Gepost door: Voestermans and Verheggen | 31 januari, 2015

Hans Achterhuis en Nico Koning “De Kunst van het Vreedzaam Vechten”

Bijschrift (november 2015): in dit boek komt René Girard uitvoerig aan bod. Hij is niet zo lang geleden overleden. Ik ben kritisch over zijn werk, maar het verdient zonder meer de aandacht die Hans Achterhuis en Nico Koning eraan geven.

Het boek De Kunst van het Vreedzaam Vechten lijkt een ordelijk en gemakkelijk te volgen boek, maar als je de vinger probeert te leggen op wat er precies wordt beweerd, ontglipt het geschrevene je nogal eens, is mijn ervaring. Dat komt omdat elk hoofdstuk overladen is met analyses van uiteenlopende zaken die allemaal met geweld en de mogelijkheid tot controle ervan te maken hebben, maar tegelijkertijd uitwaaieren over allerlei gebieden in geschiedenis, antropologie, filosofie en wat al niet meer.

De indeling in hoofdstukken is niet gemakkelijk te doorzien. Wat is de reden voor nu juist deze indeling van het boek en geen andere? Dat wordt helaas nergens beargumenteerd. Ook binnen de hoofdstukken wordt niet duidelijk waarop de indeling in paragrafen is gebaseerd. Het zou handig geweest zijn als dat wat duidelijker was aangegeven. Ter toelichting: in deel 2 dat Beschaving heet, wordt ingegaan op wat de bronnen zijn van geweldbeteugeling. Dat gebeurt onder de verder niet beargumenteerde aanname dat beschaving precies dat is, geweldbeteugeling. Aan de orde komen het sekseverschil, stamsaamhorigheid in oersamenlevingen waarvan de cohesie door het zondebokidee wordt verklaard met daardoorheen geweven de visie van Claude Levy-Strauss en René Girard. Tenslotte een hoofdstuk over mythen. Mythen zijn in de ogen van bijv. Luwik Fleck in zijn boek Entstehung und Entwicklung einer wissenschaftlichen Tatsache: Einführung in die Lehre vom Denkstil und Denkkollektiv protowetenschap. Vanuit dat idee zijn ze heel goed te begrijpen als eerste verklaringspogingen. Maar zo eenvoudig zien A&K het niet. Mythen worden een bron van ongekende diepgang. En weer gaat deze paragraaf alle kanten op. Dat is verwarrend.

De these van het hoofdstuk is denk ik, maar zeker weet ik het niet: hiërarchie en ongelijkheid zorgden in een ver verleden voor tamelijk gewelddadige vormen van ordehandhaving. Maar die orde was wel het begin van beschaving. De mimetische begeerte (ik kom erop terug) wordt vanuit een externe bron die geen gelijkheid van verlangen toestaat en naäpen dus tegengaat, hardhandig beteugeld. De winst: geweld blijft beperkt tot wat een heerser zich op dat vlak permitteert. Het doordrenkt niet de gehele samenleving. Maar als je wilt snappen hoe dat in zijn werk gaat word je alle kanten op gestuurd, dwars door hele tijdvakken heen, van de oertijd waar een man een man en een vrouw een vrouw was met ieder scherp afgebakende taken en domeinen, zodat daaruit orde voortkwam, tot het huidige Saoedi-Arabië, waar seksegelijkheid een groot taboe is, en de ongelijkheid op een erg vrouwonvriendelijke wijze wordt afgedwongen. Wat staat er dan precies dat de onderbrenging in één deel met de titel ‘Beschaving’ rechtvaardigt? Het is een heel gezoek.

Het boek heeft meer dan 600 pagina’s en heeft een losse structuur die vermoedelijk het gevolg is van de collegestof die eraan ten grondslag ligt. Daarom is het ondoenlijk het hele boek te becommentariëren. Ik maak een selectie van drie kernthema’s: de mimetische begeerte, de (on)gelijkheid en de verschillende reacties op de modernisering.

De mimetische begeerte

René Girards theorie wil antwoord geven op de vraag waar botsingen, krenkingen en geweld mee samenhangen. Volgens hem zijn menselijke verlangens geen biologisch gegeven maar een cultureel product van mensen die elkaar aanstichten hetzelfde te verlangen. Dat maakt verlangens explosief en tot een bron van rivaliteit en geweld. Als ik A&K goed begrijp zijn de gewelddadige acties van mensen vanaf de oertijd te herleiden tot memisis, dat is het nadoen van anderen. De kopieerdrift ligt vooral op het terrein van de begeerte. Ze heet daarom in dit boek ‘memetische begeerte’. (Mimetisch is overigens een bijvoeglijk naamwoord dat veelvuldig in combinatie met allerhande substantieven wordt gebruikt. We zullen zien dat dit lang niet altijd overtuigend gebeurt). De mimetische begeerte is een voortdurende bron van conflict en geweld. Verlangens komen niet uit een of andere zuivere, persoonlijke of authentieke kern maar zijn altijd afgeleiden van de verlangens van anderen.

A&K laten zien dat in het verleden de ergste uitwassen van geweld voorkomen werden door het vestigen van een regulerende hiërarchie. Daarmee werd de ongelijkheid benadrukt wat met zich meebracht dat voor de onderdanen sommige wensen en verlangens eenvoudigweg buiten bereik bleven. Gelijkheid zet ertoe aan hetzelfde te verlangen en is daarmee een bron van geweld. Immers, als twee of meer mensen hetzelfde willen ontstaat er rivaliteit, jaloezie en afgunst. Ten gunste van A&K moet hier worden opgemerkt dat schaarste niet de enige bron van rivaliteit is. Dat denken economen te vlug. Eenvoudigweg hetzelfde verlangen kan al genoeg reden zijn.

De hiërarchische macht heeft lang dempend gewerkt, maar kwam vanaf de Verlichting steeds meer onder druk te staan. Hoe de demping precies in zijn werk gaat wordt in dit boek niet uitgelegd, maar de effecten worden wel beschreven. Misschien is het zo dat wanneer iemand boven je staat en je gewoonweg verbiedt hetzelfde te verlangen de begeerte vanzelf wordt ingedamd. In sterk hiërarchische stamsamenlevingen, maar ook in moderne dictatoriale maatschappijen veroorloven de machthebbers zich zaken die ieder ander worden onthouden. Je laat het wel uit je hoofd ook maar te denken dat wat de heerser wil ook voor jou is weggelegd. Zo wordt voorkomen dat vanuit een gemeenschappelijk verlangen strijd wordt gevoerd. Macht en heerschappij zorgen voor orde en gezag. Iedereen weet zijn plaats zodat je geen dingen verlangt die niet voor je zijn weggelegd. A&K hebben in dit verband weinig oog voor angst en intimidatie, terwijl dat toch belangrijke redenen zijn je gedeisd te houden.

In een egalitaire samenleving loopt de mimetische begeerte evenwel uit de hand. Nu zijn er tegenwoordig niet overal meer hiërarchische verhoudingen en dus moeten er nieuwe beheersingstrategieën worden bedacht die een goed alternatief kunnen vormen voor de hiërarchische macht. Een groot deel van het boek gaat over deze beheersingsstrategieën.

De kern van het boek staat heel kort beschreven op pag. 590, bijna op het einde van het boek en is het citeren waard:

“Mensen zijn verlangende wezens, wij willen veel meer dan de bevrediging van onze natuurlijke behoeften. In interactie met anderen worden voortdurend nieuwe verlangens gewekt. En juist als mensen hun aspiraties daarbij weten te realiseren luwt dat verlangen niet maar worden nieuwe wensen geboren. Dat brengt nieuwe rivaliteiten met zich mee, nieuwe gevechten en zo komt ook de noodzaak van nieuwe regulering op. Als de ontwikkeling van regulering geen gelijke tred houdt met de groei van verlangens, ligt geweld op de loer. Inzicht in dit mechanisme kan mensen tot relativering van hun verlangens en dus tot matiging bewegen”.

Maar krijgen we inzicht in ‘dit’ mechanisme? Wat voor ‘mechanisme’ is het precies? In navolging van Girard plaatsen A&K de biologie van meet af aan tegenover de cultuur; natuur staat tegenover cultuur. Dat is volgens mij niet in overeenstemming met recente inzichten. Zoals wij laten zien in Culture as Embodiment is de geschiedenis van de relatie cultuur-natuur vergeven van patstelling en elkaar bestrijdende zienswijzen. Wij laten zien dat het een niet zonder het ander kan. De micro-organisatie van het lichaam zoals die in de biologie wordt bestudeerd, draagt mede bij aan betekenissen aan de kant van de macro-organisatie van datzelfde lichaam, dat wil zeggen aan hoe mensen met hun sociale lichaam symbolisch functioneren. Dat kan zijn als machthebbers, onderdanen of wat al niet meer. Wij betogen juist dat hoe mensen zich gedragen een door en door lichamelijke aangelegenheid is waar je de biologie niet bij mag vergeten, maar ook niet het concrete lichaam dat imponerend is of juist onderdanig, dat mannelijk en vrouwelijk is, mooi of lelijk, behendig of onhandig, stoer of zwak. Verlangens kunnen niet los gezien worden van de aandriften vanuit de functionele structuren van ons lichaam, maar staan ook nooit los van hoe we ons omringen met de parafernalia van macht, invloed uitoefen en indruk maken. Nadoen is een van de vele verschijningsvormen van interactie, meer niet. Wellicht cruciaal voor de verwerving van gedragspatronen die in een bepaalde groep gangbaar zijn, maar daarmee is lang niet alles gezegd, ook al doen de auteurs of mimese the be all and end all is.

Laat ik een en ander verduidelijken aan de hand van hoe A&K de biologie erbij halen. Dat doen ze eigenlijk alleen maar door kort in te gaan op spiegelneuronen. Er zijn auteurs die Girard direct met de ontdekking van deze neuronen in verband brengen. Ze zouden het bewijs zijn voor het menselijke mimetische vermogen. A&K gaan mee met deze redenering.

Ze besteden er twee korte passages aan (pag. 91-93 en van onderaan 104 tot bovenaan 105) zonder overigens in te gaan op de recente vindingen van de ontdekker ervan, Giacomo Rizzolatti. Dan zouden ze geweten hebben dat menselijke individuen in meer of mindere mate beschikken over de vaardigheid om zich op het standpunt van anderen te stellen. Allerlei soorten spiegelneuronen zijn daarbij betrokken maar hoe precies wordt tot op de dag van vandaag onderzocht. Sommige autisten kunnen zich nauwelijks of niet in het standpunt van een ander verplaatsen. De meeste mensen kunnen het wel en sommigen heel erg goed. Of dat aan de spiegelneuronen ligt weten we niet. Zo’n duidelijke een op een relatie tussen typen neuronen en gedrag is er niet; wat men ook beweert over dat wij onze hersens zijn. Hoe het een en ander met imitatie samenhangt is nog steeds voorwerp van onderzoek. Het kan inderdaad zijn dat spiegelneuronen relevant zijn voor het inzichtelijk maken van het menselijk vermogen zich in anderen te verplaatsen, doordat vermoedelijk deze neuronen het mogelijk maken dat de eigen lichaamservaring ingezet wordt bij het zien van bewegingen bij een ander lichaam. Amper een paar dagen oud kunnen baby’s met hun gezicht inderdaad al bewegingen nadoen die ze zien aan de gezichten van anderen. Cruciaal daarbij is de ervaring dat het andere lichaam vergelijkbaar is met het eigen lichaam. Dat veronderstelt  wel standpuntverplaatsing. Als die ervaring om een of andere reden niet mogelijk is, gaat de imitatie niet door. Maar wat is dat precies, verplaatsing in iemand anders z’n standpunt? Wat is daar weer voor nodig? Natuurlijk zonder het fysieke apparaat dat hersenen zijn gaat het niet. Maar dat is nogal wiedes? Wat van de hersenen? Spiegelneuronen? Zo draaien we in een kringetje rond….

Verder weten we een ding zeker: als de auteurs zich afvragen op pag. 105 waarom er in de literatuur over spiegelneuronen met geen woord gerept wordt over wat de auteurs in een adem “spiegelende, mimetische begeerte” noemen, dan is dat niet omdat al deze onderzoekers vergeten een verband leggen tussen spiegelneuronen en het wonderlijke verschijnsel dat kleuters pas in een speeltje dat er al langer ligt, geïnteresseerd raken en er vervolgens ruzie om gaan maken, als één van de twee er belangstelling voor krijgt. Zo’n verband is er niet. De auteurs schrijven triomfantelijk: “ Voor zover wij de ethologische, psychologische en neurologische literatuur kunnen overzien, worden nergens menselijke conflicten vanuit dit gezichtspunt onderzocht”. Het gezichtspunt dat ze bedoelen is dat van Girard en de wijze waarop ze zelf hem gebruiken. Maar waarom zou dat ook moeten gebeuren? Het met anderen mee begeren, dat wil zeggen pas werkelijk naar bepaalde zaken verlangen, zodra anderen er hun zinnen op gezet hebben, kan inderdaad alleen bestaan als we ons in anderen kunnen verplaatsen. Maar wat is daar zo bijzonder aan? Het zegt alleen dat interactie mogelijk is tot op het niveau van lichaampraktijken. Inderdaad, ‘embodiment’ is van groot belang bij het begrijpen van gedrag. En inderdaad, imitatie is bij mensen het verst ontwikkeld. (Andere dieren moeten niet worden onderschat. Modern onderzoek naar animal cognition brengt aan het licht dat jonge dieren bijvoorbeeld heel goed zijn in het nadoen van hun ouders.) Maar om wat voor cognitief/affectief vermogen het precies gaat is bij lange na niet duidelijk. Ohne Phosphor keine Gedanken; logisch dus dat het zonder spiegelneuronen niet gaat. Maar als de menselijke begeerte conflictueus van aard is, is dat niet omdat mensen met behulp van spiegelneuronen anderen nadoen en daardoor hetzelfde willen. Bovendien, er zijn heus wel kleuters die juist als ze het andere kindje ergens mee zien spelen gewoon mee gaan doen en helemaal geen conflict aangaan.

Er wordt in dit boek wel erg veel opgehangen aan de mimetische begeerte. Het heeft niet zoveel zin om imitatie tot het kernstuk van een cultuurtheorie te maken. Het primaat van het sociale vanuit het idee van mimese verdedigen voegt nauwelijks iets toe. Voordat we ‘ik’ kunnen zeggen was er eerst een ‘jij’ dat onze ouders een naam hebben gegeven, allereerst op basis van het geslacht (als dat niet ambigu is). Later komen er tal van kenmerken en eigenschappen bij – vaak ontleend aan de groep waartoe men behoort – die tezamen zoiets als het ‘ik-gevoel’ van iemand vormen. Zoals Kenneth Gergen al zei, “The locus of knowledge is no longer taken to be the individual mind but rather to inhere in patterns of social relatedness”. Wil je vervolgens van een ik iets ‘authentieks’ maken – wat overigens wel degelijk kan, blijkt – dan moet je daar apart werk voor verzetten. Zeker als de druk vanuit de groep erg groot is. Autheniciteit is daarom een modern ideaal dat niet weggepoetst kan worden door te veronderstellen dat menselijke verlangens van anderen komen.

Maakt het accent op mimese dit boek minder waardevol? Helemaal niet want de auteurs schuiven de mimetische begeerte gelukkig meteen al op pag. 110 aan de kant door te veronderstellen dat de mimetische strijd kan worden omgevormd tot een vreedzaam gevecht, indien er voldoende institutionele waarborgen worden ingebouwd. Zie hier de kern van De Kunst van het Vreedzaam Vechten. Echt nodig heb je het idee van mimetische begeerte niet. Wel hadden A&K iets meer aandacht mogen besteden aan welke instituties van belang zijn. Hadden de auteurs maar het boek van Daron Acemoglu en James Robinson Why Nations Fail ter hand genomen, dan hadden ze mooi gebruik kunnen maken van de indeling van instituties op de dimensie van extractief (het bevoordelen van een kleine groep op basis van het recht van de sterkste) naar inclusief (het insluiten van iedereen op basis van het geweldmonopolie van een sterke staat waarin het recht wordt geëerbiedigd en verantwoordingsplicht bestaat).

(On)gelijkheid

Een groot deel van het boek gaat over het omvormingsproces van bot geweld in vreedzaam vechten. Daarbij gaat het om waardevolle inzichten die niet afkomstig zijn van de theorie van mimese en de mimetische begeerte. Zo leggen de auteurs wel wat wijdlopig maar gelukkig goed leesbaar uit dat in vroegere samenlevingen conflicten werden beteugeld door ongelijkheid op basis van macht en autoriteit, verbod en gebod, dat wil zeggen, vertikaal, van boven naar beneden. Gelijkheid of een horizontale orde werd gevaarlijk gevonden. Werd ongelijkheid gecultiveerd? De auteurs zijn er duidelijk over: “Het scheppen van ongelijkheden als een grotendeels onbewust proces was misschien het meest fundamentele beschavingsmiddel” (pag. 163). Gelukkig staat er nog ‘misschien’…maar in welke zin het een fundamenteel beschavingsmiddel is blijft duister

Of ongelijkheden bewust of onbewust geschapen zijn op enig moment lijkt mij onwaarschijnlijk. Zoveel is zeker, sekse- en statusongelijkheid zijn van alle tijden. Met name de sekseongelijkheid komt zo vaak voor en is zo overduidelijk aanwezig doorheen de geschiedenis dat het niet te ver gaat om te beweren dat met name seksegelijkheid artificieel ontworpen moet worden. Wat overal en altijd met grote vanzelfsprekendheid is en wordt aanvaard is de onderschikking van de vrouw aan de man. Om dat te veranderen moeten er bewust institutionele barrières tegen deze ongelijkheid worden opgeworpen. En dan nog blijkt het concrete gedrag van beide seksen moeilijk te veranderen. Steeds weer blijkt dat vrouwen in het project van mannen zijn opgenomen en niet andersom en dat vrouwen in veel gevallen daarmee akkoord gaan. Het mannelijke overwicht gaat heel ver en kan zeer gewelddadige vormen aannemen. Wat veel geholpen heeft zijn de wetten die bestaande groepsgebonden gewelddadige praktijken ten aanzien van vrouwen indammen. Clitoridectomie, het binden van de voeten in het oude China, slavernij en verkrachting zijn inmiddels allemaal door institutionele voorzieningen strafbaar gesteld. Hier gaat het meestal om lichaamspraktijken die met bezitsvorming of inlijving in de groep te maken hebben. Die vormen tegelijkertijd een sterke aanwijzing dat gelijkheid inderdaad kunstmatig moet worden ontworpen. Instituties die dit geweld indammen blijken onontbeerlijk en maken deel uit van dit artificieel ontwerp.

Terecht merken de auteurs op (pag. 153 e.v.) dat zelfs Spinoza de empirisch vaststelbare ongelijkheid van man en vrouw onontkoombaar vond. Van nature doen zij onder voor mannen, schrijft Spinoza in zijn politiek traktaat. Met dat ‘van nature’ is vanzelfsprekend niet een of andere natuurwet bedoeld. A&K beweren van wel maar daarmee zitten ze op een verkeerd spoor. Bij Spinoza is de natuur altijd iets dat je wetenschappelijk onderzoeken moet. De natuur is nooit zomaar een gegeven, ook de menselijke niet. Dragen A&K bij aan dat onderzoek? Niet echt.

Wereldwijd is deze ongelijkheid een pièce de résistance. Vijftig procent van de mensheid geniet niet dezelfde privileges als de overige vijftig. Er is veel geweld tegen vrouwen en seks is over de hele planeet een onthutsende bron van ellende. Hetzelfde werk door vrouwen gedaan wordt verschillend beloond en heel vaak worden vrouwen in status achtergesteld. Het probleem bij de behandeling van dit thema in boeken is dat de man als auteur – ikzelf niet uitgezonderd – vrij gemakkelijk deel wordt van het probleem. Je kunt je daar maar het beste bewust van zijn en kijken hoe je door vrouwen gewaarschuwd wordt. In de concrete vormgeving aan het leven wordt de vrouwelijke bijdrage aan de concrete vormgeving van zorg en aandacht gemakzuchtig door mannen aanvaard, omdat het hen van de verplichting ontslaat daarin zelf een ander dan materieel en financieel aandeel te nemen. Dat realiseert zich elke man terdege. Denkers over het goede leven zijn in veel gevallen mannen voor wie het dagelijkse leven werd verzorgd door vrouwen, merkte Simone van Saarloos terecht op.

Ook kan de analyse gehinderd worden doordat iemand er te dicht bovenop zit en gaat spreken vanuit persoonlijke ervaring met dit soort onderdrukking. Zo kan een missionaris heel gemakkelijk de cultuur van de gemeenschap waar hij werkt verdedigen omdat hij er deel van uitmaakt. Vrouwen zijn so wie so niet zijn fort. In een recent relaas op de TV beschrijft een correspondent in Teheran die zelf getrouwd is met een Iraanse de ingewikkelde codes in de Iraanse samenleving. Ook die rond sekseongelijkheid. Hij leerde deze interpreteren en aanvaarden. Daarmee verdwijnt de bron van deze ongelijkheid nogal eens uit het zicht. Als Tv-kijker beschouw je de analyse van een zekere afstand en ga je gemakkelijk denken (of dat terecht is of niet doet er hier even niet toe) dat de Iranese partner voor haar werk een relatie met een Westerling goed kan gebruiken en daarom aanstuurt op een verbintenis. Van zijn kant is de correspondent daarmee ook gediend en zo ontstaat een zekere tolerantie voor de bestaande ongelijkheid. Inderdaad, soms maken persoonlijk belangen kritische afstand vrijwel onmogelijk. Kan Descartes onbevooroordeeld over seks en passie schrijven als je in aanmerking neemt dat hij een kind bij zijn huishoudster heeft verwekt dat hij niet wilde erkennen? Is Rousseau, die zijn eigen onwettige kinderen zomaar weggaf om ervan af te zijn, geloofwaardig als het over dit domein gaat? Mensen die lang onder leden van stamsamenlevingen verkeren zoals missionarissen, antropologen en journalisten gaan vaak een heel eind mee met de gebruiken die ze tegenkomen. Ze raken zo met de aangetroffen orde verknoopt dat ze de ongelijkheid niet langer meer als onbillijk ervaren. Zo is het waarschijnlijk ook Ivan Illich vergaan. Voor deze priester die lang onder de armen van Zuid-Ameika verkeerde is de sekseongelijkheid alomtegenwoordig. Zij bewerkstelligt in zijn ogen een landseigen sociale geslachtsvorm bij mannen en vrouwen (vernacular gender, noemt hij dat met een eigen term) die in een ver verleden bijna over de hele linie maar ook nu nog in stamsamenlevingen een duidelijke taakverdeling tot gevolg heeft. Sekseongelijkheid was een manier om de samenleving op orde te houden. Pas met voortschrijdende seksegelijkheid kwamen de problemen. A&K zijn het niet in alles met deze opvatting eens, maar het is treffend om te lezen hoe ver ze met hem meegaan. Toen ze in 1981 samen met Illich diens manuscript over gender bespraken toonden ze zich zeer geschokt over zoveel ongelijkheid. En dat terwijl we hier in het westen zo duidelijk ervan uitgaan dat man en vrouw gelijk zijn! Maar hoe verrast kun je wezen? Was het de auteurs niet opgevallen dat tot op de dag van vandaag ook in de Westerse samenleving de moderne opvattingen over gelijkheid helemaal geen gelijke tred houden met de praktijk in heel concrete dagelijkse omstandigheden? Verruim je de blik naar het niet-Westers deel van de planeet, ben je dan nog zo verrast? Wat speelt er nu in de Arabische wereld van IS, Al Qaida, en op plaatsen waar vrouwen uiterst wreed door mannen veroordeeld worden tot steniging of ander geweld tegen hen? Is dat niet veeleer het gevolg van een verstoorde ervaringswereld van specifieke groeperingen mannen en vrouwen in plaats van een cultuurfenomeen? Gaat het dan nog wel om sekseongelijkheid als een algemeen kenmerk van een totale samenleving of ‘cultuur’?

In een artikel Het Misverstand Cultuur dat ik in 2000 samen met Cor Baerveldt publiceerde in wat toen nog Het Nederlands Tijdschrift voor Psychologie en haar Grensgebieden heette, betoogden we dat cultuur broodnodig op de onderzoektafel van de gedragswetenschappen moet. Veel gewoonten en gebruiken die grote groepen ernstig benadelen, vrouwen in het bijzonder, worden met een beroep op “het is hun cultuur” gerechtvaardigd. Dat ontmaskerden wij ook in de boeken Cultuur & Lichaam en Culture as Embodiment die we over cultuurpsychologie schreven. Ook in het boek van A&K wordt veel te gemakkelijk ervan uitgegaan dat – om met Leslie White te spreken – “culture can make anything right or wrong”. White vond de wetenschap van de ‘culturology ‘ uit, waarin cultuur een sui generis fenomeen is dat een materiële werking heeft. Veel van White’s navolgers maken zich schuldig aan een ‘over-culturalized view of man’. Niet dat A&K zich op hem beroepen, maar bij hen staat cultuur wel voorop en het gedrag van de leden van een culturele groep wordt daarvan afgeleid. Op die manier wordt geweld tegen vrouwen ontdaan van zijn oorsprong in de menselijke, dat wil dan vooral zeggen, mannelijke ervaring, die bovendien vaak heel lokaal is. Volgens mij moet bij de analyse van elk systeem, of die nu van politicologen, filosofen, sociologen historici of antropologen afkomstig is, gekeken worden naar de diepere laag eronder van de concrete ervaring van zichzelf en anderen. Als die buiten beeld blijft en verdwijnt in de analyse van het systeem, of dat nu de mimese, incest, zondebok, schaamte, schuld, gift of wat dan ook heet, wat vervolgens als cultuurbeginsel wordt gepresenteerd, ontdaan van elke ervaringscomponent, dan ontstaan er een grote misverstanden rond cultuur. Een van die misverstanden is dat het begrip ‘cultuur’ gehanteerd wordt bij de verklaring van de uitsluiting van en geweld tegen vrouwen. Wanneer dat gebeurt verdwijnen concrete daders uit beeld en wordt de hele culturele groep verantwoordelijk gesteld voor het geweld. Afdoende bewijs dat dit niet kan levert het feit dat elke culturele groep leden kent die zich oneens verklaren met het gangbare patroon van bijvoorbeeld eerwraak, weduweverbranding, abortus van meisjes of ander voorbeelden van zogenaamde ‘culturele’ praktijken.

Uit de wijze waarop politiek analisten en sommige antropologen en filosofen bijvoorbeeld over de Islamitische Staat (IS) speculeren, blijkt dat ze veel te snel overgaan op een analyse in termen van religie en cultuur. Er is genoeg reden te veronderstellen dat de IS strijders die uit de Europese landen afkomstig zijn door motieven gedreven worden die zijn ontstaan in locale omstandigheden. Die kunnen niet in één brede culturele greep worden omvat. Ook de strijders ter plekke zijn beter af met een analyse die de concrete leefwereld en bestaande machts- en sekseverhoudingen in kaart brengen.

Ik kan niet nalaten in dit verband een mooi voorbeeld te geven van hoe het mis kan gaan. Dat maakte ik mee naar aanleiding van een actualiteitencollege over IS. De antropoloog die de achtergronden van IS uitlegde maakte op geen enkele wijze duidelijk dat deze jonge mannen bezeten zijn van idealen en praktijken waaraan vrouwen onmogelijk kunnen participeren. Waar zijn de vrouwen bij al dit masculien geweld, vroeg ik me af? Spelen vrouwen überhaupt wel een rol in deze mannenwereld? Het antwoord van de spreker in een aan mij gerichte email is tekenend:

“Wat betreft je idee dat IS gevormd is door ervaringen waarin vrouwen “geen enkele rol spelen”: dat is niet zo. Niet alleen zijn deze mannen opgevoed door moeders die vaak een zeer grote rol in hun levens spelen (de stichter van al-Qa’ida in Irak (een voorloper van IS), Abu Mus’ab al-Zarqawi, schreef bijvoorbeeld diverse zeer liefdevolle brieven aan zijn moeder), maar ook hebben inmiddels behoorlijk wat vrouwen zich bij IS gevoegd. Daar komt nog bij dat men wel degelijk een rol toekent aan vrouwen, namelijk die van echtgenote en moeder. De rol van vrouwen beperken tot die twee functies is wellicht niet genoeg voor veel Westerse vrouwen van vandaag, maar voor veel van de vrouwen die sympathiseren met IS (en ook buiten die kringen) wel. Als zodanig maken zij een zeer belangrijk deel uit van IS. Dat is misschien moeilijk te begrijpen of te accepteren voor andersdenkenden, maar dat maakt het niet minder waar. Het staatsmodel dat zij formuleren is voor een bepaalde groep mensen (waaronder vrouwen) dus wel degelijk inspirerend.”

Hier zie je weer dat er dicht bovenop zitten de ervaring vertroebelt. De feitelijke onderdrukking en verwaarlozing van alles waar vrouwen voor staan, aangenomen dat ze gelijke rechten hebben, verdwijnt van toneel. Wat overblijft zijn aan ‘cultuur’ ontleende clichés over moederliefde en echtelijke loyaliteit die op elke vrouw worden geplakt. Vervolgens worden die bij elke ongelijkheidverhouding opgevoerd om deze te rechtvaardigen.

Reacties op modernisering

Het meest interessante deel van dit boek is hoofdstuk 23 waarin het verzet tegen modernisering wordt behandeld. Het is opgenomen in het laatste deel van het boek dat gaat over traditie. Dat deel begint met een hoofdstuk over de lange weg naar vrede. Daarin wordt betwist dat modernisering altijd en overal heilzaam is. Er zijn nu eenmaal culturele tradities die het bestaande vertrouwen schragen. Daarop kunnen moderne instituties inbreuk maken, wanneer ze al te voortvarend worden ingevoerd. Dat werkt contraproductief. Als voorbeeld van een contraproductieve invoering van instituties noemen ze de verregaande juridisering van de Amerikaanse samenleving. Dat voorbeeld ontlenen ze aan The Origins of Political Order van Francis Fukuyama.

Een voorbeeld van traditioneel is volgens de auteurs het bestaande gevoel van vertrouwen. Maar wat is daar traditioneel aan? Daarmee wordt gesuggereerd dat dit vertouwen vroeger wel bestond en nu niet meer. Maar alles wat mensen doen is van vertrouwen of geloof ‘gemaakt’ zou je bijna zeggen. Zonder geloof gaat het niet. Juist mensen hechten aan wat ze onderling in goed vertrouwen en geloof in de zaak hebben afgesproken. Dieren kunnen veel maar dat niet: ze houden zich niet aan afspraken. Modernisering is Onder andere de voortschrijdende insluiting van alle mensengroepen ongeacht kleur, geslacht, voorkeur, leeftijd, religie, overtuiging etc. in het proces van voortgaande leefstijlverbetering op basis van billijke afspraken en instellingen. Modern leven is namelijk leven onder regie van verstandige arrangementen, met behulp waarvan  lotsverbetering van iedereen wordt nagestreefd. Die verbetering moet niet verward worden met hedonisme of consumentisme: het gaat om waar iedereen het materiële genoegen van inziet en wat iedereen de ruimte geeft zich te ontwikkelen. Voorbeelden zijn gezond voedsel, zuiver water, mogelijkheid tot communicatie, veilig wonen, gemakkelijk vervoer, onderwijs, ruimte voor ontspanning etc.

A&K komen op pag. 574 met maar liefst 12 reacties op moderniteit. Drie zijn modern: (1) secularisme, (2) individualisme en (3) kosmopolitisme; drie zijn gericht op compromis: (4) religieuze vrijzinnigheid, (5) communitarisme, (6) progressief cultureel nationalisme; drie zijn gericht op een scherpe afwijzing: (7) religieuze rechtzinnigheid, (8) conservatisme, (9) populisme. Tenslotte zijn er nog drie offensieve en agressieve varianten: (10) fundamentalisme, (11) autocratie, en (12) actieve discriminatie. Lastig bij het bepalen van deze reacties is het onderscheid tussen antimodern en antiwesters, maar dat onderscheid moet wel worden gemaakt, daar hebben A&K groot gelijk in.

Dit deel van het boek is zeer lezenswaardig. Ik heb zelden een mooiere analyse van het populisme gelezen. A&K noemen het treffend (pag. 573): “de oeroude reflex van verbroedering van verwanten tegenover indringers en buitenstaanders”. Ze wijzen op de poging “oude identiteiten en groepskleuren te revitaliseren”. Prachtig gezegd en o zo waar. Meer is het niet. Het is conservatiever dan conservatief want het oude gezag wordt niet hersteld zoals dat bij conservatisme het geval is maar juist ter verantwoording geroepen voor de problemen (die de populisten zelf ook niet kunnen oplossen, zou ik eraan toe willen voegen). Het is schadelijk voor vernieuwing. Niet alleen minderheden maar ook de overheid zelf moeten het ontgelden. Of je hier het zondebokmechanisme weer van stal moet halen weet ik niet. Het lijkt me overbodig want niemand wordt de woestijn ingestuurd of geofferd. A&K stellen het populistisch nationalisme, waarin trots zich niet uitstrekt tot de eigen landelijke instellingen, tegenover neonationalisme waarin een middenweg tussen modernisering en traditie wordt gevonden.

De reacties op modernisering vormen een bruikbare taxonomie met een goed ‘fundamentum divisionis’ een overtuigende basis voor de indeling. Het gaat om de mate van sacralliteit, patriarchaat en tribalisme. Nauwelijks nog sacraal levert een seculiere moderniteit op, niet meer patriarchaal mondt uit in egalitair en inclusief, niet meer tribaal betekent geen bevoordeling van de eigen groep van welke aard ook, geslachtelijk, etnisch, of wat betreft status, leeftijd, of religie.

Het is wonderlijk dat A&K geen moment aandacht besteden aan waar deze wijze van denken begon: bij Spinoza, Wij betogen in Culture as Embodiment dat Spinoza een radicale gedragswetenschapper was avant la lettre, die de moraal en de vormgeving aan het leven wel degelijk wetenschappelijk wilde begeleiden. Wetenschap moet radicaal worden aangewend voor niet alleen het onderzoek naar de fysische natuur maar ook naar de menselijke. Dat was en is nieuw, nog steeds. Geen enkel terrein is uitgezonderd, ook religie als een door en door menselijk verschijnsel niet. Voor de gelovige positie van een atheïst – hij gelooft immers in de negatie van god – wordt in deze insteek geen uitzondering gemaakt. Atheïsme is ook een geloof dat op zijn merites moet worden onderzocht. Ik begrijp niet waarom Spinoza schittert door afwezigheid. Hij wordt alleen genoemd om hem en zijn verdediger Jonathan Israel voor een paar uitspraken over vrouwen ter verantwoording te roepen (pag. 153 e.v.). Die passages zijn volgens mij overigens niet eens goed begrepen, maar dat voer hier te ver.

Tot slot nog een interessante observatie, denk ik. De auteurs zijn niet blind voor de zegeningen van het Westen. Ze verzetten zich tegen de gelijkstelling van modernisering en verwestersing maar weten niet echt raad met het historisch gegeven dat vanaf ongeveer 1500 het Westen hegemonisch werd. In die periode waren er meer kapers op de kust en stond allerminst vast dat het Westen een sleutelrol zou gaan vervullen.

Ze spreken op pag. 560 over de “zuigkracht” van het Westen. Ik zou liever van werfkracht spreken. De Westerse leefstijl gaat heel de wereld over. Met zijn uitwassen die vanzelfsprekend bestreden moeten worden, maar vooral juist met zijn zegeningen: goed onderwijs, veilig drinkwater en voedsel (met alle schandalen die ons op dat punt wakker houden en gelukkig niet voor altijd in de doofpot kunnen worden gestopt, daarvoor zijn de instituties te krachtig), comfort, geen dwang, een breed palet aan zingevingspraktijken, allerlei materiële genoegens etc. Vooral het afnemend geweld is een pre van het Westen. Maar vol gaan voor de modernisering en het Westen doen de auteurs niet. Waarom niet vraag je je dan af. Natuurlijk is afnemend geweld geen maatstaf zonder meer voor vooruitgang. A&K kiezen voor vrijheid en gelijkheid als criteria. Ze laten die ook gelden voor traditionele culturen, waardoor deze niet meer zo geïdealiseerd kunnen worden. Die waren immers allerminst geweldloos, vrij en gelijk. In dat verband spreken ze voor het eerst in hun boek niet meer over de zuigkracht van het Westen, maar de aantrekkingskracht (pag. 599). Daarbij gaat het erom dat mensen elders op de wereld hun beperkte vrijheden, maar ook de heersende ongelijkheid vergelijken met die van de Westerlingen en dan hun achterstand goed beseffen. Ook is het duidelijk dat met name de jeugd, minstens wat hun fantasieën betreft, al in een parallelle wereld vertoeven die naast de oude, traditionele bestaat en op die manier verandering onontkoombaar maakt. Niemand leeft meer in isolement vandaag de dag. Dat wordt alleen maar duidelijker.

Het antwoord van A&K op deze door henzelf vastgestelde stand van zaken is toch aarzeling. Ze willen wel naar moderniteit oversteken – ze noemen dat weer met hun toverwoord: “de mimetische aantrekkingskracht van het moderne” (pag. 599) – maar ze vragen ook aandacht voor “traditionele waarden” en “respect voor specifieke culturele tradities”, want anders ontsteekt de ander in (weer dat toverwoord) “mimetische woede”. Maar waarom komen ze niet verder dan dit soort tamelijk abstracte aanbevelingen en noemen ze geen enkele traditionele waarde of culturele traditie bij naam? Toegegeven, ze pleitten voor sportiviteit, fatsoen en geen vernedering. Maar ik zou zeggen: kom er eens om. Wie doet het voor minder? Wie dat doet, sluit zichzelf van alles uit, zou ik zeggen. Ik denk dat ze niet veel verder komen dat dit soort algemeenheden omdat ze de derde van de twee die ze al noemden – vrijheid en gelijkheid – geen enkele ruimte geven, in het hele boek niet: fraternité. Ik zeg het even in het Frans omdat broederschap zo seksespecifiek klinkt. Dat doet fraternité voor de Fransen natuurlijk ook, dat weet ik wel, maar bij ons kan de associatie toch ook richting zusters gaan. A&K vergeten dat de grootste moderniserende factor toch de mate zal zijn waarin we inclusief leren handelen en niet alleen het mannelijke maar ook het vrouwelijke deel van de samenleving volledig insluiten met inachtneming van de verschillen. Dat betekent misschien wel dat er een enorme reflectieve inspanning van ons allen gevraagd wordt om de mannelijke affectiviteit effectief in te zetten in optimale afstemming op de vrouwelijke. Als je vreedzaamheid wilt concretiseren zul je je toch moeten bezighouden met vooral mannen als hoofdrolspelers bij geweld en daar de vrouwelijke vormgeving aan het bestaan tegenover zetten, expliciet en met oog voor detail. Dat is in het dikke, mooie boek De kunst van het Vreedzaam Vechten toch een gemist kans.

NB Dit stuk wordt vaak geraadpleegd merk ik in de statistieken die ik ontvang. Niemand reageert echter.  Dat zou de communicatie over dit boek wel bevorderen.Laat eens een reactie achter…..

Paul Voestermans

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: