, (zelf)bewustzijn een ander. De bijdrage van emoties en gevoelens aan kennen en handelen is nog zo’n onderwerp waaraan deze tweede verlichting kan bijdragen. Cognitive & affective science zijn goede kandidaten om de filosofische speculaties over menselijke en dierlijke kenvormen en affecttoestanden van nieuwe en betere brandstof te voorzien. Ook het anti- of non-humanisme dat schuil gaat achter de algoritmen die door middel van Big Data onze voorkeuren beter inschatten dan wij zelf (met dank aan Homo Deus van Yuval Harari; lees dat boek!) kan alleen gedragswetenschappelijk ontmaskerd worden en niet door filosofie of literatuur. Het is de wetenschap die de kracht van analogieën en metaforen onderzoekt. Misschien moeten fysici die zich vertwijfeld afvragen waar de super-quantumcomputer staat waarop ons heelal als illusie draait – de film de Matrix is nooit ver weg in dit soort discussies – zich eens tot de cognitiewetenschap wenden.
Psychologie helpt ook bij het vestigen van een seculiere moraal die een einde kan maken aan de goddelijke bevelsethiek van de religie. In de seculiere moraal is een gidsende rol weggelegd voor wat het goede leven uitmaakt. Mede onder invloed van psychologisering weten we verduiveld goed wat machthebbers corrumpeert en wat angst allemaal kan uitrichten. We beseffen beter hoezeer sentimenten – gevoelens en emoties – naast explicite en goed geformuleerde opvattingen – gedrag organiseren. Er staan veel meer voorbeelden in onze twee boeken.

Ik zou dit de Tweede Verlichting willen noemen. Deze is een vervolg op de eerste die geinspireerd was op Spinoza’s denkbeelden en opvattingen; op wat hij ons leerde over de lichaamsgebonden en van de gevoelsorganisatie afhankelijke kennis en hoezeer wijsheid in deze eerste kenvormen orde behoort te stichten. Daar hoort ook een speciale organisatie van de maatschappij bij. Uiteindelijk legde Spinoza’s politieke theorie de gronslag voor de hedendaagse civic society.

Spinoza is de gedragswetenschapper avant la lettre die met recht de inspirator van deze tweede, gedragswetenschappelijke verlichting kan worden genoemd. Hoe zouden wij zonder psychologische inzichten in – laat ik maar wat opsommen – mannelijkheid en vrouwelijkheid, in seksuele orientatie, in motivatie voor gedrag, intelligentie, cognitieve vermogens en de mogelijkheid tot scholing etc. onze levenstijl vorm hebben kunnen geven?  Dat is het antropoceen waar we wat aan hebben.

Nawoord.
Ger Groot vraagt zich in zijn boek ‘De geest uit de fles. Hoe de moderne mens werd wie hij is’ af wat de filosofie nog kan betekenen in het antropoceen. Ik zou zeggen: probeer een verstandige alliantie met de gedragswetenschappen en begeleid hun bevindingen kritisch door er vooral goed kennis van te nemen. De wetenschap van de psychologie is meer dan honderdvijftig jaar bezig met gedegen onderzoek naar waarnemen, denken, voelen, oordelen en handelen. Zij die hulpverlening en deskundig gedragsadvies tot een markt van welzijn en geluk verklaren en de deskundologica van psychologen aan de kaak stellen, vergeten deze achtenswaardige historie. Psychologie bestaat echt als wetenschap. Dit in weerwil van een slechte pers over zijtakken als de experimentele sociale psychologie die inderdaad sloppy science afleverde. Dat moet ons niet afleiden van de kernfocus van het psychologisch onderzoek: de tot standkoming van betekenisvol handelen met inachtneming van waarmee mensen fysiek, cognitief en affectief zijn toegerust. Vooral de filosofie moet zich vergewissen van zijn historisch bepaalde lichaamloosheid en geringe aandacht voor het sociale, dat wil zeggen  voor lichamen en breinen in meervoud. Pas dan kan ze meedoen in het antropoceen.

Paul Voestermans

Older Posts »

Categorieën