Gepost door: Voestermans and Verheggen | 1 januari, 2018

‘Exit cultuur’ revisited

Het zo vaak op deze weblog bepleitte “Exit Cultuur” d.w.z. cultuur niet langer opvoeren als verklaring voor gedrag is een bloedserieuze zaak. Even kort nog, bij wijze van samenvatting: als je cultuur als gedragsverklarende variabele afschaft ben je gehouden op zoek te gaan naar wat bepaalde patronen in gedrag wél verklaart. “Cultuur van….”-redeneringen helpen daarbij niet. Er bestaat teveel gedragsvariatie binnen wat je bijvoorbeeld met “de Marokkaanse cultuur” of “de Turkse cultuur” als culturele groep bestempelt. Dat geldt ook voor het gebruik van “de cultuur van politie” om bepaalde misstanden in het corps aan te duiden. Je mist dan juist het bijzondere dat de groep als geheel plaagt.

In de Volkskrant van 30 december vertelt Tommy Wieringa de journalist Laura de Jong over een opmerkelijke ommekeer in zijn denken. Hij was ooit mordicus tegen grenzen. Ze leiden tot bekrompenheid en ze verhinderen mensen om deel te nemen aan de verworvenheden van de wereld die er zo langzaamaan tot tevredenheid van zeer velen is ontstaan. Maar zo denkt hij niet langer. Hij wil nu dat de buitengrenzen van Europa goed bewaakt worden want de toevloed wordt te groot van mensen met opvattingen, gevoelens en praktijken die duidelijk een stap terug zijn. Vergelijk ze met waar wij intussen zijn aangeland, bevrijd als we zijn van religieuze ballast rond bijvoorbeeld kledingvoorschriften, eetvoorschriften, seksueel gedrag en sekseverhoudingen en het wordt klip en klaar dat we duidelijke afspraken moeten maken over wie wel en wie niet en hoeveel. Het gaat niet van harte, zegt Wieringa maar het moet: “Vriendinnen van me kunnen niet prettig door delen van Amsterdam fietsen. Dat vind ik onaangenaam. (…) Ik ervaar verlegenheid wanneer ik met de preutsheid van de orthodoxe islam wordt geconfronteerd. Vrouwen die me niet aankijken in het contact. Ontmoetingen die ongemakkelijk verlopen omdat ik niet hetzelfde geloof heb. De Marokkaans-Nederlandse voetballertjes met wie ik na een rugbywedstrijd de kleedkamer deelde, die gekleed douchten. Daar zelf naakt tussen gaan staan is dan vreemd. Lichamelijke en geestelijke preutsheid verheft zichzelf tot norm en infecteert ook degene die er niks mee te maken heeft”.

Wie goed om zich heen kijkt ziet overal vergelijkbare reacties. De mensen die nog uit eigen ervaring weten hoe het ruim een halve eeuw geleden bij ons hier eraan toeging als seks, de man-vrouw verhouding en gezag ter sprake kwamen, of zich uit de tweede hand van de toenmalige gebruiken op de hoogte hebben gesteld, gruwen van de terugkeer van preutse praktijken, bazige mannen en achtergestelde vrouwen.

Deze achterlijkheid, want dat is het, kan niet genoeg worden gedocumenteerd. Ook de afwijzing kan niet scherp genoeg zijn. Maar er is één zaak waar we goed op moeten letten als we voor dichte buitengrenzen pleiten: wat afgewezen wordt is gedrag, dat wil zeggen bepaalde vormen ervan, en geen mensen. Het gaat om gedrag dat is aangeleerd in omstandigheden in het land van herkomst die in het land van aankomst niet meer van toepassing zijn. Desondanks denken sommigen in hun gemeenschap dat dit gedrag opnieuw moet worden verordonneerd. Waarom? Omdat het die leden van de gemeenschap goed uitkomt. Ook al zijn de omstandigheden nu radicaal anders, het is duidelijk dat er onder de nieuwkomers voormannen – ja hoofdzakelijk mannen – zijn die de verhoudingen zoals die lagen in het land dat ze hebben verlaten willen handhaven. Dit is de crux in mijn pleidooi voor exit cultuur. Er bestaat geen gedrag dat van ‘de cultuur’ kan worden afgeleid of erdoor wordt voorgeschreven. Of preciezer gezegd, het haalt weinig uit als je op een of andere ‘culturele’ oorsprong wijst. Er bestaat alleen gedrag dat lokaal wordt aangeleerd en dus ook kan worden afgeleerd. Je zou willen dat bij alle pleidooien tegen gedragingen uit het jaar nul veel radicaler op zoek gegaan wordt naar de bron ervan. Die ligt niet in de cultuur.

Betekent dit naming en shaming van concrete lokale groeperingen? In zeker opzicht ja. Maar niet meteen van mensen, maar wel van wat er wordt aangericht. Het betekent ook dat weglopen van verantwoordelijkheid wordt afgestraft. Dus naming zoals dat ook bij #MeToo het geval is. (Met shaming moet je voorzichtig zijn. Eigenrichting is gebrek aan beschaving.) Ook daar moet gedrag met naam en toenaam worden benoemd. Iedereen weet dat je daarbij zorgvuldig te werk moet gaan. Zomaar met de vinger wijzen naar wie je toch al graag een loer wilde draaien wordt niet getolereerd. Het moet gaan om seksueel gedrag waarvan de betrokken vrouw of man zeer nadelige gevolgen ondervindt. Hetzelfde geldt voor de achterlijkheid waarvan Wieringa ons staaltjes laat zien.

Neem dat gekleed douchen. Wat is er mis met de zedelijkheidsopvatting van de jongetjes? We scheiden toch overal bij het opfrissen bij sporten mannen en vrouwen? We hebben hier toch een zedelijkheidsnorm die we allemaal vanzelfsprekend vinden? Waarom mogen anderen dan niet tegen naaktheid tout court zijn? Heel eenvoudig. Op het gevoel dat er iets mis is met naaktheid kan gemakkelijk identiteitspolitiek worden geënt. Wie met de gemeenschap andere zaken voorheeft dan een gedeelde toekomst komt gepreek over het lichaam dat bedekt moet blijven waar ‘zij’ het zomaar tonen, goed uit. De jongetjes in de douche worden dan al heel gauw zover gebracht dat ze niet meer gewoon meedoen. Omdat we allemaal een lichaam hebben met verlangens waaraan vorm gegeven moet worden, is de seksuele moraal altijd een een handig middel geweest tot controle en machtsuitoefening. De conservatieve islam staat daarin niet alleen. Maar we hebben niet voor niets de laatste vijftig jaar een hele weg afgelegd van preutsheid naar vrijzinnigheid, zodat dat gepreek van moralisten geen kans meer krijgt. Het heeft vrouwen in het algemeen bevrijding gebracht, maar vooral ook die vrouwen die van het patriarchale gezag in hun culturele groep te lijden hebben.

Er zijn ook stemmen die zeggen dat het allemaal zo’n vaart niet loopt. Zo haalt Leo Lucassen in DeKanttekening van 4 december, 2017 onderzoek aan waarin optimistisch wordt gewezen op de geringe moeite die de meeste vluchtelingen uit islamitische landen zullen hebben met de kernwaarden van de Nederlandse samenleving (zie het rapport van de WRR, Geen tijd te verliezen uit 2015 en het rapport van het SCP Vluchtelingengroepen in Nederland uit 2010). Ze doen er wel 20 jaar over, staat ook in die rapporten. Wat Lucassen altijd in zijn reacties vergeet – maar daar is hij historicus voor en geen gedragswetenschapper – zijn de concrete gevolgen van vastgeroeste lokale praktijken uit het multiculturele rariteitenkabinet der uitheemse gedragingen voor mensen in de wijken waar de ‘anderen’ zo vaak gehuisvest worden. Dat went niet in een twee drie. Daar moeten eerst concrete ontmoetingen hun beslag krijgen.

Inderdaad, integratie is een proces van lange adem. Het gaat om hardnekkige patronen in gedrag. Die wijzigen zich niet op stel en sprong. Maar dit soort bevindingen over integratie in deze rapporten nemen de zorgen van dit moment niet weg. Ze geven ook geen inzicht in de bron van de hardnekkigheid. Die ligt ook in de onwil van wie de contole in de islamitische gemeenschap wil behouden, zoals dat ooit ook bij de Christelijke kerken het geval was. Dat probleem wordt in deze rapporten niet eens aangestipt, laat staan gediagnosticeerd. En dat moet wel degelijk.

Vergeet overigens niet dat veel van de door Wieringa gelaakte gedragspatronen, vooral die welke gaan over de man-vrouw verhouding en over het gedrag van jonge jongens, mede het gevolg is van botte intimidatie en het aanjagen van angst, iets dat elk groepsgedrag karakteriseert. De op straat “hé, hoer”-hissende jongens leren dit gedrag in eigen kring onder invloed van wat overal, ook onder de Nederlandse jongeren die afkomstig zijn uit kringen van wie hier al geslachtenlang wonen (zo omslachtig moet je het formuleren: ‘vaderlandse herkomst’, zeg maar) het geval kan zijn: niet willen onderdoen voor elkaar. Het heeft niets te maken met ‘cultuur’. Van de jongens van vaderlandse herkomst die zoiets doen zeg je ook niet dat het “hun cultuur” is.

Om kort te gaan: de hekel aan gescheiden zwemmen, halal, vrouwen die apart gehouden worden etc. die ook Wieringa voelt, vindt zijn oorsprong in het bij ons voor altijd verslagen gewaand moralisme dat bij de nieuwkomers nog springlevend is. Moralisme is heel iets anders dan normativiteit. Dat laatste is gezamenlijk zonder aanziens des persoon luisteren naar wat goed is voor ons allemaal. Moralisme is dat er een bevoorrechte groepering is die anderen haar zedelijkheidnormen of haar kijk op het leven oplegt. Daar zijn we goddank vanaf. Dreigt dat terug te keren dan proberen we de buitengrenzen te sluiten.

Dus bewaakte buitengrenzen? Zeker! Maar dit hierboven ook.

Paul Voestermans

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: