Gepost door: Voestermans and Verheggen | 5 maart, 2017

Het antropoceen waar we wat aan hebben.

Is het niet een veel te negatieve term, antropoceen? Ik bedoel: is deze naam niet bedoeld voor het tijdperk van de zorgelijke invloed van de mens zelf? Is het wel zo’n neutrale term voor de invloed van de mens? Antropoceen heeft inmiddels toch een tamelijk negatieve bijklank? Niet iets om vrolijk van te worden, wel?

Misschien is er inderdaad veel om je zorgen over te maken, maar om ons wakker te schudden heb je geen notie van een seculiere apocalyps nodig. Wat moeten we aan met filosofen zoals René ten Bos, de nieuwverkozen denker des vaderlands, die ons in zijn laatste boek: Dwalen in het antropoceen, het bos instuurt? Hij weet het allemaal niet meer. Zelf zegt hij het in een interview in de Volkskrant zo:  “Het boek begint tamelijk normaal, maar het wordt gaandeweg steeds maffer. Ik stuur mijn publiek met vaste hand het bos in. Omdat ik het zelf ook niet weet! Ik kan wel heel netjes uitleggen wat ‘antropoceen’ is en waar de discussie over gaat, en dat een beetje systematisch opschrijven – dat doe ik ook, de eerste hoofdstukken zijn voor iedereen te volgen – maar op het einde kom je steeds meer kronkels en paradoxen tegen. En nergens een oplossing, nee. Er ís geen oplossing. Daar moet je mee leren omgaan, met die gedachte”.
Ik besef natuurlijk heel wel dat antropoceen een term is naar analogie van termen uit de geologische tijdschaal. Een term voor tijdvakken met een heel lange duur. Ook snap ik dat het vooral een term is voor de zogeheten ecologische footprint. Maar laat me hem toch gebruiken voor iets dat in dit boek wordt vergeten. Ach, wie van onze publieksfilosofen vergeet dat niet? Dat is de bijdrage van de gedragswetenschappen aan hoe de mensen zichtzelf zien en begrijpen en hoe deze wetenschap ook de middelen verschaft voor de inrichting van de wereld. Gedragswetenschappen spelen in dezen een cruciale rol. Door de gedragswetenschappen krijgt het antropoceen ook de vorm die het nu heeft. Daarin schuilt ook een deel van de oplossing voor de paradoxen waar ten Bos op stuit.

Immers, zolang de psychologie bestaat, bestaat wat je de psychologisering van de samenleving kunt noemen. De wortels van dat proces gaan diep. Eerst in de filosofie, maar later, na het eerst leerboek van de psychologie van de hand van Johann Friedrich Herbart, in de  de gedragswetenschap. Die wetenschap is nu al meer dan twee eeuwen bij ons, maar dat dringt nog niet echt serieus door bij het grote publek. Dat komt een negatief imago, dat wordt versterkt door de grote schandalen bij de sociale psychologie en het psychology bashing dat daarop volgde. We weten intussen dat veel sociale psychologie sloppy science is, met inventieve experimentatoren op een vierkante millimeter aan zogenaamde belangrijke issues. 
Maar er bestaan in de psychologie respectabeler takken van sport. Ooit werden die ‘psychonomie’ genoemd, een term die het niet heeft gehaald, ondanks een goed voorbeeld bij het bestuderen van de sterren. Terwijl het samenleven van mensen door goed psychonomisch onderzoek fundamenteel is veranderd, wordt in politiek en maatschappij net gedaan alsof deze wetenschap niet bestaat.

Ooit werd psychologisering afgeschilderd als “de markt van welzijn en geluk” , de hulpverleningsindustie die zijn eigen lucratieve vraag schiep, en werd er de opmars van de “protoprofessionalisering” in gezien. Dat is, pregnant geformuleerd, het door leken handig gebruik maken van diagnostische labels om de eigen verantwoordelijkheid te ontlopen: “beste meneer de rechter, ik ben onveilig gehecht geraakt en daarom deed ik dit”. Beide vormen van kritiek – hoe terecht ook als je let op het onkritisch gebruik dat er van de psychologie wordt gemaakt – gingen geheel voorbij aan de wetenschappelijke inhoud van het vak.

Wat is de kern van de psychologisering? Dat is de beschrijvinging en verklaring van gedrag door gebruik te maken van beproefde inzichten uit de gedragswetenschap. Daarbij gaat het om de inzicht in denken, voelen en handelen aan de hand van toetsbare theorieën over de productie en organisatie van gedrag en samenleven. De psychologie kan die beschrijving en verklaring inmiddels beter geven dan de sociologie of antropologie, wetenschappen die hun ontstaan danken aan staatkundige veranderingen in de 19e begin 20ste eeuw en de politiek van staatsvorming en imperialisme begeleidden.

Het reilen en zeilen van de maatschappij wordt niet langer bepaald door macht, structuren  of processen zoals grofweg beschreven in de sociale wetenschappen. De machtgerelateerde privileges van de weinigen die de touwtjes in handen hebben komen voort uit de micro-gebeurtenissen die de gedragswetenschappen beschrijven. Door psychologisch te begrijpen van wat mannen, vrouwen en kinderen drijft, inclusief deze potentaten, komen we verder. De psychologie beschikt immers ook over hanteerbare kennis van hoe de macht werkt en hoezeer narcisme en “psychopathology light” fnuikend zijn voor menselijk samenleven. De gedragswetenschappers hebben een tamelijk concreet beeld van hoe het sociale wordt gegenereerd. Hoe de ‘social tuning’ van gedrag het samenleven bepaalt.

Ook geeft deze wetenschap handvatten om de ontwikkeling te begeleiden van de technologie op het gebied van nano, AI, superintelligentie, de bionische mens, mens-(reken)machiene interactie enz. Zij stelt ons immers in staat preciezer te bepalen wat ons tot mensen maakt. Intelligentie is maar één deel, (zelf)bewustzijn een ander. De bijdrage van emoties en gevoelens aan kennen en handelen is nog zo’n onderwerp waaraan deze tweede verlichting kan bijdragen. Cognitive & affective science zijn goede kandidaten om de filosofische speculaties over menselijke en dierlijke kenvormen en affecttoestanden van nieuwe en betere brandstof te voorzien. Ook het anti- of non-humanisme dat schuil gaat achter de algoritmen die door middel van Big Data onze voorkeuren beter inschatten dan wij zelf (met dank aan Homo Deus van Yuval Harari; lees dat boek!) kan alleen gedragswetenschappelijk ontmaskerd worden en niet door filosofie of literatuur. Het is de wetenschap die de kracht van analogieën en metaforen onderzoekt. Misschien moeten fysici die zich vertwijfeld afvragen waar de super-quantumcomputer staat waarop ons heelal als illusie draait – de film de Matrix is nooit ver weg in dit soort discussies – zich eens tot de cognitiewetenschap wenden.
Psychologie helpt ook bij het vestigen van een seculiere moraal die een einde kan maken aan de goddelijke bevelsethiek van de religie. In de seculiere moraal is een gidsende rol weggelegd voor wat het goede leven uitmaakt. Mede onder invloed van psychologisering weten we verduiveld goed wat machthebbers corrumpeert en wat angst allemaal kan uitrichten. We beseffen beter hoezeer sentimenten – gevoelens en emoties – naast explicite en goed geformuleerde opvattingen – gedrag organiseren. Er staan veel meer voorbeelden in onze twee boeken.

Ik zou dit de Tweede Verlichting willen noemen. Deze is een vervolg op de eerste die geinspireerd was op Spinoza’s denkbeelden en opvattingen; op wat hij ons leerde over de lichaamsgebonden en van de gevoelsorganisatie afhankelijke kennis en hoezeer wijsheid in deze eerste kenvormen orde behoort te stichten. Daar hoort ook een speciale organisatie van de maatschappij bij. Uiteindelijk legde Spinoza’s politieke theorie de gronslag voor de hedendaagse civic society.

Spinoza is de gedragswetenschapper avant la lettre die met recht de inspirator van deze tweede, gedragswetenschappelijke verlichting kan worden genoemd. Hoe zouden wij zonder psychologische inzichten in – laat ik maar wat opsommen – mannelijkheid en vrouwelijkheid, in seksuele orientatie, in motivatie voor gedrag, intelligentie, cognitieve vermogens en de mogelijkheid tot scholing etc. onze levenstijl vorm hebben kunnen geven?  Dat is het antropoceen waar we wat aan hebben.

Nawoord. 
Ger Groot vraagt zich in zijn boek ‘De geest uit de fles. Hoe de moderne mens werd wie hij is’ af wat de filosofie nog kan betekenen in het antropoceen. Ik zou zeggen: probeer een verstandige alliantie met de gedragswetenschappen en begeleid hun bevindingen kritisch door er vooral goed kennis van te nemen. De wetenschap van de psychologie is meer dan honderdvijftig jaar bezig met gedegen onderzoek naar waarnemen, denken, voelen, oordelen en handelen. Zij die hulpverlening en deskundig gedragsadvies tot een markt van welzijn en geluk verklaren en de deskundologica van psychologen aan de kaak stellen, vergeten deze achtenswaardige historie. Psychologie bestaat echt als wetenschap. Dit in weerwil van een slechte pers over zijtakken als de experimentele sociale psychologie die inderdaad sloppy science afleverde. Dat moet ons niet afleiden van de kernfocus van het psychologisch onderzoek: de tot standkoming van betekenisvol handelen met inachtneming van waarmee mensen fysiek, cognitief en affectief zijn toegerust. Vooral de filosofie moet zich vergewissen van zijn historisch bepaalde lichaamloosheid en geringe aandacht voor het sociale, dat wil zeggen  voor lichamen en breinen in meervoud. Pas dan kan ze meedoen in het antropoceen.

Paul Voestermans

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: