Gepost door: Voestermans and Verheggen | 19 december, 2016

Racisme etc. revisited

Wat hebben ‘white privilege’, aanmerkingen op de ‘helper whitey’, weerstand tegen ‘cultural appropriation’, de zwartepietendiscussie, etnisch profileren, “black life matters”, superioriteitsdenken en racisme gemeen? Het zijn allemaal termen die de afkerige reactie van witte mensen op gekleurde donkere mensen aan de kaak stellen.

De discriminatie- en white supremacydiscussie is erg oud. In de wetenschap althans. Hij duikt nu op in de publieke opinie. Dat gebeurt onder invloed van tal van recente ontwikkelingen, niet in de laatste plaats doordat de donkere mensen mondiger zijn geworden en hun onderschikking leerden zien als een probleem van de overheersende groep. Mede door de documentaires van Sunny Bergman over eerst de zwartepietendiscussie (“Zwart als roet”) en later het witte vooroordeel (“Wit is ook een kleur”), maar ook door de boeken van Gloria Wekker en Anousha Nzume, beseffen we ineens dat er mensen zijn die zonder dat ze er zelf erg en hebben en ook zonder dat ze meteen kwaadwillend zijn, discrimineren en over de donkere medemens allerlei negatieve denkbeelden hebben. Tot peuters aan toe. Daarbij zijn ze zich niet bewust van hun eigen bevoorrechte positie. Ze merken de voordelen van hun witte kleur niet op.

Hoe komen we aan deze houding en nog beter: hoe komen we ervan af?

Het meeste sociaalpsychologische onderzoek laat deze vragen eigenlijk ongemoeid. Ook het onderzoek naar impliciet of onbewust racisme gaat niet echt in op de vraag hoe we aan die houding komen. Vanwaar dat belang van kleur? Met nadruk erop, ook op de witte schaf je racisme niet af maar versterk je het eerder. In sociaal-psychologisch onderzoek gaat het vooral om de demonstratie van het verschijnsel en de specificatie van de condities waaronder het optreedt. Sociologisch ondervragingsonderzoek is eigenlijk alleen geinteresseerd in de mate van voorkomen. Steeds gaat het dan om persoonsgebonden attitudes die de bron zijn van vertekening. Het is een probleem van het individu. De remedie wordt gezocht in een goede opvoeding en meer op deze houding gerichte persoonlijke educatie. Maar ligt het wel zo individueel? Is het wel een kwestie van dat je als wit persoon helemaal niet inziet dat je van bruin of donker zonder echte reden een negatief iemand maakt? Zozeer dat je die bijvoorbeeld niet in je bedrijf wilt hebben.

Ingrid, mijn partner, dramadocent en altijd gespitst op wat werkelijk speelt als mensen zich op elkaar afstemmen (iets dat op een veel abstracter niveau en conceptueel in ons boek Culture as Embodiment tot een centraal thema is gemaakt), weet de discussie altijd een minder abstracte richting op te sturen. Daar heb ik erg veel aan voor deze blogs. Ze stuurt de discussie dan ook meteen de kant op van veel hardnekkiger vormen van discriminatie die werkelijk overal in elke familie, bedrijf of organisatie spelen: de discriminatie van vrouwen. Mannen doen dat zelden vanuit een persoonlijke attitude, waarvoor een beetje educatie de oplossing is. Het ligt veel gecompliceerder. Wereldwijd heerst er ‘male privilege’. En dat is zeer hardnekkig. Dit probleem behoort tot de top vijf van de wereldproblemen (de overige vier zijn: (1) klimaat, (2) ontregelde voortplanting (overbevolking), (3) sekseongelijkheid (de helf van de wereldbevoking wordt op veel plaatsen fundamentele rechten onthouden), en (4) zwakke extractieve dus niet inclusieve instituties (op veel plaatsen werkt ‘law & order’ slechts voor een heel dunne bovenlaag; zie mijn bespreking van Why Nations Fail).

Zij herinnerde zich het voorbeeld van een collega die altijd thuis kookte terwijl zijn vrouw de leuke dingen deed vanuit het besef dat vrouwen ook rechten hebben behalve het aanrecht (wat de man goed uitkomt). Hij kwam op een keer met het verhaal van een kringgesprek van zijn zoon over mannen, vrouwen, koken en werken. Zijn zoon had in de kring gezegd dat zijn moeder altijd kookte. “Ja maar, zei de collega verbouwereerd, je weet toch dat ik altijd kook”. “Ja zeg, natuurlijk, dat weet ik ook wel, maar daar kan ik in de groep niet mee aankomen. Dat vinden ze raar”.

Snel was door hem met het oog op de groep tegen beter weten geopperd in dat vrouwen in de keuken staan en mannen doen de serieuze dingen. Dat is de orde die meteen, vrijwel automatisch en het gemakkelijkst wordt aangebracht als ernaar gevraagd wordt. Het genuanceerde verhaal is veel te moeilijk. Dit illustreert hoe vooroordelen werken. Vrouwen worden al eeuwen gestereotypeerd, genegeerd, gediscrimineerd en niet voor vol aangezien. Ze staan in de keuken en that’s it. Papa kan nog zo zijn best doen elke dag in de keuken; dat verhaal krijg je niet vertelt zonder je zelf belachelijk te maken. Iedereen denkt echt anders en je past je aan.

Zo ongeveer is ook het verhaal in de wereld gekomen over dat donkere mensen niet deugen. Het keert telkens terug, tegen beter weten in. Het genuanceerde verhaal is te ingewikkeld. Er zijn veel te weinig voorbeelden van het tegendeel, die zijn niet gangbaar en bovendien staan veel donkere mensen of je dat nu wilt of niet met een vaak afwijkende stilering in het leven. De waardering daarvoor vereist een praktische en concrete aan andere groepen gebonden resocialisatie omdat we de afkerige smaak hebben opgedaan in alleen de vertrouwde groep waar we oorspronkelijk toe behoren. Die is wit met een geschiedenis waarvan altijd is verteld dat de donkere mensen ‘beschaafd’ moesten worden, eerst door godsdienst en later door onze cultuur over te nemen. Daarover hebben we in onze twee boeken Cultuur & Lichaam en Culture as Embodiment uitgebreid gerapporteed (hoofdstuk 2). Ze mochten ongehinderd als goedkope arbeidskrachten worden geëxploiteerd. Zeggenschap over hun lot werd hen onthouden en moesten luisteren naar de witte man, ja, vooral naar de witte man. Dat laat geen ruimte voor een ander verhaal, hoezeer we ook weten dat dit allemaal eigenlijk niet kan.

We doen onze gevoelens en denkbeelden over de donkere medemensen op in de groep waartoe we behoren, de groep van witte mensen die zich nooit echt heeft laten confronteren met de mensen van een andere kleur. Ook dat is niet zo vreemd. Immers, wie op Grachtengordel woont kent nauwelijks iemand in Osdorp; woon je op de Kwakkenberg in Nijmegen of in Sonsbeek in Arnhem dan ken je vrijwel niemand uit het Waterkwartier of het Spijkerkwartier. De witte mensen segregeren onderling misschien nog wel meer dan wanneer het om de donkere medemens gaat. En hoe erg is dat? Als het niet leidt tot denigrerende reacties is er weinig aan de hand. Overal kom je de beperkte ervaring tegen met mensen waarmee we liever niet in aanraking komen. Er is niks mis met die mensen en we willen ze niet onheus bejegenen, maar omgang ermee vereist tuning in een groep die ons daar ook echt toe aanzet. De zoon van de vader die kookte wist wel degelijk dat hij geen goed beeld gaf van zijn eigen papa. Maar voor dat die kennis de ruimte kreeg was er al dat gevoel, de feeling voor de meerderheid. Die meerderheid was nog niet rijp voor de echte nuance. Zo zijn ook veel mensen niet voldoende geoutilleerd om om te gaan met mensen buiten hun directe groep. Dat vereist durf om tegen de eigen groep in te gaan.

Reageert de werkgever die zonder erg een sollicitant met de naam Ayça niet aanneemt vanwege juist die naam, maar ook vanwege de hoofddoek en haar donkere huid niet op vergelijkbare wijze? Hij weet wel degelijk dat hij eigenlijk anders moet reageren, maar dat durft hij niet vanwege het team of wat hem verder ook hindert om zijn eigen idee dat het niet uitmaakt, te volgen?

Punt is dat die remmingen precies moeten worden uitgezocht. Mensen voor racist uitmaken helpt daarbij niet. Wat zorgt ervoor dat mensen vergeten dat ze een aantal voordelen – “white privilege” – gewoon in de schoot geworpen kregen omdat de witte mensen vanaf 1500 het gevecht om de hegemonie gewonnen hebben? Pas nu herneemt China, dat voordien toonbeeld van beschaving was, zijn plaats. Pas sinds een paar decennia zijn we ons ervan bewust dat er naast het Christendom religies bestaan met vrijwel een even grote massa volgelingen. Door de immense problematiek in het Midden Oosten worden we geconfronteerd met grote groepen vluchtelingen die terecht een veilige plaats opeisen omdat dit hun afgesproken recht is. Armoede in Afrika betekent dat ze bij ons proberen te halen wat hen al eeuwen onthouden is. Dat levert confrontaties op die de witte mensen bewust maken van hun positie. Die is niet langer meer boven maar naast die van de donkere medemens.

De enige remedie is ontmoetingen waarin wit en donkerder samen iets ondernemen. En focussen op geslaagde vormen van verbinding en aandacht. De media mogen best mislukkingen onder de aandacht brengen mits die dan ook voldoende gekwalificeerd worden door meteen uit te zoeken onder welke precieze omstandigheden dit soort ingesleten racistische praktijken voorkomen. In Cultuur & Lichaam, en in Culture as Embodiment staat handzaam opgeschreven dat racisme en superioriteitsdenken voortkomen uit groepgebonden afstemmingspraktijken. Het zijn geen eigenschappen van losse individuen van wie je incidenten kunt rapporteren in de veronderstelling dat daarmee de kous af is. Dat is luie journalistiek. Zoek de automatismen op, identificeer de intrinsiek sociale groepen, ga na hoe de affectieve sturing in zijn werk gaat en vertel daarover. Dat neemt in elk geval de indruk weg dat je van racisme afkomt door opvoeding en onderwijs waarbinnen op louter verbale wijze de juiste cognities of opvattingen worden aangebracht. Zo identificeer je niet de echte bron van witte privileges. Die ligt in de groepsvorming met de daarmee samengaande onbewuste affectieve tuning. Je zag het goed in de documentaire ‘Wit Is Ook Een Kleur’: op een dag voor mariniers wilde niemand van de daar aanwezige groep mannen dat hun boegbeeld Michiel de Ruyter slavenhandelaar werd genoemd. En onderling werd er veel gelachen over het witte vooroordeel. Zo werkt het.

En verder, strenge regelgeving voor wat wettelijk niet geoorloofd is in de confrontatie. En instellingen van handhaving die echt werken. Geen overdaad aan regels maar een paar die helder en duidelijk zijn. Je moet weten waar je terecht kunt wanneer je bij sollicitaties een afwijzing krijgt op basis van opzichtige kenmerken die geen relatie hebben met de uit te voeren taken. Dat geldt ook voor aanhoudingen met een vergelijkbaar motief.
Daarmee is het raadsel nog niet opgelost waarom van Europa tot Amerika maar ook van Azië en Australië tot Afrika de afkeer en dus de discriminatie toeneemt naarmate de huidskeur donkerder wordt. Wie doe een voorzet?

Paul Voestermans

Advertenties
Gepost door: Voestermans and Verheggen | 28 november, 2016

Identiteit is hot

Identiteit is hot, maar daarmee ook een heet hangijzer. De zwarte pieten beweging, de discussie over ‘white privilege’, en ‘cultural appropriation’ (het zich toe-eigenen van culturele kenmerken of eigenschappen zonder ooit iets van wat die kenmerken of eigenschappen aan last met zich meebrengen ervaren te hebben; dus waar praat je over?) wijzen allemaal erop dat identiteit zeer gevoelig ligt. Zwart realiseert zich pas in deze tijd van heftig verzet tegen alles wat vreemd en gekleurd is, dat er altijd een wit heeft bestaan dat zich nooit hoefde te verantwoorden. Wit kreeg ongevraagd een head start op bijna elk gebied. Zwart kreeg nooit zomaar iets voor niets. Identitaire bewegingen zitten in de lift en zorgen voor nieuwe partijen, of het nu voor ouderen is of voor de gekleurde medelanders. Steeds gaat het om het eigen gezicht, de eigen groep, de eigen stijl, de eigenheid an sich. Met natuurlijk als groot gevaar: verdeeldheid. Als de ene groep zichzelf bevestigt tegenover een andere ontstaat er al gauw onenigheid over de vraag wie de piketpaaltjes mag slaan en grenzen mag stellen. Wie gaat zich aan wie aanpassen? 

Maar er is een nog groter gevaar: identiteit zorgt gemakkelijk voor een verdeel en heers politiek die de uitbuiting als gevolg van de neo-liberale politiek een handje helpt. Het probleem van de elite is niet dat zij het volk tegenover zich vindt dat ontevreden is over haar rol en functioneren, maar dat de elite zelf verdeeld is en voor een deel identitaire politiek bedrijft en daarvoor aanhang verwerft in eigen kring en onder het volk. Immers, door identitaire beginselen zoals de eigen moraal, de eigen religie, de eigen sekse of eigen seksuele variant in extremis te benadrukken en geen gemeenschappelijke taal te ontwikkelen voor deze thema’s (wat wel kan door het bijv. over spiritualiteit te hebben die breed aanspreekt en door het soort moreel esperanto te ontwikkelen, waar Paul Cliteur een voorzet voor heeft gegeven), kan steeds weer opnieuw de politieke aandacht moedwillig verplaatst worden naar de conflicten die ‘identiteit’ met zich meebrengt, in plaats van te werken aan de herverdeling van de welvaart en het verminderen van de ongelijkheid. Links heeft zich de bekommernis om deze zaken volledig uit handen laten slaan door zich excessief met ‘identiteit’ te bemoeien. Zodoende kwam er ruimte voor ‘allochtonenbeleid’ dat meer ging over behoud van cultuur dan over behoud voor iedereen van welzijn en welvaart. En wie gingen daar weer tegenin? Ja juist, de witte verongelijkte man en vrouw uit alle lagen van de bevolking. Niet eens zozeer om het geld, maar om het verlies van, jazeker, de eigen identiteit, onzeker als hij is van hoe lang hij die nog kan botvieren. Maar ook uit angst verworvenheden zoal vrouwenrechten en homohuwelijk etc. te verliezen; dat is ook meteen de ambivalentie.

We zien de gevolgen: brexit, Trump, Frankrijk aan de vooravond van de overname van het presidentschap door een identitaire beweging of in het andere geval van een verharding van het conservatisme waarin het eigen volk so wie so voorgaat (wit voert immers ook identiteitspolitiek), Duitsland in afwachting van het succes van een alternatief dat ook met identiteit aan de haal gaat in plaats van met echte problemen, Nederland idem dito. Sociale rechtvaardigheid en de ongewenste reproductie van machtsverhoudingen waarin gewone mensen kind van de rekening worden staan nauwelijks nog op de politieke agenda. In plaats daarvan zaaien identitaire bewegingen op de politieke flanken overal verdeeldheid die evenwel vooral de middenpartijen vermorzelen tussen bijvoorbeeld verongelijkte ouderen die hun heil zoeken in de bescherming van de verworven rechten, waarvan ze denken dat die op de tocht staan en gekleurde medemensen die overal witte privileges zien ook al hebben ze van iets vergelijkbaars geprofiteerd. Immers, hoe konden ze anders voor hun rechten opkomen dan door gebruik te maken van waarover de witte medemens vanzelfsprekend beschikt: scholing, huisvesting, sociale zekerheid om maar een paar zaken te noemen? De grote partijen hebben het gedaan omdat ze zich hebben mee laten slepen in discussies over cultuur en religie in plaats van op te komen voor de verbetering van de leefomstandigheden van de groepen voor wiens cultuur en religie ze zo gretig ruimte maken. Allemaal afleidingsmanoeuvres.

We moeten de raad van John Greenwood in zijn boek Realism, Identity and Emotion: Reclaiming Social Psychology opvolgen en niet langer meer het zelfstandig naamwoord identiteit gebruiken maar het maak-werkwoord ‘identying’, of te wel ‘identiteren’. Vanuit het werkwoord geredeneerd is iedereen bezig met zichzelf te profileren met behulp van alles wat iemand een eigen gezicht geeft: leeftijd, opleiding, sekse, geaardheid, plaats, tijd, geloof en etniciteit en wat al niet meer. Juist door van identiteit een activiteit te maken in plaats van een gegevenheid ga je beter letten op de voorwaarden waaronder dat zo begeerde eigen gezicht verworven kan worden. In Culture as Embodiment zeggen we het zo:

“Fortunately, people are members of different groups at the same time, certainly today. John Greenwood (1994) advocates the introduction of the term “identying.” The notion of identity no longer refers to some sort of state but to a collection of identity projects: active efforts to become who you want to be. Identying is possible because hardly anyone in modern society needs to remain fixed in their own group against their will. School, street, home, leisure, and work all comprise places and arrangements in which the styling of behaviors and experiences can be practiced, in order to fully profit from life in such a modern society”.

Dan komt ook de politieke agenda in het vizier die opgesteld moet worden voor het bereiken van een plaats voor iedereen. Het heeft geen zin de Marokkaan, Turk, oudere, vrouw of homo uit te spelen tegen de Nederlander, jongere, man of hetero als onduidelijk blijft wat er te winnen valt met de nadruk op identiteit. Voor je het weet krijgen we het over de wenselijkheid van deze of gene levensstijl in plaats van over wat het voor iedereen mogelijk moet maken zijn eigen roep te volgen. Voor je het weet staat het individu in dienst van de groep in plaats van omgekeerd dat de groep zorgt voor een optimalisering van de omstandigheden waaronder iedereen zichzelf kan zijn. Niemand kan zonder verbinding en aandacht. Daarvoor is de groep onontbeerlijk. Het scheppen van voorwaarden voor deze twee behoort op de politieke agenda en niet de ruimte voor deze of gene identiteitsbeweging waarin de enkeling wordt opgeslokt of gelijkgeschakeld. Dat zorgt alleen maar voor mist die het zicht op wat politiek kan worden bereikt vertroebelt. Immers, de macht kan deze bewegingen misbruiken voor louter eigen gewin. De ongelijkheid neemt toe en de machteloze onderkant zinkt nog dieper weg, terwijl de rijke bovenlaag terugschurkt in de zalige politieke lethargie van het goed zaken doen.

Paul Voestermans

 

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 9 november, 2016

De oude wereld geeft nog een nabrander

Creatieve destructie geldt niet alleen de industrie; ook politieke systemen zullen eraan moeten geloven. We moeten door Trump, Wilders, Le Pen, AfD en IS heen. De oude wereld geeft nog een forse nabrander. 
Ik blijf trouw aan de concepten die we klaar legden in Culture as Embodiment en Cultuur & Lichaam: parallel aan de oude wereld ontwikkelt zich een nieuwe, waarin het oude hedonisme wordt vervangen door de werfkracht van wat we niet meer kwijt willen. Wat dat is heb ik elders in deze blogs uitvoerig beschreven. Dat zal heel de wereld over gaan, wat op zijn beurt weer zal zorgen voor een globalisering van gedrag op de gebieden die in deel twee van onze boeken uitvoerig worden behandeld: man/vrouw, oud/jong, vreemd/eigen, hoog/laag en gelovig/ongelovig. De kern van waarvoor iedereen zal vallen is niet alleen zoiets abstracts als de rechtsstaat of democratie maar heel concreet een plaats voor iedereen en geen groep met privileges. Wilt u een klein oerhollands signaal? Zwarte Piet wordt tot roetvegen uitgegumd. Daar zijn de meeste mensen voor, want de gekleurde medemens is het zat om achtergesteld te worden. Daarvoor is hij of zij al teveel doordrongen van de kern waar het om gaat. Dat het zo lang geduurd heeft en men zich nu pas roert in bijvoorbeeld de zwartepietendiscussie  of de discussie over etnisch profileren en witte privileges heeft alles te maken met de hardnekkigheid van gedragspatronen waar we in de beide boeken een verklaring voor geven. Maar eerst moeten we door fors verweer van het oude heen, breken met mensen die alleen wit willen en geen kleur.

Afbraak is ook een kans en wie weet zijn er verstandige adviseurs te vinden die de creatieve destructie goed begeleiden. Eerst maar eens kijken wat Trump gaat doen. Maak hem niet te groot in elk geval want dan komt uit wat je daarmee doet. Dat neemt niet weg dat het oude in een kramp ligt met in het kielzog nog wat verongelijkte jongeren op weg naar het rafelige kalifaat. Sommigen die nog hier rotzooi trappen. Witte gezichten ook die met oude symbolen wapperen. We moeten erdoorheen.

Het zal veel leed geven. Ik weet niet hoe dat te voorkomen. Maar over twee, vier, 6, maar vrijwel zeker 8 jaar kiezen de krachten waar VRPO’s Tegenlicht van zondag 6 november over ging en teleurgestelde zwevende kiezers een nieuw congres en een nieuwe president op basis van de ervaring met Donald Trump. Er is blijkbaar geen andere weg. 

Geschiedenis is op een punt echt veranderd: hij gaat in een hogere versnelling.

Geloof niet de analytici die beweren dat het de ontvreden onderklasse is die voor deze uitkomst heeft gezorgd. Zeker die is er en deze mensen roerden zich. Maar daar staat tegenover dat zes van de tien universitair opgeleide kiesgerechtigden zo staat in de Volkskrant van 10 november, aan deze uitkomst heeft bijgedragen. Die willen het systeem kapot  hebben, denk ik dan. Hetzelfde probleem bestaat hier met Wilders. En bedenk: meer dan 40% stemde niet. Onverschilligheid is dus eigenlijk de boosdoener. Sommigen zeggen dat Trump een goed concurrerend verhaal had dat apelleerde aan diep ingesleten gevoelens zoals de behoefte aan troost van een sterke man die het wel even regelen zal of die Amerika van smetten vrij zou houden. Er zullen vast mensen zijn die aan zoiets geloof te hechten, gewend als ze zijn aan een God die hen beschermt en rein houdt. Ik denk dat we nuchter moeten aanvaarden dat er zulke mannen als Trump opstaan en gehoord worden eenvoudigweg omdat veranderen moeilijk is .

Wie van de oude wereld die nabrander precies uitdeelt en waarom is iets om eens goed uit te zoeken. Een erg goede aanzet vond ik hier:  <https://hbr.org/2016/11/what-so-many-people-dont-get-about-the-u-s-working-class>. Populisme is bijvoorbeeld een van die fenomenen waarover nog geen goede theorie is ontwikkeld. Namens wie spreekt het? Welk volk? Lijkt het niet meer op de gevestigde politiek, dan we willen toegeven, zou mijn vragende voorzet zijn? Het komt erop aan de juiste vraag te stellen of het juiste probleem bij de kop pakken. Dat is het euvel met veel sociaal wetenschappelijk onderzoek: geen goede vraag hebben en dan maar wat ondervragingen op mensen loslaten. Als het waar is dat zoveel hoogopgeleiden meedansen in de populistische wals die over ons heen komt, dan wordt het hoog tijd nauwkeurig naar de beweegredenen te kijken. Werk aan de winkel voor cognitive & affective science (= psychologie). De mensen zijn niet gek. Teveel wordt toegedekt: verouderde morele waarden, misdaad bij sommige groeperingen van minderheden (maar geef dan niet ‘de cultuur van….’ de schuld), amoreel gedrag bij bankiers (niet met de ‘bankcultuur’ aan komen zetten), het zoeken van destructief korte-termijn voordeel van sommige hedgefondsbeheerders, heerszucht bij de dominante witte man (niks testosteron!), de amorele vastgoedbeheerder. Zoek het beter uit met de juiste vragen.

En dan nog iets: anticipeer erop dat iets vergelijkbaars in Nederland kan gebeuren. Maar ook hier moeten we nog goed uitzoeken hoe het precies zit. Ik riep het hier al vaker: gedragswetenschappers, waar zijn jullie? Nee, niet sociaal-wetenschappers, ook niet sociologen, want die zijn onvoldoende toegerust om de leefwereld en motieven te onderzoeken.

Paul Voestermans

Aan de dames Buikema, Saharso en Römkens,
U zegt het niet met zoveel woorden maar uw bijdrage aan de Volkskrant van 31 oktober heeft betrekking op de discussie over vrouwonvriendelijke culturele praktijken met in een aantal gevallen een religieuze sanktionering, neem ik aan?
Machteld Zee’s analyse van de sharia etc. kreeg steun van Jolanda Withuis en Elma Drayer. Die steun werd door een aantal vrouwen gezien als een ondermijning van de solidariteit met vrouwen die van deze praktijken te lijden hebben. Al eerder in de NRC van dinsdag 25 oktober werd daarom gepleit voor een solidariteit die medeleven garandeert. Dat doet u ook. U noemt met name de praktijken rond het breken van het maagdenvlies en de volgens u heel begrijpelijke hersteloperaties.
U doet een aantal forse uitspraken: 

(1) Wij vinden het problematisch, ook als een keuze niet in volle vrijheid tot stand is gekomen, om de voorkeuren van de betrokken vrouwen te negeren.

(2) Maar wat als zij onze opvattingen over vrijheid en onderdrukking niet delen? Zelfbeschikking betekent voor ons dat de ander de vrijheid heeft andere opvattingen te hebben. En dat deze andere opvattingen niet perse het onversneden resultaat zijn van indoctrinatie en onderdrukking. Zelfbeschikking kan vanuit verschillende aanvliegroutes tot stand komen en allerlei verschijningsvormen hebben.

(3) Na counseling bleek 29 procent van de vrouwen geopereerd te willen worden.

Ik zou graag van u vernemen waarop u deze oordelen baseert. Weet u wel wat culturele praktijken zijn? Ik heb u natuurlijke gegoogeld en een deel van uw werk goed bekeken. Ik kan nergens vinden waarop u als wetenschappers een beroep doet om dit soort uitspraken te doen. De culturele praktijken waarvan in deze discussie sprake is – besnijdenis van vrouwen, ze thuis bewaakt houden, eergerelateerde praktijken zoals die rond het maagdenvlies, sharia, etc. ontstaan in omstandigheden die niet langer meer van toepassing zijn in de samenleving van aankomst. Ze worden gesanctioneerd door een selecte en lokale groep geprivilegieerden, mannen in dit geval, en aanvaard door vrouwen op een tamelijk geautomatiseerde wijze, omdat ze gewend zijn zich affectief en cognitief te schikken naar de macht. Tegen dit soort praktijken is honderden jaren strijd geleverd in minstens drie feministische golven. Daar heb ik eerder over geschreven, ook in een opiniestuk in de NRC. Dat kunt u gemakkelijk opsporen.

Kan het zijn dat u alleen maar empathisch bent tegenover de vrouwen die van bepaalde praktijken te lijden hebben en daarom begrip opbrengt voor zelfs onvrijwillige keuzen? Maar u bent evenals ik – en evenals Zee en Withuis – wetenschapper. Dan behoort u zich te verdiepen wat cultuur is, wat culturele praktijken zijn, hoe de affecthuishouding ontregeld raakt, zodra er macht wordt uitgeoefend en angst een rol speelt, als een alleen door mannen gedefinieerde eer in het geding is enz. 

Dat u meevoelt met hun opvattingen van vrijheid en onderdrukking en dat u ook meevoelt met hun keuze voor een hersteloperatie, zelfs als de breuk van het maagdenvlies het gevolg is van verkrachting door mannen, is prachtig, maar u kunt daarbij niet voorbij gaan aan wat u behoort te weten als wetenschapper. U behoort zich te baseren op degelijk onderzoek naar de aard van deze praktijken, naar door wie ze worden opgelegd en door wie of wat in stand gehouden. Medelijden en medeleven alleen volstaan niet.

Hebt u uitgezocht welke vrouwen onder welke omstandigheden kiezen voor een hersteloperatie en onder invloed waarvan? Hoe weet u zo zeker dat deze vrouwen hun lijden in de context zien van weliswaar een gedwongen keuze maar dan wel eentje waar ze zich mee eens verklaren? Die 29% zeggen op zich niets.
Moeten deze praktijken niet worden ontmaskerd als verordonneerd onder lokale druk door lokaal opererende mannen die hun overwicht gebruiken? Als in het Zeeland van de Bevindelijken meisjes hier en daar op zeer jonge leeftijd buiten het huwelijk zwanger worden gemaakt, en vervolgens gedwongen worden door de lokale ouderlingen in samenspraak met de ouders deze schande ongedaan te maken in een huwelijksarrangement dat deze meisjes ongelukkig maakt, ook al hebben de meisjes daarmee ingestemd, dan gaan we toch ook niet alleen maar gevoel opbrengen voor deze praktijk, maar kaarten die aan door zorgvuldig te ontleden wat hier onbillijk en pijnlijk is? We weten dat het hier een dorpse lokale praktijk betreft die samenhangt met de overgang van platteland naar stad en met de wisseling van generaties. De Nederlandse cultuur of een religie als  het Christendom hierop aan te spreken, zou onzinnig zijn. Wat voor dit Zeeuwse voorbeeld geldt, geldt ook voor praktijken in bijvoorbeeld moslim gemeenschappen met lokale gebruiken die niet in overeenstemming zijn met de veranderde omstandigheden voor vrouwen in een modern Westers land als Nederland. Daar laat je geen feministische stellingnames op los, maar dit soort praktijken analyseer je.

In uw stuk reflecteert u geen moment op wat culturele praktijken voor praktijken zijn. Ik heb jaren onderzoek gedaan naar cultuur en gedrag. Daar zijn twee boeken uit voortgekomen die in de traditie staan van de cultuurpsychologie zoals beoefend aan het Psychologisch Laboratorium van de Radboud Universiteit. Cultuur wordt daarin psychologisch ontleed in de elementen die gedrag voortbrengen. De uitkomst van dat onderzoek leert dat een of andere ‘cultuur’ als eenheid opgevat geen gedragsbepalende factor kan zijn. De gedragsproductie is een zaak van lokale factoren en actoren die heel precies moeten worden gewogen en beoordeeld. En als sommige zogenaamde culturele gedragingen vrouwen geweld aandoen, hoezeer de vrouwen zelf er ook in meegaan en zich er niet tegen verzetten, en mannen vrijpleiten, hoezeer vrouwen zelfs dáár geen bezwaar tegen aantekenen, dan horen die precies in kaart gebracht te worden en niet op voorhand, zoals u doet, te worden vergoelijkt omdat het bij deze vrouwen om andere opvattingen over vrijheid en onderdrukking zou gaan. Hoe komt u daarbij? U denkt toch niet dat hun ‘cultuur’ hen deze andere opvattingen ingeeft?

U ben niet de enigen die zich zo uitgesproken opwerpen als de verdedigers van een vorm van respect voor praktijken die in sommige groeperingen vrouwen wel degelijk tot tweederangs burgers maken. Een week geleden in de NRC van dinsdag 25 oktober schreven de dames Oliviera, Alineat en Black een opiniestuk, waarin ze de dames Zee, Withuis en Drayer ervan proberen te doordringen dat hun feminisme past in de traditie van koloniaal denken. Ook dit gaat in naam van culturele praktijken die niet zo hard behoren te worden aangepakt als Drayer, Withuis en Zee voorstaan.
Ook bij Oliviera c.s. geen spoor van reflectie over wat culturele praktijken dan wel voor praktijken zijn.

Ik schreef hun:
“Het zal u drieën hopelijk niet zijn ontgaan dat ik me ongeveer een half jaar terug in een ingezonden stuk in de NRC sterk maakte voor wat er voor vrouwen is bereikt in drie opeenvolgende feministische golven. Ik schreef dat vanuit o.a. mijn competentie op het gebied van de geschiedenis van de psychologie, in het bijzonder die van seks en gender.
Uw verzet tegen het eenvoudig vangen van allerlei vrouwenonderdrukkende in sommige gevallen gewelddadige praktijken onder de noemer ‘islam’ met als voornaamste reden voor dat verzet het bestaan ervan in ook het Westen, blijft evenwel erg gratuÏt, indien u helemaal voorbij gaat aan toch wel een aantal heel specifieke vormen van (gewelddadige) vrouwonvriendelijkheid die wel degelijk – in vergelijking met hoe vrouwen in het westen worden behandeld – opzichtiger terug te vinden zijn bij moslim mannen.
Uw betoog is tamelijk abstract en richt zich alleen tegen de aantijging van de kant van Zee, Drayer en Withuis dat veel niet-moslim feministische vrouwen ten onrechte de kant kiezen van moslims als het over moslim praktijken tegen vrouwen gaat. Zeggen Zee en Withuis volgens u ten onrechte dat nogal wat ‘helper whitey feminists’ laat ik ze zo maar even noemen, sommige vrouwonvriendelijke praktijken onder moslim-mannen vergoelijken? Is dat niet zo, denkt u?
U schrijft: “Maar er is ook een andere feministische traditie, een van solidariteit met onderdrukte groepen en hun strijd. Dit is de traditie waarin wij, en veel jonge vrouwen, zich plaatsen en herkennen. De steunbetuigingen die wij ontvingen na onze actie (en ongegronde arrestatie) in Spijkenisse eerder dit jaar, toen we protesteerden tegen Wilders misbruik van feminisme om haat te zaaien tegen (moslim)migranten, is daar maar een klein voorbeeld hiervan.”
Keren Zee en Withuis zich tegen deze traditie? Waar haalt u dat vandaan? En waarom noemt unzelf niet man en paard? Er zijn wel degelijk praktijken die het verdienen te worden ontmoedigd.
Ik besef heel goed dat een aantal van u als VU wetenschappers wellicht vreest dat kritiek van o.a. Zee en Withuis ingegeven kan zijn door een algemeen anti-religieus sentimement. Dat zo gedacht wordt bij kritiek op specifieke religieuze gebruiken komt vaker voor wanneer ‘geloven’ in het geding is. Wie de eigen religie wil vrijwaren van kritiek gaat vaak mee met achterhaalde praktijken van andere religies zodra die door niet-gelovigen worden gekritiseerd. Loopt u dat gevaar ook niet in dit stuk?
Immers, waar ging het Zee, Withuis en Drayer om? Niet om de hoofddoek of onschuldig gekokketeer met de islamitische religieuze identiteit die zo ongeveer na de eerste Golf Oorlog en zeker na 9/11 in de mode is gekomen, maar om bijv. lichamelijke verminking, het gevangen houden van vrouwen, het exclusieve privilege van gelovige mannen over vrouwen te heersen, het onthouden aan vrouwen van een eigen ontwikkeling in naam van religieus conservatisme, eergerelateerd, door mannen afgedwongen praktijken rond het maagdenvlies, etc. Heb het daar eens concreet over, alstublieft.
Schrijf eens een stuk dat laat zien dat u dat soort praktijken durft te benoemen en af te keuren in plaats van heel in het algemeen op Zee en Withuis en Drayer af te geven. Want dat doet u toch? Of moet ik uw stuk anders lezen?
“Hun ideeën over de islam gaan steeds meer lijken op die van rechts populistische partijen. Hun speerpunten vormen hetzelfde rijtje: Keulen, de sharia, vrouwenbesnijdenis, hoofddoeken”, schrijft u? Waar staat het dat zij zo redeneren? Als je tegen dit soort praktijken bent, ben je populist? Waar baseert u dat op?
Ik steek de hand in eigen boezem: op mijn blog maar ook in de boeken die ik schreef met o.a. hoofdstukken over sekse en gender, en over religie, vindt u beschrijvingen van praktijken die ik aanmerk als extreem vrouw-vijandig en die ik hartgrondig afwijs, omdat ze verband houden met mannelijke privileges die aan vrouwen onthouden worden. Dat heeft niets met populisme te maken, wel met culturele en hier en daar religieus gesanctioneerde praktijken die alleen aan mannen voorbehouden zijn: kledingvoorschriften voor alleen vrouwen afkondigen, seksuele moraal voor alleen vrouwen verordoneren, gevangenschap opleggen aan vrouwen, eenzijdige, alleen aan mannen gegeven en aan vrouwen onthouden huwelijkse rechten opeisen etc. Vaak ook gaan zulke praktijken samen met traditiegebonden, exclusief mannelijk wederechtelijk geweld tegen vrouwen.
Waarom heeft u het daar niet over? Kunt u dat uitleggen of wellicht weerspreken in een stuk dat meer inhoud heeft?”
Zover mijn brief.

Ik kreeg niet eens antwoord! Dat zal vast komen door een volgelopen mailbox met berichten van reaguurders. Dus alle begrip.
Ik heb het evenwel over een ernstige tekortkoming in deze ingezonden opiniestukken: ze zijn geschreven door mensen die aan een universitiet werken en zich uitspreken in opiniestukken zonder daarbij de inzichten aan te leveren waarop ze zich baseren. Zijn dit wel discussies voor opiniestukken?
Graag uw reactie.
Hartelijke groet,

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 30 oktober, 2016

Wat zijn gevoelens

Heel kort vandaag. Wat zijn gevoelens?

Zijn het emoties die ongecontroleerd opborrelen uit de gevarenzone van een bedreigd bestaan? En als onze taal niet langer meer nuchter en zakelijk is maar vol opgewonden standjes, zoals bij reaguurders, twitteraars, Zwarte Pieten debaters en bij vele, vele andere onderwerpen, waar ligt dat dan aan? Aan oncontroleerbare emoties? Nee dus!

Gevoelens zijn geen emoties en taal wordt niet door emoties beheerst maar juist door gevoelens.

Wanneer taaluitingen met overslaande stem worden gebezigd, letterlijk hoorbaar of op papier is dat geen aanwijzing voor dolgedraaide emoties maar voor ongepolijste gevoelens, wat heel wat anders is. 
Het polijsten van gevoelens is een zaak van de gemeenschap waarin je opgroeit. Emoties zijn er om op de juiste wijze op gevaar of bedreiging te reageren. Ze staan niet onder invloed van bewuste sturing maar verzekeren ons van de meest adequate reactie. Zien we een beer in het bos of een groenig slangachtig voorwerp in het gras, dan slaan we op de vlucht of deinzen terug.

Toeristen die in een Amerikaans nationaal park een beer zien, rennen meteen weg. Als ze een veilig heenkomen hebben gezocht, trillen ze nog na en vertellen van hun angst. Het wegrennen gebeurt onder invloed van emoties, het natrillend vertellen van hun angst zijn gevoelens. Ervaren jagers die zich ook uit de voeten maken als het gevaar te dichtbij komt, slaan zich – eenmaal op een veilige plek – op de schouder van plezier over weer eens een mooi avontuur dat ze in geuren en kleuren straks in de kroeg kunnen vertellen. Ook hier is wegrennen een zaak van emoties, de gevoelens komen trots in hun verhaal.
Het verschil is meteen duidelijk: gevoelens ontstaan in de groep op basis van eenmaal opgedane ervaringen. Daar krijgen ze vorm.

Emoties zijn efficiente reacties op relevante gebeurtenissen. In de meeste gevallen hebben die te maken met basale gewaarwordingen van bijv. gevaar of aangevallen worden. Maar ook bij het zien van overmacht of juist kansen, bijvoorbeeld wanneer de seksuele aantrekkingskracht van een mogelijke partner heel erg groot is. Ligt de grens heel erg scherp? In de meeste gevallen wel. Maar doordat zowel emoties als gevoelens het gehele lichaam involveren, is de grens tussen emotie en gevoel nooit zo scherp dat er niet een gebied is van overlap. Je kunt de wegren reactie, of de walging en de angst bijvoorbeeld wel degelijk een getrainde vorm geven, maar dan zijn er meteen ook gevoelens in het spel. Zo zal een brandweerman die bij een ernstig ongeluk een ingeklemde gewonde met afgehakt hoofd uit het wrak moet bevrijden, getraind zijn om dit te doen, maar de eerste emotie van afkeer blijft. Dat geldt ook voor jongens die het koppensnellen onder de knie moeten krijgen, zo weet ik uit het veldwerk van de antropologe Michele Rosaldo.
Gevoelens worden alleen maar vormgegeven. Ze zijn in tegenstelling tot emoties wel cognitief doordringbaar en kunnen dus gepolijst, beheerst, zorgvuldig uitgedrukt en voor communicatie geschikt gemaakt worden. Dat vereist een gemeenschap waar deze vormgeving aangeleerd wordt.
Bas Heijne merkt in zijn bijdrage aan Opinie & Debat in de NRC van zaterdag 29 oktober op dat emoties van woede en verongelijktheid door niet alleen populisten maar ook door andere politici worden geëxploiteerd. Als dat gebeurt zegt hij dan dreigt taal  

“het vermogen (te verliezen) om uit te leggen en betrokkenheid te kweken (…) dan vormt zij een bedreiging voor de band tussen mensen en politici. Ik ben van mening dat dit proces zich vandaag de dag in onze democratieën voltrekt.”

Taal verliest dat vermogen niet onder invloed van emoties maar van gevoelens die onvoldoende worden gepolijst. Dat gebeurt in de gemeenschap waartoe niet alleen politici maar verder iedereen behoort. Het is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van iedereen om gevoelens zodanig vorm te geven dat ze de band tussen mensen onderling en ook die met politici niet bedreigen. 
Het komt op preciezer taalgebruik aan wanneer dit soort processen in de journalistiek besproken worden. Ik pleit daar regelmatig voor. Tegen de tendens gedragswetenschappen vanwege haar kwade roep door een aantal schandalen helemaal aan de kant te schuiven. Het gedragswetenschappelijk ongeïnformeerd gebruik van de term emotie en emotioneel leidt tot slecht inzicht in populistische manipulaties. Door het over gevoelens te hebben komt meteen in zicht wat er moet gebeuren: werken aan een aanvaardbare vormgeving die communicatie neit onmogelijk maakt. 
Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 18 oktober, 2016

Tolerantie of intolerantie gaan niet over meningen of opvattingen maar over de gevolgen

In het prijswinnend essay van Marjoka van Doorn dat zaterdag 16 oktober 2016 in de NRC stond afgedrukt worden in verband met tolerantie 4 denkfouten gesignaleerd: (1) het zijn altijd anderen die intolerant zijn, (2) het is de zaak van iemand persoonlijk en niet van ons allemaal, (3) als we niet afrekenen met intolerantie gaat tolerantie helemaal eraan en tenslotte (4) leg tolerantie desnoods gedwongen op. 

Aan dit essay lag een heel proefschrift ten grondslag, ‘Toestaan met tegenzin: het beoefenen en bevorderen van tolerantie’. Ook daarin veel aanwijzingen hoe je tolerantie aan kunt leren. Het is sociale psychologie op zijn smalst want de belangrijkste denkfout wordt niet genoemd, namelijk het foutieve idee dat opvattingen in de zin van talig geformuleerde ideeën bij de praktijk van tolerantie en intolerantie de dienst uit maken. Dat is helemaal niet het geval.

Het is een denkfout die maar moeilijk begrepen wordt. We besteden er flink wat aandacht aan in ons boek Culture as Embodiment. Tolerantie en intolerantie zijn namelijk praktijken, dingen die mensen automatisch doen op basis van gevoel voor de consequenties. Juist deze affectieve component is belangrijk bij tolerantie/intolerantie. Waarom zeggen mensen dat ze niets tegen moslims hebben maar dat ze halal eten op een kinderdagverblijf waar moslimkinderen naast niet-moslimkinderen zitten te ver vinden gaan? Waarom wel moslims accepteren maar dat vrouwen naar de pijpen van mannen moeten dansen en zedig gekleed moeten gaan om hen niet te prikkelen, scherp afwijzen? Heel simpel: het eerste kun je in woorden vangen en gemakkelijk aanvaarden, het tweede gaat over praktijken en die worden door andere zaken aangestuurd dan door in zinnen gevangen beweringen. Halal eten en door de sluier gesuggereerde onderdanigheid zijn praktijken die elders en onder totaal andere omstandigheden zijn aangeleerd. Omstandigheden die niet meer van toepassing zijn in een samenleving waar nog niet zo heel lang geleden met dat soort zaken is afgerekend. De weerstand die een en ander oproept is geen cognitieve maar een affectieve aangelegenheid. 
Nog maar iets meer dan een halve eeuw terug droegen vrouwen in Nederland als ze de straat opgingen hoofddoeken of hoeden, zeker in de kerk. Meisjes mochten niet in broek op school verschijnen. Dat waren ingeslepen gewoonten die vast ook hun oorsprong vonden in voorschriften van patriarchale  leidinggevenden in kerkelijke en burgerlijke instellingen. Daar is grondig mee afgerekend en naar de tijd van vrouwen en meisjes die hun plaats behoren te weten willen we niet meer terug. De machinerie die vrouwen dit gedrag inpeperde door bijvoorbeeld afwijking van de regels streng te straffen of te ridiculiseren, is voorgoed onklaar gemaakt. Wie nu weer pleit op basis van seksuele moraal voor naar sekse gesegregeerde scholen of kledingvoorschriften afkondigt op basis van diezelfde moraal gaat terug in de tijd en daar gaan zeer veel Nederlanders niet in mee, hoe tolerant ze verder ook zijn.
Dat is de kern van al het gedoe rond sharia rechtbanken, hoofddoekjes, boekini’s, halal, salafistische of joodse weigering vrouwen de hand te schudden etc. Wat in vezet komt zijn gevoelens die een totaal andere praktijk ondersteunen. Die zijn opgedaan in bijvoorbeeld een duidelijk emancipatoire strijd of in gevecht met machthebbers die bijvoorbeeld wederrechtelijk vrouwen in een afhankelijke positie hielden. Die tijd mag onder geen beding terugkomen. Vandaar dat mensen tolerant zijn maar niets moeten hebben van praktijken waarin vervlogen tijden herleven. 

Er bestaat heel wat geleerd gepraat rond opvattingen, denkbeelden, waarden en normen, tolerantie en intolerantie, maar het belangrijkste is het besef dat gedrag niet geredigeerd wordt in de cockpit van onze geest die volgestouwd zit met meningen en opvattingen. Dat wil maar niet doordringen. Het gaat ook om meer dan een denkfout. Het gaat om een totaal gebrek aan inzicht waardoor gedrag wordt aangestuurd.
Julian Kiverstein zegt het in Philosophical Topics zo: “The standard view in philosophy and psychology claims that mentalizing is necessary and sufficient for social understanding. Mentalizing (also known as “mindreading”) is the name given to the cognitive capacities humans employ in explaining and predicting their own and other’s actions. The standard view is rejected by philosophers working in the phenomenological tradition. They have argued that mentalizing is neither necessary nor sufficient for social understanding. They suggest instead that most of the time we understand each other through what Shaun Gallagher has called “embodied practices.”

Ik zou het niet beter kunnen zeggen.

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 6 oktober, 2016

Cement uit de molen van Martin Sommer

In de VK van zaterdag 1 oktober schreef Martin Sommer: “Het cement van de samenleving bestaat niet uit wetten, maar uit gevoelens, geloven, ideeën, gewoonten, opgebouwd in de loop der tijd. Normen en waarden, zouden wij zeggen. Goede manieren, schrijft Tocqueville, zijn de buitenste schil van de normen en waarden”.
Het lijkt zo duidelijk wat ons bijeen houdt, maar schijn bedriegt. Een klein beetje kennis van wat zich de laatste decennia in de psychologie heeft afgespeeld leert ons al gauw dat aan het cement geen eenvoudig recept ten grondslag ligt. De woordjes uit de gewone taal: ‘gevoelens’, ‘geloven’, ‘ideeën’, ‘gewoonten’ samengebracht onder de paraplu ‘normen en waarden’ zijn daarvoor veel te onprecies. Niks cement. Het lijmt of hecht van geen kant.
Tenzij we ons realiseren dat achter elk woordje een hele gereedschapskist steekt waarmee datgene waarnaar de woordjes verwijzen ontleed kan worden. En dan blijken gevoelens van heel andere zaken gemaakt te zijn dan ideeën, en geloven van weer iets anders. En gewoonten lijken op geen van deze. Ze vormen dus een klasse apart. Waarden en normen zijn wéér heel iets anders en of goede manieren de buitenste schil vormen? Geloof dat maar niet. Waarom nemen journalisten niet de moeite zich een beetje met die gereedschapskist vertrouwd te maken. Dat moeten ze toch ook met de gereedschapskist van de Nobelprijswinnaar chemie, Ben Feringa? Op het moment van schrijven – 6 oktober 2016 – stond een groot deel van het gereedschap tamelijk precies beschreven in de NRC. Waarom zo slordig met factoren die ons zedelijk gedrag bepalen?
Stel dat iemand genen, allelen, eiwitten en basen op een hoop zou gooien en dat chromosomen zou noemen en dan zou zeggen dat weefsel de buitenste schil vormt? En dat dit het cement van ons lichaam is? Je zou niet meer verder lezen.
Toch is dat wat er gebeurt in het artikel waarin Sommer zich afvraaagt waarom normen en waarden een slechte reputatie hebben en het met inburgering maar niet wil lukken: het kernthema van de column. Het gaat slecht met “mentaliteit, omgangsvormen, gedrag en vlijt”, met het cement van de samenleving dat bestaat uit “gevoelens, geloven, ideeën, gewoonten, opgebouwd in de loop der tijd”. Geen wonder dat zowel de christen-democraten als de liberalen er niet uit komen. Hier worden allerlei zaken op de grote hoop gegooid in plaats van ze zorgvuldig te onderscheiden.
De wrok van de lager opgeleide en de triomfantelijkheid van de well-to-do zijn beide gevoelens. We weten uit de psychologie dat die voor een snelle route naar gedrag zorgen, waar waarden en normen, afkomstig uit in woorden en verhalen georganiseerde denkbeelden, geen vat hebben. Nog belangrijker is het te achterhalen wat er achter deze gevoelens steekt. Dat is voor de een het sterke geloof in waar de samenleving het meest aan heeft: aan een herstel van de maakindustrie in Nederland die ten onrechte naar het buitenland is verplaatst. We zien Donald Trump een beroep doen op dat geloof. Voor de ander is het het vaste geloof dat een verdere creatieve destructie nodig is om plaats te maken voor robots en een samenleving waarin vrijetijd steeds meer gewaaardeerd gaat worden. Geloof mag je niet op een hoop gooien met gevoelens. De ongemanierdheid van de eenkennige wrokkige massa moet je precies ontleden wil je er iets aan kunnen doen. Zoals je ook het cosmopolitische triomfalisme van de hogere klasse moet zien te begrijpen, wil je de kloof met de wrokkige onderlaag kunnen overbruggen. Pas als die brug er is, kun je beginnen aan het onvermijdelijke multiculturalisme dat nodig is wil er echt ruimte komen voor de gekleurde medemens en ruimte voor de inpassing van zijn manier van leven in het mozaiek van de Nederlandse ‘waarden en normen’.
De moluculair biologen moeten ook de zaken precizeren vooraleer er in het DNA geknipt en geplakt kan worden. Dat geldt ook voor wat een goede kandidaat zou kunnen zijn voor het cement van onze samenleving. 

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 26 september, 2016

Opnieuw de stad

Niet waarden verbinden de landen van Europa met elkaar of zorgen juist voor verdeeldheid, zegt Frits Bolkestein in de Volkskrant van 22 september 2016, maar belangen. Die zorgen voor verdeeldheid of coalities. Van gedeelde, exclusief Europeese waarden is geen sprake. Wat wij belangrijk vinden, vinden ze ook in de VS of Latijn Amerika belangrijk. Hij geeft tal van voorbeelden van waardenverschillen in Europa. Het belang dat in Letland aan kinderen gehecht wordt, verschilt hemelsbreed van dat van Nederland. De Polen hechten zwaar aan geloof in God, de Tjechen niet of nauwelijks. Tweederde van de Turken en de Roemenen wensen een sterke leider. Zo gaat hij maar door. Hij baseert zich op onderzoek dat onder leiding van Paul de Graaf aan de universiteit van Tilburg is uitgevoerd over een reeks van jaren. Let je op belangen dan ontstaat een ander verhaal. Dan is er hoop op een bindmiddel.q
Zou het?
Wat zijn belangen in vergelijking met waarden? Waarden zijn catchphrases voor zaken die al van belang geworden zijn doordat er gevestigde praktijken aan vooraf gingen. Die zijn georganiseerd rond wat mensen al concreet ervaren hebben dat van belang is en wat ze graag veranderd willen zien of wilen laten voortduren. Daar gaat het om. Belangen verschillen hooguit van waarden op het punt van concreetheid en verbinding met ervaring. 
Maar binden ze werkelijk? Ik denk dat het tamelijk ouderwets is bindmiddel of splijtstof te zoeken in de waarden of belangen van hele landen. Het effectiefste bindmiddel is de levensstijl.
Immers, landen komen enorm overeen als je kijkt naar de bevolking van hun grote metropolen. Maar de levensstijl is ook splijtstof. Kijk je naar de kleine steden en het platteland dan zie je enorme verschillen tussen landen. Daar heersen ideologie en religie.
Illustratief in dit verband is het boek van Petra Stienen, Terug naar de Donderberg (2015). Ze beschrijft erin hoezeer de leefwereld van haar ouders in de Jaren zeventig in de kleine stad Roermond in haar woonwijk Donderberg leek op die van de Arabieren met wie ze in haar latere diplomatieke carrière veelvuldig in aanraking kwam. Dezelfde preoccupatie met familie, goede naam, sekseverschillen, de opvoeding van meisjes en jongens, religie, etc. Ze voelde zich moeiteloos thuis tussen de Arabieren juist vanwege dit soort overeenkomsten. Ze had ook nauwelijks moeite met de multiculturele samenleving van Nederland, want wat ze aantrof bij Turken en Marokkanen herkende ze van vroeger. Een prachtig boek, juist vanwege de beschrijving van dit soort ervaringen. 
Sef Hemel wijst in de NRC van zaterdag 24 september erop dat “In 1800 er nog geen stad op aarde (was) die meer dan 1 miljoen inwoners telde. Tweehonderd jaar later telt onze planeet 28 megasteden met meer dan 10 miljoen inwoners; 43 steden met 5 tot 10 miljoen inwoners en 417 steden met 1 tot 5 miljoen inwoners. Voor 2030 voorspellen de Verenigde Naties liefst 41 megasteden met meer dan 10 miljoen inwoners, de meeste op het zuidelijk halfrond. Dat is opnieuw een verdubbeling in extreem korte tijd.” 
De megasteden zijn broedplaatsen van leefstijlen die voor grote overeenkomsten tussen mensen zullen zorgen, juist op punten die voor innovatie, saamhorigheid en behoefte aan geestelijke groei en vooruitgang van groot belang zijn.
In elk land van Europa ontstaan zodoende groeperingen die nieuwe gedragsvormen zullen ontwikkelen. Dat gebeurt parallel aan de heersende gedragsstijlen die in andere delen van de grootstad, in de kleinere steden en op het platteland gangbaar blijven.
Straks kunnen landen niet zomaar meer met elkaar vergeleken worden op basis van het soort surveys die Bolkestein nu geraadpleegd heeft. Cruciaal zijn immers de overeenkomsten tussen de bewoners van deze megasteden en bijgevolg tussen de landen waarin deze steden zich ontwikkelen. Megasteden zijn daarom van groot belang voor de ontwikkeling van vrije individuen die hun eigen vorm van saamhorigheid mogen en kunnen kiezen. 
Natuurlijk gaat het niet louter en alleen om de omvang. Lees mijn vorige blog over de burgemeesters: het draait vooral om diversiteit in economische activiteiten, om flexibiliteit en adaptatie aan steeds zich wijzigende omstandigheden. Dat kan alleen als de omvang een zodanig kritische waarde heeft gekregen dat de grootstedelijke voordelen van dichtheid, schaal, contact en expansie tot hun recht komen. Dan ook krijgen krachtige, lokale coalities van bestuur, bedrijfsleven en kennis een kans. Megasteden lopen alleen het risico onleefbaar te worden als de planning geen rekening houdt met menselijke maat in het ontwerpen van grote agglomeraties. In magasteden kunnen Kopenhagens, Eindhovens en andere nu succesvolle kleinere agglomeraties een plaats krijgen. Mega hoeft niet te  ontaarden in stenen kolossen. In mega op menselijke schaal krijgen levensstijlen de ruimte die nodig is voor verhoogde leefbaarheid. Dan ook onstaan elkaar stimulerende in plaats van elkaar weerstrevende identiteiten. Daarin kan Europa gedijen.

Bolkestein zou zich op dit soort ontwikkelingen moeten oriënteren. Dat zet meer zoden aan de dijk dan wijzen op belangen. 

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 15 september, 2016

Pragmatisme met moderne middelen: het burgemeesterparlement

Zondag 11 september 2016 werd tijdens een meerdaagse conferentie het Global Parliament of Majors opgericht. Het zou een aanvulling zijn op de Verenigde Naties. Het initiatief komt van de politicoloog Benjamin Barber. Hij schreef het boek If Mayors Ruled the World (2013). Je zou dit boek een vervolg kunnen noemen op Jeb Brugmanns boek, Welcome to the Urban Revolution dat in 2009 verscheen (Nederlandse vertaling: De stad 2.0 Hoe steden de wereld veranderen). Dit boek laat zien dat steden een enorm potentieel hebben dat bestaat uit een vierledig stedelijk voordeel: steden optimaliseren de dichtheid van interactie, schalen kansen en ontwikkelingen op, associeren belangrijke instellingen met elkaar en vergroten op die manier exponentieel de samenwerking en de effectiviteit ervan en zorgen tenslotte voor expansie, dat is voor de verbinding van steden onderling als gevolg van het succes dat in de ene stad is behaald en dat zodoende de andere stad aansteekt. Het boek documenteert verder uitvoerig hoe van Mumbai tot Rio de Janeiro zelfs sloppenwijken profiteren van deze zegeningen van de stad en zich geleidelijkaan ontwikkelen tot leefbare voorsteden. Maar slums zullen niet verdwijnen omdat heel arme mensen ergens moeten beginnen. Straks komt het boek uit van Zef Hemel, De toekomst van de stad. Er stond een erg goed stuk over Hemel in de NRC van zaterdag 24 september. Hij benadrukt wat ik mij nooit zo scherp heb gerealiseerd: het belang van zeer grote stedelijke concentraties voor de ontwikkeling van levensstijlen die stagnatie, verspilling en conservatisme tegengaan. In zijn eigen woorden: “Metropolen zijn wonderen van vernuft, veel duurzamer dan middelgrote steden en eindeloze bronnen van welvaart en cultuur”.
Barber onderscheid ook een aantal kenmerken. Steden herbergen innovatie, variatie en creativiteit. Ooit waren de steden voorlopers van de natiestaten en dat geeft ze nog steeds een groter democratisch gehalte dan de logge opvolgers. Braber is bepaald niet vriendelijk voor de staten.
Over de kritiek op zijn beoordeling van steden en de gretigheid waarmee de burgemeesters op zijn voorstellen gesprongen zijn, kom ik in een latere blog nog te spreken maar voor nu wil ik op een aspect wijzen dat de samenwerkende burgemeesters zal sterken in hun streven naar oplossingsgerichte samenwerking. Het pleidooi voor een burgemeesterparlement kun je zien als pragmatisme met moderne middelen.
Het pragmatisme is een filosofische stroming met in vergelijking met andere filosofische systemen nog niet zo’n lang verleden. Het ontstond rond het midden van de 19e eeuw in het kielzog van wat toen moderne ontwikklingen waren: de gestage groei van wetenschap en de vele successen die eraan zijn toegeschreven. Bekende namen zijn William James, Charles Sander Peirce, John Dewey en George Herbert Mead. 

Vooral Peirce is interessant omdat zijn pragmatisme geworteld is in een vernieuwende kijk op de wetenschapspraktijk. Hij is de geestelijke vader van de operationele cyclus. Wat je verder ook van wetenschap vindt, het is eerst en vooral een manier van onderzoek doen. Daarbij zijn een aantal operaties essentieel die cyclisch met elkaar verbonden zijn en spiraalsgewijs steeds beter benaderen wat het geval is. Zekerheid is onmogelijk, maar het is wel mogelijk in de buurt komen van de beste oplossing.
De operationele cyclus wordt ten onrechte de empirische cyclus genoemd. In die benaming ligt het accent op de proefondervindelijke oftewel empirische vaststelling en niet op het gedurfde gissen d.w.z. op een verklaringspoging of theorie die perspectief biedt. Een theorie is in de cyclus van operaties niet zo maar een beschouwingswijze maar een zorgvuldig geconstrueerd bruikbaar conceptueel bouwwerk. Het belang van gedurfd theoretiseren hangt samen met Peirce’s nadruk op abductie wat tussen deductie en inductie in zit. Deductie kennen we uit de logica en is onverbiddelijk: alle mensen zijn sterfelijk, Socrates is een mens en dus gaat hij dood. Inductie: Socrates gaat eraan zoals in alle waargenomen gevallen voor hem. Abductie is de vonst van Peirce. Zeker, de mensen gaan dood maar misschien is er iets te bedenken  waardoor dit niet waar hoeft te zijn voor een gegeven geval, namelijk als je gewaagd redeneert zoals bijvoorbeeld Andrea Maier: stel dat dood gaan komt door het uitvallen, de een na de ander, van organen. Dan is het een ziekte waar je kennis over kunt vergaren. Misschien kun je met die kennis het proces van veroudering sterk vertragen. Abductie is dus het afleiden  van wat het geval is uit een reeks waarschijnlijke veronderstellingen. Dat stimuleert ondezoek en daar ging het Peirce om. 

Het cyclische proces dat Peirce aan de basis legt van de wetenschappelijke praktijk begint met een raadsel of verrassend verschijnsel waarvoor de bestaande kennis geen oplossing biedt. Twee zaken zijn dus van belang: (1) bestaande kennis die zorgvuldig is geinventariseerd en (2) de vaststelling van een tekort daarin waardoor zich een probleem of vraagstuk voordoet. Wat wetenschap verder ook is, het begint met een raadsel of probleem. Dat probleem moet helder en duidelijk zijn in die zin dat bestaande inzichten geen oplossing bieden. De eerste operatie is dus het inventariseren van bestaande kennis tegen de achtergrond waarvan iets een probleem wordt. Om tot een oplossing te komen moet dus iets nieuws verzonnen worden. Dat is de volgende operatie: een verklaringspoging. Die moet zodanig geformuleerd zijn dat hij verworpen kan worden door de verkregen gegevens. Lukt deze verwerping niet dan beschikken we over nieuwe kennis en begint de cyclus weer opnieuw als zich tegen de achtergrond daarvan een nieuw vraagstuk of probleem aandient. 

Het pragmatisme van Peirceis dus verankerd in de wetenschapspraktijk en verschilt in die zin van het filosofische pragmatisme. Juist doordat wetenschap zich heeft ontwikkeld tot in the long run het meest corrigeerbare systeem van oplossingen, is er een pragmatisme op komst dat je pragmatisme met de meest moderne middelen kunt noemen. Immers, nog nooit heeft het pragmatisme kunnen profiteren van zoveel mogelijkheden tot communicatie en nog nooit stond er zo’n gesofisticeerd  ter beschikking  om problemen op te lossen. Nog nooit op raakten zoveel mensen getuned of afgestemd op materiële genoegens die niemand, wat ook zijn overtuiging is, meer kwijt wil. Dat punt benadrukken wij in Culture as Embodiment en Cultuur & Lichaam. Het gaat al lang niet meer om genotzucht of hedonisme; het gaat bijvoorbeeld om gecontroleerd voedsel, zuivere lucht, schoon water, minder stank, waar mogelijk gedemd lawaai,  veilig verkeer en veilig wonen, bescherming, scholing, en ontspanning. De steden verzorgen dit soort zaken bij uitnemendheid, geholpen door een wetenschap en techniek waarop het klassieke pragmatisme nog niet kon bogen. Zeker, er kleven ook bezwaren aan een ongebreideld geloof in wetenschap. Kijk maar naar het samengaan van de economische giganten Bayer en Monsanto die de zaden- en landbouwchemicaliënmarkt beheersen met hun op winst gerichte R&D afdelingen. Maar zelfs deze uitwassen van wetenschappelijk monopolisme worden op den duur gecorrigeerd door het pragmatisme met moderne middelen.
Dit pragmatisme speelt de hoofdrol in het burgemeestersinitiatief. Het komt minder voor bij de natiestaten. Daar heersen ideologieën en zelfs cultuuroorlogen. En religie, ook een mensgemaakt ideologisch stelsel. Het is vanzelfsprekend volstrekte onzin om dit burgemeestersinitiatief tegenover de natiestaat te stellen. Ook is het niet de bedoeling om niet samen te werken op niveaus die de stad duidelijk overstijgen.Grotere bestuurlijk eenheden zijn nodig maar de gezamenlijke burgemeesters hebben wel een duidelijker speelveld. Ze moeten problemen concreet oplossen door cooperatie en gezamenlijk initiatief. Ze kunnen gemakkelijker dan de staat de hulp inroepen van wetenschappers en zich veel beter richten op waar de burgers last van hebben en wat ze graag gerealiseerd willen zien. Ze hebben de macht van de dichtheid, schaal, associatie en expansie. Belangrijk punt van zorg is de democratische controle ook op dit niveau. Maar daarover later meer.

Paul Voestermans

Gepost door: Voestermans and Verheggen | 14 september, 2016

Globalisering van gedrag versus de economische globalisering

Een allarmerende bericht, zo op het eerste oog, van een op handen zijnde creatieve destructie: de wereldhandel heeft zijn beste tijd gehad. De reden is even simpel als hoopgevend. De eenvoud zit hem in de door velen gewenste opkomst van lokale verdienmogelijkheden, die nu eindelijk eens ten goede komen aan de plaatselijke bevolking om wie het uiteindelijk gaat; de hoop komt van de robotisering waarin apparaten het vuile en eentonige werk overnemen en diezelfde lokale mensen de handen vrij krijgen voor zinvollere dingen. Het stond helder en duidelijk geformuleerd in de Volkskrant van woensdag, 14 september, 2016: “Maar daarnaast (naast concentratie op de eigen binnenlandse markt, PV) wordt door automatisering en robotisering het verschil in loonkosten steeds onbelangrijker. De ouderwetse lagelonenlanden hebben afgedaan. Bedrijven ontdekken steeds vaker dat het net zo voordelig is producten te maken op de plaats waar ook de klanten zijn. In een in juli verschenen rapport van het Centre for Economic Policy Research in Londen betogen professor Simon Evenett en dr. Johannes Fritz van de Universiteit van St. Gallen in Zwitserland dat het wereldhandelsvolume inmiddels een soort plafond heeft bereikt”.

Maar betkent dit ook het begin van het einde van wat wij in onze boeken ‘Culture as Embodiment’ en ‘Cultuur&Lichaam’ de globalisering van gedrag hebben genoemd? In ‘Culture as Embodiment’ hebben we proberen duidelijk te maken dat de werfkracht van de Westerse wereld niet helemaal samenvalt met wat er vanuit de westerse landen vooral economisch is uitgericht. Er groeit overal veel verzet van de lokale bevolking, of dat nu in Europa of de Verenigde Staten is tegen het afbouwen van maakindustrieën als gevolg van de verplaatsing van de industrie naar landen waar arbeid goedkoper is. Natuurlijk, die afbouw maakte deel uit van de creatieve destructie van de tamelijk eenzijdige naoorlogse economie. Maar vast staat dat louter economisch gemotiveerd globalisme zijn beste tijd gehad heeft. Overal ter wereld gaat straks veel meer lokaal geproduceerd worden in afgegrensde niches. 

Maar wat gewoon doorgaat is de werfkracht van de leefstijl waarmee in het westen de eerste succesvolle experimenten zijn gedaan en die vrouwen vooral, maar ook mensen met andere samenlevingsvoorkeuren, hebben geholpen in een tamelijk succesvolle aanval op dominante, op ouderwetse mannelijkheid gebaseerde levenswijzen. Die experimenten gaan nog steeds heel de wereld over.
Ze stuiten op enorme weerstand in landen waarin nog nauwelijks een begin is gemaakt met het oplossen van  het kernvraagstuk van deze tijd, de verhouding van de geslachten. Mannen voeren in de Arabische wereld van IS en andere islamistische groeperingen een achterhoedegevecht tegen globalisering van gedrag zoals die is beschreven in onze boeken CaE en C&L. Die globalisering gaat gewoon door en zal uiteindelijk met een oplossing komen voor de creartieve destructie van de andere globalisering, de wereldhandel, de ecomische. Er komt een nieuwe wereldhandel uit voort die mensen overal de middelen zal verschaffen om comfortabel te leven met gebruikmaking van wat altijd door zal gaan, het uitvinden en maken van materiële genoegens, waarmee mensen hun leven zodanig verrijken dat er ruimte komt voor geestelijke diversiteit en gemeenschappelijkheid.

Paul Voestermans

« Newer Posts - Older Posts »

Categorieën