Gepost door: Paul Voestermans | 21 maart, 2022

Poetin over het redden van de Russiche ziel en cultuur

Voor de analyse van Poetins geopolitieke machinaties meegaan met diens “bruikbare geschiedenis” waaronder de Russische ziel en cultuur maar ook de tsaren Peter de Grote en Alexander I, verduistert het zicht op zijn kleptocratische machinaties en persoonlijk financiële belangen. Het probleem is dat Poetin eigenlijk niet gepasseerd kan worden, als je langs oude geopolitieke lijnen blijft denken. Wie durft die creatief te verlaten?

In de podcast https://www.nporadio1.nl/podcasts/de-dag/67212/1059-hoe-poetins-taal-radicaliseert gaat Hubert Smeets diep in op het geloof van Poetin in zijn beschavingsmissie (voor de juiste context wel even de podcast beluisteren). Hij legt uit hoe diep de Groot-Russische gedachte bij Poetin zit. Hij beschrijft het in deze podcast. zonder commentaar, luister maar. Wel doen anders vallen mijn punten in een leegte. Ik vraag me af waarom zo kritiekloos meegegaan wordt met Poetins denkbeelden over die missie.

De indruk wordt gewekt dat Poetin echt zelf gelooft dat de Russische ziel, cultuur en beschaving tegenover die van het Westen verdedigd moet worden. Zo willen historici met name het graag doen voorkomen. Maar ook hier schort het dan aan een kritische houding tegenover het denken over cultuur

Poetin misbruikt het idee ‘cultuur’. Niet het idee cultuur met een grote C dat kunst, literatuur etc. omvat (behoudt in vredesnaam banden met deze vorm van Cultuur in Rusland), maar ‘cultuur’ in de betekenis van vermeende gedragskenmerken van een volk, als de zogenaamde ‘diepste aard’ of ‘ziel’ van een volk. Want als een ding nu duidelijker wordt dan ooit door de vele analyses van de zogenaamde “Russische Ziel” dan zijn het wel de nimmer aflatende wreedheden in naam van diezelfde ziel. En de toeëigening van wat in feite niet tot deze ‘ziel’ gerekend mag worden omdat het tot andere volksdelen behoort. Wie weet bijvoorbeeld dat Nikolaj Gogol geen Rus is maar een Oekraïner?

Het is met het tamboereren op ‘cultuur’ in deze zin vrijwel altijd zo dat een groep of individu die/dat graag aan de macht wil blijven, zulke noties bedenkt om ‘het gewone volk’ zover te krijgen de agenda van de machtsbeluste elite te steunen.

Met het gebruik van de term cultuur is het als met de notie ‘Christelijk Geloof’. Dat geloof werd in tijden van religieuze verdwazing gepropageerd als verlossing voor alle mensen; het cultuuridee is daarvan een seculiere variant.


Elk land ventte deze cultuurmissie vanaf midden 19e en begin 20ste eeuw uit. Ook Rusland met behulp van wereldberoemde schrijvers. De Russische ziel werd bezongen door Tolstoi, Dostojevski en wie al niet meer. Heel mooi, maar als ideologie volstrekte volksverlakkerij.
Propaganda dus, van meet af aan. Poetin maakt handig gebruik van dat verhaal. Ook Poetins Groot-Russisch fantasma – “imperialistische waanideeën” worden het genoemd – berust op de achterhaalde cultuurtheorie: het idee van de Russische cultuur als verlossing uit Westerse barbarij. Hij gebruikt ‘ziel’ en ‘cultuur’ als dekmantel voor puur winstbejag; hij aast op de schatkamer van Oekraïne.

Deze denkbeelden worden door Poetin en consorten aangehangen voor louter persoonlijk gewin en ter vrijwaring van kritiek en tegenmacht. Hij bespeelt het gewone volk met dit misleidend gebruik van de Russische cultuur. Zelf heeft hij er niet veel mee op, met de Russische ziel, gezien de enorme op niet-Russische banken gestalde sommen gelds, zijn paleis, een eigen superjacht en de vele andere tekenen van persoonlijke macht; welke tekenen van een westerse en niet Russische orientatie heb je meer nodig?). Helaas bespeel hij het volk met succes. Maar dat succes is een dekmantel voor zijn eigen politieke agenda. Hij redt er zijn wederrechtelijk verkregen geld en het vege lijf mee, niks anders en zeker niet Rusland. Hoewel, redt hij het? Als de Westerse mogendheden hem geen uitweg bieden verkrampt hij waarschijnlijk tot een nog gevaarlijker gek, zo denken sommigen.

In plaats van Rusland gewoon mee te laten draaien in de economie (wat hij met gas, olie etc. vanaf 2000 had kunnen doen) en mee te laten profiteren van de facilitaire diensten waarmee het Westen de verscheidenheid aan samenlevingsvormen mogelijk maakt (ook iets om meer te benadrukken in plaats van de eeuwige abstracte waarden als democratie, cosmopolitisme, vrijheid etc.), brengt hij een beschavingsideaal in het geweer van het jaar nul. Met geen enkel ander doel dan zelf buiten schot te blijven.

We weten dat veel van wat er speelt tussen mensen bij wijze van spreken ‘gemaakt is van geloof’; geloof is onmisbaar in het menselijk verkeer: geloof in de liefde, in geld, de bank, etc. Geloof is een cognitief/affectieve categorie die mensen denkbeelden geeft waarbij er zaken op het spel staan. In het jargon van de affectwetenschap zijn dat ‘hot cognitions’. Het gaat om heftige gevoelens die makkkelijk te manipuleren zijn, soms ook een tijdje tegen alle evidentie in. Maar op den duur komt het wel op evidentie aan. Lincoln zei het al: Je kunt sommige mensen bedriegen, je kunt alle mensen soms bedriegen maar niet alle mensen de hele tijd door. Dat gaat niet.

Een belangrijk gevoel is dat van angst, waardoor de manipulatie voor lange tijd kan aanhouden. Ook nu wordt het Westen door angst voor een nucleaire dreiging in Poetins greep gehouden. Ik weet ook niet hoe die greep te verbreken, maar angst blijft een slechte raadgever.

In het algemeen maakt angst dat mensen meegaan in de wereld die hun wordt voorgehouden door de boven hen gestelden met hun nepnieuws, propaganda, leugens en misleiding. Een wereld die gebaseerd is op geloofde dat op zijn beurt in stand wordt gehouden door de – terechte – vrees (zoveel ‘Stalin’ is er nog wel werkzaam in de RF) opgepakt te worden. Voor sommigen ook de angst om het mis te hebben en in hun dagelijkse routines gestoord te worden – opgepakt te worden wil dat zeggen – als ze voor zichzelf zouden spreken.

Dat affect is krachtig en vereist een veel zwaarder tegenoffensief dan wat cultuurkritiek op Poetins fantasma van een Groot-Rusland. Rusland maar ook China profiteren van de dociliteit van de massa, gebaseerd als deze is op dit krachtig affect van de angst.

De meeste geopolitieke analyses gaan daar niet over. Vrijwel altijd gaat het over de machtsbalans als dé geopolitieke knop bij uitstek waaraan gedraaid kan worden, zo redeneert men. Ook cultuur, ziel en volksaard etc. worden gebombardeerd tot mogelijke knoppen waaraan gedraaid kan worden. Zelfs geschiedenis is zo’n knop.

Bij het geopolitiek gedraai aan dit soort knoppen wordt vergeten dat de echte knoppen die knoppen zijn waarmee de menselijke ervaring kan worden gemanipuleerd. Dat is een psychologische aangelegenheid, naar mijn idee, en dat wordt in de geopolitiek schromelijk onderschat.

Door de nadruk te leggen op het streven van Poetin om met zijn gedweep met de Russiesche ziel en cultuur Oekraïne onder beslissende invloed te brengen van de Russische Federatie en van hemzelf, wordt verhuld dat het Poetin om materiële belangen gaat: de rijkdom van Oekraïne en behoud van zijn eigen positie. Die behoudzucht maakt hem ook tot de psychopathische dictator in eigen huis. Daarvoor moet je de mensen met alle mogelijke middelen zover zien te krijgen dat ze je steunen.

Hier komt de manipulatie door angst in beeld. Angst voor het verlies van de eigen identiteit. Dat hebben we bij corona gezien waar het zogenaamd om het verlies van het vrije Nederland ging. Bij deze oorlog zien we dat het weer wordt geprobeerd, maar nu met de Russische identiteit diezogenaamd op het spel staat.

Wat er tegen te doen? Steven Lukes schreef ooit een klein boekje: Power, a radical view. Daarin beschrijft hij de enige macht die de gewone mensen hebben en die werkelijk effectief is. Dat is de macht van de verbeelding, om te bedenken hoe het zou zijn als die machteloosheid er niet was en vandaaruit een eigen agenda te formuleren. Het recept van Lukes: schep ‘tegenfeitelijkheden’, “counterfactuals” en mobliseer daarmee de gevoelens opnieuw tegen die van angst en machteloosheid in. Dat moeten natuurlijk overal gebeuren met behulp van dat deel van de elite dat zijn verantwoordelijkheid neemt: politici, community builders en sociaal werkers etc. Maar ook de journalisten. (En hier ook door de gasten in de vele kletsprogramma’s die er zijn.) Of dat met Poetin als aanvoerder lukt is zeer de vraag. Op den duur moeten we de man een uitweg bieden. Het verstandige deel van het volk doet dan de rest door zijn eigen verbeeldingskracht aan te spreken.

Gepost door: Paul Voestermans | 9 maart, 2022

Is meer geopolitiek het enige antwoord?

De ellende van geopolitiek is dat door de politieke leiders die ‘empire’ nastreven – of dat nu de VS is onder Biden, China onder Xi, of de Russische Federatie onder Poetin – onvoldoende wordt beseft dat hoe groter het zogenaamde imperium hoe slechter de economische situatie en hoe minder er gegeven wordt om de verbetering van de levensomstandigheden van iedereen zonder aanzien des persoons. Empire betekent zucht naar een plaats in de wereldorde en dat gaat ten koste van samenwerking en wederzijdse steunverlening, ook aan kleine landen. Naast ‘empire’ zijn er in de ogen van bijv. Poetin alleen maar koloniën en verder geen natiestaten. Weg met ‘empire’ dus.

Veel beter is het te werken aan sociaal-economische voorwaarden voor een leefwereld waarin iedereen gedijen kan. Dan hoor je bij de wereldgemeenschap en krijg je vanzelf respect. Geopolitiek heeft een psycho-sociale dimensie die zelden in de commentaren wordt benoemd laat staan dat er verstandig op wordt gereflecteerd: bij het streven naar imperiale en hegemonische macht zijn de burgers het kind van de rekening. Het psycho-sociale omvat vooral patronen in gedrag die intussen gemeengoed zijn wereldwijd, ook in Oekraïne, ook in Rusland, ook in China. Overal willen de mensen niet zomaar vrijheid en democratie of een aansprakelijk bestuur, maar vooral dat er keuzes gemaakt kunnen worden voor materiële genoegens zonder dat het plat-hedonisme impliceert of consumptieverslaving. Over die verlangens willen de autocratische empire-srevers macht hebben en er invloed op uitoefenen. Dat is nooit in het belang van de bevolking. Die wil onder dat soort juk vandaan en dat zie je wereldwijd. Vergeleken bij deze wens van velen – en ik durf wel te zeggen de meerderheid – steekt het geopolitieke denken over invloedssferen, macht en hegemonie, los van wat de bevolking echt wil, schril af. Ze laten ook geen onderzoek toe naar wat wenselijk wordt geacht en dat is een dimensie van het psycho-sociale die onvoldoende bij geopolitiek redeneren wordt betrokken. Ik weet het, er heerst angst je uit te spreken, maar ook dat is een aspect dat in de geopolitieke analyse onvoldoende wordt gethematiseerd. Machtdenken in termen van ‘empire’ en geopolitieke hegemonie impliceert macht over waarover de bevolking mag beschikken en dat is in een wereld waar alle problemen planetair zijn, onzinnig en 19e/20ste eeuws. Nooit mag in Poetins of Xi’s empire uitgezocht worden wat de mensen echt denken, voelen en willen. Deze gedragsaspecten zijn ook afwezig in geopolitieke beschouwingen. Terwijl er wereldwijde value-studies worden uitgevoerd, worden die niet in het geopolitieke geanalyseer betrokken. Alexey Navalnyvroeg onlangs op twitter aandacht voor een pol die misschien gebrekkig maar wel in aanzet informatief was. Waarom zien we daar niet meer van?

Het werk van politicologen en politiek analisten als Rob de Wijk, die ik overigens hoog heb, gaat zelden zo ver dat ze de veranderingen of wensen rond psycho-sociale omstandigheden in hun diagnose betrekken. Natuurlijk licht Poetin de geschiedenis beentje en klopt hij de NAVO-dreiging op om zijn eigen hachje veilig te stellen. Onder de dekmantel van het in evenwicht brengen van de geopolitieke verhoudingen probeert Poetin ‘empire’ te herstellen: de USSR van voor 1989.

Daar gaan nogal wat analisten in mee. Soms zo ver dat de NAVO-partners de schending van de quasi-afspraak van Boekarest in 2008 in de schoenen wordt geschoven. Daarvan zegt de Hoop Scheffer dat hij helaas niets heeft ondernomen om die afspraak preciezer te krijgen; achteraf gepraat dus.

De onzinnigheid van ‘empire’ wordt in deze historische excercities zelden aan de kaak gesteld. Immers getuigt het willen bereiken van hegemoniale wereldmacht van enig inzicht in wat er echt aan de hand is in deze wereld? Hebben de pandemie en de dreigende klimaatcrisis dan helemaal geen invloed op dat geopolitiek gezeur zou ik bijna zeggen?

Getuigt dat nog wel van realiteitszin? Goed, we nagelen Poetin aan de schanpaal, en terecht; en vinden zijn maatjes – China voorop – bepaald niet bij de pinken, maar waarom wordt er niet gehamerd op hoe onzinnig geopolitiek denken überhaupt is in een wereld met planetaire problemen van heb ik me jou daar?

En dan heb ik het nog niet eens over wat er gedaan zou kunnen worden met het geld dat nu aan deze oorlog wordt verspild en dat ook alleen maar geopolitiek wordt geanalyseerd en niet met het oog op hoe nu onverwijld welzijn en welvaart bevorderderen vereist dat we multilateraal in planetair verband zonder geopolitiek rivaliteit de schouders zetten onder de immense vraagstukken van deze tijd. We kennen ze toch allemaal?

Nee niet armoede die China zo lekker auroritair heeft bestreden en waar ‘de politiek’ ten onrecht crediet voor krijgt. Want waren het niet gewoon de arme mensen zelf die de zaak opgelost hebben door onder de knoet van De Partij hard en gestaag te werken? Dat probleem was en is peanuts vergeleken met de problemen van klimaat, biodiversiteit en duurzaamheid. Ook niet de eeuwige economische groei van China en de Westerse wereld die eveneens onterecht op het konto van politiek beleid wordt geschreven. Want ook deze groei kwam er dank zij de angstige volgzaamheid van de mensen die door de elite werd gebruikt.

Is geopolitiek niet de nabrander van een wereld die de broodnodige transitie doet stagneren omdat wie deze wereld als machthebbers bevolken hun eigen hachje willen redden?

Wat op het spel staat, ook in deze schrijnende oorlog, is de wil om macht niet langer meer te verdelen tussen de autocratische rest – Poetins Rusland en Xi’s China – en het even autocratische Westen van Biden en de top van de EU (wie is eigenlijk echt de top van de EU? Dat is wel leuk: het lijkt te gaan om een soort ‘collectief’ dat steeds maar weer delibereert; een voorbeeld dus voor heel de rest, toch?) maar de macht te verlenen aan wie daartoe in vrije verkiezingen gelegitimeerd is.

Gepost door: Paul Voestermans | 25 februari, 2022

Oekraïne

Lilia Shevtsova schreef in de NRC van 3 januari 2017 dit: “Nu breken andere tijden aan. In plaats van de globalisering met haar vrijhandel, open grenzen en compromissen breekt een tijd aan van de door het Kremlin zo beminde geopolitiek met zijn verdediging van soevereiniteit, machtsevenwicht en steun op militair vertoon. Wat de Russische machthebbers hebben nagestreefd, wordt nu werkelijkheid. Maar snappen de Russische leiders wel wat dat voor tijdperk is? Het is een tijdperk voor roofdieren en hyena’s: sterke staten, die hun spierballen kunnen laten rollen, zullen de regels bepalen en tevens hun recht verdedigen die regels te doorbreken; voor zwakkere broeders blijft slechts de rol van hyena’s over.” Het vat het desastreuze van geopolitiek goed samen. Maar wie had toen in 2017 gedacht dat het werkelijkheid zou worden?

We weten het allemaal: oorlog is nooit een oplossing maar juist een verergering van de kwaal. Al is de aard van Poetins oorlog vergelijkbaar met toen er bommen vielen op Rotterdam en Nederland ineens in oorlog was; vererger de strijd niet met meedoen. Helaas heb ik me verkeken op dat dit ooit nog mogelijk zou zijn.

Deze vroege post https://cultpsy.wordpress.com/2020/01/02/in-de-plaats-van-geopolitiek/ straalde optimisme uit. In plaats van geopolitiek zou de mondiale werfkracht komen van de leefwereld die vanaf de tijd van Spinoza in de steigers is gezet en zou zorgen voor wat ik noemde: de globalisering van gedrag. Gedrag dat het resultaat is van de wereldwijde aantrekkingskracht van het goede leven. In gang gezet door het vierspan van wetenschap, techniek, handel met daarbij gevoegd de wervende impact van deze drie gezamenlijk.

Heb ik me vergist nu Poetin vastzit in de geopolitieke kramp van de koude oorlog die voorbij werd gewaand en nu in Oekraïne herleeft met een ongekende hitte? Denk Poetin echt dat er nog een groot Russisch Rijk kan herleven nu hij in de afgelopen jaren alleen maar vanuit wrok over de verloren Sovjetrepublieken geopolitiek heeft bedreven? Heeft hij zich ook maar een moment beziggehouden met het scheppen van welvaart voor heel de Russische bevolking? Ik denk dat de Russen nog steeds zwaar te lijden hebben onder wat Poetin meent dat zijn recht is: een Rusland dat meetelt op het wereldtoneel; hopelijk zullen die Russen zich vroeg of laat verweren.

Vergist Poetin zich? Ik ben geen Maarten van Rossum die stellig meent dat Ruslands economie te klein is voor langdurig miltair ingrijpen (niet veel groter dan de Benelux). Hij krijgt misschien toch nog gelijk, maar niet op de wijze die hij zelf meende te voorzien. Want de inval met groot materieel kwam er wel.

Hebben politici en ceo’s van de fossiele industrie en de banken in Londen, Amsterdam etc. zich laten meeslepen in de sluipende geopolitiek van Poetin en zijn oligargische trawanten? Zijn achteraf Tsjetsjenië eind jaren ‘90, toen Poetin als premier de oorlog met Tsjetsenië begon, Georgië in 2008, de Krim in 2014, de regio Donbas in 2014, het neerhalen van de MH17 op 17 juli in dat jaar, de interventie in Syrië die begon in september 2015, de inmenging in de Amerikaanse verkiezingen van 2016 en nu de oorlog in Oekraïne niet even zovele tekenen van toch tamelijk blinde volgzaamheid gevoed door de draaischijf van duurder doorverkocht goedkoop gas? Achteraf wordt wel vaker veel duidelijk.

Of dit de droom vernietigt van een wereld die bij zinnen komt en geopoltiek afzweert ten gunste van een wereldwijde politiek, weet ik niet. Ik hoop van niet. Ik hoop toch nog op een wereld die berust op de werfkracht van wat ooit in Europa begon en viral ging onder mensen, jongeren vooral, wereldwijd, die mee willen profiteren van wat gewoon hier en nu in Nederland mogelijk is. Die hoop veronderstelt wel dat wij allemaal bereid zijn te betalen voor wat politici willen bereiken met het aandraaien van de duimschroeven bij Poetin. Het zal een cent kosten maar wie heeft dat er niet voor over? Alleen zo komt ook in landen die nu worden bedreigd door autocratische regimes binnen bereik waarover wij hier in ons land al zo lang beschikken en mede mogelijk werd door ‘Proeftuin Europa’. Wat ik in deze post probeer is hoogst actueel, denk ik, hoop ik, nu er in de EU een geest van grote eensgezindheid waait.

Gepost door: Paul Voestermans | 15 februari, 2022

De moraalridders van de ongelijkheid

Zowel Joris Luyendijk als ook Sander Schimmelpenninck hebben blijkens alle reacties een gevoelige snaar geraakt met hun aanvallen op maatschappelijke privileges. Luyendijk doet dat door het uitdelen van zeven ‘vinkjes’, die vooral een specifieke categorie mannen het privilege verschaffen van welgesteldheid, de mannelijke sekse, hetero, cultuur met een grote C, de witte kleur, vwo-diploma en een universitaire studie. Schimmelpenninck hamert in ‘De kloof’ op onverdiend verkregen financieel vermogen, een wat preciezer vinkje van welgesteldheid dat Luyendijk vaag formuleert. Maar ook Schimmelpenninck speelt de identiteitskaart. Ook hij benadrukt dat waar je wieg staat het belangrijkste is en hij heeft het dan vooral over de wieg bij families waar het geld tegen de plinten klotst en je je als nakomeling geen zorgen voor de toekomst hoeft te maken. Daarmee ligt de nadruk op individuele kenmerken en hoe die ons in de weg kunnen zitten in olaats van op wat de rechten van iedereen zijn.

Luyendijk en Schimmelpenninck borduren beiden voort op wat ik noem ‘identiteitsdenken’: de groep waartoe je je rekent is belangrijker dan wat je doet of kunt en waar iedereen juist vanwege wat hij of zij doet aanspraak op mag maken. Hoe ze de onrechtvaardigheid hiervan aan de kaak stellen oogt sympathiek, maar het werkt in allerlei opzichten averechts. Sociale ongelijkheid vergt in de eerste plaats een deskundige politieke en juridische aanpak en niet een moralistische. En zeker geen aanpak die de eigen verdienste niet tot op het bot fileert. Want dat moet wel: waar komen die privileges vandaan en wat helpt ze in standhouden en hoe bestrijd je de negatieve effecten voor het zogenaamde ongeprivilegieerde deel? Als je die vragen niet stelt maar de groep geprivilegieerden wel te kijk zet, moraliseer je. Precies dat overvleugelt de laatste tijd discussie over sociale rechtvaardigheid en staat oplossingen in de weg.

Schimmelpenninck is openlijk moralistisch. Hij vraagt de mensen die vermogen erven en ongestoord op de plas varen in het bootje van papa, of ze die voorsprong moreel aanvaardbaar vinden. Bij mensen die kapitaal investeren in de aankoop van huizen die ze vervolgens belastingvrij verhuren sondeert hij of dat niet een beetje wringt. Ouders die hun kinderen verrijkt privéonderwijs laten volgen stelt hij de vraag of dat niet op hun geweten drukt. Telkens houdt hij de mensen die het goed getroffen hebben een spiegel voor: vind je dat je dit allemaal mag hebben of doen eenvoudigweg door wie je bent? Zo ook vraagt Luyendijk zich af: waarom bevoorrechten (met zeven vinkjes) zo vanzelfsprekend zoveel macht en invloed mogen hebben.

Is het niet beter om het moraliserende identiteitsdenken helemaal overboord te gooien en te vervangen door een krachtiger interventie van wat iedereen rechtens toekomt? Er ontstaat door de acties van vooral Sander wel enig bewustzijn dat er iets mis is en het zorgt wellicht ook voor enig schuldgevoel maar je ziet ook hoe in alle afleveringen mensen zich onder de uitgeoefende morele druk uit kletsen. De vrouw die voor een groot publiek bitcoins aanprijst in presentaties die naar eigen zeggen wel 100 uur per week kosten en de man op de rondvaartboot die met bitcoins in weer is omdat hij het gewoon leuk werk vindt, ontwijken de echte vraag vanuit het idee dat ze tot groepen behoren die gewoon zoveel mogen verdienen. Klaar!

Natuurlijk werken deze mensen hard. Ook de presentator zelf. Maar je merkt ook aan de commotie die de zeven vinkjes en De Kloof teweeg brengen dat mensen nattigheid voelen.

Daniela Hooghiemstra bijvoorbeeld stelde de vraag of het Schimmelpenninck wel echt gaat om het aan de kaak stellen van (adellijk) vermogen en bevoorrechte posities. Is hij niet vooral bezig zichzelf in de markt te zetten? Volgens Hooghiemstra speelt er veel meer dan lidmaatschap van de club vermogenden en bevoorrechten. Sommige mensen grijpen de de kansen die het allesoverheersende marktdenken biedt. Zij haalt er ook Rutger Bregman bij die pleit voor de afschaffing van particuliere rijkdom maar er met deze boodschap intussen warmpjes bijzit en groot succes heeft met alles wat hij aanraakt. Enige afgunst zal wel meespelen bij deze kritiek, maar in een boek gratis geld beloven en dan met De meeste mensen deugen iedereen voor je winnen is iets te gemakkelijk. En dat met een boek dat niet deugt. (De beste kritiek die ik tegenkwam en niet vanuit afgunst maar na grondige lezing wordt gegeven, staat hier: https://www.derepublikein.nl/2021/04/22/de-zeven- zonden-van-rutger-bregman/). Hetzelfde marktdenken dus. Maar ook bij Bregman zien we een overdaad aan moraliseren; daarop wijst de kritiek in de link.

Wat is er tegen moraliseren? Een heleboel. Er is een belangrijk verschil tussen moraliseren en normatieve eisen stellen. Normen gelden voor iedereen, zodra ze min of meer zijn vastgesteld op basis van beproefd inzicht. Bij moraliseren is dat niet het geval. Moraliseren gaat van boven naar beneden; er is altijd een bovenliggende partij die weet wat wel en niet goed is voor “they down there”.

Er zijn minstens vier bedenkingen te noemen tegen moraliseren in plaats van normeren op basis van kennis over wat echt helpt.

1. Ik zei het al, moraliseren veronderstelt boven ons geplaatsten die het beter weten en de moraal vaststellen waaraan ‘zij daar beneden’ zich te houden hebben. Hun zogenaamde ‘verdiensten’ blijven buiten schot: ze hebben er ooit hard voor gewerkt, al was het de vorige generatie. Waarom die daartoe in staat geweest zijn, wordt verdonkeremaand. Meestal is daarbij ideologie of religie in het spel. Moraliseren schept hiërarchie, de moralisten weten het beter maar dat betere is gemakkelijk betwisbaar en moet dus met angst en macht afgedwongen worden. De soep wordt meestal niet zo heet gegeten, maar punt twee ligt op de loer.

2. Moraliseren heeft als bijwerking dat wie moraliseert er zelf makkelijk onderuit kan. Wie de macht heeft het goede van bovenaf te benoemen en aan de onderkant van de maatschappij oplegt, kan er zich makkelijk aan onttrekken. De moraal werkt dus niet op dezelfde wijze voor wie haar verkondigt. Er zijn veel voorbeelden van schendingen juist door de moraliserende autoriteit. De bestuurlijke wereld wemelt ervan. Bij normativiteit daarentegen is iedereen zonder aanziens des persoons gehouden aan het normerende verhaal omdat het over vastgesteld inzicht gaat waar je niet onderuit kunt. Afdwingen wordt niet betwist. Het is klip en klaar wat gehandhaafd moet worden, al blijft dat natuurlijk moeilijk.

3. Bij moraliseren bespeel je schuldgevoel. Moraliseren is een overwegend affectieve aangelegenheid, waartegen gemakkelijk een weermiddel te verzinnen is. Bijvoorbeeld, dat je met je grote, niet zelf verdiende vermogen anderen helpt of je met hoofd en hart inzet voor wie het minder hebben. Hoe je dat doet wordt vrij gelaten en daarom worden filantropische acties ook niet politiek of anderszins gecontroleerd. Ook kun je het schuldgevoel gemakkelijk overrulen door je eigen onschuldige plezier te benadrukken; door erop te hameren dat je geld met geld maakt omdat het leuk is en je je hart volgt. Dat zie je overal in De Kloof gebeuren.

4. Moraliseren maskeert wat er echt gedaan moet worden. Anders dan bij normen stellen hoeft er niks bewezen te worden. Als mensen zeggen dat ze de met hun vermogen gekochte huizen belastingvrij verhuren en je vraagt ze of ze dat niet een beetje wringt en ze zeggen: ‘valt mee, niet echt’ en ze verzinnen er nog wat bij, ben je uitgepraat. Op die manier wordt wel zichtbaar dat er een moreel kompas over de schutting is gegooid, meer niet. We weten dat er iets niet klopt maar wat precies blijft uit het zicht.

Het comfort dat de geprivilegieerde uitgangspositie deze moraalridders verschaft en dat ook uitstraalt naar hun publieke optreden – ze worden al Golden Boys genoemd – staat in schril contrast met de moeite die het kost om de normatieve boodschap inzake diversiteit, het bestrijden van racisme en discriminatie voor het voetlicht te krijgen. Met name degenen die er last van hebben of heel concreet uitsluiting willen bestrijden krijgen niet snel de aandacht die ze verdienen. Dat werd ook opgemerkt in de oordelen over het optreden van de Golden Boys. In veel gevallen halen de experts hun boodschap uit de wetenschap en die reikt verder dan moraal en zelfs politiek. Maar daarover programma’s maken is verre van gemakkelijk.

Schimmelpenninck maakt een lovenswaardig begin met de bevoorrechte zijde van de kloof een spiegel voor te houden en de minder bevoorechte overzijde met veel empathie aan het woord te laten. We krijgen een inkijk in de wereld van onder andere de vrachtwagenchaufeur, de leraar op een school waar de diversiteit wordt gevierd en de zorgverlener. Dat helpt enigszins. Je voor de domme houden en zo informatie verzamelen en diep in je eigen ziel kijken wordt wisselend gewaardeerd. Hier is de boodschap van gemankeerde empathie bij de meeste 7-vinkjes een goed begin maar veel zal het niet helpen. Wat nauwelijks helpt is (social/behavioral) science bashing door krenten uit de pap te halen van onderzoek dat alleen je eigen gelijk van de deugdelijkheid van de meeste mensen al te gemakkelijk versterkt.

De boodschap van de diversiteits- en racisme-experts is veel te hard voor een mooi programma op tv. De kloof heeft te maken met leefstijlen en gedragspatronen die tezeer verschillen voor een moralistische aanpak om effectief te zijn. Je kunt je beter echt in klasseverschillen verdiepen. Sociale klasse kent in de terminologie van Pierre Bourdieu een klassehabitus of ‘klasselichaam’. Met de affecten, automatismen, groepstoebehoren en stilering van het gedrag en de zelfpresentatie die daarbij horen. Daar induiken helpt je echt van je vinkjesvooroordelen af. Wat ook helpt is harde juridische wetenschap die de uitvinders van allerlei financiele trucs genadeloos afstraft en de gewraakte constructies van een alternatief voorziet. Ook effectiever is de bevindingen uitdragen van een gedragswetenschap die het superioriteitsdenken en zijn geschiedenis hartgrondig fileert en laat zien dat er toch ook enkele mensen die op belangrijke posten in politiek en beleid zitten, niet deugen (https://cultpsy.wordpress.com/2020/02/16/er-deugen-er- een-paar-niet/). Dat over het voetlicht brengen helpt.

Hardnekkige patronen van privilege en onschuld aan de kaak stellen is niet voldoende. Dan blijft het bij moraliseren; mooi maar onvoldoende. Ze met training doorbreken en aldus leren rechtvaardiger te reageren op wie niet begiftigd zijn met 7 vinkjes etc. vergt studie en onderzoek van het patroon van onschuld dat met die veilige vinkjes meekomt. Dat en gelijke kansen faciliteren zijn geen aangelegenheid van abstracte waarden als vrijheid of gelijkheid of diversiteit enz. maar van praktijken die je moet inoefenen overal waar mensen onderwijs krijgen of werken, op school bij iedereen ook het onderwijzend personeel, in het bedrijfsleven bij vooral het management en de HR, in de openbare instellingen van recht en orde zoals politie en bij de belasting en in de politiek; dus breed in de vele instellingen die de publieke zaak dienen. niets en niemand uitgezonderd. We hebben voldoende kennis van hoe die ‘vinkjespatronen’ effectief kunnen worden aangepakt: zie CaE en C&L; het is zaak daar actie op te ondernemen.

Gepost door: Paul Voestermans | 13 februari, 2022

Waarom vormen klasse en status zo’n hardnekkig probleem

Bij alle commotie over vinkjes en ongelijkheid nog maar een keer deze post.

Kansenongelijkheid in al zijn varianten van ongelijkheid in inkomen, vermogen, onderwijs, arbeid enz. enz. is hardnekkig. Het begint – zo wordt standaard geredeneerd – bij geldgebrek en onprettige woonomstandigheden in probleemwijken. Maar wat te zeggen van de ervaring dat op je wordt neergekeken? Of niet beschikt over het juiste culturele kapitaal? (Denk aan de “zeven vinkjes” van Joris Luyendijk in de VK van 5 feb. 2022, waarvan je er toch een paar moet hebben om dat neerkijken te voorkomen: “Man, wit, hetero. Dat zijn er drie. En verder: minstens één hoogopgeleide of welgestelde ouder, minstens één in Nederland geboren ouder om de cultuur van de meerderheid mee te geven, een vwo- of gymnasiumdiploma, en een diploma van de universiteit.”)

In al zijn vormen en in het bijzonder in die van onderwijsachterstand – te merken aan manieren van doen, accent, wijze van kleden, manier van bewegen etc. etc. want verschillen in leefwereld zitten in kleine, meestal lichaamgebonden dingetjes – tast de kansenongelijkheid de uitgangspositie aan in het leven in het algemeen.

In deze bijdrage zal ik ruim aandacht besteden aan status/klasse met de nadruk op hardnekkige gedragspatronen thuis, op school, op straat die bijvoorbeeld jongeren hinderen in het vinden en volgen van de geëigende opleiding en daarmee de deelname aan de samenleving bemoeilijken. Met in het bijzonder aandacht voor wat de kloof groter maakt: hoge status versus lage en de extra mogelijkheden bij het bevoorrechte deel om het onderscheid te versterken. Extraatjes die vooral samenhangen met “the presentation of self in everyday life (met dank aan Erving Goffman).

Er speelt dus meer dan alleen geld- en woonproblemen etc. Geen gemakkelijk onderwerp omdat het over de leefwereld gaat, een term die Wittgenstein al gebruikte voor wat het moeilijkst te doorgronden is: de plek waar je heel je lichaam inclusief je gevoelens handig leert gebruiken (of op een wijze die geen indruk maakt) en niet alleen je cognitief vermogen. (Ik besef heel goed dat klasse een meer economisch aspect vertegenwoordigt en status vooral over beleving van achting en respect gaat. Ik laat dat sociologisch onderscheid voor wat het is en gooi status en klasse in dit stuk min of meer op een hoop.)

In de NRC van vrijdag 9 oktober 2020 werden twee boeken besproken die tot onderwerp hebben (1) de te grote nadruk op hoofdarbeid en (2) op een kosmopolitische intelligente levensstijl. Hand- en hartarbeid wordt verwaarloosd: het werk van boeren, technici en bouwers, van de zorgmedewerkers in ziekenhuizen en verpleeginstellingen. Klasse- en statusverschillen dus. Beide boeken over het probleem status en klasse werden in de besprekingen als onbevredigend afgeserveerd.

Michael Sandel die het boek De tirannie van verdienste schreef krijgt het verwijt dat hij het vraagstuk van de te lage status van veel hard werkende mensen terugbrengt tot gebrek aan erkenning voor de lagere sociale klasse. Bovendien heeft hij nauwelijks oog voor de economische kant. Is het wel gebrek aan erkenning? Moet bijv. de erfbelastingen de belasting op vermogenswinst drastisch worden verhoogd om een meer gelijk speelveld te krijgen? En moet de belasting op werk niet drastisch omlaag? Is er wel echt sprake van sociale marginalisering van deze groepen of zijn er andere dingen aan de hand bij bijv. het stemmen op Trump of voor Brexit? Hoe zit het met outsourcing naar lagelonenlanden? Is dat niet de voornaamste oorzaak van economische marginalisering van arbeiders? Volgens deze boekbespreker mocht er wel wat meer economie in Sandels boek.

David Goodhart, die het boek Head, hand, and heart schreef krijgt het verwijt dat hij veel te weinig differentieert en alle hand- en hart-werk op een hoop gooit waardoor we niet goed meer kunnen zien welke beroepen nodig blijven en welke echt aan creatieve destructie ten offer zullen (moeten) vallen. Daardoor verwatert het erkenningsprobleem tot het naar Goodharts eigen zeggen verwaarloosde “psychologische vraagstuk” van dat status verplaatst is van hand/hart naar hoofd. Maar Goodhart levert bij deze psychologische constatering geen bruikbare psychologie die deze verschuiving verklaart en oplost. Het is een hardnekkig gegeven dat je status niet zomaar kunt uitdelen, die verkrijg je op basis van wat je zichtbaar en merkbaar levert. Hoe krijg je het voor elkaar om status zo te distribueren dat deze niet alleen naar hoofd maar ook naar hand en hart gaat?

Nauwelijks had ik deze kritiek van de recencenten opgepikt of ik kreeg in de Volkskrant van 10 oktober 2020 een reeks gegevens voor de kiezen die het probleem nog ingewikkelder maken. Uitgebreid onderzoek door een stel jonge onderzoekers van de Erasmus School of Economics, geleid door de econoom Bastian Ravesteijn, zochten uit welke factoren inkomenskansen en dus vooral de economische klasse- en de vaak ermee gepaard gaande statusverschillen vergroten of verkleinen.

Het bleek dat wanneer je van twee willekeurige mensen uit twee plaatsen in Nederland alleen weet wat het inkomen van hun ouders is, hun geslacht kent en weet waar ze hun kindertijd doorbrachten, je al kunt zeggen hoeveel de een zal verdienen en hoeveel de ander. Talent is minder bepalend dan waar je wieg staat was de kortste conclusie in het krantenartikel dat Joris Tieleman en Jonathan Witteman naar aanleiding van dit onderzoek schreven.

Ongelijkheid als economisch vraagstuk is hot maar de vraag hoe economische ongelijkheid nou precies iemands positie op de statusladder bepaalt of op welke wijze je tot een bepaalde klasse veroordeeld raakt en vaak erin blijft hangen, is veel minder onderzocht. En nog minder aandacht is er voor de ongelijkheid als gevolg van onvoldoende, onaangepast of ronduit slecht onderwijs

Even nog wat meer over het economische verhaal: een paar opmerkelijke uitkomsten.

(1) Steden bevatten de meeste kinderen met migranten-ouders en die scoren nu eenmaal laag in kansen. Daarnaast zijn er ook veel Amsterdamse kinderen van niet-migrantenouders die laag scoren. Dus de migratieachtergrond is een deelverklaring.

(2) In de steden wonen steeds meer mensen van dezelfde soort. Door gentrificatie en doordat de scholen tamelijk homogeen zijn, kunnen mensen zich daar minder makkelijk optrekken aan voorbeelden uit allerlei millieus. Op het platteland bestaat er vaak wel een gelukkige mix. Dat verklaart waarom de inkomenskansen op het platteland vaak groter zijn dan in de stad.

(3) Het onderzoek gaat over jonge dertigers. Toen die jonge waren woonden zij in steden waarin nogal wat probleemwijken lagen. Dat zou verklaring kunnen bieden voor in vergelijking met landelijk Nederland lagere kansen van de dertigers in de steden.

Nog een paar krenten uit de pap: het noorden van Nederland komt er slecht vanaf omdat daar minder mensen wonen en er veel minder aan kansen scheppende industriepolitiek is gedaan. De Haagse politici zijn er opgehouden de ambtenarenbanen beter te spreiden. In het begin bij de mijnsluiting in het zuiden deed Den Haag dat nog wel maar dat beleid werd niet volgehouden waardoor de regio noord verpieterde.

Wat meer details over de migranten: de dertigers uit die groep – Turken, Marokkanen, Antillianen en Surinamers – doen het slechter dan jongeren zonder deze achtergrond. Maar dat geldt niet voor de jonge vrouwen. Alleen zij maken de sprong voorwaarts; jongens die altijd in Nederland hebben gewoond met ouders die het duidelijk slecht hadden in het begin van hun verblijf hier, blijven achter. Hier geboren zijn maakt niet veel uit. Dat is opmerkelijk.

Dan nu een paar suggesties richting het waarom van dit alles.

Wat we in Cultuur & Lichaam en in Culture as Embodiment gedaan hebben in de hoofdstukken die we aan status/klasse hebben gewijd, is de inkomens- en kansenverschillen relateren aan verschillen in sociale rangorde en waardering. Met als rode draad: opkijken en neerkijken.

De verklaring voor deze rangordening zoeken we in habituele praktijken die zich lichamelijk hebben ingesleten onder invloed van het leven in intrinsiek sociale groepen. (Dat zijn groepen waar men zichzelf echt lid van vindt. Ze verschillen van groepen die voor het beantwoorden van onderzoeksvragen kunstmatig gemaakt zijn op basis van een aantal indicatoren zoals sekse, inkomensverschillen e.d.)

Dat deze ingeslepen praktijken een rol spelen is niet meteen duidelijk omdat mensen met praktische beroepen heel vaak een prima inkomen hebben maar zich toch geremd weten in wat Bourdieu ‘cultureel kapitaal’ heeft genoemd. Cultureel kapitaal omvat zaken waarin je je kunt onderscheiden van mensen die geen goede smaak hebben ontwikkeld en nogal eens normoverschreidend gedrag ten toon spreiden. Moeilijk in zijn algemeenheid te bepalen wat dat is, maar makkelijk aan te wijzen in concrete omstandigheden. Soms gaat het om hufterigheid of brutale omgangsvormen. Maar ook om duidelijke verschillen in manieren van doen die herkenbaar aan bijv. bewegingspatronen, uiterlijk, kleding, stijl en natuurlijk huidskleur in het geval van etniciteit enz. Kortom aan de algehele presentatie van het zelf in het alledaagse leven.

Door op deze inslijpingen te letten komt klasse als leefomgeving of leefwereld weer terug in het hart van de problematiek van de verdeling van cultureel kapitaal en kansen en wordt dat kapitaal de crux. Het etiket ‘waar je wieg staat’ kan aldus specifieker worden gemaakt. En ook het opkijken tegen mensen die het beter getroffen hebben of het neerkijken op mensen die lager staan op de statusladder kan op die manier gerelateerd worden aan gedragspatronen die in die intrinsiek sociale groepen zijn opgedaan.

Wat te doen aan deze gescheiden leefwerelden?

1. Praat eens met de mensen die zogenaamd ‘laag op de ladder’ staan en leer hun wereld kennen. En doe dat ook in het onderzoek: stap af van kwantitatief vragenlijstenonderzoek en ga gestructureerd spreken met wie je onderzoeken wilt; net zo lang tot je niks nieuws meer hoort. Meestal is dan na vijftien of twintig goed gestructureerde inteviews wel duidelijk waar de pijn zit; hoe hardnekkig de patronen zijn waar de mensen die je wilt snappen last van hebben.

2. Realiseer je dat de lage of hoge bereidheid je te laten scholen onderdeel is van dat opgedane patroon. Soms leven jongeren onder vrienden die de school maar niks vinden. Hoog vindt het vanzelfsprekend om voor kwalitatief degelijk onderwijs te kiezen; laag is daar niet zo zeker van. Als daar geen voor deze jongeren uitdagend onderwijs tegenover staat maar hooguit meegaand maatwerk, dan levert onderwijs dus geen weermiddel meer tegen ingesleten praktijken. De keuze voor of tegen onderwijs is vaak zelf onderdeel van het opgedane patroon. In kwalitatief goed onderwijs op maat wordt dit patroon opgemerkt en doorbroken.

3. In onze boeken proberen we deze patroonvorming te begrijpen. We sluiten aan bij het onderzoek van Pierre Bourdieu die met het begrip habitus een brug probeert te slaan tussen het sociologisch gecijfer met aggregaatkenmerken als basis: inkomen, woonplaats, geslacht e.d. en psychologisch inzicht in hoe groepsgebonden praktijken ervoor zorgen dat de bestaande sociale verhoudingen in de directe leefwereld gereproduceerd worden. Die praktijken leveren immers duidelijk aan het lichaam af te lezen houdingen op die de actoren o.a. op een ongemakkelijke manier laten bewegen in kringen waaraan ze niet gewend zijn. Het lichaam van de chirurg is echt anders dan dat van de bouwvakker. De gemeenteambtenaar beweegt anders dan de vrachtwagenchauffeur. Het zit in taal en spraak, in de smaak voor muziek, huisinrichting, eetgewoonten en wat er thuis op de buis komt.

4. Neem het lichaam voor wat het is, maar let ook op iets anders: waarop zijn de gevoelens die in dat lichaam huizen en ermee tot expressie worden gebracht – het geleefde lichaam is eerst en vooral een expressief lichaam – afgestemd? Wat iemand denkt, voelt en verwoordt wordt mede voortgebracht door de voorafgaande en voortdurende fijnregeling en ijking in de groepen waarin iemand dagelijks in gezin, op het werk, in de klas en bij het uitgaan verkeert. Daar wordt de smaak gevormd voor de keuze voor een bepaalde opleiding, voor het soort werk dat je wilt, voor het type hofmakerij dat bij je past, het soort woonomgeving waarin je je prettig voelt enz. En dus ook de gerichtheid op sociale stijging ja dan nee, en hoe je omgaat met de statusverschillen.

Eerst even terug naar de man-vrouwverschillen in inkomen waar het onderzoek op wijst en het opvallend verschijnsel dat in migrantengroepen de meisjes meer kansen zien dan jongens. Zou het kunnen dat de meisjes in die kringen eerder kijken naar wat het mogelijk maakt om te ontsnappen aan mannelijke dominantie? Die is in migrantengroepen veel duidelijker aanwezig dan bij de niet-migranten. Ook bij deze laatsten is natuurlijk nog veel te winnen als het gaat om een gelijk speelveld voor mannen en vrouwen, maar er zijn wel duidelijke stappen gezet. In de migrantengemeenschappen is hier nog een inhaalslag te maken die de vrouwen aldaar – met hun seksegenoten uit niet-migrantengezinnen als mogelijk voorbeeld – voortvarender lijken te maken dan de mannen.

Denk nu niet meteen dat het met deze nadruk op het lichaam om een dwangbuis gaat. Maar hoe iemand ‘uit de bakkerij’ komt – mooi, lelijk, soepel, houterig, schonkig of elegant -en met welke vormgevingsmogelijkheden iemand in aanraking is gekomen, zegt veel over welke kansen er zijn.

Dat is de manier waarop wij in onze boeken naar statusverschillen kijken. Geen psychologie van opvattingen en denkbeelden, redeneringen en overtuigingen maar van praktijken, gevoelens, automatismen die alleen door training en blootstelling aan alternatieven verder kunnen worden bijgestuurd en verfijnd.

En bij dat laatste schiet ons onderwijs tekort. We hebben lichamelijke opvoeding en expressie door woord en gebaar tot een minimum teruggebracht en laten verdampen tot educatieve vorming en lespakketten met een cognitief waterhoofd. We hebben scholen gehomogeniseerd tot witte en zwarte scholen, tot scholen met een door levensovertuiging gedicteerd karakter, maar ze hebben ook een eenvormigheid gekregen door een veel te vroege voorsortering op taken die in hoofdzaak aan taal en rekenen gekoppeld zijn. Het leren van een ambacht wordt uit de buurt van andere leertaken gehouden. En zelfs de vaardigheidstraining is eenzijdig gefocust op cognitieve taken.

Er is inmiddels zoveel kritiek op het onderwijs dat daarvan geen impuls tot betere kansen meer uitgaat. Lees Jan Bransens boek over het onderwijs in Nederland: Gevormd of vervormd. Hier een bespreking. We moeten echt af van de gescheiden leefwerelden waarin scholieren leven: geen aparte gebouwen voor havo/vwo, mavo/vmbo en lts. Zet ze bijelkaar maar behoudt de leerroutes. Het zal een tijd duren voordat dit geregeld is, maar daarmee had gisteren al begonnen moeten worden.

We hebben ook hele wijken gehomogeniseerd door gentrificatie en het opbergen van minderheden in wijken die toch al niet zo’n hoge waardering genoten. Dat beperkt de mogelijkheden om te gaan met diversiteit.

Status en klasse zijn verschijnselen die niet gemakkelijk verdwijnen in een samenleving die egalitair wil zijn en ongelijkheid in al zijn verschijningsvormen wil bestrijden. Het is zaak status en klasse te ontleden met behulp van meer dan aggregaatindicatoren zoals afkomst, inkomen, geslacht etc. We moeten vooral ook kijken naar de intrinsiek sociale groep op straat en in de buurt, waarin het lichaam getraind wordt. We moeten in deze analyse kansen koppelen aan concreet aan te leren stilering en grotere beweeglijkheid door de nog steeds gestratificeerde samenleving waarin dubbeltjes maar moeilijk kwartjes worden. Wat met name het uitzoeken waard is, is hoe de mensen die zich bevrijd hebben van de stilering die opwaardse mobiliteit blokkeert hem dat geflikt hebben. Een onconventionele vraagstelling maar wel een die vast iets bruikbaars oplevert. Een voorbeeld is genoeg.

De macroscopische aanpak van de economische ongelijkheid in het onderzoek van Ravesteijn levert een informatieve kaart op van de kansenspreiding in de regio’s in Nederland. Wie slaat er niet aan het spelen met de site waar de Volkskrant je in staat stelt je eigen stad of dorp op te zoeken? Voor die kaart zijn sociologische indicatoren zoals de SES, de sociaaleconomische status, regionale afkomst en sekse gebruikt. Om de pijn van de ongelijkheid in sociale status echt te begrijpen zullen die indicatoren evenwel moeten worden aangevuld met microanalyses van het gedrag in de groepen waar de kansen op een beter inkomen laag zijn. Daarvoor is een apart instrumentarium nodig. Dat wordt geleverd in Cultuur & Lichaam en Culture as Embodiment. Het is een instrumentarium dat inzoomt op habituele praktijken, affecten die van sturende invloed zijn op keuzes voor onderwijs, woonomgeving, groepstoebehoren en op hoe hoog de lat wordt gelegd in een poging de eigen situatie te verbeteren. Kijk daarbij ook naar hoe de zgn. ‘hogere lagen’ opereren.

Maar wordt dat instrumentarium gebruikt in onderzoek? Nauwelijks, helaas. En dat ligt vooral aan de gangbare onderzoekspraktijk. Hier wreekt zich dat het type onderzoek dat nu de krant haalt in al zijn complexiteit de zaken toch sterk versimpelt. Echt uitzoeken hoe in kansarme regio’s gedrag wordt geproduceerd en in stand gehouden is meer werk en ingewikkelder, maar ook meer werkelijkheidsnabij. Het verheldert meer.

Het is dus niet “the economy, stupid” maar klasseen status zoals die geleefd worden in alledaagse gearrangeerde omstandigheden. Niet als sociologische entiteiten maar als leefwereld, als ervaringswereld. Immers in het leven van alledag worden gevoelens en strevingen, maar ook denkbeelden, tot een in het lichaam verankerd gedragspatroon geweven dat kansen beperkt, of ingeval van het bereiken van een hogere sport op de ladder, verruimt. Want denken dat de voorspoed die je geniet of de prestatie die je levert je eigen verdienste is, is een even hardnekkig patroon als ervan uitgaan dat je nooit een kwartje wordt. Beseffen dat het velen zijn die jouw verdiensten mogelijk maken is ook een ervaring die je niet helemaal uit de eigen koker haalt, maar mede het gevolg van de ijking van je gevoelen in de groep(en) waartoe je behoort. Ontkennen dat er een algemeen belang is dat voorrang dient te krijgen boven eigenbelang leer je evenzeer in de intrinsiek sociale groep, de klasse waarin je vanzelfsprekend tot de bevinding komt dat wat je bereikt hebt je eigen verdienste is. Meritocratisch denken is een groepsfenomeen met ook weer de stevige verankering in lichaamsgebonden praktijken: je beweegt je voort met de vanzelfsprekende tret: kijk mij eens! Juist daarin word je bevestigt. Zoals omgekeerd, je ook niet voor vol wordt aangezien – een zaak die je primair lijfelijk ervaart – als je het niet zo goed getroffen hebt.

Tegen mensen opkijken of erop neerkijken is een van de hardnekkigste patronen in gedrag; alleen te bestrijden door training met heel je hebben en houden, lichaam en geest in settingen waar mensen van diverse statuur samenkomen, weg van de eigen bubbel.

Gepost door: Paul Voestermans | 22 augustus, 2021

Afghanistan en de Taliban

Achteraf is het makkelijk praten; en toch ga ik het doen. De situatie in Afghanistan is na 20 jaar terug naar af. Dat was ruim van te voren te voorzien voor wie de voortdurende pesterijen en guerillatactiek van de hier en daar fors geradicaliseerde plattelands-Taliban heeft gevolgd. Er is ook geschrevenaa over het wat verstandige deel, maar die informatie raakt snel ondergesneeuwd door de negatieve berichten.

Wat was het beter geweest als de Westerse wereld niet geschermd had met wel even dit land geschikt maken voor ‘onze waarden’ van democratie, het vrije woord, politieke verantwoordingsplicht een gecontoleerde staat etc. Als het Westen geen waardenuniversalisme had gepredikt, maar in plaats daarvan gekeken had naar concrete aanzetten tot de verbetering van omstandigheden ook door de gematigde delen van de Taliban zelf. Hoe hebben we kunnen vergeten hoe lang het duurde voordat het Westen religie achter de voordeur kreeg en het goede leven zonder religieus waarmerk werd gepropageerd. Eventjes democratie invoeren bij islamisten gaat niet.

Wat wel de wereld overgaat is dat het individu de groep waar het bij wil horen zelf uitkiest en dus de groep als bij een goed team in dienst staat van het individu. En dat er schoon water is, gezond voedsel, medische zorg, scholing, open communicatie, kortom alles waar wetenschap, techniek en vrije handel voor zorgen. Dat verandert de leefwerel, dat zorgt voor een wervende levensstijl. Welke remmingen daarbij optreden staat uitvoerig in Culture as Embodiment en Cultuur & Lichaam. Dus moet het opbouwen van Afghanistan anders worden aangepakt.

Zogauw je het over waarden hebt groeit onmiddellijk de kritiek of die waarden wel universeel zijn en niet een exportproduct van westerse landen die toch al te boek staan als tamelijk overrompelend in het opleggen van hun eigen maatstaven. Die kritiek krijgt ook nog eens de wind mee als je bedenkt hoe slecht het gesteld is met het morele gehalte van de doorsnee westerse politiek. Duidelijk regiems in het zadel houden die het niet zo nauw nemen met de grondrechten van burgers wanneer er door de dictators te steunen voldoende te winnen valt; of eerder reageren met dollartekens in de ogen op deelbelangen dan met een helder beeld voor ogen van wat ervoor kan zorgen dat iedereen zonder aanziens des persoons deelt in het goede leven. Heel de Noord-Atlantische wereld – op een paar uitzonderingen na – heeft de VS gesteund in het frustreren van pogingen om in sommige regio’s in Zuid-Amerika en het Midden-Oosten welvaart voor iedereen te garanderen. Dat gebeurde onder de dekmantel van vermeend communistisch gevaar. Bedrijven kregen van de VS privileges die de pogingen van lokale politici om een billijke belastingen te heffen en tot een eerlijke welvaartsdeling te komen al bij voorbaat deden mislukken. Allemaal in naam van de strijd tegen communisme. Hoe makkelijk is het om dit soort praktijken af zetten tegen het gepreek over ‘waarden’ en dan tot de slotsom te komen dat het Westen moreel failliet is.

Nee, twintig jaar gekrakkeel over waarden en de ermee gepaard gaande materiële assistentie bij de opbouw van het land hebben duidelijk gemaakt wat we al geruime tijd in onze boeken beweren: waarden brengen de handen niet op elkaar. Ze worden afgeleid uit wat al geruime tijd praktijk is. De abstracte aard ervan lijkt mensen te verenigen terwijl diezelfde mensen in feite zich op basis van die waarden in vereniging verzetten tegen wie die waarden niet deelt. Ze inspireren dus eerder een strategie waarin ze at gun point worden opgelegd, blijkt steeds weer…

Ik ben nooit een aanhanger geweest van het geloof dat onze waarden wel even de wereld over zullen gaan in het kielzog van verbeterde economische omstandigheden of als gevolg van de vestiging van bepaalde instellingen in recht en onderwijs. Waar ik wel een voorstander van ben is gevestigde lokale praktijken onderzoeken op welke belangen deze dienen. De radicale Islam heeft wel degelijk machtsaspiraties en die wortelen in patriarchale gedragspatronen, nergens anders in. Maar dat benoemen richt de blik ook op alle andere religieuze machtaspiraties en daar grossiert het Westen welig in, nu en zeker in het verleden. Eerst was het bekeren en later werd dat onze cultuur opleggen. Ik heb daar al vaker op gewezen. Het Westers beschavingsoffensief ging altijd over ‘bekeren’ nooit over eerst goed uitzoeken wat er speelt.

De kern van wat bij elke interventie te doen staat is klip en klaar: welke groep profiteert van het in stand houden en afdwingen van kledingvoorschriften, huwelijkspraktijken, gezagsverhoudingen en al die andere onderdelen van de zogenaamde lokale ‘cultuur’. En wie zijn al in verzet gekomen? Zoek dat uit en sta die critici bij. En laat je eigen ‘cultuur’ thuis.

Het richtsnoer is: wat is het effect van het soort vasthoudendheid dat met ‘hun cultuur’ wordt geassocieerd op de totale gemeenschap inclusief vrouwen, kinderen, mensen aan de onderkant, mensen met een niet-witte achtegrond en mensen die niet geloven in wat voor god dan ook omdat ze overtuigd zijn van het mensgemaakte karakter religie, primair gemaakt om privileges te legitimeren. Is het effect zodanig dat bepaalde groepen zwaar te lijden hebben van bepaalde praktijken dan is dat eerst en vooral een aanwijzing om deze praktijken niet langer te verdedigen met een beroep op “het is onze cultuur”. Want dat gevaar ligt meteen op de loer als je met “het is hun cultuur” komt aanzetten: je gebruikt cultuur als legitimatie voor een lokale praktijk die privileges en belangen dienen en dat op een wijze die vrouwen, minderheden, andersdenkenden, andersgeaarden etc. uitsluit. Cultuur als excuus en rechtvaardiging van wat niet te excuseren en te rechtvaardigen is. Dat kritiseer je niet in naam van abstracte waarden maar in naam van een duidelijk aanwijsbaar nadeel voor wie niet geprivilegieerd is en machteloos.

Daar komt bij: geen enkele ‘cultuur’ hoe je er ook naar kijkt, is uit één stuk gehouwen. Dat alleen al is een reden het idee van cultuur niet te gebruiken en op zoek te gaan naar concrete praktijken en belangen. Afghanistan is tenslotte een clan-samenleving waar zulke gevoelens als loyaliteit de vijandschappen structureren. Dat wijst maar weer eens op het belang van affect als sturende ‘hot cognition’. Onze boeken beargumenteren uitvoerig het belang daarvan voor de vormgeving aan praktijken.

De cultuurkaart zal ongetwijfeld weer getrokken worden in het debat over de Taliban. De organisatoren van de gemeenschapsopbouw die internationaal het bestrijden van de Taliban in de afgelopen 20 jaar begeleidde zullen zeker te horen krijgen dat ze zich onvoldoende in ‘de cultuur’ van deze islamisten hebben verdiept. Dat daarom nu de Westerse wereld bakzeil heeft moeten halen nu de VS geen troepenmacht meer beschikbaar stelt voor de noodzakelijke controle op de macht en invloed van de Taliban. En dan komt de klacht: hadden we ons meer en beter in het land en de cultuur verdiept en hadden we ons minder rijk gerekend met het propageren van democratie, de rechtsstaat en meer van dit soort waarden in het kielzog van economische verbeteringen, dan was er misschien een modus vivendi met de Taliban gegroeid.

Ik las dat terug in het stuk van Haro Kraak in de Volkskrant van zaterdag 21 augustus 2021 waarin hij schrijft: “De steun voor de fundamentalistische islam (is) groot in het land, ondanks decennialange pogingen om liberale opvattingen te verspreiden. Volgens onderzoek van Pew Research uit 2013, gemeten onder een representatieve steekproef van 1.509 mensen, steunt 99 procent van de Afghaanse moslims (die nagenoeg de hele bevolking uitmaken) shariawetgeving. En van hen vindt weer 85 procent steniging als straf voor overspel gerechtvaardigd en keurt 79 procent de doodstraf voor afvalligen goed. Dit werd gepeild in een tijd dat de Taliban niet aan de macht waren. Tegen beter weten in blijven we hopen dat onze westerse democratie en cultuur voor alle volkeren van de wereld uiteindelijk het gedroomde model zal zijn, dat onze waarden zo universeel en vanzelfsprekend superieur zijn dat ook tribale Afghaanse boeren en krijgsheren die ze met dwang toegediend krijgen daarvan overtuigd zullen raken”.

Ja, dat krijg je als je de afslag neemt dat waarden cruciaal zijn en je je in de cultuur moet verdiepen. Maar wat kan dat uitrichten tegen de praktijken waarvan een groot deel van de moslims naar dit onderzoek suggereert, overtuigd is dat ze terecht worden toegepast? Waar was in die 20 jaar het gestage en voortdurende verzet tegen deze praktijken die mensen natuurlijk onderschrijven als de boven hen gestelden dat van hun vragen? Waar was de kritiek op deze elite? Waar was de hulp aan Afghaanse vrouwen en hun veret tegen de Talibaan, met steeds maar weer dat schrikbewind dat de legerleiding vanuit de VS leek te gedogen? Wat is er ondernomen… niet in naam van “onze waarden” maar als uitvloeisel van een afgewogen oordeel over wie ervan te lijden hebben en wie er baat bij hebben?

Want wat de overtuigingen van de Talibaan ook zijn, er zit niet erg veel religie onder, behalve misschien een religieus geinspireerde doodsverachting. Voor de rest gaat het om culturele arresten die hun oorsprong vinden in door mannen overheerste tribale verbanden. De analyse daarvan ben ik nig nergens tegengekomen. Wie mij daaraan kan helpen, zou ik eeuwig dankbaar zijn. Ik weet natuurlijk ook wel dat deze tribale gebruiken verankerd liggen in lokale wetten met behulp waarvan conflicten tussen stammen en families over vrouwen, bezit en heerschappij etc. worden beslecht. Maar denk maar niet dat de lokale elite nietbweetbwat ze hiermee in stand houdt. Uitzoeken dit, en verder blijft van kracht: exit cultuur als verklaring voor gedrag. Immers, onder deze tribale wet- en regelgeving zit het vraagstuk dat in hoofdstuk 4, Sex. the shaping of sex and gender wordt behandeld. Let altijd op welke belangen met die traditionele wet- en regelgeving worden gediend. In de 20 jaar van Westerse bemoeienis is daar helaas veel te weinig aandacht aan besteed.

(Onder constructie)

Gepost door: Paul Voestermans | 8 augustus, 2021

Urk en cultuur

In de Volkskrant van donderdag 5 augustus 2021 stond dit artikel over de jongeren op Urk die nog steeds, ondanks de tamelijk donkere perspectieven in de visserij, voor leven en werken op zee kiezen. Er staat dan: “het is onze cultuur”.

Maar is dat wel zo? Dit verhaal in de VK vormt een fraaie illustratie bij wat ik in deze posts steeds herhaal: speel niet de cultuurkaart want dat helpt geen zier. Ook hier niet.

Wat moet je als je op jonge leeftijd met je vader mee de zee op mag? Het gestamp van het schip gaat al vroeg in de benen zitten. De vrijheid op open water ook. Ben je een jaar of zestien, zeventien en je mag mee ouwehoeren over drank en vrouwen, wat voor fijn gevoel van erkenning en waardering geeft dat! Op het vaste land kun je de verhalen kwijt die al eeuwen lang de gemeenschap hebben geboeid. God is nooit ver weg als het gevaar o zo dichtbij komt.

Ben je op den duur na zo minutieus te zijn getuned voor een leven op zee nog geschikt voor de schoolbanken op de wal in het hoger onderwijs? Natuurlijk niet! We kennen de sociale druk van het boek van Matthias Declercq, De ontdekking van Urk. En vanzelfsprekend is Urk geen beklemmend korset als je al op jonge leeftijd mee mag doen met de echte mannen en sluipend hun wereld ingezogen wordt. Nee, je voelt je vrij! Zoals ook in het VK artikel staat, je gaat vanzelf op eigen initiatief zeggen dat je de visserij in wilt. “Bestaat er een vrije wil” vraagt iemand zich af in het boek van Declercq. Die bestaat bij de gratie van de gemeenschap waarbinnen je kiest voor wat echt belangrijk voor je is. Bij de informant van Declercq was die gemeenschap het internet waarop ze boeken over atheïsme vond en zo haar vrije wil opnieuw ijkte. Zo wordt althans in Culture as Embodiment tegen de vrije wil aangekeken. In de Urker gemeenschap is die doordesemd van godsdienstigheid.

Oké, je mag dat ‘onze cultuur’ noemen als je van cultuur maar geen causale kracht maakt en beseft dat die persoonlijke voorkeur, dat persoonlijk geloof in je bestemming in de visserij, inclusief de overtuigende wijze waarop dat geloof door jezelf wordt beleden, komt doordat je er door je vader, je moeder, familie, vrienden, misschien ook wel de leraar op de basis- en verdere school etc. etc. ingezogen bent. En “de jongeren doen wat de ouderen denken”, zeg ik Declercq na. Niks ‘cultuur’, al blijft het wel waar dat “de vis duur wordt betaald” door wie in Urk blijft vissen.

Dat geldt mutatis mutandis ook voor de vrijwillege keuze voor de hoofddoek, of voor je opsluiten in de leefwereld van je traditiegetrouwe Turkse of Marokkaanse moslimouders die jouw wens nu eens zelf te willen gaan leven niet honoreren en je gevangen houden in hun weefsel van de gedragspatronen, opgedaan in omstandigheden die nu niet meer van toepassing zijn.

Dat sluipende karakter zag ik ook terug in het relaas van een basisschoollerares die mij vertelde hoe eind jaren tachtig begin negentig van de vorige eeuw ineens de hoofddoek op school verscheen. Geheel onverwacht maar onstuitbaar. En de leiding wist zich geen raad want de politiek was ‘integratie met behoud van eigen identiteit’. Hoe de ouders eraan kwamen om hun kinderen met deze tradtie op te zadelen, daarvan hadden ze geen idee. Het was er ineens. Hoe dat zit, daarover berichtte ik al eerder: https://cultpsy.wordpress.com/2018/01/25/bevrijd-integratie-van-het-identiteitsdebat/

Zoals de traditionele Turkse moslimleefwereld haar Lale Gül heeft, zo heeft Urk vast zijn scholieren die niet voor de zee kiezen. Maar dat vastzitten aan gedragspatronen waar deze voorbeelden juist van losgekomen zijn, zit niet in ‘onze cultuur’. Niet op Urk en niet onder de Turken. Het zijn gewoon de mensen waar deze jeugd van afhankelijk is die deze patronen aanmoedigen en versterken. En ook die weten vaak niet waarom. Dan zeggen ze maar dat ze er zelf voor gekozen hebben.

Hierover heb ik al eerder post gemaakt die veel vraagt van je bereidheid om die helemaal door te spitten. Hij gaat over een artikel van Cor Baerveldt en staat hier onder de kop: https://cultpsy.wordpress.com/2015/07/31/de-hoofddoek-is-en-een-adequate-kijk-op-motieven/

Gepost door: Paul Voestermans | 19 juli, 2021

Humanisme is niet de schuldige

Noot vooraf: Voor wie liever luistert en kijkt is er deze aflevering van De Nieuwe Wereld waarin nog eens wordt uitgelegd wat ‘exit cultuur’ behelst; en waarom de psychologie het best is toegerust om gedragspatronen te begrijpen. Deze wetenschap van de gedragsproductie laat de sociale wetenschappen sociologie en antropologie zodra het gaat om het begrijpen en verklaren van gedragspatronen in lokale gemeenschappen ver achter zich.

Cultuur dat zo vaak als begrip voorop wordt geplaatst om op die manier verschillen in gedragingen van mensen uit andere dan de Westerse sameleving te begrijpen kan maar beter worden afgeschaft. Cultuurtheorie is een onderdeel van de Westerse beschavingsmissie dat desastreus heeft uitgewerkt voor de reputatie van de Westerse wereld. Niet het humanisme maar juist de cultuurtheorie die vanaf de 19e eeuw de beschavingsmissie van de koloniale mogendheden begeleidde, moet in de beklaagdenbank, niet het humanisme.

Arnon Grunberg ging in zijn bijdrage aan De Volkskrant van 5 juli 2021 voorbij aan het onderscheid tussen humanisme en cultuurtheorie.

Met een paar kritische kanttekeningen maar voor de rest steun aan Oudemans these dat Europa samenvalt met humanisme gaat Arnon Grunberg wel heel erg ver door te beweren dat “humanisme een imperialistische onderneming geworden (is) die uitblinkt in zelfbeschuldigingen”. Europa zou met het humanisme iets desastreus in leven hebben geroepen: iets dat Grunberg met tamelijk zwartgallige beelden omschrijft. Hij gebruik woorden als “het zoveelste onverhoorde gebed”, “een lekker deegkorstje om inhoud die niet deugt”, “een imperialistische onderneming”, en na Oudemans instemmend Susan Sontag citerend: “een kanker van de menselijke geschiedenis”.

Maar het humanisme is gewoon een ‘isme, zoals er zoveel zijn. Een van de ideologieën die lang niet altijd voldoende steun krijgen. Het is geen universele blauwdruk van een beter leven, maar gewoon in het beste geval een utopie en in het slechtste een ‘groot verhaal’ dat aan alle kanten rammelt.

Wat Grunberg van het humanisme zegt, en naar ik begrijp Oudemans ook, kan wel gezegd worden van de cultuurtheorie die in de 19e eeuw werd opgesteld om hele volkeren te kijk te zetten als onbeschaafd en behoeftig aan een gecultiveerd leven dat de westerse landen wel even zouden aandragen. In het essay van Grunberg wordt humanisme verward met wat wel gezorgd heeft voor met racisme beladen superioriteitsdenken.

Dat was het wetenschappelijk idee dat cultuur menselijk gedrag mede bepaalt. Elk land deed op zijn eigen wijze een duit in het zakje en dat met de rugdekking van wetenschap. Die pretentie dat er wetenschap achter zit heeft het humanisme niet, het denken in termen van cultuur wel. Niet cultuur met een grote C, de hogere menselijke verrichtingen in kunst en wetenschap, maar ‘cultuur’ in antropologische zin, een gedragsregulerend systeem dat als de software in de ‘wetware’ (immers, de mens is naar Vroman: “een zachte machine”) van het menselijk lichaam kruipt. Dat idee van cultuur kreeg in de europese landen wel degelijke imperiale trekken, degradeerde de mensen in de koloniale gebieden tot ‘savages’ die later etnische minderheden werden, toen de vroegere heersers ze wel in het moederland moesten opnemen om daarmee enige damage control uit te voeren.

Wit privilege, superioriteitsdenken, gedwongen enculturatie en racisme vinden hier hun oorsprong. Chris Herbert heeft in zijn boek Culture and anomie. Ethnographic imagination in de nineteenth century laten zien dat dit cultuuridee op de draaggolf van de christelijke bekeringsijver een seculier beschavingsoffensief ontketende dat verwoestende gevolgen had voor de leefwereld van de volkeren die ‘cultuur’ of ‘beschaving’ moesten worden bijgebracht.

Op dit idee is alles van toepassing wat Grunberg Oudemans nazegt in zijn eigen woorden. Maar niet op humanisme. Dat heeft zoals elk ‘isme zijn beperkingen en kan verbeterd worden. En misschien is het waar waarmee Grunberg zijn bijdrage besluit: dat dit humanisme ten onder kan gaan en dat dan de schrijvers die daar een mooi verhaal van maken, tot het beste behoren wat ervan te maken is.

Maar de cultuurtheorie die zoveel onheil heeft gebracht dient te worden vervangen door wetenschappelijk onderzoek dat lokale praktijken gedetailleerd en met oog voor de hardnekkigheid ervan in kaart brengt.

Gepost door: Paul Voestermans | 5 juni, 2021

De intrinsiek sociale groep: individualisme en autonomie revisited

Carlo Rovelli: “We are not entities, we are relations”

Er is me al vaker gevraagd waarom ik zoveel nadruk leg op het belang van de groep voor het verwerven van autonomie en individualiteit. Zonder de groep ontaardt individualisme in egoisme en wordt het individu de maat van alle dingen. Maar tevens moet ook niet worden vergeten dat groepen neerdrukkend zijn, controlerend en ook gedrag van individuen met het in elke groep aanwezige netwerk ondersteunen, ook als dat individuele gedrag disfunctioneel is.

Maar hoe zit het dan? We moeten leven zoals altijd met een spanning, en streven naar een optimum: groepen zijn naast de bedreiging van iemands individualiteit ook gevaarlijk doordat groepstoebehoren conformisme en irrationele overgave in de hand werkt.

Intrinsiek sociale groepen staan lijnrecht tegenover aggregaatgroepen: groepen die door buitenstaanders worden geconstrueerd voor bijvoorbeeld beleidsdoelen: de groep van tieners of vijftig-plussers, de groep van CDA stemmers, de groep van lage inkomens enz. Daar is doorgaans geen sprake van bewust lidmaatschap, al kunnen groepen daarbinnen wel een gemeenschappelijke identiteit ontwikkelen, zoals klasse- of generatiebewustzijn.

Het is welhaast paradoxaal: een echt autonoom individu word je alleen door het streven ernaar op te doen in een intrinsiek sociale groep. Dat is niet een kunstmatig geconstrueerde groep, maar een groep waarin je – in het volle besef van lidmaatschap – heel je hebben en houden investeert. Je kunt lid zijn van meerdere groepen. Het gaat bijvoorbeeld om het gezin of de vriendengroep. Maar ook om wie je bij uitgaan zeer regelmatig treft, waar je elkaar op drank tracteert, of waarmee je samen actie voert of radicale standpunten ontwikkelt. Punt is bewust lidmaatschap en investering. Groepsdenken waar velen een natuurlijk afkeer van hebben, is een duidelijk teken dat de groep over het indivudu heerst in plaats van er een bedding aan te verlenen. De groep hoort in dienst van het individu te staan en niet omgekeerd. Want dat is de enige manier om de ongeremde identitair-gemotiveerde zelfexpressie, waarbij het individu ondergeschikt wordt gemakt aan de groep, effectief te beteugelen.

Gek genoeg gaat de afkeer van groepsdenken vaak geruisloos over in een algemene weerzin tegen groepen. Dat is niet handig: zo komen individu en groep tegenover elkaar te staan. Dat leidt tot de vraag: hoe functioneren groepen? Met die vraag komen we verder dan met een afwijzing of bij groepen meteen wijzen op het gevaar van ‘group think’. Immers, we kennen het team als de groep die elk individu tot zijn recht laat komen. Dus zomaar afgeven op groepen is een miskenning van zijn essentiele functie. Door op het functioneren te letten ontdek je ook de disfunctionele rol van groepen in uitsluiting, kwaadwillende labeling van individuen en pesten. Uitsluiting is zelden het werk van een enkel individu; altijd is er de groep die boven het individu wordt gesteld als backing.

Waarom zijn intrinsiek sociale groepen van groot belang om individualisme te begrijpen? Omdat niemand ooit ‘ik’ heeft leren zeggen zonder eerst als jij te zijn aangesproken. Voor er een ik bestaat, is al een jij. Een jij dat door deze ouders benoemd is geworden – een naam heeft gekregen. Een jij kortom, dat hoort bij dit gezin, dat weer op zijn beurt huist in deze buurt, met ouders die in deze groep vrienden zijn ingebed en van wie de smaak is gevormd in zeer specifieke kerngroepen van sociale klasse, collega’s op het werk, vrienden enz.

Dit wijst op het primaat van het sociale bij werkelijk alles en dus ook: individu worden, autonoom zijn, en…ja, ook dat is een sociale aangelegenheid: persoon worden.

Monica Meijsing zegt het in Waar was ik toen ik er niet was zo: “personen zijn dus organismen die door andere personen opgenomen worden in de menselijke gemeenschap. Betekent dat dat we het niet verkeerd kunnen doen? Als personen precies diegenen zijn die door andere personen als zodanig benoemd en bejegend worden, gaat dat dan per definitie goed?”

Een belangrijke vraag. Het antwoord: nee! dat gaat niet altijd goed. De sociale inbedding is geen garantie op een vorm van autonomie, persoon zijn of individualiteit waaraan geen rafelranden zitten. Er is bijvoorbeeld altijd gevaar van uitsluiting wat een geschonden ik of zelf kan opleveren. Of de wrok om geleden leed kan zo woekeren in de groep dat elk lid erdoor beschadigd is. Dus kan het wel degelijk goed verkeerd gaan. De groep is geen garantie want daarin worden zowel deugdelijke als ondeugdelijke gedragspatronen afgewogen en op elkaar afgestemd. Dat is een van de centrale ideeën in Culture as Embodiment: geen zelf, ik of persoon zonder een groep. Afstemming, fijnregeling en ijking in de groep zijn onontbeerlijk bij worden wie je bent, altijd en overal. Met geen garantie op succes.

Je zegt niks teveel als je beweert dat het sociale in de filosofie, menswetenschap en zeker in de wetenschap van het brein een mager bestaan leidt. Het obligate “de mens is een sociaal dier” wijst daar al op. De sociaalpsycholoog Joop Goudsblom maakte al bezwaar tegen dat enkelvoud, dus tegen ‘de mens’ in deze slagzin; het gaat altijd om meervoud. Mensen, meervoud dus, zijn sociale wezens. En vaak komen de wetenschappers en filosofen niet verder dan hier daar wat afgeven op kuddegeest of op group think waardoor het sociale in de kwade reuk van conformisme en gebrek aan eigenheid komt te staan.

Hoe onontbeerlijk gedragsafstemming ook is, regelmatig vindt er totaal verkeerde gedragsafstemming plaats. Dan versterkt de groep ondeugdelijk – laten we het maar bij zijn naam noemen: onmaatschappelijk gedrag. Right or wrong zijn beide door en door sociaal.

In Culture as Embodiment schreven we over het belang van gedragsafstemming dat het ook gevolgen heeft voor hoe we denken over autonomie, vrije wil, het zelf, bewustzijn en andere typisch menselijke kenmerken en eigenschappen dit: “Wolf Singer suggested the importance of brains and organisms in the plural. The catchphrase “one brain is no brain” in Hendrik Spiering ’ s article “Eén brein is geen brein: Nieuwe studies over de hersenen” [One brain is no brain: New studies about the brain], in the Dutch newspaper NRC-Handelsblad, March 26, 1999, is a paraphrase of Singer. Consciousness, language, the self, free will, and other typically human faculties do not emerge from a single brain and organism, but presuppose coordinated action of multiple brains and organisms. This idea is gaining further acceptance but it runs counter to the current tendency in much brain research to take as one ’ s point of departure as the single, isolated brain. In our opinion, it leads to a failure to understand the thoroughly interactive bases of the production of meaning.
Het primaat van het sociale in alles wat menselijk is kan niet worden geloochend.

Al weer een acht jaar geleden, in 2014, stonden zowel in de Volkskrant als in de NRC overzichten van wat er met de wereld aan de hand is. Is er veel veranderd? Destijd somde Paul Brill in zijn column de brandhaarden op en stelde somber vast dat er geen hek om het Midden Oosten kan worden geplaatst want het probleem is al teveel met de Westerse wereld vervlochten geraakt. De NRC gaf Niall Ferguson de ruimte in te gaan op de parallellen met augustus 1914. Hij wijdde een uitgebreide analyse aan het onverwachte karakter van het gebulder van de kanonnen destijds. Juist dat onverwachte is zo verrassend. Zelfs de financiële markten hadden niets in de gaten, toen niet en nu niet. Geblunder was in feite de oorzaak van de oorlog. Dat is ook nu weer het gevaar, aldus Ferguson.

In diverse artikelen in dezelfde krant stond “de zomer van de brandhaarden” beschreven: Gaza, Oekraïne, Syrië. Maar voeg er gerust Afghanistan, Libië, Jemen en Egypte aan toe. In het boek Zwarte Golf van Kim Ghattas staat uitvoerig wat nog steeds de effecten zijn van het jaar 1979: de Revolutie van Khomeini in Iran, en de religieus-fundamentalistische opstand in de stad Mekka in Saoedi Arabië.

Politicologen die de geopolitieke situatie proberen te analyseren weten altijd wel een verklaring te vinden. Ze zoeken het in de complexe relaties in dat gebied. De elite van Saoedi-Arabië, bijvoorbeeld, steunde destijds heimelijk de stichting van de zogenaamde “Islamitische Staat” (IS) en nog steeds is IS niet uitgespeeld. Iran is nog steeds gevaarlijk en wil een hegemonische positie in de regio wat SA niet zint. Met alle gevaren van dien. Het Israelisch-Palestijns conflict blijft een heet hangijzer. Israel riep en roept kritiek op met zijn nederzettingenpolitiek. Al weer lang geleden kregen de Palestijnen in zoverre steun dat hun uitzichtloze situatie veel vergoelijkt van wat van de zijde van Hamas uit wanhoop wordt ondernomen. Maar het liefst heeft men nog steeds graag een kordate Palestijnse Autoriteit die de revolutieneigingen weet in te tomen. Zo’n bewind zat er aan te komen, maar op een onverdeelde Palestijnse autoriteit zit het bazige Israel niet te wachten en dus traineert Netanyahu de zaak. Geweld zou überhaupt geen optie mogen zijn als gewone burgers dicht op elkaar zitten in door en door gemilitariseerd gebied, maar het wordt wel gebruikt en fors. Zelfs dat geweld is geen doeltreffende breekijzer gebleken om de vredesbesprekingen weer vlot te krijgen.

Alles goed en wel: dit is politiek. Maar waar blijven de analyses in termen van mensen, mannen vooral, van vlees en bloed die met geweld hun wil opleggen, gemotiveerd door een sektarisch religieus bewustzijn? Is wel sprake van religieus bewustzijn, of is het iets anders? Wat dan wel? Antwoorden op dit soort vragen is geen zaak van politieke analyse maar van psychologie maar dat wel van het type dat in onze boeken staat met veel aandacht voor gevoelens, praktijken, automatismen, groepstoebehoren, sensorium en arresten.

Of het door de “verStapeling” van de psychologie komt, mensen willen niet nadenken over gedrag en motieven. De journalist niet, de politicoloog niet, en de gewone burger al helemaal niet. Die is zo door science bashing van de wijs gebracht dat hij zich liever suf leest aan analyses van het type dat elke krant in overvloed biedt. Maar wat gebeurt er nu echt in het Midden Oosten? Wat motiveert deze mensen – mannen hoofdzakelijk?

Motivatie lijkt een zaak van overtuigingen en opvattingen, die bijvoorbeeld op het Internet worden gevonden en worden gekoesterd vanwege de uitzichtloze situatie waarin de mensen daar verkeren. Maar zo abstract is het helemaal niet. Waar halen de jongens die daar met IS vlaggen zwaaien of in Aftika onder de vlag van Boko Haram de boel terroriseren die onstilbare honger naar geweld en vernietiging vandaan?

Wij pleiten in ons boek Culture as Embodiment ervoor ook te letten op waar het sensorium, waarmee elk mens zich richt op zijn omgeving, afgesteld raakt. Dat gebeurt in concrete sociale omstandigheden maar ook in een concrete fysieke omgeving. Architecten en stedenplanners zijn niet voor niets met de omgeving bezig. Is die fraai dan roept hij op tot zorgzaamheid en aandacht. Gaat het om slordig bij elkaar gezette onderkomens langs ongeplaveide stoffige wegen dan stimuleert dat de zorgzaamheid niet. De jongens die met de zwarte vlag zwaaien leven in steden waarvan het centrum misschien een beetje lijkt op de moderne metropolen die we kennen, maar in de buitenwijken en de dorpen zijn de huizen opgetrokken van spul dat nauwelijks uitnodigt er zorgvuldig mee om te gaan. Er is niets om zorg voor te dragen. Moeders en grootmoeders begieten dan wel de plantjes in blikken bussen buitenshuis, ook in de gebieden die IS nog steeds bevolkt, maar eigenlijk overheerst wat je de ‘nomadisering’ van het bestaan zou kunnen noemen: een leven zonder binding aan een plek.

Al eeuwen hebben de mannen hier nooit geleerd ook maar enige zorg te besteden aan waar ze verblijven. Het Westen kun je verwijten dat ze op dat punt vrijwel niets in de regio hebben geïnvesteerd, maar dat verwijt helpt nu niet. Nog steeds zijn hun leefgebied ondanks de olie de wegen door de woestijn langs dorpen en hele stadswijken met lemen huizen. Dat mag dan pittoresk zijn en van heel andere standaarden getuigen dan de onze maar aanzetten tot zorgzaamheid voor de omgeving doet het niet. Natuurlijk zijn er centra die er uitnodigend uitzien, maar beeldbepalend is de eeuwige trek van plek naar plek. De jongens zijn altijd onderweg. Zijn ze eenmaal de baas in een gebied waar ze hun zinnen op gezet hebben dan mag alles weg, kapot, want het stelt toch al niet veel voor en zeker niet als het van mensen is met andere overtuigingen en manier van leven. Ze hebben er geen binding mee. Een leven van zorgen en koesteren motiveert hun niet. Frustratie is hun deel.

Hun leermeesters en leiders zagen de decadentie van het westen al in Parijs, in het midden van de vorige eeuw in de hoogtijdagen van de koude oorlog waarin wereld verdeeld was tussen kapitalisme en communisme, maar ook eerder al. Daar kregen ze hun politieke vorming. Maar wat zagen deze voormannen echt? Was het niet telkens weer opnieuw iets wat hen totaal vreemd was: vrouwen en mannen die elkaars wereld herkennen en erkennen, die elkaar beïnvloeden en uitnodigden tot aandacht en zorg voor elkaar? Natuurlijk was er ook botheid en losgeslagenheid. Die mogen dan beeldbepalend zijn geweest, daarmee wordt geen recht gedaan aan de solidariteit tussen de seksen.

Die decadentie is er in de ogen van hun volgelingen nog steeds. Waar hun moeders en grootmoeders van houden en waar elke vrouw duidelijk meer op is afgestemd, wordt verre van hen gehouden doordat vrouwen een totaal andere wereld vertegenwoordigen. Die andere wereld dringt op geen enkele wijze de hunne binnen. Deze afscherming gaat onder het mom van seksuele moraal, maar wat er werkelijk speelt is niet de mannelijk lust. Het is het onvermogen te delen in zorg en aandacht voor de dingen om ons heen. Ik overdrijf niet: de hordes vechtlustige mannen op tanks en met de modernste wapens, uitgerust met navigatie- en oriëntatieapparatuur waardoor ze sneller kunnen oprukken dan verwacht, gaan niet voor opbouw en zorg maar voor een vernietigend machismo. Als overgeschoten zonen van vaders die ook niet veel te makken hebben zijn ze perspectiefloos en smachten naar avontuur. Ze willen met hun kameraden te hoop lopen tegen alles wat hun wereld mooi en goed zou kunnen maken: niets dat ook maar riekt naar het westen, niets dat ook maar een zweem van de wereld van de vrouw vertegenwoordigt. Wie helpt hen daar beter bij dan de leiders en leermeesters die op Internet in naam van Allah en religie hun eigen agenda hebben: een wereld in die weer opnieuw naar Allahs model ingericht moet worden. Dat zeggen ze tenminste maar bedoelen ze niet een wereld waarin zij het voor het zeggen hebben en die alleen maar hun kijk op de dingen vertegenwoordigt? Maar dan moet wel eerst alles kapot wat ook maar enigszins van dat model afwijkt.

Wie zijn het slachtoffer? Op de eerste plaatst de vrouwen. En natuurlijk probeert men de westerse wereld de stuipen op het lijf te jagen met middeleeuwse praktijken. Kerels die het liefst met hun tenten van plaats naar plaats trekken hebben niets met vrouwen die plantjes begieten en een stukje land en een gebouw tot een verblijfplaats maken om daar met de kinderen vorm te geven aan een leefbaarder wereld. Ze zwaaien liever met een zwarte vlag waarmee ze laten zien dat ze opkomen voor de Islam, tegen het westen waarvan ze wel de smartphone, Internet, wapens en tanks overnemen maar niet de zorg om onszelf en de ander. Ze geven geen zier om een beter leven voor allen. Ze gooien liever alles kapot om zo de eigen club te vestigen op een plek waaraan ze met niets verbonden zijn. Het zijn ontwortelde jongens met vaak grote psychische problemen.

Het Westen gaat overigens niet vrijuit. Het heeft in de periode van meer dan een eeuw dat het daar zit alleen de olie onder het zand vandaan gehaald, maar verder geen cent in deze regio geïnvesteerd. Daar was de koloniale politiek en het protectoraatschap van destijds niet op gericht. Ook in Azië is niet zo geïnvesteerd dat het op den duur op eigen benen kon staan. China werd vernederd met de opiumhandel om de voor Engeland nadelige handelsbalans te corrigeren. De oorlogen die daarmee gepaard gingen zijn nog steeds een bron van wrok. Xi kan dat nog steeds uitbaten ten gunste van zijn autocratische politiek. In India werd de bureaucratie grotendeels bemand met eigen avonturiers. Afrika werd onderling verdeeld met alle nare gevolgen van dien. Als ‘woke’ iets te betekenen heeft dan is het dat het besef van dit soort grove nalatigheden en vernederingen wel mag groeien. Verder is de sentimentele wrok die met dat woke-gedoe meekomt irritant en disfunctioneel. De wrok van China, en die over slavernij of Indonesië zal het probleem niet oplossen van dat mensen met zo’n verleden in die regio’s en daarbuiten, onvoldoende erkenning krijgen. Die erkenning komt van meer kennis en inzicht, d.w.z. door scholing alleen.

Kort en goed, het Westen heeft weinig gedaan aan het bestuurklaar maken van hun wingewesten. Van scholing en educatie is nauwelijks iets terecht gekomen. Dat leverde je reinste roverskapitalisme op. De lokale elite had die houding al en zag die versterkt. Van oudsher is er geen bekommernis om de verheffing van het volk. Dat bleef keurig zijn matje uitrollen. Dat alleen al is opmerkelijk. Terwijl overal ter wereld de clerus er van langs kreeg, eigenlijk al sinds Spinoza in de zeventiende eeuw er mee begon, bleef in het Midden Oosten deze mannenwereld intact. Op wat machteloos marxistisch geëmmer na over nieuwe sociale verhoudingen bleef het opvallend stil. Aan die kritiek lag een ideologie ten grondslag afkomstig van de Parijse elite die na de tweede wereldoorlog de politiek op een dood spoor zette. Lees daar Politicide van Luuk van Middelaar nog maar eens op na. Dat heeft deze regio van de regen in de drup gebracht want de nationalistische en seculiere regimes die daaruit voorkwamen draaiden allemaal uit op het met geweld opleggen van een utopie zonder zich werkelijk ook maar van enige concrete zorgtaak te kwijten.

Steeds hetzelfde soort mannen is erbij betrokken. Mannen die nergens zorg voor hoeven te dragen. Dat wordt overgelaten aan de wereld van de vrouwen waar ze niets mee te maken willen hebben. Ooit waren in dit gebied mooie steden, wordt er gezegd. Maar zelfs dat is een overschat aspect van deze regio. Immers, buiten de bouw van paleizen en moskeeën voor de mannelijke wereldlijke en religieuze elite is er verder nooit iets geweest. Als ze daar nu profiteren van wat het westen te bieden heeft is dat profiteren van iets waar ze nul komma nul aan hebben bijgedragen. Nu niet en vroeger niet. Beschavingshistorici roemen het verleden van wiskunde, medicijnen en filosofie uit die streek maar daarvoor moet je heel ver teruggaan. Waar het om gaat is dat de helft van de mensheid compleet wordt genegeerd. Op wat schermutselingen van een paar verlichte vrouwen na zit de rest thuis en kan geen kant uit. Ze zijn goed voor een half uur televisie op Westerse zenders en misschien worden ze onderschat, maar kijk je naar het optreden van de gewapende milities dan zie een horde die voor heel andere zaken interesse heeft opgevat dan voor het goede leven. Wat hiertegen helpt is scholing in de groep van gematigde experts die op zijn minst moet worden uitgebreid met vrouwen van wie de ervaringwereld nu zo drastisch buiten de deur wordt gehouden.

(Onder constructie)

Paul Voestermans

Older Posts »

Categorieën