Aan de dames Buikema, Saharso en Römkens,
U zegt het niet met zoveel woorden maar uw bijdrage aan de Volkskrant van 31 oktober heeft betrekking op de discussie over vrouwonvriendelijke culturele praktijken met in een aantal gevallen een religieuze sanktionering, neem ik aan?
Machteld Zee’s analyse van de sharia etc. kreeg steun van Jolanda Withuis en Elma Drayer. Die steun werd door een aantal vrouwen gezien als een ondermijning van de solidariteit met vrouwen die van deze praktijken te lijden hebben. Al eerder in de NRC van dinsdag 25 oktober werd daarom gepleit voor een solidariteit die medeleven garandeert. Dat doet u ook. U noemt met name de praktijken rond het breken van het maagdenvlies en de volgens u heel begrijpelijke hersteloperaties.
U doet een aantal forse uitspraken: 

(1) Wij vinden het problematisch, ook als een keuze niet in volle vrijheid tot stand is gekomen, om de voorkeuren van de betrokken vrouwen te negeren.

(2) Maar wat als zij onze opvattingen over vrijheid en onderdrukking niet delen? Zelfbeschikking betekent voor ons dat de ander de vrijheid heeft andere opvattingen te hebben. En dat deze andere opvattingen niet perse het onversneden resultaat zijn van indoctrinatie en onderdrukking. Zelfbeschikking kan vanuit verschillende aanvliegroutes tot stand komen en allerlei verschijningsvormen hebben.

(3) Na counseling bleek 29 procent van de vrouwen geopereerd te willen worden.

Ik zou graag van u vernemen waarop u deze oordelen baseert. Weet u wel wat culturele praktijken zijn? Ik heb u natuurlijke gegoogeld en een deel van uw werk goed bekeken. Ik kan nergens vinden waarop u als wetenschappers een beroep doet om dit soort uitspraken te doen. De culturele praktijken waarvan in deze discussie sprake is – besnijdenis van vrouwen, ze thuis bewaakt houden, eergerelateerde praktijken zoals die rond het maagdenvlies, sharia, etc. ontstaan in omstandigheden die niet langer meer van toepassing zijn in de samenleving van aankomst. Ze worden gesanctioneerd door een selecte en lokale groep geprivilegieerden, mannen in dit geval, en aanvaard door vrouwen op een tamelijk geautomatiseerde wijze, omdat ze gewend zijn zich affectief en cognitief te schikken naar de macht. Tegen dit soort praktijken is honderden jaren strijd geleverd in minstens drie feministische golven. Daar heb ik eerder over geschreven, ook in een opiniestuk in de NRC. Dat kunt u gemakkelijk opsporen.

Kan het zijn dat u alleen maar empathisch bent tegenover de vrouwen die van bepaalde praktijken te lijden hebben en daarom begrip opbrengt voor zelfs onvrijwillige keuzen? Maar u bent evenals ik – en evenals Zee en Withuis – wetenschapper. Dan behoort u zich te verdiepen wat cultuur is, wat culturele praktijken zijn, hoe de affecthuishouding ontregeld raakt, zodra er macht wordt uitgeoefend en angst een rol speelt, als een alleen door mannen gedefinieerde eer in het geding is enz. 

Dat u meevoelt met hun opvattingen van vrijheid en onderdrukking en dat u ook meevoelt met hun keuze voor een hersteloperatie, zelfs als de breuk van het maagdenvlies het gevolg is van verkrachting door mannen, is prachtig, maar u kunt daarbij niet voorbij gaan aan wat u behoort te weten als wetenschapper. U behoort zich te baseren op degelijk onderzoek naar de aard van deze praktijken, naar door wie ze worden opgelegd en door wie of wat in stand gehouden. Medelijden en medeleven alleen volstaan niet.

Hebt u uitgezocht welke vrouwen onder welke omstandigheden kiezen voor een hersteloperatie en onder invloed waarvan? Hoe weet u zo zeker dat deze vrouwen hun lijden in de context zien van weliswaar een gedwongen keuze maar dan wel eentje waar ze zich mee eens verklaren? Die 29% zeggen op zich niets.
Moeten deze praktijken niet worden ontmaskerd als verordonneerd onder lokale druk door lokaal opererende mannen die hun overwicht gebruiken? Als in het Zeeland van de Bevindelijken meisjes hier en daar op zeer jonge leeftijd buiten het huwelijk zwanger worden gemaakt, en vervolgens gedwongen worden door de lokale ouderlingen in samenspraak met de ouders deze schande ongedaan te maken in een huwelijksarrangement dat deze meisjes ongelukkig maakt, ook al hebben de meisjes daarmee ingestemd, dan gaan we toch ook niet alleen maar gevoel opbrengen voor deze praktijk, maar kaarten die aan door zorgvuldig te ontleden wat hier onbillijk en pijnlijk is? We weten dat het hier een dorpse lokale praktijk betreft die samenhangt met de overgang van platteland naar stad en met de wisseling van generaties. De Nederlandse cultuur of een religie als  het Christendom hierop aan te spreken, zou onzinnig zijn. Wat voor dit Zeeuwse voorbeeld geldt, geldt ook voor praktijken in bijvoorbeeld moslim gemeenschappen met lokale gebruiken die niet in overeenstemming zijn met de veranderde omstandigheden voor vrouwen in een modern Westers land als Nederland. Daar laat je geen feministische stellingnames op los, maar dit soort praktijken analyseer je.

In uw stuk reflecteert u geen moment op wat culturele praktijken voor praktijken zijn. Ik heb jaren onderzoek gedaan naar cultuur en gedrag. Daar zijn twee boeken uit voortgekomen die in de traditie staan van de cultuurpsychologie zoals beoefend aan het Psychologisch Laboratorium van de Radboud Universiteit. Cultuur wordt daarin psychologisch ontleed in de elementen die gedrag voortbrengen. De uitkomst van dat onderzoek leert dat een of andere ‘cultuur’ als eenheid opgevat geen gedragsbepalende factor kan zijn. De gedragsproductie is een zaak van lokale factoren en actoren die heel precies moeten worden gewogen en beoordeeld. En als sommige zogenaamde culturele gedragingen vrouwen geweld aandoen, hoezeer de vrouwen zelf er ook in meegaan en zich er niet tegen verzetten, en mannen vrijpleiten, hoezeer vrouwen zelfs dáár geen bezwaar tegen aantekenen, dan horen die precies in kaart gebracht te worden en niet op voorhand, zoals u doet, te worden vergoelijkt omdat het bij deze vrouwen om andere opvattingen over vrijheid en onderdrukking zou gaan. Hoe komt u daarbij? U denkt toch niet dat hun ‘cultuur’ hen deze andere opvattingen ingeeft?

U ben niet de enigen die zich zo uitgesproken opwerpen als de verdedigers van een vorm van respect voor praktijken die in sommige groeperingen vrouwen wel degelijk tot tweederangs burgers maken. Een week geleden in de NRC van dinsdag 25 oktober schreven de dames Oliviera, Alineat en Black een opiniestuk, waarin ze de dames Zee, Withuis en Drayer ervan proberen te doordringen dat hun feminisme past in de traditie van koloniaal denken. Ook dit gaat in naam van culturele praktijken die niet zo hard behoren te worden aangepakt als Drayer, Withuis en Zee voorstaan.
Ook bij Oliviera c.s. geen spoor van reflectie over wat culturele praktijken dan wel voor praktijken zijn.

Ik schreef hun:
“Het zal u drieën hopelijk niet zijn ontgaan dat ik me ongeveer een half jaar terug in een ingezonden stuk in de NRC sterk maakte voor wat er voor vrouwen is bereikt in drie opeenvolgende feministische golven. Ik schreef dat vanuit o.a. mijn competentie op het gebied van de geschiedenis van de psychologie, in het bijzonder die van seks en gender.
Uw verzet tegen het eenvoudig vangen van allerlei vrouwenonderdrukkende in sommige gevallen gewelddadige praktijken onder de noemer ‘islam’ met als voornaamste reden voor dat verzet het bestaan ervan in ook het Westen, blijft evenwel erg gratuÏt, indien u helemaal voorbij gaat aan toch wel een aantal heel specifieke vormen van (gewelddadige) vrouwonvriendelijkheid die wel degelijk – in vergelijking met hoe vrouwen in het westen worden behandeld – opzichtiger terug te vinden zijn bij moslim mannen.
Uw betoog is tamelijk abstract en richt zich alleen tegen de aantijging van de kant van Zee, Drayer en Withuis dat veel niet-moslim feministische vrouwen ten onrechte de kant kiezen van moslims als het over moslim praktijken tegen vrouwen gaat. Zeggen Zee en Withuis volgens u ten onrechte dat nogal wat ‘helper whitey feminists’ laat ik ze zo maar even noemen, sommige vrouwonvriendelijke praktijken onder moslim-mannen vergoelijken? Is dat niet zo, denkt u?
U schrijft: “Maar er is ook een andere feministische traditie, een van solidariteit met onderdrukte groepen en hun strijd. Dit is de traditie waarin wij, en veel jonge vrouwen, zich plaatsen en herkennen. De steunbetuigingen die wij ontvingen na onze actie (en ongegronde arrestatie) in Spijkenisse eerder dit jaar, toen we protesteerden tegen Wilders misbruik van feminisme om haat te zaaien tegen (moslim)migranten, is daar maar een klein voorbeeld hiervan.”
Keren Zee en Withuis zich tegen deze traditie? Waar haalt u dat vandaan? En waarom noemt unzelf niet man en paard? Er zijn wel degelijk praktijken die het verdienen te worden ontmoedigd.
Ik besef heel goed dat een aantal van u als VU wetenschappers wellicht vreest dat kritiek van o.a. Zee en Withuis ingegeven kan zijn door een algemeen anti-religieus sentimement. Dat zo gedacht wordt bij kritiek op specifieke religieuze gebruiken komt vaker voor wanneer ‘geloven’ in het geding is. Wie de eigen religie wil vrijwaren van kritiek gaat vaak mee met achterhaalde praktijken van andere religies zodra die door niet-gelovigen worden gekritiseerd. Loopt u dat gevaar ook niet in dit stuk?
Immers, waar ging het Zee, Withuis en Drayer om? Niet om de hoofddoek of onschuldig gekokketeer met de islamitische religieuze identiteit die zo ongeveer na de eerste Golf Oorlog en zeker na 9/11 in de mode is gekomen, maar om bijv. lichamelijke verminking, het gevangen houden van vrouwen, het exclusieve privilege van gelovige mannen over vrouwen te heersen, het onthouden aan vrouwen van een eigen ontwikkeling in naam van religieus conservatisme, eergerelateerd, door mannen afgedwongen praktijken rond het maagdenvlies, etc. Heb het daar eens concreet over, alstublieft.
Schrijf eens een stuk dat laat zien dat u dat soort praktijken durft te benoemen en af te keuren in plaats van heel in het algemeen op Zee en Withuis en Drayer af te geven. Want dat doet u toch? Of moet ik uw stuk anders lezen?
“Hun ideeën over de islam gaan steeds meer lijken op die van rechts populistische partijen. Hun speerpunten vormen hetzelfde rijtje: Keulen, de sharia, vrouwenbesnijdenis, hoofddoeken”, schrijft u? Waar staat het dat zij zo redeneren? Als je tegen dit soort praktijken bent, ben je populist? Waar baseert u dat op?
Ik steek de hand in eigen boezem: op mijn blog maar ook in de boeken die ik schreef met o.a. hoofdstukken over sekse en gender, en over religie, vindt u beschrijvingen van praktijken die ik aanmerk als extreem vrouw-vijandig en die ik hartgrondig afwijs, omdat ze verband houden met mannelijke privileges die aan vrouwen onthouden worden. Dat heeft niets met populisme te maken, wel met culturele en hier en daar religieus gesanctioneerde praktijken die alleen aan mannen voorbehouden zijn: kledingvoorschriften voor alleen vrouwen afkondigen, seksuele moraal voor alleen vrouwen verordoneren, gevangenschap opleggen aan vrouwen, eenzijdige, alleen aan mannen gegeven en aan vrouwen onthouden huwelijkse rechten opeisen etc. Vaak ook gaan zulke praktijken samen met traditiegebonden, exclusief mannelijk wederechtelijk geweld tegen vrouwen.
Waarom heeft u het daar niet over? Kunt u dat uitleggen of wellicht weerspreken in een stuk dat meer inhoud heeft?”
Zover mijn brief.

Ik kreeg niet eens antwoord! Dat zal vast komen door een volgelopen mailbox met berichten van reaguurders. Dus alle begrip.
Ik heb het evenwel over een ernstige tekortkoming in deze ingezonden opiniestukken: ze zijn geschreven door mensen die aan een universitiet werken en zich uitspreken in opiniestukken zonder daarbij de inzichten aan te leveren waarop ze zich baseren. Zijn dit wel discussies voor opiniestukken?
Graag uw reactie.
Hartelijke groet,

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans & Verheggen | 30 oktober, 2016

Wat zijn gevoelens

Heel kort vandaag. Wat zijn gevoelens?

Zijn het emoties die ongecontroleerd opborrelen uit de gevarenzone van een bedreigd bestaan? En als onze taal niet langer meer nuchter en zakelijk is maar vol opgewonden standjes, zoals bij reaguurders, twitteraars, Zwarte Pieten debaters en bij vele, vele andere onderwerpen, waar ligt dat dan aan? Aan oncontroleerbare emoties? Nee dus!

Gevoelens zijn geen emoties en taal wordt niet door emoties beheerst maar juist door gevoelens.

Wanneer taaluitingen met overslaande stem worden gebezigd, letterlijk hoorbaar of op papier is dat geen aanwijzing voor dolgedraaide emoties maar voor ongepolijste gevoelens, wat heel wat anders is. 
Het polijsten van gevoelens is een zaak van de gemeenschap waarin je opgroeit. Emoties zijn er om op de juiste wijze op gevaar of bedreiging te reageren. Ze staan niet onder invloed van bewuste sturing maar verzekeren ons van de meest adequate reactie. Zien we een beer in het bos of een groenig slangachtig voorwerp in het gras, dan slaan we op de vlucht of deinzen terug.

Toeristen die in een Amerikaans nationaal park een beer zien, rennen meteen weg. Als ze een veilig heenkomen hebben gezocht, trillen ze nog na en vertellen van hun angst. Het wegrennen gebeurt onder invloed van emoties, het natrillend vertellen van hun angst zijn gevoelens. Ervaren jagers die zich ook uit de voeten maken als het gevaar te dichtbij komt, slaan zich – eenmaal op een veilige plek – op de schouder van plezier over weer eens een mooi avontuur dat ze in geuren en kleuren straks in de kroeg kunnen vertellen. Ook hier is wegrennen een zaak van emoties, de gevoelens komen trots in hun verhaal.
Het verschil is meteen duidelijk: gevoelens ontstaan in de groep op basis van eenmaal opgedane ervaringen. Daar krijgen ze vorm.

Emoties zijn efficiente reacties op relevante gebeurtenissen. In de meeste gevallen hebben die te maken met basale gewaarwordingen van bijv. gevaar of aangevallen worden. Maar ook bij het zien van overmacht of juist kansen, bijvoorbeeld wanneer de seksuele aantrekkingskracht van een mogelijke partner heel erg groot is. Ligt de grens heel erg scherp? In de meeste gevallen wel. Maar doordat zowel emoties als gevoelens het gehele lichaam involveren, is de grens tussen emotie en gevoel nooit zo scherp dat er niet een gebied is van overlap. Je kunt de wegren reactie, of de walging en de angst bijvoorbeeld wel degelijk een getrainde vorm geven, maar dan zijn er meteen ook gevoelens in het spel. Zo zal een brandweerman die bij een ernstig ongeluk een ingeklemde gewonde met afgehakt hoofd uit het wrak moet bevrijden, getraind zijn om dit te doen, maar de eerste emotie van afkeer blijft. Dat geldt ook voor jongens die het koppensnellen onder de knie moeten krijgen, zo weet ik uit het veldwerk van de antropologe Michele Rosaldo.
Gevoelens worden alleen maar vormgegeven. Ze zijn in tegenstelling tot emoties wel cognitief doordringbaar en kunnen dus gepolijst, beheerst, zorgvuldig uitgedrukt en voor communicatie geschikt gemaakt worden. Dat vereist een gemeenschap waar deze vormgeving aangeleerd wordt.
Bas Heijne merkt in zijn bijdrage aan Opinie & Debat in de NRC van zaterdag 29 oktober op dat emoties van woede en verongelijktheid door niet alleen populisten maar ook door andere politici worden geëxploiteerd. Als dat gebeurt zegt hij dan dreigt taal  

“het vermogen (te verliezen) om uit te leggen en betrokkenheid te kweken (…) dan vormt zij een bedreiging voor de band tussen mensen en politici. Ik ben van mening dat dit proces zich vandaag de dag in onze democratieën voltrekt.”

Taal verliest dat vermogen niet onder invloed van emoties maar van gevoelens die onvoldoende worden gepolijst. Dat gebeurt in de gemeenschap waartoe niet alleen politici maar verder iedereen behoort. Het is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van iedereen om gevoelens zodanig vorm te geven dat ze de band tussen mensen onderling en ook die met politici niet bedreigen. 
Het komt op preciezer taalgebruik aan wanneer dit soort processen in de journalistiek besproken worden. Ik pleit daar regelmatig voor. Tegen de tendens gedragswetenschappen vanwege haar kwade roep door een aantal schandalen helemaal aan de kant te schuiven. Het gedragswetenschappelijk ongeïnformeerd gebruik van de term emotie en emotioneel leidt tot slecht inzicht in populistische manipulaties. Door het over gevoelens te hebben komt meteen in zicht wat er moet gebeuren: werken aan een aanvaardbare vormgeving die communicatie neit onmogelijk maakt. 
Paul Voestermans

In het prijswinnend essay van Marjoka van Doorn dat zaterdag 16 oktober 2016 in de NRC stond afgedrukt worden in verband met tolerantie 4 denkfouten gesignaleerd: (1) het zijn altijd anderen die intolerant zijn, (2) het is de zaak van iemand persoonlijk en niet van ons allemaal, (3) als we niet afrekenen met intolerantie gaat tolerantie helemaal eraan en tenslotte (4) leg tolerantie desnoods gedwongen op. 

Aan dit essay lag een heel proefschrift ten grondslag, ‘Toestaan met tegenzin: het beoefenen en bevorderen van tolerantie’. Ook daarin veel aanwijzingen hoe je tolerantie aan kunt leren. Het is sociale psychologie op zijn smalst want de belangrijkste denkfout wordt niet genoemd, namelijk het foutieve idee dat opvattingen in de zin van talig geformuleerde ideeën bij de praktijk van tolerantie en intolerantie de dienst uit maken. Dat is helemaal niet het geval.

Het is een denkfout die maar moeilijk begrepen wordt. We besteden er flink wat aandacht aan in ons boek Culture as Embodiment. Tolerantie en intolerantie zijn namelijk praktijken, dingen die mensen automatisch doen op basis van gevoel voor de consequenties. Juist deze affectieve component is belangrijk bij tolerantie/intolerantie. Waarom zeggen mensen dat ze niets tegen moslims hebben maar dat ze halal eten op een kinderdagverblijf waar moslimkinderen naast niet-moslimkinderen zitten te ver vinden gaan? Waarom wel moslims accepteren maar dat vrouwen naar de pijpen van mannen moeten dansen en zedig gekleed moeten gaan om hen niet te prikkelen, scherp afwijzen? Heel simpel: het eerste kun je in woorden vangen en gemakkelijk aanvaarden, het tweede gaat over praktijken en die worden door andere zaken aangestuurd dan door in zinnen gevangen beweringen. Halal eten en door de sluier gesuggereerde onderdanigheid zijn praktijken die elders en onder totaal andere omstandigheden zijn aangeleerd. Omstandigheden die niet meer van toepassing zijn in een samenleving waar nog niet zo heel lang geleden met dat soort zaken is afgerekend. De weerstand die een en ander oproept is geen cognitieve maar een affectieve aangelegenheid. 
Nog maar iets meer dan een halve eeuw terug droegen vrouwen in Nederland als ze de straat opgingen hoofddoeken of hoeden, zeker in de kerk. Meisjes mochten niet in broek op school verschijnen. Dat waren ingeslepen gewoonten die vast ook hun oorsprong vonden in voorschriften van patriarchale  leidinggevenden in kerkelijke en burgerlijke instellingen. Daar is grondig mee afgerekend en naar de tijd van vrouwen en meisjes die hun plaats behoren te weten willen we niet meer terug. De machinerie die vrouwen dit gedrag inpeperde door bijvoorbeeld afwijking van de regels streng te straffen of te ridiculiseren, is voorgoed onklaar gemaakt. Wie nu weer pleit op basis van seksuele moraal voor naar sekse gesegregeerde scholen of kledingvoorschriften afkondigt op basis van diezelfde moraal gaat terug in de tijd en daar gaan zeer veel Nederlanders niet in mee, hoe tolerant ze verder ook zijn.
Dat is de kern van al het gedoe rond sharia rechtbanken, hoofddoekjes, boekini’s, halal, salafistische of joodse weigering vrouwen de hand te schudden etc. Wat in vezet komt zijn gevoelens die een totaal andere praktijk ondersteunen. Die zijn opgedaan in bijvoorbeeld een duidelijk emancipatoire strijd of in gevecht met machthebbers die bijvoorbeeld wederrechtelijk vrouwen in een afhankelijke positie hielden. Die tijd mag onder geen beding terugkomen. Vandaar dat mensen tolerant zijn maar niets moeten hebben van praktijken waarin vervlogen tijden herleven. 

Er bestaat heel wat geleerd gepraat rond opvattingen, denkbeelden, waarden en normen, tolerantie en intolerantie, maar het belangrijkste is het besef dat gedrag niet geredigeerd wordt in de cockpit van onze geest die volgestouwd zit met meningen en opvattingen. Dat wil maar niet doordringen. Het gaat ook om meer dan een denkfout. Het gaat om een totaal gebrek aan inzicht waardoor gedrag wordt aangestuurd.
Julian Kiverstein zegt het in Philosophical Topics zo: “The standard view in philosophy and psychology claims that mentalizing is necessary and sufficient for social understanding. Mentalizing (also known as “mindreading”) is the name given to the cognitive capacities humans employ in explaining and predicting their own and other’s actions. The standard view is rejected by philosophers working in the phenomenological tradition. They have argued that mentalizing is neither necessary nor sufficient for social understanding. They suggest instead that most of the time we understand each other through what Shaun Gallagher has called “embodied practices.”

Ik zou het niet beter kunnen zeggen.

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans & Verheggen | 6 oktober, 2016

Cement uit de molen van Martin Sommer

In de VK van zaterdag 1 oktober schreef Martin Sommer: “Het cement van de samenleving bestaat niet uit wetten, maar uit gevoelens, geloven, ideeën, gewoonten, opgebouwd in de loop der tijd. Normen en waarden, zouden wij zeggen. Goede manieren, schrijft Tocqueville, zijn de buitenste schil van de normen en waarden”.
Het lijkt zo duidelijk wat ons bijeen houdt, maar schijn bedriegt. Een klein beetje kennis van wat zich de laatste decennia in de psychologie heeft afgespeeld leert ons al gauw dat aan het cement geen eenvoudig recept ten grondslag ligt. De woordjes uit de gewone taal: ‘gevoelens’, ‘geloven’, ‘ideeën’, ‘gewoonten’ samengebracht onder de paraplu ‘normen en waarden’ zijn daarvoor veel te onprecies. Niks cement. Het lijmt of hecht van geen kant.
Tenzij we ons realiseren dat achter elk woordje een hele gereedschapskist steekt waarmee datgene waarnaar de woordjes verwijzen ontleed kan worden. En dan blijken gevoelens van heel andere zaken gemaakt te zijn dan ideeën, en geloven van weer iets anders. En gewoonten lijken op geen van deze. Ze vormen dus een klasse apart. Waarden en normen zijn wéér heel iets anders en of goede manieren de buitenste schil vormen? Geloof dat maar niet. Waarom nemen journalisten niet de moeite zich een beetje met die gereedschapskist vertrouwd te maken. Dat moeten ze toch ook met de gereedschapskist van de Nobelprijswinnaar chemie, Ben Feringa? Op het moment van schrijven – 6 oktober 2016 – stond een groot deel van het gereedschap tamelijk precies beschreven in de NRC. Waarom zo slordig met factoren die ons zedelijk gedrag bepalen?
Stel dat iemand genen, allelen, eiwitten en basen op een hoop zou gooien en dat chromosomen zou noemen en dan zou zeggen dat weefsel de buitenste schil vormt? En dat dit het cement van ons lichaam is? Je zou niet meer verder lezen.
Toch is dat wat er gebeurt in het artikel waarin Sommer zich afvraaagt waarom normen en waarden een slechte reputatie hebben en het met inburgering maar niet wil lukken: het kernthema van de column. Het gaat slecht met “mentaliteit, omgangsvormen, gedrag en vlijt”, met het cement van de samenleving dat bestaat uit “gevoelens, geloven, ideeën, gewoonten, opgebouwd in de loop der tijd”. Geen wonder dat zowel de christen-democraten als de liberalen er niet uit komen. Hier worden allerlei zaken op de grote hoop gegooid in plaats van ze zorgvuldig te onderscheiden.
De wrok van de lager opgeleide en de triomfantelijkheid van de well-to-do zijn beide gevoelens. We weten uit de psychologie dat die voor een snelle route naar gedrag zorgen, waar waarden en normen, afkomstig uit in woorden en verhalen georganiseerde denkbeelden, geen vat hebben. Nog belangrijker is het te achterhalen wat er achter deze gevoelens steekt. Dat is voor de een het sterke geloof in waar de samenleving het meest aan heeft: aan een herstel van de maakindustrie in Nederland die ten onrechte naar het buitenland is verplaatst. We zien Donald Trump een beroep doen op dat geloof. Voor de ander is het het vaste geloof dat een verdere creatieve destructie nodig is om plaats te maken voor robots en een samenleving waarin vrijetijd steeds meer gewaaardeerd gaat worden. Geloof mag je niet op een hoop gooien met gevoelens. De ongemanierdheid van de eenkennige wrokkige massa moet je precies ontleden wil je er iets aan kunnen doen. Zoals je ook het cosmopolitische triomfalisme van de hogere klasse moet zien te begrijpen, wil je de kloof met de wrokkige onderlaag kunnen overbruggen. Pas als die brug er is, kun je beginnen aan het onvermijdelijke multiculturalisme dat nodig is wil er echt ruimte komen voor de gekleurde medemens en ruimte voor de inpassing van zijn manier van leven in het mozaiek van de Nederlandse ‘waarden en normen’.
De moluculair biologen moeten ook de zaken precizeren vooraleer er in het DNA geknipt en geplakt kan worden. Dat geldt ook voor wat een goede kandidaat zou kunnen zijn voor het cement van onze samenleving. 

Gepost door: Voestermans & Verheggen | 26 september, 2016

Opnieuw de stad

Niet waarden verbinden de landen van Europa met elkaar of zorgen juist voor verdeeldheid, zegt Frits Bolkestein in de Volkskrant van 22 september 2016, maar belangen. Die zorgen voor verdeeldheid of coalities. Van gedeelde, exclusief Europeese waarden is geen sprake. Wat wij belangrijk vinden, vinden ze ook in de VS of Latijn Amerika belangrijk. Hij geeft tal van voorbeelden van waardenverschillen in Europa. Het belang dat in Letland aan kinderen gehecht wordt, verschilt hemelsbreed van dat van Nederland. De Polen hechten zwaar aan geloof in God, de Tjechen niet of nauwelijks. Tweederde van de Turken en de Roemenen wensen een sterke leider. Zo gaat hij maar door. Hij baseert zich op onderzoek dat onder leiding van Paul de Graaf aan de universiteit van Tilburg is uitgevoerd over een reeks van jaren. Let je op belangen dan ontstaat een ander verhaal. Dan is er hoop op een bindmiddel.q
Zou het?
Wat zijn belangen in vergelijking met waarden? Waarden zijn catchphrases voor zaken die al van belang geworden zijn doordat er gevestigde praktijken aan vooraf gingen. Die zijn georganiseerd rond wat mensen al concreet ervaren hebben dat van belang is en wat ze graag veranderd willen zien of wilen laten voortduren. Daar gaat het om. Belangen verschillen hooguit van waarden op het punt van concreetheid en verbinding met ervaring. 
Maar binden ze werkelijk? Ik denk dat het tamelijk ouderwets is bindmiddel of splijtstof te zoeken in de waarden of belangen van hele landen. Het effectiefste bindmiddel is de levensstijl.
Immers, landen komen enorm overeen als je kijkt naar de bevolking van hun grote metropolen. Maar de levensstijl is ook splijtstof. Kijk je naar de kleine steden en het platteland dan zie je enorme verschillen tussen landen. Daar heersen ideologie en religie.
Illustratief in dit verband is het boek van Petra Stienen, Terug naar de Donderberg (2015). Ze beschrijft erin hoezeer de leefwereld van haar ouders in de Jaren zeventig in de kleine stad Roermond in haar woonwijk Donderberg leek op die van de Arabieren met wie ze in haar latere diplomatieke carrière veelvuldig in aanraking kwam. Dezelfde preoccupatie met familie, goede naam, sekseverschillen, de opvoeding van meisjes en jongens, religie, etc. Ze voelde zich moeiteloos thuis tussen de Arabieren juist vanwege dit soort overeenkomsten. Ze had ook nauwelijks moeite met de multiculturele samenleving van Nederland, want wat ze aantrof bij Turken en Marokkanen herkende ze van vroeger. Een prachtig boek, juist vanwege de beschrijving van dit soort ervaringen. 
Sef Hemel wijst in de NRC van zaterdag 24 september erop dat “In 1800 er nog geen stad op aarde (was) die meer dan 1 miljoen inwoners telde. Tweehonderd jaar later telt onze planeet 28 megasteden met meer dan 10 miljoen inwoners; 43 steden met 5 tot 10 miljoen inwoners en 417 steden met 1 tot 5 miljoen inwoners. Voor 2030 voorspellen de Verenigde Naties liefst 41 megasteden met meer dan 10 miljoen inwoners, de meeste op het zuidelijk halfrond. Dat is opnieuw een verdubbeling in extreem korte tijd.” 
De megasteden zijn broedplaatsen van leefstijlen die voor grote overeenkomsten tussen mensen zullen zorgen, juist op punten die voor innovatie, saamhorigheid en behoefte aan geestelijke groei en vooruitgang van groot belang zijn.
In elk land van Europa ontstaan zodoende groeperingen die nieuwe gedragsvormen zullen ontwikkelen. Dat gebeurt parallel aan de heersende gedragsstijlen die in andere delen van de grootstad, in de kleinere steden en op het platteland gangbaar blijven.
Straks kunnen landen niet zomaar meer met elkaar vergeleken worden op basis van het soort surveys die Bolkestein nu geraadpleegd heeft. Cruciaal zijn immers de overeenkomsten tussen de bewoners van deze megasteden en bijgevolg tussen de landen waarin deze steden zich ontwikkelen. Megasteden zijn daarom van groot belang voor de ontwikkeling van vrije individuen die hun eigen vorm van saamhorigheid mogen en kunnen kiezen. 
Natuurlijk gaat het niet louter en alleen om de omvang. Lees mijn vorige blog over de burgemeesters: het draait vooral om diversiteit in economische activiteiten, om flexibiliteit en adaptatie aan steeds zich wijzigende omstandigheden. Dat kan alleen als de omvang een zodanig kritische waarde heeft gekregen dat de grootstedelijke voordelen van dichtheid, schaal, contact en expansie tot hun recht komen. Dan ook krijgen krachtige, lokale coalities van bestuur, bedrijfsleven en kennis een kans. Megasteden lopen alleen het risico onleefbaar te worden als de planning geen rekening houdt met menselijke maat in het ontwerpen van grote agglomeraties. In magasteden kunnen Kopenhagens, Eindhovens en andere nu succesvolle kleinere agglomeraties een plaats krijgen. Mega hoeft niet te  ontaarden in stenen kolossen. In mega op menselijke schaal krijgen levensstijlen de ruimte die nodig is voor verhoogde leefbaarheid. Dan ook onstaan elkaar stimulerende in plaats van elkaar weerstrevende identiteiten. Daarin kan Europa gedijen.

Bolkestein zou zich op dit soort ontwikkelingen moeten oriënteren. Dat zet meer zoden aan de dijk dan wijzen op belangen. 

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans & Verheggen | 15 september, 2016

Pragmatisme met moderne middelen: het burgemeesterparlement

Zondag 11 september 2016 werd tijdens een meerdaagse conferentie het Global Parliament of Majors opgericht. Het zou een aanvulling zijn op de Verenigde Naties. Het initiatief komt van de politicoloog Benjamin Barber. Hij schreef het boek If Mayors Ruled the World (2013). Je zou dit boek een vervolg kunnen noemen op Jeb Brugmanns boek, Welcome to the Urban Revolution dat in 2009 verscheen (Nederlandse vertaling: De stad 2.0 Hoe steden de wereld veranderen). Dit boek laat zien dat steden een enorm potentieel hebben dat bestaat uit een vierledig stedelijk voordeel: steden optimaliseren de dichtheid van interactie, schalen kansen en ontwikkelingen op, associeren belangrijke instellingen met elkaar en vergroten op die manier exponentieel de samenwerking en de effectiviteit ervan en zorgen tenslotte voor expansie, dat is voor de verbinding van steden onderling als gevolg van het succes dat in de ene stad is behaald en dat zodoende de andere stad aansteekt. Het boek documenteert verder uitvoerig hoe van Mumbai tot Rio de Janeiro zelfs sloppenwijken profiteren van deze zegeningen van de stad en zich geleidelijkaan ontwikkelen tot leefbare voorsteden. Maar slums zullen niet verdwijnen omdat heel arme mensen ergens moeten beginnen. Straks komt het boek uit van Zef Hemel, De toekomst van de stad. Er stond een erg goed stuk over Hemel in de NRC van zaterdag 24 september. Hij benadrukt wat ik mij nooit zo scherp heb gerealiseerd: het belang van zeer grote stedelijke concentraties voor de ontwikkeling van levensstijlen die stagnatie, verspilling en conservatisme tegengaan. In zijn eigen woorden: “Metropolen zijn wonderen van vernuft, veel duurzamer dan middelgrote steden en eindeloze bronnen van welvaart en cultuur”.
Barber onderscheid ook een aantal kenmerken. Steden herbergen innovatie, variatie en creativiteit. Ooit waren de steden voorlopers van de natiestaten en dat geeft ze nog steeds een groter democratisch gehalte dan de logge opvolgers. Braber is bepaald niet vriendelijk voor de staten.
Over de kritiek op zijn beoordeling van steden en de gretigheid waarmee de burgemeesters op zijn voorstellen gesprongen zijn, kom ik in een latere blog nog te spreken maar voor nu wil ik op een aspect wijzen dat de samenwerkende burgemeesters zal sterken in hun streven naar oplossingsgerichte samenwerking. Het pleidooi voor een burgemeesterparlement kun je zien als pragmatisme met moderne middelen.
Het pragmatisme is een filosofische stroming met in vergelijking met andere filosofische systemen nog niet zo’n lang verleden. Het ontstond rond het midden van de 19e eeuw in het kielzog van wat toen moderne ontwikklingen waren: de gestage groei van wetenschap en de vele successen die eraan zijn toegeschreven. Bekende namen zijn William James, Charles Sander Peirce, John Dewey en George Herbert Mead. 

Vooral Peirce is interessant omdat zijn pragmatisme geworteld is in een vernieuwende kijk op de wetenschapspraktijk. Hij is de geestelijke vader van de operationele cyclus. Wat je verder ook van wetenschap vindt, het is eerst en vooral een manier van onderzoek doen. Daarbij zijn een aantal operaties essentieel die cyclisch met elkaar verbonden zijn en spiraalsgewijs steeds beter benaderen wat het geval is. Zekerheid is onmogelijk, maar het is wel mogelijk in de buurt komen van de beste oplossing.
De operationele cyclus wordt ten onrechte de empirische cyclus genoemd. In die benaming ligt het accent op de proefondervindelijke oftewel empirische vaststelling en niet op het gedurfde gissen d.w.z. op een verklaringspoging of theorie die perspectief biedt. Een theorie is in de cyclus van operaties niet zo maar een beschouwingswijze maar een zorgvuldig geconstrueerd bruikbaar conceptueel bouwwerk. Het belang van gedurfd theoretiseren hangt samen met Peirce’s nadruk op abductie wat tussen deductie en inductie in zit. Deductie kennen we uit de logica en is onverbiddelijk: alle mensen zijn sterfelijk, Socrates is een mens en dus gaat hij dood. Inductie: Socrates gaat eraan zoals in alle waargenomen gevallen voor hem. Abductie is de vonst van Peirce. Zeker, de mensen gaan dood maar misschien is er iets te bedenken  waardoor dit niet waar hoeft te zijn voor een gegeven geval, namelijk als je gewaagd redeneert zoals bijvoorbeeld Andrea Maier: stel dat dood gaan komt door het uitvallen, de een na de ander, van organen. Dan is het een ziekte waar je kennis over kunt vergaren. Misschien kun je met die kennis het proces van veroudering sterk vertragen. Abductie is dus het afleiden  van wat het geval is uit een reeks waarschijnlijke veronderstellingen. Dat stimuleert ondezoek en daar ging het Peirce om. 

Het cyclische proces dat Peirce aan de basis legt van de wetenschappelijke praktijk begint met een raadsel of verrassend verschijnsel waarvoor de bestaande kennis geen oplossing biedt. Twee zaken zijn dus van belang: (1) bestaande kennis die zorgvuldig is geinventariseerd en (2) de vaststelling van een tekort daarin waardoor zich een probleem of vraagstuk voordoet. Wat wetenschap verder ook is, het begint met een raadsel of probleem. Dat probleem moet helder en duidelijk zijn in die zin dat bestaande inzichten geen oplossing bieden. De eerste operatie is dus het inventariseren van bestaande kennis tegen de achtergrond waarvan iets een probleem wordt. Om tot een oplossing te komen moet dus iets nieuws verzonnen worden. Dat is de volgende operatie: een verklaringspoging. Die moet zodanig geformuleerd zijn dat hij verworpen kan worden door de verkregen gegevens. Lukt deze verwerping niet dan beschikken we over nieuwe kennis en begint de cyclus weer opnieuw als zich tegen de achtergrond daarvan een nieuw vraagstuk of probleem aandient. 

Het pragmatisme van Peirceis dus verankerd in de wetenschapspraktijk en verschilt in die zin van het filosofische pragmatisme. Juist doordat wetenschap zich heeft ontwikkeld tot in the long run het meest corrigeerbare systeem van oplossingen, is er een pragmatisme op komst dat je pragmatisme met de meest moderne middelen kunt noemen. Immers, nog nooit heeft het pragmatisme kunnen profiteren van zoveel mogelijkheden tot communicatie en nog nooit stond er zo’n gesofisticeerd  ter beschikking  om problemen op te lossen. Nog nooit op raakten zoveel mensen getuned of afgestemd op materiële genoegens die niemand, wat ook zijn overtuiging is, meer kwijt wil. Dat punt benadrukken wij in Culture as Embodiment en Cultuur & Lichaam. Het gaat al lang niet meer om genotzucht of hedonisme; het gaat bijvoorbeeld om gecontroleerd voedsel, zuivere lucht, schoon water, minder stank, waar mogelijk gedemd lawaai,  veilig verkeer en veilig wonen, bescherming, scholing, en ontspanning. De steden verzorgen dit soort zaken bij uitnemendheid, geholpen door een wetenschap en techniek waarop het klassieke pragmatisme nog niet kon bogen. Zeker, er kleven ook bezwaren aan een ongebreideld geloof in wetenschap. Kijk maar naar het samengaan van de economische giganten Bayer en Monsanto die de zaden- en landbouwchemicaliënmarkt beheersen met hun op winst gerichte R&D afdelingen. Maar zelfs deze uitwassen van wetenschappelijk monopolisme worden op den duur gecorrigeerd door het pragmatisme met moderne middelen.
Dit pragmatisme speelt de hoofdrol in het burgemeestersinitiatief. Het komt minder voor bij de natiestaten. Daar heersen ideologieën en zelfs cultuuroorlogen. En religie, ook een mensgemaakt ideologisch stelsel. Het is vanzelfsprekend volstrekte onzin om dit burgemeestersinitiatief tegenover de natiestaat te stellen. Ook is het niet de bedoeling om niet samen te werken op niveaus die de stad duidelijk overstijgen.Grotere bestuurlijk eenheden zijn nodig maar de gezamenlijke burgemeesters hebben wel een duidelijker speelveld. Ze moeten problemen concreet oplossen door cooperatie en gezamenlijk initiatief. Ze kunnen gemakkelijker dan de staat de hulp inroepen van wetenschappers en zich veel beter richten op waar de burgers last van hebben en wat ze graag gerealiseerd willen zien. Ze hebben de macht van de dichtheid, schaal, associatie en expansie. Belangrijk punt van zorg is de democratische controle ook op dit niveau. Maar daarover later meer.

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans & Verheggen | 14 september, 2016

Globalisering van gedrag versus de economische globalisering

Een allarmerende bericht, zo op het eerste oog, van een op handen zijnde creatieve destructie: de wereldhandel heeft zijn beste tijd gehad. De reden is even simpel als hoopgevend. De eenvoud zit hem in de door velen gewenste opkomst van lokale verdienmogelijkheden, die nu eindelijk eens ten goede komen aan de plaatselijke bevolking om wie het uiteindelijk gaat; de hoop komt van de robotisering waarin apparaten het vuile en eentonige werk overnemen en diezelfde lokale mensen de handen vrij krijgen voor zinvollere dingen. Het stond helder en duidelijk geformuleerd in de Volkskrant van woensdag, 14 september, 2016: “Maar daarnaast (naast concentratie op de eigen binnenlandse markt, PV) wordt door automatisering en robotisering het verschil in loonkosten steeds onbelangrijker. De ouderwetse lagelonenlanden hebben afgedaan. Bedrijven ontdekken steeds vaker dat het net zo voordelig is producten te maken op de plaats waar ook de klanten zijn. In een in juli verschenen rapport van het Centre for Economic Policy Research in Londen betogen professor Simon Evenett en dr. Johannes Fritz van de Universiteit van St. Gallen in Zwitserland dat het wereldhandelsvolume inmiddels een soort plafond heeft bereikt”.

Maar betkent dit ook het begin van het einde van wat wij in onze boeken ‘Culture as Embodiment’ en ‘Cultuur&Lichaam’ de globalisering van gedrag hebben genoemd? In ‘Culture as Embodiment’ hebben we proberen duidelijk te maken dat de werfkracht van de Westerse wereld niet helemaal samenvalt met wat er vanuit de westerse landen vooral economisch is uitgericht. Er groeit overal veel verzet van de lokale bevolking, of dat nu in Europa of de Verenigde Staten is tegen het afbouwen van maakindustrieën als gevolg van de verplaatsing van de industrie naar landen waar arbeid goedkoper is. Natuurlijk, die afbouw maakte deel uit van de creatieve destructie van de tamelijk eenzijdige naoorlogse economie. Maar vast staat dat louter economisch gemotiveerd globalisme zijn beste tijd gehad heeft. Overal ter wereld gaat straks veel meer lokaal geproduceerd worden in afgegrensde niches. 

Maar wat gewoon doorgaat is de werfkracht van de leefstijl waarmee in het westen de eerste succesvolle experimenten zijn gedaan en die vrouwen vooral, maar ook mensen met andere samenlevingsvoorkeuren, hebben geholpen in een tamelijk succesvolle aanval op dominante, op ouderwetse mannelijkheid gebaseerde levenswijzen. Die experimenten gaan nog steeds heel de wereld over.
Ze stuiten op enorme weerstand in landen waarin nog nauwelijks een begin is gemaakt met het oplossen van  het kernvraagstuk van deze tijd, de verhouding van de geslachten. Mannen voeren in de Arabische wereld van IS en andere islamistische groeperingen een achterhoedegevecht tegen globalisering van gedrag zoals die is beschreven in onze boeken CaE en C&L. Die globalisering gaat gewoon door en zal uiteindelijk met een oplossing komen voor de creartieve destructie van de andere globalisering, de wereldhandel, de ecomische. Er komt een nieuwe wereldhandel uit voort die mensen overal de middelen zal verschaffen om comfortabel te leven met gebruikmaking van wat altijd door zal gaan, het uitvinden en maken van materiële genoegens, waarmee mensen hun leven zodanig verrijken dat er ruimte komt voor geestelijke diversiteit en gemeenschappelijkheid.

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans & Verheggen | 13 september, 2016

Een nieuw woord

Bert Wagendorp muntte vandaag, 13 september 2016, in de Volskrant een nieuw woord: elitofoob. Mensen die bang zijn van de elte en er daarom op afgeven. Inderdaad, de elite zit in het verdomhoekje, overal in de wereld, bij de Trump-aanhangers, bij de volgelingen van Wilders, bij wie achter Marie Le Pen staan. Vergeten wordt dat achter die bewegingen ook een elite zit; de elite is verdeeld. Dat is meteen ook de pijn van deze tijd. Er wordt ingehakt op machthebbers, technokraten, mensen die aan het pluche kleven, kortom mensen met invloed die de gewone man of vrouw overrulen. Maar achter deze criticasters zit ook een elite. 

Het wemelt van de analyses die de gramschap en de wrok, het ressentiment en de verongelijktheid van het gewone volk onder de loep leggen en ons duidelijk proberen te maken dat de elite die het volk verwaarloost zijn eigen graf graaft. We dienen de elitofobie serieus te nemen. 

Ik geloof daar niets van. We hebben gewoon te maken met  elites in meervoud waarvan een deel compleet de weg kwijt is.

Mijn beeld van de elite komt van het boek Why Nations Fail (besproken op deze blog). De elite die kwaad sticht maakt gebruik van extractieve instituties. Dat levert meteen een waterscheiding  op: een elite die eigen gewin nastreeft en exclusieve privileges beschermt versus de elite die mensen laat delen in de materiële en geestelijke genoegens van de beschaving. Voor die elite hoef je nietbang te zijn.

(Onder constructie)
Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans & Verheggen | 5 augustus, 2016

Vrouwenonderdrukking en mannengeweld

Een leeservaring en een kijkervaring stimuleerden bij mij een nieuwe zienswijze op cultuurtheorie. We vergeten bij de productie van culturele betekenissen vaak de onderliggende harde bio- en geofysische basis van waaruit betekenisconstructie in het culturele domein tot stand komt. We zien de tamelijk harde onderliggende productiefactoren over het hoofd ten gunste van volledig daarvan losgezongen mentale betekenisbronnen. Wat daarvan de gevolgen zijn licht ik toe aan een recente kijk- en leeservaring.

Een eerste harde les op dit punt trok ik uit het recente reisprogramma van de EO langs kleine geloofsgemeenschappen op de route van Nabloes, de geboorteplaats van de presentator Kefah Allush, naar Ninive. In de eerste aflevering ontmoet hij het volk van de Samaritanen. Dat blijkt een heel kleine geloofsgemeenschap te zijn van nog geen 1000 leden die zich streng houden aan de voorschriften van de Samaritaanse Pentateuch, het enige Bijbelboek waar ze zich door laten inspireren. Mij gaat het nu niet om op welke punten hun geloof afwijkt van het orthodoxe Jodendom bijvoorbeeld, maar ik licht er een stel voorschriften uit die te maken hebben met wat er met vrouwen dient te gebeuren als ze ongesteld zijn en wanneer ze een meisje of jongen baren.

Bij ongesteldheid zijn ze 7 tot 12 dagen onrein en mogen ze o.a. geen voedsel aanraken. Dat is conform Leviticus 15, 19-30. Pas na een reinigingsritueel worden vrouwen die ongesteld zijn geweest weer het gebruikelijke lid van de gemeenschap. Bij de geboorte van een meisje zijn de vrouwen eveneens conform hetzelfde wetboek 80 dagen onrein en bij de geboorte van een jongen 40 dagen. De menstruele onreinheid is wijd verbreid. Ze heeft zich gehandhaafd in het Jodendom, Christendom, Islam, Hindoeïsme en Boeddhisme. Diverse elementaire samenlevingen in Afrika kennen een vergelijkbare regelgeving. Je vindt er afscheidingshutten waar menstruerende meisjes een tijdje in worden opgeborgen.

Vanzelfsprekend is er een wirwar aan speculaties rond deze gebruiken. Ze variëren van gesofisticeerde duidingen in termen van het belang en de kracht van sociale grenzen, en van cruciale geslachtverschillen en het gevaar van grensoverschrijdingen zoals in Mary Douglas’ boek Purity and Danger, tot feministische interpretaties in termen van onderdrukking of – in feite diametraal daar tegenover – de bevestiging van de eigen vrouwelijke identiteit. De speculaties gaan aan een belangrijk gegeven voorbij.

Culturele betekenissen en ritualiseringen – zeker als het over seks en gender gaat – ontstaan niet in een materieel vacuüm. Er ligt wat wij in ons boek Culture as Embodiment een “biology of meaning” hebben genoemd aan ten grondslag. Wat bedoelen we daarmee?

Neem de maandelijkse ongesteldheid van vrouwen. Onderzoek naar de beleving ervan toont aan dat zeer veel vrouwen als het even kan zich zouden willen terugtrekken en het liefst een pas op de plaats zouden willen maken. Weg van het werk, weg van de hectische wereld. Natuurlijk zijn er vrouwen die weinig last van hun perioden hebben. Er zijn er ook die elke maand een aantal dagen extreem somber, prikkelbaar en mat worden. Dat komt mannen slecht uit.

Is het dan verwonderlijk dat er bij gebrek aan kennis van de bio-medische toedracht rond deze gebeurtenis een cordon aan voorzieningen is getroffen dat de man bevrijdt van de last rekening te houden met wat vrouwen maandelijks overkomt? Die lossen een aantal afstemmingsproblemen voor hen op. De religieuze sanctionering ervan is eeuwen lang gebruikt als rechtvaardiging voor tal van maatregelen, waaronder afzondering en de onreinverklaring. We moeten dus de ervaring van vrouwen en mannen betrekken bij biologische gegevenheden en de cultuurproductie – dat is betekenisproductie – daarmee in verband brengen. Dat levert een nieuwe kijk op religie op, vergelijkbaar met de behandeling van de Bijbel door van van Schaik en Michel (zie een van de vorige blogs).

Voor de bevalling geldt iets vergelijkbaars: de ervaring van deze ingrijpende gebeurtenis zet het treffen van tal van tal maatregelen in gang waarbij de mannen ervoor zorgen dat hun leefwijze zo min mogelijk verstoord wordt. Dat bekent voor de vrouwen een lange periode van verwijdering uit de dagelijkse gang van zaken. Ook hier zorgt religieuze sanctionering voor een doeltreffende rechtvaardiging van belevingsverschillen tussen man en vrouw.

Zeker, de gebruiken rond ongesteldheid en bevalling ontstonden in lang vervlogen tijden. Het voortbestaan ervan in elementaire samenlevingen heeft met het voortduren van primitieve omstandigheden te maken. Maar anno 2016 worden we door de reis van Alloush geconfronteerd met de restanten ervan terwijl intussen ook bij de kleine gemeenschappen zich veranderingen hebben voltrokken in onderwijs, opvoeding en gezondheidzorg die de rituelen rond ongesteldheid en bevalling overbodig maken. We hebben hier duidelijk te maken met wat wij in ons boek “cultural arrests” hebben genoemd. Dat religie door dit soort arrests blijft voortbestaan heeft alles te maken met de onwil het welbevinden van mensen en de zingeving aan het bestaan te herspiritualiseren met moderne middelen.

Voert het te ver om te proberen de secundaire positie van vrouwen en het mannengeweld tegenover vrouwen – beide nog steeds wijd verbreid – langs vergelijkbare weg te verklaren? De gedragsafstemming van mannen op de ervaringswereld van vrouwen verloopt niet altijd zachtzinnig. Om zich zeker in tijden dat niets bekend was over de vruchtbaarheidscyclus verre te kunnen houden van de ongemakken in de ervaringswereld van vrouwen, hebben mannen hardhandige voorzieningen getroffen. Die zijn vanzelfsprekend in de moderne tijd niet meer nodig, maar ze bestaan nog steeds in de vorm van religieuze sanctionering van dit soort gebruiken. 

Let wel, de ongemakken troffen en treffen natuurlijk in de eerste plaatst de vrouwen zelf en niet zo’n beetje ook. Maar wat doe je in een tijd waarin over de vruchtbaarheidscyclus en de ermee gegeven ervaringen niets bekend was  met de problemen van vrouwen die lange tijd gedurende telkens een week in de maand ook mannen voor afstemmingsproblemen plaatsten? Wat is er gemakkelijker dan vrouwen met rituele praktijken uit de buurt van mannen te houden en ze daartoe volledig afhankelijk te maken van de beschikking door mannen? Ging dat gepaard met veel respect en eerbied? Lang niet altijd. Het was een bron van geweld. 

We weten pas sinds een kleine honderd jaar hoe het zit met deze cyclus en we kunnen deze pas een kleine zestig jaar medisch-technisch beheersen. Dat is te kort voor de nodige aanpassingen in de afstemmingsrelaties. Maar dat ontslaat ons niet van de plicht een cultuurtheoretisch perspectief te ontwikkelen dat een betere afstemming van mannen en vrouwen op elkaar kan bevorderen. 
In de cultuurtheorie die Theo Verheggen, Cor Baerveldt en ik zelf in de jaren negentig van de vorige eeuw hebben ontworpen en in Culture as Embodiment, Cultuur & Lichaam en andere publicaties terecht gekomen is, pleiten wij ervoor de ervaring en ervaringsverschillen van mannen en vrouwen die gekoppeld zijn aan harde biologische gegevenheden, te verdisconteren in het begrijpen van culturele betekenisverlening. Cultuurtheorie – en dat geldt onverkort ook voor gedragswetenschappelijke religietheorie – zonder een stevig fundament in biologie en menselijke ervaring is de naam niet waard.

Is het niet verstandiger cultuur niet langer meer aan het begin van de verklaringsketen te plaatsen en zo van alles en nog wat uit cultuurverschillen af te leiden, maar aan het eind, als dat wat langs gedragswetenschappelijke weg begrepen moet worden? Exit cultuur dus?

Cultuurproductie zonder ervaringsverschillen erin te verdisconteren en zonder de cognitieve en affectieve betekenisverlening rechtstreeks te koppelen aan biologische feiten levert een cultuurtheorie op die op drijfzand is gebouwd.

Over de leeservaring een ander keer.

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans & Verheggen | 11 juli, 2016

De verliezers van de globalisering en andere EU-bashers

Is het u niet opgevallen dat Boris Johnson onheilspellend laconiek bleef bij alle mededelingen die hij de week na Brexit deed? Ook bij de aankondiging van zijn vertrek. Echt een kostschooljongen die op Eton geleerd heeft om het serieuze altijd vergezeld te doen gaan van een relativering die alleen mensen met een klinkend vermogen en een quasigerespecteerde positie (door voornamelijk klassegenoten) zich kunnen veroorloven. De Engelse upper class heeft heel de geschiedenis door dedain gehad voor de lager klasse. Dat manifesteert zich op schrijnende wijze in de chaos rond Brexit.

Ik heb een samenzweringsanalyse die ik wil laten doorgaan voor een mythe die inzicht geeft in wat er speelt. Een verklarende mythe dus. Ik geef het ontstane inzicht voor iets beters, maar volgens mij hebben Michael Grove en Boris Johnson in weer eens een bui van neerbuigendheid tegenover de lagere klasse het op een akkoordje gegooid: “als jij met je gelikte blonde kop die lui van onderop nu even probeert voor je te winnen met mooipraterij, vage beloften over waaraan het geld dat we aan de EU kwijt zijn beter besteed kan worden, wat gechargeerde verwijten aan de uitzuigerspolitiek van Brussel en ze daar bovenop een beetje bang maakt voor de gevolgen van ‘Blijf’, stel ik me, als alles achter de rug is en Brexit gewonnen heeft – want Brexit gaat door met jouw kop erbij – kandidaat. En jij trekt je vrolijk terug. Ik zal je er ruim voor compenseren”.

En zo geschiedde: immers, Boris trok mij bij vooral zijn exit-speech een te opgeruimd gezicht. Hij zette zijn beste kostschoolbeentje voor en deed wat Grove en hij bekokstoofd hadden. En de opstand van de lagere klasse kwam er. Die zijn er wel voor in om de hogere een poepje te laten ruiken. Maar de lagere klasse moet vooral in opstand komen om dan van de weeromstuit een sterke leider te kiezen. Zo gaat dat. Of Theresa May of iemand anders de sterke leider wordt zal Johnson en Grove de bout hachelen: het gaat erom dat Engeland zegeviert als eiland en land apart, waar de Engelse upper class het voor het zeggen krijgt. En dat kan alleen met behulp van een onderklasse die haar plaats weet.
Natuurlijk, dit is fantasie. Ze illustreert het gemak van manipulatie. Gelukkig is Grove voor zijn corpsballenmachiavellisme afgestraft.

De zorgen om de samenstelling van de ‘Brexeteers’ zijn niet van de lucht. Geert Mak schreef: op zaterdag 2 juli in de NRC: “Hoe meer een samenleving in beroering is, hoe sterker die neiging wordt (dat is de neiging te kiezen voor kandidaten die hun eigen conservatieve waarden delen, ook al gaat dat tegen hun eigen belangen in (PV)), zeker bij mensen met weinig opleiding en weinig kansen. Ze willen bovenal een veilige, voorspelbare en beschermende samenleving. Ze willen greep houden op hun omgeving en hun land – hoe illusoir dat gevoel vaak ook is. Aan projecten zonder grens en einde hebben ze geen behoefte”.

En Peter Giesen schreef op die dag in de Volkskrant: “Maar voor een ‘historisch compromis tussen elites en volkeren’ zullen ook de elites ‘bescheidenheid en realisme’ moeten betrachten, zoals de Franse ex-minister Védrine stelde. De bovenlaag moet zich inhouden, zijn macht niet misbruiken, zich om de onderste regionen bekommeren. Dat mag utopisch lijken, maar de ouderen onder ons hebben zulke elites meegemaakt. Tijdens de Koude Oorlog leefden we ook onder het kapitalisme en streefden bedrijven naar winst. Toch speelden geld en status een veel minder belangrijke rol dan nu. Topmanagers verdienden twintig keer het salaris van hun laagst betaalde werknemer in plaats van tweehonderd keer. De elites matigden zich, omdat ze bang waren dat ‘het volk’ naar het communisme zou overlopen”. Wat Giesen hier zegt gaat niet over het Angelsaksische maar over het Rijnlandse model, waarvan we weten dat dit in het VK zeker niet telt. De Engelse rechtse elite heeft geen behoefte aan deze terughoudendheid.

De Berexeteers zijn van diverse samenstelling. Ten eerste, moeten we beseffen dat er in het Verenigd Koninkrijk door Johnson, Farage en consorten moedwillig is geprofiteerd van de gevoeligheid van de lagere klasse. Een deel van de oorzaak van de EU-bashing in met name Engeland is de weerzin van de Eton-boys tegen het Europese gelijkheidsideaal. En het volk wordt voor het karretje van deze weerzin gespannen. Die trekken het echt. De Eton-boys kennen een vergiftigend dedain voor het volk dat ze vreselijk goed weten te bespelen. Juist gebrek aan respect voor de mensen aan de onderkant maakt dat hen deze manipulatie zo goed afgaat. Van de weeromstuit gaan de aldus weggezette klasse om een sterke leider vragen.

Mensen aan de onderkant denken dat de populaire leiders solidair zijn met de ondergeschoven positie van de lagere klasse en dat ze zo samen vechten tegen de gevestigde elite. In feite worden ze bedrogen omdat het om de macht van de aanvoerders draait en niet om het geluk van de volgelingen. Op die manier drukken de leiders hun gelijk door zonder zich ook maar echt ergens mee te engageren. David Brook herhaalde op 14 juli in de VK wat ik hier zeg. Onder invloed van snelle veranderingen en onvoldoende steun bij de verwerking ervan, verliest “Een zeker aantal mensen (verliest) wat ze hadden. Ze verliezen hun identiteit, zelfrespect en hoop. Ze beginnen hun gevoel van eigenwaarde te baseren op hun stam, niet hun gedrag. Ze raken verstrikt in hun ressentimenten en worden steeds meer verslaafd aan hun eigen slachtofferschap. Ze vallen voor politici die liegen over de oorzaken van hun problemen en over hoe ze die kunnen oplossen. Feiten verliezen hun betekenis. Amusementswaarde vervangt de realiteit. Als de feiten eenmaal zijn losgelaten, laat de rest ook los. Mensen die nederigheid en vriendelijkheid op prijs stellen in hun privéleven, verliezen die karakteristieken uit het oog als ze leiders kiezen in het openbare leven. Gehard door bijtend cynisme, vallen ze voor moreel gestoorde, kleine showmannetjes”. Als zo iemand als Brooks – zelf deel van de elite – de hand in eigen boezem steekt en het gebrek aan steun vanuit de elite voor het gewone volk tot bron van de ellende maakt, vergroot alleen maar de ernst van het probleem. Natuurlijk valt het volk niet echt voor deze politici; ze worden erin geluisd.

De EU-bashing van de aldus misleidde verliezers pareer je met het recept van Steven Lukes.

Steven Lukes schreef in zijn boekje ‘Power, a radical view’ dat echte macht de macht is om de agenda te bepalen: waar moet het over gaan bij veranderingen? Wat staat er dienaangaande op de agenda? Wie mag de punten bepalen? Een belangrijk aanknopingspunt voor wat er veranderd moet worden is volgens Lukes dat je je verbeeldt hoe de toestand zou zijn als aan jouw behoeften en wensen echt tegemoet wordt gekomen. Hij noemt dat het verbeelden of bedenken van ‘counterfactuals’, het fantaseren over de feiten die tegen de bestaande toestand ingaan. Ageer vandaar uit, is zijn advies. Kan de lagere klasse dat? Ja, stelt Lukes, dat kan als die klasse haar belangen scherp krijgt. Daar kan de buurtwerker bijvoorbeeld bij helpen. Wat meteen op de agenda moet is natuurlijk de verrijking aan de top op kosten van de belastingbetalers aan de bottom. Wat er ook op moet is het totale afwezigheid aan de top van respect voor deze belangen aan de bottom. Beide punten vormen een belangrijk deel van de agenda voor de toekomst.

Maar misschien gaat het helemaal niet om de tegenstelling laag-opgeleid en dus slachtoffer en hoog-opgeleid en dus cosmopoliet en winnaar. Olaf Tempelman wijst daarop in de VK van vrijdag 122 augustus. De laagopgeleide wordt ten onrechte uitgespeeld tegen de hoogopgeleide. Deze laatsten zijn onzichtbaar. De eersten niet maar komen nauwelijks aan het woord over hun politieke voorkeur. Er zijn er nogal wat die -Europa zij, terwijl er toch ook heel wat hoog opgeleide nationalisten zijn. Een deel van de  EU-bashers is niet afkomstig uit de lagere regionen van de samenleving, maar komen uit de midden en de hogere klasse. Ze zijn well-to-do maar niet cosmopolitisch; eerder nationalistisch. Het zijn mensen die vinden dat de samenleving slechter af is met nieuwkomers. Daardoor verwatert de gemeenschap en verliest de bovenkant zeggenschap over wat goed is en wat niet. Zo denkt Koen Abts in zijn proefschrift ‘Maatschappelijk onbehagen en etnopopulisme: burgers, ressentiment, vreemdelingen, politiek en extreem rechts’ over de EU-bashers. Ze zitten niet alleen aan de onderkant. Het gaat niet alleen om globaliseringverliezers. Er zijn ook identiteitspolitieke bezwaren tegen een al te voortvarend toelatingsbeleid en er heerst botte angst. En dat terwijl ze in the best of all worlds leven.

Het hogere segment dat gevrijwaard is van de instroom van vreemdelingen in hun wijken beseffen veel te weinig wat voor complexe machinerie achter hun welvaart steekt en zien niet in dat de nieuwkomers in feite onmisbaar zijn. Deze tweede groep is echt problematisch als het om correctie gaat. Ze zijn hoog opgeleid en hebben toch een vertekend beeld van waar de moderne samenleving op drijft. Ik ben niet zo’n doemdenker als Abts. Of deze groep vooral deel uitmaakt van het electoraat van de VVD weet ik niet, maar mocht dat zo zijn dan is het leed te overzien. Wel rust er dan een zware verantwoordelijkheid op de schouders van Rutte en co.: iets meer ruchtbaarheid aan dit fenomeen vanuit de partijkaders en zo de vertekening corrigeren. Dat is so wie so een mogelijke oplossing  voor dit soort problemen; ook vanuit de PvdA mag wel wat meer aan het ‘hogere’ segment uitgelegd worden wat er aan de onderkant echt aan de hand is. Is daar niet dat wetenschappelijk bureau voor?

Het middensegment, zeg maar de middenklasse die nu zo onder druk staat, vergist zich in de bedreiging die er van vreemden uitgaat. Ze zijn vaak slecht geïnformeerd. Weet iemand in hun kring hoe het werkelijk zit met de husvesting van nieuwkomers? Krijgen die echt zomaar een huis, terwijl de zonen en dochters van de middenklassers moeten wachten? Natuurlijk niet. Elke gemeente heeft een concreet getal: het leeuwendeel van de nieuw te bouwen of vrij te maken woonhuizen gaat naar de ingezetenen. Een klein deel is gereserveerd voor dat je ook B moet zeggen als je de A van: “u mag komen” hebt gezegd. Ze moeten toch ook een plaatst krijgen in de gemeenschap. Wie kent de cijfers per gemeente? Dat zijn toch eenvoudige getallen: krijgen de nieuwkomers, 10, 15 of nog meer procent van de nieuwbouw? Hoe zit het echt?

Concrete informatie over dit soort kwesties is hier de oplossing. Die moet ook van de politieke partijen komen. Maar die zitten als het om dit soort analyses gaat te slapen. Raadplegen die geen wetenschappers?

In onze boeken Culture as Embodiment en Cultuur & Lichaam hebben we ervoor gepleit dat het denken over klassen wel weer een nieuwe impuls mag krijgen. Bij klasse gaat het altijd om een intrinsiek sociale groep. Het gaat niet aan op basis van willekeurige criteria een aggregaatgroep te creëren. Leden van klassen vormen altijd een gemeenschap waarin gevoelens worden gescherpt en gedeeld, meningen of ideeën worden gearticuleerd en aan elkaar worden doorgegeven. De leden hebben een lichaam en de daarmee gegeven sensibiliteiten. Dat vraagt om een ‘education of the senses.

Dat is niet slechts een kwestie van op mensen inpraten. Ook dat is een misvatting bij journalisten en andere opiniemakers. Hoog, laag en midden begrijpen elkaar pas als er voor allen wegen tot confrontatie en begrip worden geschapen. Buurtwerk als actie heeft een zware tijd, en vecht om legitimiteit. Maar het zou goed zijn als er meer vanuit de mogelijkheid tot actie zou worden gedacht.

(wordt vervolgd)

« Newer Posts - Older Posts »

Categorieën