Gepost door: Voestermans and Verheggen | 25 april, 2016

Op weg naar een gedragswetenschappelijke benadering van religie

De bijbel als commentaar op het verlies van de jagers-verzamelaars leefwijze

 

Carel van Schaik en Kai Michel, Het Oerboek van de Mens. De evolutie en de Bijbel. Uitgeverij Balans, 2016.

Dit is een bijzonder boek. Het zal menig theoloog uit zijn/haar comfort zone halen. De centrale stelling is eenvoudig. De bijbel is een onmisbaar gebleken kroniek van een nieuwe verbinding met de natuur en de mensen onderling en vormt de ontstaansgeschiedenis van de belangrijkste god van de mensheid. Dit heilig boek was nodig omdat de jagers-verzamelaars levenswijze was opgevolgd door het sedentaire bestaan in grote anonieme nederzettingen. Deze overgang ging gepaard met existentiële vragen waarop een nieuwe verbinding, religie, het antwoord is. Het komt niet vaak voor dat de Bijbel gedragswetenschappelijk wordt bestudeerd. Religie wil nog wel eens sociaalwetenschappelijk worden benaderd, maar dan gaat het zoals bij Durkheim bijvoorbeeld over de samenbindende functie ervan. In andere gevallen wordt het evolutionaire voordeel van religie benadrukt of de overleving van met religie samenhangende ‘memen’. Maar de Bijbel zelf is vooral het onderzoeksterrein van theologen, exegeten en Bijbelhistorici.

 

Hier dan dus een boek dat de Bijbel onderzoekt vanuit biologisch-evolutionair perspectief vermengd met de nodige psychologie. Carel van Schaik is als primatoloog die vooral Oerang Oetangs onderzoekt, geïnteresseerd geraakt in opvoedingsvraagstukken, animal cognition en cultuur. Dat laatste begrijpt hij als dat wat er aan gedragsmogelijkheden gereed ligt bij mensen maar ook bij dieren zodra bepaalde vaardigheden e.d. aan nakomelingen moet worden overgedragen. Het is eenvoudigweg de aanvulling op instinctieve gedragspatronen. Bij mensen is ‘cultuur’ aldus getypeerd enorm geëvolueerd.

 

In een gesprek over zijn onderzoek van de evolutie met de wetenschapsjournalist Kai Michel kwamen van Schaik te spreken over hoezeer de rol van de vrouw is veranderd vanaf de tijd dat de mensen sedentair gingen leven en haar rol niet langer meer door de leefwijze van jagers-verzamelaars werd bepaald. De nazaten van Adam en Eva waren in hun sedentaire leefvorm voorgoed afgesloten van de paradijselijke omstandigheden van de jagers-verzamelaars en werden geconfronteerd met de harde werkelijkheid van het leven in grotere anonieme groepen. Vrouwen kregen het zwaar. Voedselschaarste was hun deel. En omdat vrouwen daardoor kleiner van gestalte werden, was baren een pijnlijke en moeizame zaak. Dat de vrouw volgens Genesis kinderen in pijn zou baren, moet je naar het oordeel van van Schaik letterlijk nemen. Dat je zo ook naar de hele bijbel kon kijken was nieuw voor Michel en ze togen samen aan het brainstormen over of je zo niet de hele bijbel kon lezen. De kiem voor het Oerboek was gelegd.

 

Het Oerboek volgt de indeling van de bijbel in de Thora, die de boeken Genesis, exodus en de wetgevende boeken omvat, de vroege en de late profeten en de geschriften. Aan de Thora worden de delen 1 en 2 van het boek gewijd. Aan de profeten deel 3 en de geschriften deel 4. Tenslotte komt in deel 5 het Nieuwe Testament aan bod.

 

De hoofdvraag van het boek is: hoe heeft een oorlogsgod, die blijkens het brandend braambos vulkanische trekken had en toebehoorde aan een klein volk het zover kunnen schoppen? Er waren rivalen te over. De exemplaren van het boek waarin deze Werdegang beschreven staat, loopt tot op de dag van vandaag in de miljarden. Niet alleen het Jodendom, maar ook het Christendom en de Islam zijn erdoor geïnspireerd. Hoe zit dat?

 

Vervolgens de vraag hoe zich deze god heeft kunnen ontwikkelen van een strenge kwade genius van onder andere de verdrijving uit het paradijs en de bestraffing met een oervloed tot de geraffineerde god-wetgever van Leviticus en de persoonlijke god van de Psalmen.

 

Ter discussie staat dus de bijbel niet als theologisch pièce de résistance maar als een door mensen bedachte tekst die de overgang begeleidt van jagers-verzamelaars naar sedentair levende groepen van tamelijk anonieme samenstelling. Dat is de vondst van deze twee auteurs en die is bij mijn weten uniek.

 

Laat ik beginnen met te schetsen wat ze er voor nodig hebben. Dat is in de eerste plaats een drieledige menselijke natuur, die ze kortweg, eerste, tweede en derde natuur noemen.

De eerste omvat wat je zou kunnen zeggen de ‘instinctieve’ uitrusting van de mens, waar alle biologisch gegeven aandriften vandaan komen en die nauw aansluit bij het jagers-verzamelaars bestaan. Het gaat om aangeboren gevoelens, reacties en voorliefdes. Deze zijn genetisch verankerd. De schrijvers laten er nogal uiteenlopende zaken onder vallen.

De eerste natuur omvat dan ook van alles: ouderliefde, rechtvaardigheidsgevoelens, gevoel voor onrecht, afschuw van inteelt en infanticide, angst voor het onbekende, gevoelens van verplichting, tal van complexe gevoelens maar ook het besef dat er bovennatuurlijke actoren zijn. Religie zit op die manier als religieuze gevoeligheid ingebakken. De auteurs gaan in het laatste hoofdstuk zover dat de ze deze vorm van religie dan ook niet zo gemakkelijk zien verdwijnen. Elk mens is ermee behept, ook vandaag de dag nog.

De tweede natuur is de habitule natuur bestaande uit over het ruggenmerg lopende aangeleerde automatismen die ontworpen zijn om de tekorten van de eerste natuur aan te vullen. De tweede natuur is volgens de auteurs verwant aan Bourdieu’s habitus, in Bourdieus onnavolgbare jargon: de ‘structure structuré structurante’ (‘gestructureerde, structurerende structuur’). Deze zorgt voor de reproductie van maatschappelijke verhoudingen en voor de vasthechting van de lotgevallen en effecten daarvan aan het lichaam. Dat draagt daardoor de kenmerken van de sociale verhoudingen waaronder iemand leeft. Zodoende omvat deze tweede natuur alles wat we binnen de eigen groep vanzelfsprekend doen maar dat wel ooit aangeleerd is en derhalve van groep tot groep of van cultuur tot cultuur verschilt. De eerste natuur speelt er ook in mee voor zover eenmaal aangebrachte habituele praktijken sterke gevoelens van bijvoorbeeld weerzin oproepen, zodra van die praktijken wordt afgeweken. Deze natuur is affectief van aard.

De derde natuur is het stelsel van regels en voorschriften waar een ratio voor bestaat en is dus verstandelijk van aard. Ook die natuur is ontworpen door mensen maar met behulp van rationele middelen waarbij een beredeneerde analyse van de omstandigheden waarin mensen verkeren is gevolgd. Van religie bestaat dus ook een intellectuele variant die als een soort protowetenschap gefungeert. In verband met dit protowetenschappelijk karakter voeren de schrijvers in het laatste hoofdstuk Augustinus op, die voor een belangrijke aanvulling zorgde: God schreef niet alleen de bijbel maar ook het boek van de natuur. Dat nam Galileo Galilei over en vele vroegmoderne wetenschappers met hem. Religie is zodoende de wegbereider van wetenschap. De intellectuele religie maakte in de geschiedenis van de mensheid wetenschap op brede schaal pas mogelijk, aldus de auteurs. De vormen die bijv. in de Griekse Oudheid, los van de bijbel, zijn ontstaan kregen pas in verbinding met de Christelijke religie als protowetenschap de vereiste autoriteit.

 

Tot de kern van intuïtieve religie behoort het gegeven dat “bovennatuurlijke wezens het aardse doen en laten in de gaten houden”. De auteurs claimen wereldwijde verbreiding van dit gegeven over alle perioden van de menselijke geschiedenis. De gevoeligheid ervoor is aangeboren. Deze wezens treden vooral bestraffend op. In dat verband kiezen de schrijvers voor de zgn. ‘bovennatuurlijke boete hypothese’: menselijke vergrijpen blijven niet ongestraft. In het verlengde daarvan wordt religie opgevoerd als een evoluerende factor in het verklaren van gedrag. Immers, goden gedragen zich als mensen. Op basis van ons eigen menszijn weten we hoe goeden zich gedragen. Religie houdt gelijke tred met deze overeenkomst en is dus naar beeld en gelijkenis met de mens geconcipieerd. Je weet hoe god opereert ook al heb je hem nooit ontmoet. De moraal voor de goden komt van de mensen. Dat is een omkering van jewelste. Moraal is ouder dan religie, zeggen de auteurs Frans de Waal na. Deze omkering is wel eentje die de auteurs maar gewoon zo laten. Dat doen ze wel vaker in het Oerboek. Een zuinige en falcificeerbare theorie wordt niet geleverd. Maar dat religie evolueert is daarmee wel op de kaart gezet.

Het is met animisme begonnen. Dat tref je al aan bij de jagers-verzamelaars. Daar gaat het om geesten die ter verklaring worden opgevoerd van wat mensen overkomt aan rampen en ongemakken. Naar mate de religiositeit onder aanvoering van religieuze experts zich betrekt op de complexer wordende samenleving, komt religie in beeld als het resultaat van een institutionaliseringsproces: “een separaat domein van denkbeelden en handelingen met specialisten en een min of meer uitgewerkte godsdienstige leer”. Religie gaat dan tot de tweede natuur behoren. Moraal is daarbij niet de bepalende factor maar juist de uitkomst van een god die evolueert van boz, loerende geest tot een saamhorigheid producerende, disciplinerende god. Werkelijk gebeurde rampen zoals de zondvloed zorgen voor de ervaring van schuld onder invloed van een elite die dit soort verbinding en discipline probeert te bevorderen, (vaak met het oog op de vergroting van eigen macht, maar dat zeggen de auteurs er niet bij). Religie wordt meer en meer een intellectuele aangelegenheid van rampenbestrijding en gaat tot de derde natuur behoren. Deze evolutie vindt plaats in de periode dat er naar de huidige inzichten vanaf de vorming van Juda en Israel over het schrijven en samenstellen van de de Oud-testamentische bijbelboeken is gedaan.

 

De rampenbestrijding vindt plaats tegen de achtergrond van de beschavingsgeschiedenis zoals die door Jared Daimond is beschreven in diens Paarden, Zwaarden, Ziektekiemen. Dat boek was de inspiratie voor het Oerboek. Daimonds boek gaat over de overgang van groepen jagers/verzamelaars naar de vestiging van grotere meer anonieme groepen in steden en staten. Het bespreekt de rol van de domesticatie van plant en dier in landbouw en veeteelt, de opkomst van rivaliteit en strijd, en de vatbaarheid voor ziekten die van dier op mens worden overgedragen. Het sedentaire bestaan is een enorme stap. En niet zonder gevaren: mensen worden afhankelijk van elkaar, bezit wordt belangrijk, taakverdeling en arbeidsdeling zorgen voor administratieve en organisatorische problemen rond wie er wel en niet hoeven werken en er dreigt schaarste doordat mensen vaak geen kant op kunnen en zodoende bloot staan aan rampen en epidemieën.

 

De auteurs van het Oerboek lezen de bijbel als de geschiedenis van morele voorzieningen gericht op hoe aan deze problemen het hoofd wordt geboden. De verdrijving uit het paradijs is de straf voor de aantasting van bezit: geen appel van de boom uit mijn tuin, luidt het verbod. De oorzaak is niet wat theologen ervan gemaakt hebben: negeren van het verbod te eten van de boom van kennis van goed en kwaad. Bescherming van bezit zit niet in de eerste natuur. Daar is een inslijping in de tweede voor nodig. Het verhaal laat zien hoe mensen die aanvankelijk in paradijselijke omstandigheden hun voedsel bij elkaar zochten, nu allerlei voorzieningen moeten treffen. De god en religie van de bijbel zijn daarvan het verslag. De broedermoord van Kaïn op Abel gaat hierop doorgeredeneerd over overerving van bezit ter voorkoming van de verbrokkeling ervan. Een op bezit gebaseerde samenleving levert nu eenmaal geweld op. De moord op Abel die ten onrechte bezit claimt, leidt het tijdperk in van despotische bezitsverdediging. De zondvloed, de spijswetten, de seksuele regulering, wetten over verwantschap, wetten als markering van wie wel en niet tot de groep behoort – ze worden allemaal in verband gebracht met de eisen die aan sedentair leven werden gesteld.

 

De auteurs geven ook een verklaring waarom juist deze god zich tot een monotheïstische ontwikkelt. De schrijvers beschouwen dat als “het intellectuele meesterwerk van een kleine elite priesters en schriftgeleerden”. Weliswaar geen bewuste schepping maar het resultaat van een metamorfose tijdens de Babylonische gevangenschap. De twee staten Juda en Israel hebben beide een god die gestaald wordt door twee maal de ondergang van een staat te trotseren: eerst Israel in 722 en later Juda in 587. In deze voor de ontwikkeling van de bijbel vruchtbaarste periode wordt Jahweh een god die door twee maal zijn aanhangers te straffen zijn suprematie vestigde.

 

Ik kan onmogelijk en detail ingaan op de wijze waarop de auteurs deze begeleidende geschiedenis beschrijven en verklaren. Het Oerboek is daarvoor te omvangrijk en te gedetailleerd. Daarbij vind ik het niet altijd even scherp en bondig. De schrijvers doen niet veel moeite de aangebrachte nieuwe structuur in de bijbelverhalen op het einde van elk hoofdstuk zo samen te vatten dat je weet wat je voor een beter begrip van de culturele evolutie van de vorige fase naar de volgende moet meenemen. Daardoor verdwijnt de evolutie uit het zicht, terwijl het idee dat Jahweh zich van een onbeduidende stammengod die mensen uit het paradijs verjaagt met vulkanische eigenschappen ontwikkelt tot een troostende en zorgende vader die het in de psalmen opneemt voor de individuele gelovige, juist zo’n gouden greep is en veel theologische beschouwingen van kanttekeningen voorziet.

 

Ik vind wel dat met name in hoofdstuk 9 maar ook op andere plaatsen in het boek de auteurs zich te buiten gaan aan antropomorf taalgebruik voor god zelf. Het is een erg actieve god. Nu is dat voor een deel ook schrijfstijl, maar het leidt onvoldoende tot het articuleren van een theorie. Jahweh doet van alles, maar vooral maakt hij zich geloofwaardig door credibility enhancing displays, (CREDs) en door een costly signal strategy die een ‘cultureel immuunsysteem’ doen ontstaan. Het is niet duidelijk wat voor theorie hier achter steekt. Want Oerboek brengt weliswaar veel literatuur samen (het leeuwendeel van de aangehaalde werken zijn van deze eeuw) maar de schrijvers integreren die bulk aan literatuur niet tot een verklaringspoging die even kort kunt samenvatten en gebruiken. De auteurs schrijven mij iets te losjes over wat de mensen in de periode van de overgang van jagers-verzamelaars naar stedelingen en dorpelingen allemaal te ervaren kregen. En het wemelt van de veronderstellingen die zomaar ineens te hulp worden geroepen. Bijvoorbeeld: in hoofdstuk over Jezus van Nazareth blijkt het geloof in een voortbestaan na de dood integraal onderdeel te zijn van onze aangeboren intuïties. Maar dat niet alleen: de intellectuele religie blijkt duidelijk uit te zijn op “de beloning van de rechtvaardigen in het hiernamaals”. Waarop baseren de auteurs zich hier? Ik vind dat het Oerboek hier en daar derailleert, zeker ook in het deel over het Nieuwe Testament en de figuur van Jezus. Volgens de auteurs is Jezus eigenlijk een jagers-verzamelaars Jezus die de grote verlangens uit deze periode van de mensheid doet herleven: hij is erg vrouwvriendelijk, gericht op verzoening, herstel van gemeenschapszin, opkomen voor elkaar, elkaar steunen, enz. Het zijn zaken die veel meer in overeenstemming zijn met de eerste natuur en het jagers-verzamelaarsbestaan, wat volgens de auteurs bijdraagt aan het succes van Jezus. Onze eerste natuur knapt in de ogen van van Schaik en Michel wel erg veel op. Hij zorgt bijv. ook voor de heropleving van de religie in Pinkstergemeenten en andere, op religieuze ervaring gerichte groeperingen. Daarbij gaan de auteurs geheel voorbij aan het gegeven dat religies ook een machtsfactor zijn in de bedwelming en misleiding van gewone mensen zodat ze zich niet langer meer roeren. Het biologisch-evolutionaire gezichtspunt gaat soms wel heel erg ver: van het vermogen van de mensen zich tegen de eerste natuur te weer te stellen blijft vrijwel niets over. En eerlijk gezegd: ik zelf geloof niets van die afhankelijkheid van de eerste natuur met zijn ingebakken religiositeit. Ik heb er althans geen last. Van. En één uitzondering is genoeg. De these over de rol van godsdienst als wegbereider van wetenschap is interessant maar weinig onderbouwd. Hij zal daarom wel veel discussie opleveren. Immers, wetenschap is bepaald geen christelijke of ‘westerse’ aangelegenheid. Machtsuitoefening door de religieuze elite ontbreekt totaal.

 

Maar dat zijn geen ernstige tekorten. Het Oerboek is een hele stap vooruit in het begrijpen van religie. Juist door de Bijbel op te vatten als een door religieuze experts samengestelde kroniek van de overgang van een jagers-verzamelaars levensstijl naar een sedentaire wordt religie op een prachtige wijze mensenwerk. Wij pleiten in Culture as Embodiment voor een gedragswetenschappelijke benadering van religie. Dit boek komt aardig in de buurt en is bij mijn weten uniek. Je wordt erg gestimuleerd om naar de diverse Bijbelboeken te kijken als een instrumentarium voor reflectie dat zijn weerga niet kent en ons doet begrijpen dat voor het inrichten van een samenleving een soort onaantastbare gebruiksaanwijzing nodig is. Er moeten voorzieningen worden getroffen die mensen ervan doordringt waar het in het leven om gaat. De geschiedenis van de mensheid heeft maar één samengestelde tekst opgeleverd die dat doet voor uiteenlopende gebieden van het leven. Daarvan hebben mensen gebruik gemaakt om de samenleving leefbaar te maken. Van Schaik en Michel laten zien hoe dat in zijn werk is gegaan. Dat maakt de tekst minder heilig maar niet minder gewichtig.

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: