Gepost door: Paul Voestermans | 13 februari, 2022

Waarom vormen klasse en status zo’n hardnekkig probleem

Bij alle commotie over vinkjes en ongelijkheid nog maar een keer deze post.

Kansenongelijkheid in al zijn varianten van ongelijkheid in inkomen, vermogen, onderwijs, arbeid enz. enz. is hardnekkig. Het begint – zo wordt standaard geredeneerd – bij geldgebrek en onprettige woonomstandigheden in probleemwijken. Maar wat te zeggen van de ervaring dat op je wordt neergekeken? Of niet beschikt over het juiste culturele kapitaal? (Denk aan de “zeven vinkjes” van Joris Luyendijk in de VK van 5 feb. 2022, waarvan je er toch een paar moet hebben om dat neerkijken te voorkomen: “Man, wit, hetero. Dat zijn er drie. En verder: minstens één hoogopgeleide of welgestelde ouder, minstens één in Nederland geboren ouder om de cultuur van de meerderheid mee te geven, een vwo- of gymnasiumdiploma, en een diploma van de universiteit.”)

In al zijn vormen en in het bijzonder in die van onderwijsachterstand – te merken aan manieren van doen, accent, wijze van kleden, manier van bewegen etc. etc. want verschillen in leefwereld zitten in kleine, meestal lichaamgebonden dingetjes – tast de kansenongelijkheid de uitgangspositie aan in het leven in het algemeen.

In deze bijdrage zal ik ruim aandacht besteden aan status/klasse met de nadruk op hardnekkige gedragspatronen thuis, op school, op straat die bijvoorbeeld jongeren hinderen in het vinden en volgen van de geëigende opleiding en daarmee de deelname aan de samenleving bemoeilijken. Met in het bijzonder aandacht voor wat de kloof groter maakt: hoge status versus lage en de extra mogelijkheden bij het bevoorrechte deel om het onderscheid te versterken. Extraatjes die vooral samenhangen met “the presentation of self in everyday life (met dank aan Erving Goffman).

Er speelt dus meer dan alleen geld- en woonproblemen etc. Geen gemakkelijk onderwerp omdat het over de leefwereld gaat, een term die Wittgenstein al gebruikte voor wat het moeilijkst te doorgronden is: de plek waar je heel je lichaam inclusief je gevoelens handig leert gebruiken (of op een wijze die geen indruk maakt) en niet alleen je cognitief vermogen. (Ik besef heel goed dat klasse een meer economisch aspect vertegenwoordigt en status vooral over beleving van achting en respect gaat. Ik laat dat sociologisch onderscheid voor wat het is en gooi status en klasse in dit stuk min of meer op een hoop.)

In de NRC van vrijdag 9 oktober 2020 werden twee boeken besproken die tot onderwerp hebben (1) de te grote nadruk op hoofdarbeid en (2) op een kosmopolitische intelligente levensstijl. Hand- en hartarbeid wordt verwaarloosd: het werk van boeren, technici en bouwers, van de zorgmedewerkers in ziekenhuizen en verpleeginstellingen. Klasse- en statusverschillen dus. Beide boeken over het probleem status en klasse werden in de besprekingen als onbevredigend afgeserveerd.

Michael Sandel die het boek De tirannie van verdienste schreef krijgt het verwijt dat hij het vraagstuk van de te lage status van veel hard werkende mensen terugbrengt tot gebrek aan erkenning voor de lagere sociale klasse. Bovendien heeft hij nauwelijks oog voor de economische kant. Is het wel gebrek aan erkenning? Moet bijv. de erfbelastingen de belasting op vermogenswinst drastisch worden verhoogd om een meer gelijk speelveld te krijgen? En moet de belasting op werk niet drastisch omlaag? Is er wel echt sprake van sociale marginalisering van deze groepen of zijn er andere dingen aan de hand bij bijv. het stemmen op Trump of voor Brexit? Hoe zit het met outsourcing naar lagelonenlanden? Is dat niet de voornaamste oorzaak van economische marginalisering van arbeiders? Volgens deze boekbespreker mocht er wel wat meer economie in Sandels boek.

David Goodhart, die het boek Head, hand, and heart schreef krijgt het verwijt dat hij veel te weinig differentieert en alle hand- en hart-werk op een hoop gooit waardoor we niet goed meer kunnen zien welke beroepen nodig blijven en welke echt aan creatieve destructie ten offer zullen (moeten) vallen. Daardoor verwatert het erkenningsprobleem tot het naar Goodharts eigen zeggen verwaarloosde “psychologische vraagstuk” van dat status verplaatst is van hand/hart naar hoofd. Maar Goodhart levert bij deze psychologische constatering geen bruikbare psychologie die deze verschuiving verklaart en oplost. Het is een hardnekkig gegeven dat je status niet zomaar kunt uitdelen, die verkrijg je op basis van wat je zichtbaar en merkbaar levert. Hoe krijg je het voor elkaar om status zo te distribueren dat deze niet alleen naar hoofd maar ook naar hand en hart gaat?

Nauwelijks had ik deze kritiek van de recencenten opgepikt of ik kreeg in de Volkskrant van 10 oktober 2020 een reeks gegevens voor de kiezen die het probleem nog ingewikkelder maken. Uitgebreid onderzoek door een stel jonge onderzoekers van de Erasmus School of Economics, geleid door de econoom Bastian Ravesteijn, zochten uit welke factoren inkomenskansen en dus vooral de economische klasse- en de vaak ermee gepaard gaande statusverschillen vergroten of verkleinen.

Het bleek dat wanneer je van twee willekeurige mensen uit twee plaatsen in Nederland alleen weet wat het inkomen van hun ouders is, hun geslacht kent en weet waar ze hun kindertijd doorbrachten, je al kunt zeggen hoeveel de een zal verdienen en hoeveel de ander. Talent is minder bepalend dan waar je wieg staat was de kortste conclusie in het krantenartikel dat Joris Tieleman en Jonathan Witteman naar aanleiding van dit onderzoek schreven.

Ongelijkheid als economisch vraagstuk is hot maar de vraag hoe economische ongelijkheid nou precies iemands positie op de statusladder bepaalt of op welke wijze je tot een bepaalde klasse veroordeeld raakt en vaak erin blijft hangen, is veel minder onderzocht. En nog minder aandacht is er voor de ongelijkheid als gevolg van onvoldoende, onaangepast of ronduit slecht onderwijs

Even nog wat meer over het economische verhaal: een paar opmerkelijke uitkomsten.

(1) Steden bevatten de meeste kinderen met migranten-ouders en die scoren nu eenmaal laag in kansen. Daarnaast zijn er ook veel Amsterdamse kinderen van niet-migrantenouders die laag scoren. Dus de migratieachtergrond is een deelverklaring.

(2) In de steden wonen steeds meer mensen van dezelfde soort. Door gentrificatie en doordat de scholen tamelijk homogeen zijn, kunnen mensen zich daar minder makkelijk optrekken aan voorbeelden uit allerlei millieus. Op het platteland bestaat er vaak wel een gelukkige mix. Dat verklaart waarom de inkomenskansen op het platteland vaak groter zijn dan in de stad.

(3) Het onderzoek gaat over jonge dertigers. Toen die jonge waren woonden zij in steden waarin nogal wat probleemwijken lagen. Dat zou verklaring kunnen bieden voor in vergelijking met landelijk Nederland lagere kansen van de dertigers in de steden.

Nog een paar krenten uit de pap: het noorden van Nederland komt er slecht vanaf omdat daar minder mensen wonen en er veel minder aan kansen scheppende industriepolitiek is gedaan. De Haagse politici zijn er opgehouden de ambtenarenbanen beter te spreiden. In het begin bij de mijnsluiting in het zuiden deed Den Haag dat nog wel maar dat beleid werd niet volgehouden waardoor de regio noord verpieterde.

Wat meer details over de migranten: de dertigers uit die groep – Turken, Marokkanen, Antillianen en Surinamers – doen het slechter dan jongeren zonder deze achtergrond. Maar dat geldt niet voor de jonge vrouwen. Alleen zij maken de sprong voorwaarts; jongens die altijd in Nederland hebben gewoond met ouders die het duidelijk slecht hadden in het begin van hun verblijf hier, blijven achter. Hier geboren zijn maakt niet veel uit. Dat is opmerkelijk.

Dan nu een paar suggesties richting het waarom van dit alles.

Wat we in Cultuur & Lichaam en in Culture as Embodiment gedaan hebben in de hoofdstukken die we aan status/klasse hebben gewijd, is de inkomens- en kansenverschillen relateren aan verschillen in sociale rangorde en waardering. Met als rode draad: opkijken en neerkijken.

De verklaring voor deze rangordening zoeken we in habituele praktijken die zich lichamelijk hebben ingesleten onder invloed van het leven in intrinsiek sociale groepen. (Dat zijn groepen waar men zichzelf echt lid van vindt. Ze verschillen van groepen die voor het beantwoorden van onderzoeksvragen kunstmatig gemaakt zijn op basis van een aantal indicatoren zoals sekse, inkomensverschillen e.d.)

Dat deze ingeslepen praktijken een rol spelen is niet meteen duidelijk omdat mensen met praktische beroepen heel vaak een prima inkomen hebben maar zich toch geremd weten in wat Bourdieu ‘cultureel kapitaal’ heeft genoemd. Cultureel kapitaal omvat zaken waarin je je kunt onderscheiden van mensen die geen goede smaak hebben ontwikkeld en nogal eens normoverschreidend gedrag ten toon spreiden. Moeilijk in zijn algemeenheid te bepalen wat dat is, maar makkelijk aan te wijzen in concrete omstandigheden. Soms gaat het om hufterigheid of brutale omgangsvormen. Maar ook om duidelijke verschillen in manieren van doen die herkenbaar aan bijv. bewegingspatronen, uiterlijk, kleding, stijl en natuurlijk huidskleur in het geval van etniciteit enz. Kortom aan de algehele presentatie van het zelf in het alledaagse leven.

Door op deze inslijpingen te letten komt klasse als leefomgeving of leefwereld weer terug in het hart van de problematiek van de verdeling van cultureel kapitaal en kansen en wordt dat kapitaal de crux. Het etiket ‘waar je wieg staat’ kan aldus specifieker worden gemaakt. En ook het opkijken tegen mensen die het beter getroffen hebben of het neerkijken op mensen die lager staan op de statusladder kan op die manier gerelateerd worden aan gedragspatronen die in die intrinsiek sociale groepen zijn opgedaan.

Wat te doen aan deze gescheiden leefwerelden?

1. Praat eens met de mensen die zogenaamd ‘laag op de ladder’ staan en leer hun wereld kennen. En doe dat ook in het onderzoek: stap af van kwantitatief vragenlijstenonderzoek en ga gestructureerd spreken met wie je onderzoeken wilt; net zo lang tot je niks nieuws meer hoort. Meestal is dan na vijftien of twintig goed gestructureerde inteviews wel duidelijk waar de pijn zit; hoe hardnekkig de patronen zijn waar de mensen die je wilt snappen last van hebben.

2. Realiseer je dat de lage of hoge bereidheid je te laten scholen onderdeel is van dat opgedane patroon. Soms leven jongeren onder vrienden die de school maar niks vinden. Hoog vindt het vanzelfsprekend om voor kwalitatief degelijk onderwijs te kiezen; laag is daar niet zo zeker van. Als daar geen voor deze jongeren uitdagend onderwijs tegenover staat maar hooguit meegaand maatwerk, dan levert onderwijs dus geen weermiddel meer tegen ingesleten praktijken. De keuze voor of tegen onderwijs is vaak zelf onderdeel van het opgedane patroon. In kwalitatief goed onderwijs op maat wordt dit patroon opgemerkt en doorbroken.

3. In onze boeken proberen we deze patroonvorming te begrijpen. We sluiten aan bij het onderzoek van Pierre Bourdieu die met het begrip habitus een brug probeert te slaan tussen het sociologisch gecijfer met aggregaatkenmerken als basis: inkomen, woonplaats, geslacht e.d. en psychologisch inzicht in hoe groepsgebonden praktijken ervoor zorgen dat de bestaande sociale verhoudingen in de directe leefwereld gereproduceerd worden. Die praktijken leveren immers duidelijk aan het lichaam af te lezen houdingen op die de actoren o.a. op een ongemakkelijke manier laten bewegen in kringen waaraan ze niet gewend zijn. Het lichaam van de chirurg is echt anders dan dat van de bouwvakker. De gemeenteambtenaar beweegt anders dan de vrachtwagenchauffeur. Het zit in taal en spraak, in de smaak voor muziek, huisinrichting, eetgewoonten en wat er thuis op de buis komt.

4. Neem het lichaam voor wat het is, maar let ook op iets anders: waarop zijn de gevoelens die in dat lichaam huizen en ermee tot expressie worden gebracht – het geleefde lichaam is eerst en vooral een expressief lichaam – afgestemd? Wat iemand denkt, voelt en verwoordt wordt mede voortgebracht door de voorafgaande en voortdurende fijnregeling en ijking in de groepen waarin iemand dagelijks in gezin, op het werk, in de klas en bij het uitgaan verkeert. Daar wordt de smaak gevormd voor de keuze voor een bepaalde opleiding, voor het soort werk dat je wilt, voor het type hofmakerij dat bij je past, het soort woonomgeving waarin je je prettig voelt enz. En dus ook de gerichtheid op sociale stijging ja dan nee, en hoe je omgaat met de statusverschillen.

Eerst even terug naar de man-vrouwverschillen in inkomen waar het onderzoek op wijst en het opvallend verschijnsel dat in migrantengroepen de meisjes meer kansen zien dan jongens. Zou het kunnen dat de meisjes in die kringen eerder kijken naar wat het mogelijk maakt om te ontsnappen aan mannelijke dominantie? Die is in migrantengroepen veel duidelijker aanwezig dan bij de niet-migranten. Ook bij deze laatsten is natuurlijk nog veel te winnen als het gaat om een gelijk speelveld voor mannen en vrouwen, maar er zijn wel duidelijke stappen gezet. In de migrantengemeenschappen is hier nog een inhaalslag te maken die de vrouwen aldaar – met hun seksegenoten uit niet-migrantengezinnen als mogelijk voorbeeld – voortvarender lijken te maken dan de mannen.

Denk nu niet meteen dat het met deze nadruk op het lichaam om een dwangbuis gaat. Maar hoe iemand ‘uit de bakkerij’ komt – mooi, lelijk, soepel, houterig, schonkig of elegant -en met welke vormgevingsmogelijkheden iemand in aanraking is gekomen, zegt veel over welke kansen er zijn.

Dat is de manier waarop wij in onze boeken naar statusverschillen kijken. Geen psychologie van opvattingen en denkbeelden, redeneringen en overtuigingen maar van praktijken, gevoelens, automatismen die alleen door training en blootstelling aan alternatieven verder kunnen worden bijgestuurd en verfijnd.

En bij dat laatste schiet ons onderwijs tekort. We hebben lichamelijke opvoeding en expressie door woord en gebaar tot een minimum teruggebracht en laten verdampen tot educatieve vorming en lespakketten met een cognitief waterhoofd. We hebben scholen gehomogeniseerd tot witte en zwarte scholen, tot scholen met een door levensovertuiging gedicteerd karakter, maar ze hebben ook een eenvormigheid gekregen door een veel te vroege voorsortering op taken die in hoofdzaak aan taal en rekenen gekoppeld zijn. Het leren van een ambacht wordt uit de buurt van andere leertaken gehouden. En zelfs de vaardigheidstraining is eenzijdig gefocust op cognitieve taken.

Er is inmiddels zoveel kritiek op het onderwijs dat daarvan geen impuls tot betere kansen meer uitgaat. Lees Jan Bransens boek over het onderwijs in Nederland: Gevormd of vervormd. Hier een bespreking. We moeten echt af van de gescheiden leefwerelden waarin scholieren leven: geen aparte gebouwen voor havo/vwo, mavo/vmbo en lts. Zet ze bijelkaar maar behoudt de leerroutes. Het zal een tijd duren voordat dit geregeld is, maar daarmee had gisteren al begonnen moeten worden.

We hebben ook hele wijken gehomogeniseerd door gentrificatie en het opbergen van minderheden in wijken die toch al niet zo’n hoge waardering genoten. Dat beperkt de mogelijkheden om te gaan met diversiteit.

Status en klasse zijn verschijnselen die niet gemakkelijk verdwijnen in een samenleving die egalitair wil zijn en ongelijkheid in al zijn verschijningsvormen wil bestrijden. Het is zaak status en klasse te ontleden met behulp van meer dan aggregaatindicatoren zoals afkomst, inkomen, geslacht etc. We moeten vooral ook kijken naar de intrinsiek sociale groep op straat en in de buurt, waarin het lichaam getraind wordt. We moeten in deze analyse kansen koppelen aan concreet aan te leren stilering en grotere beweeglijkheid door de nog steeds gestratificeerde samenleving waarin dubbeltjes maar moeilijk kwartjes worden. Wat met name het uitzoeken waard is, is hoe de mensen die zich bevrijd hebben van de stilering die opwaardse mobiliteit blokkeert hem dat geflikt hebben. Een onconventionele vraagstelling maar wel een die vast iets bruikbaars oplevert. Een voorbeeld is genoeg.

De macroscopische aanpak van de economische ongelijkheid in het onderzoek van Ravesteijn levert een informatieve kaart op van de kansenspreiding in de regio’s in Nederland. Wie slaat er niet aan het spelen met de site waar de Volkskrant je in staat stelt je eigen stad of dorp op te zoeken? Voor die kaart zijn sociologische indicatoren zoals de SES, de sociaaleconomische status, regionale afkomst en sekse gebruikt. Om de pijn van de ongelijkheid in sociale status echt te begrijpen zullen die indicatoren evenwel moeten worden aangevuld met microanalyses van het gedrag in de groepen waar de kansen op een beter inkomen laag zijn. Daarvoor is een apart instrumentarium nodig. Dat wordt geleverd in Cultuur & Lichaam en Culture as Embodiment. Het is een instrumentarium dat inzoomt op habituele praktijken, affecten die van sturende invloed zijn op keuzes voor onderwijs, woonomgeving, groepstoebehoren en op hoe hoog de lat wordt gelegd in een poging de eigen situatie te verbeteren. Kijk daarbij ook naar hoe de zgn. ‘hogere lagen’ opereren.

Maar wordt dat instrumentarium gebruikt in onderzoek? Nauwelijks, helaas. En dat ligt vooral aan de gangbare onderzoekspraktijk. Hier wreekt zich dat het type onderzoek dat nu de krant haalt in al zijn complexiteit de zaken toch sterk versimpelt. Echt uitzoeken hoe in kansarme regio’s gedrag wordt geproduceerd en in stand gehouden is meer werk en ingewikkelder, maar ook meer werkelijkheidsnabij. Het verheldert meer.

Het is dus niet “the economy, stupid” maar klasseen status zoals die geleefd worden in alledaagse gearrangeerde omstandigheden. Niet als sociologische entiteiten maar als leefwereld, als ervaringswereld. Immers in het leven van alledag worden gevoelens en strevingen, maar ook denkbeelden, tot een in het lichaam verankerd gedragspatroon geweven dat kansen beperkt, of ingeval van het bereiken van een hogere sport op de ladder, verruimt. Want denken dat de voorspoed die je geniet of de prestatie die je levert je eigen verdienste is, is een even hardnekkig patroon als ervan uitgaan dat je nooit een kwartje wordt. Beseffen dat het velen zijn die jouw verdiensten mogelijk maken is ook een ervaring die je niet helemaal uit de eigen koker haalt, maar mede het gevolg van de ijking van je gevoelen in de groep(en) waartoe je behoort. Ontkennen dat er een algemeen belang is dat voorrang dient te krijgen boven eigenbelang leer je evenzeer in de intrinsiek sociale groep, de klasse waarin je vanzelfsprekend tot de bevinding komt dat wat je bereikt hebt je eigen verdienste is. Meritocratisch denken is een groepsfenomeen met ook weer de stevige verankering in lichaamsgebonden praktijken: je beweegt je voort met de vanzelfsprekende tret: kijk mij eens! Juist daarin word je bevestigt. Zoals omgekeerd, je ook niet voor vol wordt aangezien – een zaak die je primair lijfelijk ervaart – als je het niet zo goed getroffen hebt.

Tegen mensen opkijken of erop neerkijken is een van de hardnekkigste patronen in gedrag; alleen te bestrijden door training met heel je hebben en houden, lichaam en geest in settingen waar mensen van diverse statuur samenkomen, weg van de eigen bubbel.


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: