Gepost door: Voestermans and Verheggen | 22 april, 2018

Het lichaam van de filosofen

Daarmee wordt natuurlijk niet hun eigen lichaam bedoeld, maar hoe ze over lichaam gedacht hebben. Al is dat eerste is ook wel een beetje waar: het gaat ook om hun eigen lichaam. Immers, het concrete lichaam van de filosoof heeft menig filosoof echt dwars gezeten. Dat was bij Descartes zo, bij, Nietzsche, bij Wittgenstein, bij Weber, Scheler en vooral ook bij Foucault. En niet te vergeten bij Augustinus en het meest van allen, bij Paulus. En wat te denken van Sartre?

Wat hebben deze filosofen gemeen en wel zo dat het hun denken over lichaam in verregaande mate heeft bepaald? Je moet jarenlange ervaring hebben in de wetenschap van de psychologie om dat naar boven te kunnen halen. Ik bedoel niet als therapeut, maar als gewone onderzoeker en iemand die over bruikbare concepten nadenkt. Ik deed dat laatste vooral in de twee boeken waar deze site omheen is gebouwd.

Augustinus en Paulus hebben in hun jonge jaren de bloemetjes van een vrij seksueel leven behoorlijk buiten gezet. Maar ze zijn net als iedereen ouder geworden: “sader and wiser”. Ze stelden zichzelf op den duur de vraag: “is that all there is” en zijn toen begonnen aan het ontwerpen van een seksuele moraal waaruit eerder hun teleurstelling dan hun seksuele vreugde blijkt. Descartes heeft nooit kunnen verwerken dat hij in wellicht een onbewaakt moment zijn dochter Francine verwekte bij een Nederlandse vrouw. Hij wantrouwde passies niet voor niets. Nietzsche heeft altijd geleden onder de liefde voor Cosima Wagner. Zo’n kramp naast een tamelijk kwetsbaar lichaam zijn niet bevordelijk voor een evenwichtige kijk op het lichaam. “Ein Wort für ein Etwas am Leibe” noemde hij die Seele. Dat is een dijk van een vooroordeel tegenover geest en een overschatting van het lichaam. Dat is zo particulier dat je altijd geest nodig hebt om het lot van deze particulariteit te compenseren: is je lichaam niet zo geslaagd, dan is er altijd nog de geest of de ziel.

Wittgenstein zat te zeilen met zijn vriend David Pincent en oreerde in de boot eindeloos over filosofie in plaats van gewoon deze jongen zijn liefde te verklaren. Iedereen zal dit herkennen: je praat maar door en je praat maar door, terwijl je hoopt op een teken dat je voor altijd bij hem of haar mag blijven. Maar je bent niet zo dapper zelf zo’n teken te geven omdat je bang bent voor de deconfiture dat je je maar wat in je hoofd haalt. Ook dat levert geen positief beeld van het lichaam op, laat staan van seks. Weber is een verhaal apart. Hij was wat je een een ‘crypto-womanizer’ kunt noemen met een groot schuldgevoel rond zijn eigen lichamelijke verlangens en gelukkig een vrijgevochten welhaast feministische vrouw die zijn verlangens en daden niet echt onder vuur nam. Is dat het gunstigste klimaat om op goede ideeën over lichaam te komen? Ik weet wel zeker van niet en het tekent zijn werk over compenserende noeste arbeid en ijver, waarvan hij en zijn werken een voorbeeld zijn. De brokken sociologie van de Protestantse ethiek, ascese, charisma, broederschap en religie staan stijf van de preoccupatie met het lichaam. De biograaf Joachim Radkau heeft ze deskundig uitgebeend. Schelers lichaam speelt ook op in heel zijn filosofie. Het eigen liederlijke liefdeleven maakte hem extreem gevoelig voor de liefde als ethisch thema. Ik tip het allemaal even kort aan. Biografieën te over die een en ander kunnen staven.

Dit is geen gesnuffel naar gezinte of in iemands priveleven. Mij gaat het erom dat veel filosofen nauwelijks raad weten met lichaam en seks. Meestal verdwalen ze in een zeer abstract lichaam, vaak los van juist hun eigen ervaring. Omdat die in al zijn concreetheid gevaarlijk is? Een goede vraag; dus werk aan de winkel! Aude sapere!

In sommige gevallen zoals bij Deleuze en Guattari, postuleren ze een soort lustmachiene waarover niemand beschikt. Doordat hij of zij niet over de wenselijkheden en/of vaardigheden beschikt die ervoor zorgen dat anderen zich voldoende voelen aangetrokken of door het onbreken van de vereiste virtuositeit, worden de meeste lichamen zo akelig concreet dat Freud kon spreken van “het lichaam als lot”. Niet iedereen is aantrekkelijk genoeg voor lust in optima forma. Status en aantrekkingskracht lopen vaak door elkaar heen zodat onduidelijk is waar de ander precies op valt. Dit speelt vooral bij oudere, vaak onaantrekkelijke, invloedrijke mannen en jongere vrouwen (soms ook mannen) die achteraf hun geringe weerbaarheid betreuren. #MeToo heeft dat akelig concreet gemaakt.

Foucault is een mooie illustratie van waar abstractie toe leidt. In zijn laatste werk over seksualiteit Les aveux de la chair, De bekentenissen van het vlees, gaat hij diep in op de grondleggers van de westerse visie op seksualiteit en seks: de Grieken, de Romeinen en de Christenen.

Uit eerdere delen was al gebleken dat Foucault niets moet hebben van de zogenaamde ‘onderdrukkingshypothese’. Opvallend is juist dat er al eeuwen lang één massieve produktie heeft plaatsgehad van vertogen, verhandelingen, of hoe je dat ook noemen wilt, over ‘seks’. Proliferatie in plaats van repressie dus. Dat is begonnen met de Grieken en de Romeinen. Maar vooral onder invloed van het Christendom – dat volgens Foucault gewoon de Romeinse vormgeving uitvergroot – is er geen sprake meer van een natuurlijke aandrift maar van een door een specifieke geschiedenis van overheersing en onderwerping geproduceerde ‘seksualiteit’ waar heel de Westerse wereld onder lijdt. Hoe abstract wil je het hebben?

Foucault beschrijft het een en ander met een term uit de krijgskunde; een term die slaat op iets dat ‘inzetbaar’ is, dat wil zeggen gebruikt kan worden bij de aanval of verdediging, bij het bewerkstelligen van iets. Hij gebruikt de term dispositief, in het Engels ‘deployment’, een woord dat verwijst naar iets (meestal een leger) dat ingezet en ontplooid kan worden. Het gaat om militante en controlerende voorzieningen inzake seks.

Het bleef niet bij de Christenen. Volgens Foucault hebben ook de menswetenschappen, en dus ook de seksuologie, eerst en vooral technische gevolgen die met beheersing te maken hebben. Dat hebben de menswetenschappen met de natuurwetenschappen gemeen. Er wordt iets mee gemáákt, gecontroleerd of tot stand gebracht, of dat nu wetenschappelijk verdedigbaar is of niet. Het gaat om een bepaalde praktijk. Er zijn zaken mee gemoeid die op den duur routinematig geproduceerd worden. Er is van een zeker automatisme sprake. Het gebeurt gewoon op een bepaalde wijze. Je hebt er geen erg in. Wat op die manier automatisch en routinematig gebeurt, kan door niemand meer naar eigen willekeur worden gestuurd: denk aan de hele zwik van de LHTB identiteit. Tegen wil en dank ben je altijd ‘gewoon’ of een van deze.

Deze algemene karakterisering van de menswetenschappen is in het bijzonder van toepassing op de seksuologie, de wetenschap van de seks, de scientia sexualis. Voor je er erg in hebt, worden er op seksueel gebied dingen beleefd en gedaan vanuit het gezichtspunt van de wetenschap van de seks. Er zijn voorbeelden te over: het zich aanmeten van een seksuele identiteit, het op je nemen van een vrouwelijke of mannelijke geslachtsrol (gender), het bewaken van je seksuele oriëntatie of voorkeur conform de eisen van de groep waartoe je behoort etc. etc. Er bestaat een ontwikkelingspsychologie van de seks, die ieder van ons in zijn greep heeft. De inmiddels meer dan een eeuw oude seksuologie (ik laat de geschiedenis daarvan beginnen met het verschijnen van Richard von Krafft-Ebings standaardwerk Psychopathia sexualis, waarvan de edities uit 1892, 1893 en 1894 dikker en dikker werden) loopt over van de vertogen over seks, waarnaar de mensen zich zijn gaan gedragen. Althans als je de ‘discours’, het ‘wetenschappelijke metagepraat’ moet geloven!

Bij natuur en techniek accepteren we dat er naar aanleiding van wetenschappelijke ontdekkingen steeds nieuwe snufjes bijkomen. Op den duur kunnen mensen daar niet meer omheen. Foucault pleit ervoor dat we dat gezichtspunt onverkort handhaven voor de menswetenschappen. Klaslokalen, gevangenissen, psychiatrische inrichtingen, consultatiebureaus, maar ook psychotherapie kennen allemaal hun eigen specifieke technische ontwikkeling. Ook op seksueel gebied is dat het geval. Onder het brede label ‘seksualiteitsdispositief’ vat Foucault al die ontwikkelingen in de seksuologie samen, waarbij het niet bij woorden alleen gebleven is. Het gaat dus niet alleen maar om zoiets als ‘moraal’ of ‘leefregels’; het gaat om nieuwe vindingen. Die kunnen variëren van anti-conceptiva tot het diagnostische instrumentarium uit het DSM III (en zijn aanvullingen), waarmee variaties in seksueel gedrag en beleven tot in de kleinste familie-episodes kunnen worden uitgevlooid. De vondsten op dit gebied raken ieders gedrag. ‘Dispositieven’ zijn dus aantoonbare voorzieningen. Die hebben weliswaar hun oorsprong in kennis, maar zijn op den duur los daarvan het menselijk doen en laten gaan structureren. Ik moet toegeven, hier is Foucault ijzersterk!

Maar toch, gaat het hier nog over het lichaan van jou en mij? Of over dat van Foucault zelf van wie bekend is dat hij in San Francisco de ‘leather scene’ opzocht? Ik denk van niet.

In onze boeken Culture as Embodiment en Cultuur & Lichaam maken we onderscheid tussen Lichaam 1 (L1), het microfunctionele lichaam en Lichaam 2 (L2), het macro-operationele. L1 is het lichaam van de electrochemie, van genen, hormonen en neuronen; L2 dat van de zelfpresentatie en van de lokale praktijken die zorgen voor vaardigheden en virtuositeit of juist niet, voor stijl en vormgeving of juist voor het tegendeel: verwaarlozing en lompheid. L2 gedijt bij training en oefening, en veronderstelt inbedding in een gemeenschap waarbinnen een en ander geoefend kan worden. De klemmende vraag is: wat belemmert de goede vormgeving en de juiste vaardigheden? Gaat het gespeculeer van Foucault hierover?

Hoe kundig Foucaults tekstuitleg ook is, Augustinus wordt veel te serieus genomen. Deze kerkvader ontwierp een seksuele moraal waar hij zelf te oud voor was om er hinder van te ondervinden. In zijn jeugd had hij genot genoeg gekregen. Dat vertelt hij openhartig. Je kunt het afleiden uit zijn Belijdenissen. Dat vergeet Foucault.

In de geschiedenis en onderzoek van de seksualiteit en de seks moet het gaan om de vraag hoe door de vele filosofische en theologische speculaties lichaam en lust ondergesneeuw raakten.

Kan het komen doordat de geleerden leden aan hun eigen lichaam en lust?

Paul Voestermans

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: